Het verliefde stelletje dat elkaar in aanwezigheid van anderen kust en met troetelnaampjes aanspreekt, is niet van alle tijden. Hetzelfde geldt voor het echtpaar dat een hele dag doorbrengt met de kinderen en 's avonds onder het genot van een glas wijn nog urenlang met elkaar van gedachten wisselt.
Maar wanneer zijn dan dat verliefde stelletje en dat huiselijke echtpaar ten tonele verschenen? Niet in Huizinga's Middeleeuwen. Huizinga karakteriseerde de omgang van man en vrouw in die tijd als 'bijster ruw' en sprak van een 'filisterachtige vrouwenverguizing', ondanks de schone schijn van de hoofse liefde die in de bellettrie de boventoon voerde. Er was in de Middeleeuwen eenvoudig geen plaats voor 'individueel sentiment' dat in stilte en duister hulde 'wat van tweeën' was.

De Canadese historicus Edward Shorter situeert het debuut van het verliefde stelletje en het kameraadschappelijk huwelijk in de achttiende eeuw. Om met het laatste te beginnen: door de moderne markteconomie konden vrouwen uit de burgerij zich aan het productieproces onttrekken en meer aandacht aan de opvoeding van hun kinderen besteden, waarbij zij het open driegeneratie huishouden van weleer transformeerden tot een nest voor het ouderpaar met kinderen. Tegelijkertijd konden dankzij de industriële revolutie vrouwen uit de nieuwe arbeidersklasse via loonarbeid ontsnappen aan de controle van ouders en leeftijdgenoten en voortaan hun eigen hartenwens volgen, waaruit de 'romantische liefde' als enige reden voor een huwelijk voortkwam. Deze twee elementen tezamen hebben, aldus Shorter, in de negentiende en twintigste eeuw het moderne westerse gezin doen ontstaan.

Diverse Nederlandse gezinshistorici stellen echter dat in de kustprovincies van Nederland al in de zestiende eeuw sporen te vinden zijn van zulke gezinnen, vanwege de vroege welvaart hier. Cijfers over huwelijksleeftijd, gemiddelde grootte van het huishouden en aantallen kinderen tonen dit aan, naast een nieuwe beeldcultuur. Al rond 1600 tekende bijvoorbeeld Jan Saenredam drie veel voorkomende motieven om te trouwen: om geld, uit verliefdheid en uit liefde - met respectievelijk als getuige: de duivel, een engel en god. Ook familieportretten uit de zestiende en zeventiende eeuw, die toen buiten Nederland nauwelijks werden vervaardigd, geven moderne verhoudingen weer. Neem het portret van Jan Jelisz. Valckenier en zijn gezin uit 1560, dat in het Amsterdams Historisch Museum hangt. Er is weinig over dit koopmansgezin bekend, maar dat het tamelijk intiem was blijkt uit het feit dat ook twee overleden kinderen, in doodshemd, zijn afgebeeld: gevoelsmatig hoorden die er nog gewoon bij.

Anderzijds is het zo dat in afgelegen gebieden in Nederland vrije partnerkeuze en huiselijkheid juist tamelijk laat regel zijn geworden. Een verklaring in de zin van Shorter zou zijn dat de industriële revolutie hier pas aan eind van de negentiende eeuw op gang is gekomen, honderd jaar later dan in Engeland. Het feit dat streekdrachten in Nederland decennia langer dan elders in Europa zijn gedragen, biedt wat dat betreft een indicatie.
Maar ook al leefde het ideaal van de vrije partnerkeuze, de praktijk week daarvan vaak af. Onder de nette burgerij is tot ver in de twintigste eeuw het laconieke 'moetje' de oplossing geweest voor jongens en meisjes die een 'ongelukje' hadden begaan. Omgekeerd konden ouders tot 1970 een huwelijk traineren doordat trouwlustige kinderen tot hun zevenentwintigste jaar van hen toestemming nodig hadden of anders dispensatie van een Kantonrechter moesten vragen; nu is dat tot achttien jaar. Niet voor niets was onder de Nederlandse burgerij het Schotse Gretna-Green, waar zestienjarigen zonder getuigen in de echt konden treden, een veelbesproken begrip. De werkelijke huwelijksmarkt was, kortom, een tango van mogelijkheden, voorschriften en veranderingen.
Wie met wie
Alleen landloze boeren en stedelijke paupers hebben eigenlijk nooit belemmeringen gekend met betrekking tot de partnerkeuze en het huwelijk. Velen van hen trouwden tot in de negentiende eeuw ook 'over de puthaak', dat wil zeggen, zij gingen zonder enige poespas samenwonen.
De vrijheid werd pas beknot zodra er materiële belangen in het geding waren, en dat kon radicaal zijn. Vorstenhuizen huwelijkten hun kinderen uit die van niets wisten; in 1641 werden zo de negenjarige Maria Stuart van Engeland aan de veertienjarige Willem II van Oranje gekoppeld. Onder edellieden en welgestelde mensen zijn zakelijke huwelijken, die tevoren door volwassenen waren bekokstoofd, tot in de negentiende eeuw de norm gebleven. Onder boeren heeft zelfs tot in de twintigste eeuw het 'bunder bi bunder' als leidraad gegolden, meldt S.J. van der Molen. Trouwen binnen de eigen welstandsgroep was voor mensen met bezit dusdanig dwingend dat velen daardoor niet trouwden. Voor de Friese adel van de achttiende eeuw wordt geschat dat gemiddeld twintig procent van de mannen bij gebrek aan een goede partij vrijgezel bleef. En in boerenromans uit de eerste helft van de twintigste eeuw treden nog vaak verbitterde broers en zussen op, die samenwonen op de boerderij van hun overleden ouders en elkaar als eksters in de gaten hielden, omdat een huwelijk van een van hen zou betekenen dat de erfenis werd opgesplitst, en wel in dusdanige porties dat niemand er meer van kon leven.
Ook godsdienst is een allesbepalende factor geweest op de huwelijksmarkt. Niet alleen kerkelijke autoriteiten van alle gezindten hebben eeuwen geageerd tegen zogenaamde 'gespikkelde huwelijken', de overheid deed dat eveneens. In 1755 verbood zij in een plakkaat haar ambtenaren, die allen gereformeerd dienden te zijn, met katholieken te trouwen. Tot de leeftijd van 25 jaar gold dat zelfs voor iedere protestantse onderdaan en degenen die daarna toch zo'n huwelijk aangingen mochten niet in gemeenschap van goederen trouwen.
Na de gelijkschakeling van de godsdiensten in 1795 nam de katholieke Kerk tot aan het Tweede Vaticaans Concilie in 1962 deze normatieve fakkel over. Voor een huwelijk met een andersgelovige moest een priester dispensatie verlenen, waarbij hij als voorwaarde stelde dat de kinderen rooms moesten worden opgevoed, zo niet dan werd de betrokkene geëxcommuniceerd. Om de onwenselijkheid van zo'n huwelijk in te peperen vond de inzegening niet voor het altaar maar in de sacristie plaats, en de bruid werd gevraagd niet in het wit te verschijnen. Het gezegde 'Twee geloven op een kussen, daar ligt de duivel tussen' veranderde aldus makkelijk van een waarschuwing in een voorspelling.
Een laatste vorm van endogamie, want daarover gaat het hier, betrof de gemeenschap. Het 'soort zoekt soort' gold de lokale soort. In de Achterhoek, laat Van der Molen weten, zei men tot na de Tweede Wereldoorlog: 'Vrie naobers kind, dan wet iej wa'j wint'. Dit klinkt als een advies, maar om erfenissen en het aantal huwbare meisjes binnen de gemeenschap zeker te stellen, werd iedereen wel degelijk geacht in eigen water te vissen. Wanneer een jongen uit een ander dorp om een meisje kwam, dan stuitte dat op verzet van haar leeftijdgenoten. Hij moest hun verlof vragen en trakteren; een pak slaag was vaak de tegenprestatie. Bij een zo'n aframmeling is in 1946 nog een jongen om het leven gekomen, Evert Otten uit Echten, het laatste slachtoffer van een voorbij onheil.
Groepscontrole
Desondanks werden de meeste huwelijken niet bedisseld. Er was binnen de eigen groep 'voorliefde' mogelijk. Karakteristiek aan de partnerkeuze was wel dat zij openlijk en volgens niet mis te verstane signalen verliep, opdat de omgeving toezicht kon houden. Voor de bezittende klasse was de eerste toezichthouder de groep van ongehuwden zelf. In hoge stedelijke milieus bestonden in de zeventiende eeuw 'assemblées' en 'societeyten' die danspartijtjes voor ongehuwden organiseerden. Ook gingen zij met een boot of wagen spelevaren, waarbij elke brug die gepasseerd werd aanleiding tot zoentjes gaf. Aangekomen op het strand werden de meisjes de zee in gedragen en met zand ingewreven; iemand werd met grassprietjes 'gegrazeld', en daarna was het tijd voor bezigheden als letters snijden of vlechten.

Kinderen uit gegoede kringen kregen tot in de huizen gelegenheid onder elkaar te zijn en spelletjes als 'slofje-onder', 'hoofdje-in-de-schoot' en 'zitten-in-de-put' te doen, die verregaande handtastelijkheden met zich meebrachten. Met de verpreutsing van de burgerij werden deze jongeren echter steeds meer aan banden gelegd; zij mochten elkaar niet meer in afzondering ontmoeten. Het enige wat overbleef waren de huiselijke fuifjes en debutantenbals, bij welke laatste onder toeziend oog van vader en moeder, huwbare jongens en meisjes uit een bredere kring dan alleen familie en buren met elkaar konden kennismaken. Dergelijke bals waren tot in de jaren zestig van de vorige eeuw onder chique mensen gebruikelijk; een residu ervan, bijna een folkloristische heropvoering, is in de jaren negentig opgedoken in het Kurhaus in Scheveningen en in Huis ter Duin in Noordwijk.

Ook op het platteland werden bijeenkomsten voor ongehuwden gehouden. Befaamd zijn de spinningen, die in de eerste maanden van het jaar plaatsvonden, vooral in het zuiden en het oosten. De opzet was vlasdraden te spinnen en daartoe kwamen meisjes uit de omgeving 's avonds met hun spinnewielen in verschillende boerderijen bijeen. Het gebruik schreef voor dat de ouders van huis waren en dat de jongens tegen negenen mochten verschijnen. Hun entree ging met de nodige branie gepaard. Zij gooiden een dode kat door een raam naar binnen, maakten rare geluiden of lieten een dolgeworden kip los, maar eenmaal in het aangezicht van de meisjes gedroegen zij zich bedeesd. Er werden liedjes gezongen, paartjes gevormd en gezelschapsspelletjes gedaan, waarover in verslagen van buitenstaanders steevast te lezen valt dat ze woest en onkuis waren.

In Drenthe gold het 'buut of slage'. Paartjes die elkaar hadden gevonden, zaten op een stoel te 'snorren', te zoenen. Jongens die overcompleet waren, konden dan naar een vrijer toegaan en zeggen: 'Buut of slage' (ruilen of een klap). Antwoordde de vrijer: 'Slage', dan moest hij zijn hand uitsteken om een klap met een houten plak erin te ontvangen. Zo kwamen er regelmatig wisselingen tot stand.
Priesters, dominees en onderwijzers hebben zich van oudsher gekeerd tegen deze spinningen, maar ze gingen gewoon door, ook toen het vlas al lang en breed in fabrieken werd verwerkt. Pas in het eerste kwart van de twintigste eeuw kwam er een eind aan, vermoedelijk omdat de jongeren zelf afhaakten. Want al waren de ouders erbij afwezig, de controle die leeftijdgenoten uitoefenden ging ver. Niets kon zonder hen gebeuren. Zo werden stelletjes die zich probeerden af te zonderen groepsgewijs opgespoord, tot in huizen en velden toe; in het noorden van het land bestond hiervoor een apart woord, 'strunen'. Voor stelletjes die hiervan gevrijwaard wensten te blijven, is de verschijning van de fiets een enorme uitkomst geweest. Daarmee konden zij naar een stil plekje peddelen of naar een naburige stad.

Een andere gereguleerde bijeenkomst voor trouwlustigen waren de vrijstermarkten. Dergelijke markten waren doorgaans aan een kermis of jaarmarkt verbonden en hadden grote dorpen en kleine steden als decor. Pieter de Neyn beschreef in Lusthof der Huwelijken uit 1681 vermoedelijk de oudste vorm ervan. In Schermerhorn, Noord-Holland, nodigde een 'uitroeper' met bekkens 'alle de vrijsters die lustig en rustig om te trouwen zijn' uit naar een herberg te komen waar de vrijers al klaar zaten. Na wat drank en dans werden de jongens en meisjes op een rij gezet en probeerde een pendelende makelaar al fluisterend contact tussen de kandidaten te leggen. De jongens voor wie een 'accord' tot stand was gekomen, draaiden voor alle kosten op. Maar deze Schermerhornse vrijstermarkt is in 1730 voor het laatst gehouden: er kwamen geen meisjes meer op af. Kennelijk vonden zij het te gortig worden om zich publiekelijk als huwelijksvee aan de jongens te presenteren.
Elders hebben meer gelijkwaardige vrijstermarkten langer gefunctioneerd. In Schagen boven Alkmaar was het tot ongeveer 1900 gebruik dat jongens en meisjes zich verzamelden op het kerkhof om een partner voor de kermis uit te zoeken. Bij het hek van het kerkhof moesten zij een dubbeltje betalen aan de 'werveldraaier', die te jonge en te oude meisjes weerde, evenals jongens van buiten het dorp. Onderling werd vervolgens een keuze gemaakt. Zij die een blauwtje hadden gelopen, kregen hun geld terug, maar werden wel bespot. Afgewezen meisjes moesten de klink van de kerkdeur schoonmaken, om daarmee de smet die op hen terecht was gekomen symbolisch te verwijderen.
Nog ongedwongener was de 'Maartekeur' in het Gelderse Lochem, die wéér langer heeft bestaan. Tijdens de jaarlijkse meimarkt formeerden meisjes op een plein een rij; jongens wandelden er ginnegappend langs en maakten hun voorkeur bekend door een krijtstreep op de jurk van een meisje te zetten. Bij instemming kon het meisje met de jongen aan de zwier gaan.
Hier was nog dus steeds sprake van een openbare keuring, maar er waren ook markten waarbij dat niet gebeurde en die hebben onze tijd gehaald. In Zwolle en Meppel en andere steden kwamen tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw jongeren van heinde en verre naar de jaarmarkt. Er was niets georganiseerd, al er bestonden wel regels. Het begon met flaneren, giechelen en gluren. Waaghalzen duwden plotseling een meisje in de rug of omhelsden haar. Aan de felheid van haar, altijd afwijzende, reactie merkte een jongen of aanhouden zin had. De Staphorster jongens, die in Zwolle kwamen, probeerden de 'buul', de boodschappentas, van een dorpsgenootje af te pakken, waarmee zij het recht verwierven die 's avonds bij haar thuis terug te bezorgen. Dat had het meisje deels zelf in de hand. Als zij het absoluut niet wilde kon zij zich met tas en al laten meesleuren; als zij het wel wilde dan werd afpakken een peulenschil.
Wonderlijk genoeg heeft zich in Schoorl, Noord-Holland, tot op heden een echte vrijstermarkt gehandhaafd. Al sinds de zestiende eeuw hollen daar op Tweede Pinksterdag meisjes van het Klimduin naar beneden, om te worden opgevangen door gretige jongens. Deze tamelijk ongekunstelde vorm van vrijstermarkt kent ook modernere varianten. In veel dorpen en steden zijn nu nog plaatsen aan te wijzen waar jongens en meisjes groepsgewijs plachten te flaneren. In Zaandam was dat tot voor kort de Westzijde. Traditioneel hadden op woensdagavond de dienstmeisjes vrijaf en om met huwelijkskandidaten in contact te komen slenterden zij dan urenlang gearmd over straat. Die kandidaten doopten de avond 'billenavond', naar de Bullekerk die aan de Westzijde lag, maar ook naar het lichaamsdeel dat dan handtastelijkheden opriep. Vanwege de aansprekende naam kende ook Purmerend een billenavond.
Uit normale hedendaagse kennismakingen is dit soort publieke directheid verdwenen. De scheiding tussen jongens en meisjes, belichaamd in het groepsgewijs flaneren, behoort tot het verleden. Alles lijkt rustiger, afstandelijker en vrijblijvender te verlopen, wat een algehele opwinding niet uitsluit. Er is tegenwoordig natuurlijk tijd en gelegenheid (sportverenigingen, disco's, vakantieoorden) te over om een partner te vinden. Trouwen is bovendien voor velen geen absolute noodzaak meer.
Maar dat vrijstermarkten niet helemaal hebben afgedaan, bewijzen de singleparty's' voor vrijgezellen en gescheiden mensen die een herkansing willen. Wekelijks staan daartoe oproepen in de krant. De berichten willen wel dat hierbij overigens eerder van een markt van vrijers dan van vrijsters moet worden gesproken, als gevolg van de emancipatie van de laatsten. Ook internet heeft diverse vormen van vrijstermarkten opgeleverd, zoals websites met Oosteuropese dames en inschrijvingen voor 'speeddating', bij welke laatste vrouwen eveneens het initiatief lijken te hebben. Ouderenbonden kennen voor hun achterban hiervan een eigen variant: slowdating. Voor wie een internationale aanpak prefereert is er elk jaar in september een Matchmaking Festival in Lisdoonvarna, een dorp aan de westkunst van Ierland, waar makelaars nog actief mensen aan elkaar proberen te koppelen.
Toezicht thuis
Nog meer controle op de kennismaking bood het nachtvrijen of kweesten. Nachtvrijen was, net als de spinningen en de vrijstermarkten, over heel Europa verbreid en vond vooral plaats in geïsoleerde gebieden met weinig standsverschil. In Nederland is het bekend van de Waddeneilanden en van Staphorst, al zijn er ook meldingen over Amsterdam en het noorden van Noord-Holland.

Pieter de Neyn ontmoette dit gebruik in 1666 op Texel. Er was niet één huis op het eiland, schrijft hij, waar geen raam open of uitgebroken was, zodat 's nachts een jongeman naar binnen kon klimmen om bij een meisje in de bedstede te kruipen en boven op de dekens een praatje te maken tot één uur voor zonsopgang... 'werdende nooit gehoord van enig ongemak, of onbeschoftheid de dochter aangedaan'.
Het schijnt dat nachtvrijers over tientallen boerderijen uitzwermden en met elkaar bespraken wie bij wie op bezoek ging en welke meisjes aardig waren. Omdat het nogal een inbreuk op de privacy was en ook moralisten zich er tegen keerden - zoals Jacob Cats:
Ick zie men laet de jonckheyt toe,
Te mallen, ick en weet niet hoe,
Let, ouders, let op dit bejagh,
En bindt het vrijen aan den dagh
- verdween het nachtvrijen in de negentiende eeuw op de Waddeneilanden. In het streng gereformeerde Staphort ging het echter door tot aan de laatste wereldoorlog. Een 'noachie proate', heette het gebruik daar ook, en de kapotte ruit was er vervangen door een klein venster boven de melkkelder, waarachter de ongetrouwde dochter placht te slapen; vandaar: 'venstervrijen'.

In meer burgerlijke boerenmilieus verkozen ouders toezicht uit te oefenen tijdens officiële bezoekjes aan huis. Diverse folkloristen uit de twintigste eeuw geven hier nog beeldende beschrijvingen van. Op een bepaalde avond, meestal zondagavond, klopten de jongemannen bij de meisjes aan. Het tijdstip waarop dat gebeurde varieerde per streek, maar luisterde nauw, want als een jongen iets later kwam dan kon dat betekenen dat hij elders was weggestuurd, wat zijn kansen verkleinde. Ook kon het natuurlijk zijn dat een mededinger hem voor was geweest.
In tegenstelling tot de vrijstermarkten was het hier de vrijer die werd beoordeeld, maar liefst door de hele familie. Beviel hij ook maar even niet, was hij te jong of te onbemiddeld, dan gaf alles wat hij deed aanleiding tot grappen. Waling Dijkstra vermeldt voor Friesland een pesterij om de jongen van alles tegelijk aan te reiken, zodat hij altijd wel iets uit zijn handen liet vallen. Toch was het voor hem zaak zo lang mogelijk te blijven zitten. Kwam hij voortijdig het huis uit, dan waren er leeftijdgenoten die hem de 'mislukte meidslag' wilden inpeperen.
De verlossing moest van het meisje komen. Typerend was dat zij haar oordeel liet weten door middel van een gebaar; meer theater werd er niet van gemaakt. Afwijzing in Noord-Holland was wanneer het meisje bij binnenkomst van de jongen bleef zitten; hij had dan nog een kans maar die was verkeken zodra het meisje de tang pakte om het vuur in te rekenen: 'Voor de tang zijn alle vrijers bang'.
Afwijzing in Gelderland was een pannenkoek met weinig beslag of met het zwoerd van de spekjes tegen elkaar aan; in Zeeland wanneer het meisje hem geen vuur gaf om zijn pijpje aan te steken; in Friesland wanneer zij hem geen stoel aanbood en haar oorijzer afzette; in Zuid-Holland wanneer hij een kapje van de koek kreeg. Híer sneed het meisje de koek die de jongen had meegebracht niet aan wanneer zij hem niet mocht, dáár at ze koek dan juist alleen op, enzovoort. Het tegendeel van dit alles impliceerde uiteraard een aanmoediging. Als die boodschap werd gegeven, kon de jongen nog eens terugkomen of haar meenemen voor 'los verkeer'.
Verkering
Een verkering - in hogere kringen sprak men van 'acces' of 'conversatie' - hoefde nog niet tot een huwelijk te leiden. Onder boeren werd het paar vanaf dit moment wel grote vrijheden gegund, variërend per regio. In Friesland mochten tot 1900 jongens en meisjes 'opzitten' wanneer de ouders naar bed waren gegaan; ook konden ze elkaar ongestoord ontmoeten in het 'lytshûs', het 'kleinhuis' naast de boerderij. In Staphorst en andere plaatsen werd een 'vrij huussien' gegeven. Op Walcheren brachten paartjes de nacht door in de bakkeet, wat in de benaming van het gebruik terugkwam: 'bakketen'. In Spakenburg heette het 'kraaienvangen', in Huizen 'kredieten', in Urk 'om top gaan'.

Zoorholt, de aangeklede boomstam als vervangende bruidegom voor een in de steek gelaten meisje. Bing en Braet von Ueberfeldt (1857).
De bedoeling van deze vrijheden was datgene te laten gebeuren waarvoor huwelijken bestemd leken: het meisje moest zwanger raken. Kinderen waren op het platteland met het oog op erfopvolging en zekerstelling bij ziekte en ouderdom niet iets om aan de voorzienigheid over te laten. De meeste demografen schatten het aantal zogeheten zwangerschapshuwelijken vroeger op twintig procent, maar volgens de folklorist D.J. van der Ven konden voor de laatste wereldoorlog negentig procent van alle huwelijken zo worden genoemd, wat in elk geval aangeeft dat plattelandsbewoners het verschijnsel volkomen normaal vonden. Een Franse boerenwijsheid wilde niet voor niets: Vrouwen bevallen na drie maanden, maar alleen de eerste keer.
De verkering was over als het meisje onvruchtbaar bleek. Als de jongen daarna met een ander in ondertrouw ging, werd het meisje nog eens herinnerd aan haar niet-ingeloste verplichting jegens de gemeenschap. In Drenthe kreeg zo'n meisje tot in de twintigste eeuw een kolden vrijer: een dode wilgenstam (zoorholt), met kiel en pet bekleed, die door de padjongens met een berijmde toespraak bij haar thuis werd afgeleverd. Zij hoorde daarbij met een versnapering te bedanken! (De schrijver Thomas Roosenboom heeft dit gegeven gebruikt in zijn historische roman Publieke werken uit 2000).
In Noord-Holland kende men voor hetzelfde doel een versierde stropop (dorhoed) met bijvoorbeeld de tekst: 'Wilt dit beeltenis aanschouwen, Want het zal u wel berouwen, Dat hij nu zal trouwen gaan, En gij moet achter staan.' Elders werd haar een hoepel met stro om de hals geworpen of werd zij met kaf bestrooid. Troep op haar erf neerzetten gold als afronding van dit 'zuiveringsritueel'.

Het was dus zaak dat een verkering in stand bleef, ook voor de jongen. Als alternatief dreigde het vrijgezellenbestaan en dat was weinig aanlokkelijk. Iemands status werd bepaald door de vraag of hij of zij getrouwd was en een eigen huishouden bezat, omdat alleen daaraan materiële zekerheden waren verbonden. Vrijgezellen werden geminacht. Ze woonden in bij familie, bij wie ze 'in de voddenmand' zaten en een ondergeschikte positie innamen. Daarom was het vooruitzicht een vrijgezel te worden een obsessie. Er bestonden clubs voor wie de hoop nog niet had opgegeven, zoals De Geitenfokvereniging of de Club van Ongekuste Jongeren. Het doek viel onbarmhartig bij dertig jaar. In sommige plaatsen, zoals het Zeeuwse IJzendijke, kreeg de mannelijke vrijgezel dan een 'sleutel van de ossenwei', die hem lid maakte van de kudde norse kastraten.
Maar ook als de verkering voortduurde, was het levensgeluk niet binnen bereik. De socioloog H.A. Sillevis beschrijft voor de Noordwest-Veluwe hoe paartjes zich daar tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw gedroegen. Zo de jongen en het meisje zich al gezamenlijk ergens vertoonden, wat ze liever niet deden, dan vermeden ze onderling elke uiting van genegenheid: geen omarming, geen zoenen, geen verliefde blikken. Een dergelijke houding is op het platteland lang algemeen geweest. Het tonen van affectie vond men kale drukte, wat niet eens met preutsheid te maken had maar met de nuchterheid en zakelijkheid die nodig waren voor het boerenbedrijf. Openlijk vertoon van affectie zou ook meteen 'open' zijn geweest, in de zin dat iedereen zich ermee bemoeide. Wat dit betreft lijken Nederlandse plattelandspaartjes het overigens nog beter te hebben getroffen dan hun Franse equivalenten, zoals Christian Robb beschrijft. Daar was de romantiek zo ver weg dat paartjes geen andere uitingen hadden dan elkaar grijnzend stompen te geven of zelfs met stenen te bekogelen. En bestaat er een onmachtiger liefdesuiting als het elkaar vlooien, wat in Indonesië nog gebeurt?

Op een bepaalde manier gold afstand toen ook nog voor de burgerij. Preutsheid en fatsoen waren hierbij wel de overwegingen. Amy Groskamp-ten Have schreef in een naoorlogse editie van haar veelgelezen Hoe hoort het eigenlijk dat zelfs verloofde stelletjes nog niet gearmd over straat hoorden te gaan - 'over de gewoonte om behalve arm in arm ook nog hand in hand te lopen kan beter gezwegen worden… Dit is strijdig met alle begrippen van goede vormen'.
Achteraf is deze norm in een oogwenk veranderd. Naar het voorbeeld van jongeren uit de volkswijken en onder invloed van wat de moderne media zo al aan gedragingen voor stelletjes hebben laten zien - en die invloed is enorm geweest: een heel scala van verliefde gebaren en gezichtsuitdrukkingen is daardoor over de hele wereld verspreid geraakt - verschijnen sinds de jaren zestig ook jongens en meisjes op het platteland en uit de burgerij innig verstrengeld in het openbaar, zonder dat iemand er aanstoot aan neemt.
Het aanzoek
Het ogenblik was daar voor een formeel huwelijksaanzoek. Dat werd vroeger bij de vader van het meisje gedaan, zonder dat de jongen en het meisje hierbij aanwezig waren; soms zelfs zonder dat zij wisten wat er gebeurde. Onder de adel, regenten en rijke boeren is het tot in de negentiende eeuw voorgekomen dat de verkering zelfs begon met een aanzoek. Iemand informeerde namens de familie van de jongen bij de vader van het meisje of zij vrij was. Vervolgens waren het de gezinshoofden die het stel aan elkaar koppelden en de uithuwelijking regelden.
Alleen al uit de wijze waarop het aanzoek in de loop van de tijd zich heeft ontwikkeld, valt af te leiden dat de relatie tussen een jongen en een meisje een steeds persoonlijkere aangelegenheid is geworden. Eerst nam de vader van de jongen hem als lijdend voorwerp mee naar de vader van het meisje; daarna werd de vader de begeleider van zijn zoon en weer later bleef hij helemaal weg. Nog steeds werd het aanzoek in eerste instantie tot de vader van het meisje gericht, niet tot haarzelf, maar ook dat veranderde. Het meisje, dat al met het aanzoek had ingestemd, kwam erbij zitten en in plaats van de vader een aanzoek te doen werd hem slechts om toestemming gevraagd. Toestemming werd vervolgens instemming. En ten slotte: de jongen en het meisje die samen min of meer plechtig aankondigen dat ze hebben besloten te trouwen, of zelfs dat niet eens: ze gaan zonder enige kennisgeving samenwonen. Deze geruisloze revolutie in de menselijke betrekkingen is sinds 1960 opgekomen. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek woonde eind jaren zestig een op de tien stellen eerst enige tijd samen, tegenwoordig is dat maar liefst negen op de tien.

In hedendaagse etiquetteboeken zal men hierom geen uitgebreide instructies voor het aanzoek vinden, maar Amy Groskamp-ten Have gaf na de Tweede Wereldoorlog jongens uit de burgerij nog de volgende aanbevelingen. Tijdens het tweegesprek met de vader van het meisje diende de serieuze kandidaat eerst toestemming te vragen om zich met diens dochter te mogen verloven. Dan zei hij: 'Ik begrijp, dat U graag alles van mij en mijn familie en mijn omstandigheden wilt weten' en hij begon aan een opsomming: namen zowel van vaders- als van moederszijde, beroep van vader en grootvader, eventuele algemeen bekende persoonlijkheden in de familie, zijn leeftijd, gezondheid, godsdienst, politieke overtuiging, opleiding, diploma's, betrekking, inkomen, carrièreperspectieven en namen van mensen die bereid waren referenties over hem te verstrekken...
Het aanzoek aan de ouders van het meisje mag een futiliteit zijn geworden - bij het aanzoek tussen de jongen en het meisje zien we het omgekeerde. Eeuwenlang is dat een intieme gebeurtenis geweest, waarbij het opleidingsniveau en de romantische inslag van het paar voor de enscenering zorgden. De ridderlijke knieval was immers niet iedereen bekend. Sinds enige decennia worden aanzoeken in graffiti op viaducten geschreven, ze dalen neer vanuit luchtballonnen of worden zonder waarschuwing vooraf overgebracht door een televisiepresentator. Hoewel het aantal paren dat deze publieke weg kiest niet groot is, lijkt er een algehele strijd te zijn ontbrand om originele manieren te bedenken. De huidige gelijkwaardigheid tussen man en vrouw heeft natuurlijk de behoefte aan een nieuwe vorm voor het aanzoek doen ontstaan, want inmiddels schijnt dit al in twintig procent van de gevallen door de vrouw te worden uitgesproken. Maar belangrijker lijkt dat paartjes hun exclusieve verhouding bevestigd willen zien tegenover een getuigende massa. Het is theater van het persoonlijke. En het beste bewijs dat relaties tegenwoordig absoluut privé zijn.
Het huwelijkscontract
Een huwelijksaanzoek heette vroeger ook een huwelijksvoorstel en dat tekende de sfeer. Vertegenwoordigers van beide families werden uitgenodigd 'op het huwelijk te zitten' en het was doorgaans aan een notaris, dominee of priester om 'de knoop te leggen'.
De onderhandelingen over de huwelijkse voorwaarden gingen met strijkages gepaard, maar waren hard. De familie van de jongen moest eerst de familie van het meisje overtuigen dat zij goed terechtkwam. Dat kon betekenen dat haar vader om inzage van de boeken vroeg en onbeschroomd de bezittingen inspecteerde. Dan werd de toekomstige huisvesting besproken en de hoogte van het 'weduwen- en speldengeld' bepaald, het geld voor grote en kleine zaken dat zij bij overlijden van haar man zou krijgen. Hier tegenover werd vervolgens de uitzet van de bruid gesteld. Een uitzet kon variëren van kleren en linnengoed tot een heuse bruidsschat, wat onder koopmansfamilies niet ongebruikelijk was, zeker wanneer hun dochter met iemand van adel wist te trouwen. Zodra de partijen akkoord waren kon het huwelijkscontract door een notaris worden ondertekend of aan omstanders ('dedingsluden' of 'hylicksvrunden' in Oost-Nederland) worden voorgelezen, wat dezelfde rechtskracht had.
Tegen deze 'huwelijkshandel' rezen al in de zeventiende eeuw bezwaren. In een anonieme brochure uit 1783 met de titel Huwelijkscontracten en Huwelijksplechtigheden van verscheiden Volken vertelt de schrijver dat hij als getuige was uitgenodigd om een huwelijkscontract tussen Celiane en Melson te tekenen. Toen hij binnenkwam hadden de beide ouderparen al drie uur met elkaar gehaspeld over de vraag wat er moest gebeuren als Celiane in het kraambed stierf en haar kind haar slechts kort zou overleven. Het geschil liep zo hoog op dat het huwelijk alleen door 'teder vleien en zoete bevalligheden' van de twee gelieven kon worden gered. Maar toen het contract uiteindelijk werd voorgelezen, liepen bij hen de tranen over de wangen, want het bevatte slechts bepalingen over giften bij vooroverlijden, lijftocht, weduwschap en duur van de rouw; het was een 'testament bij voorraad'.
Wat er gebeurde was dat in kringen waar zo'n contract toch al minder belang had, de onderhandelingen erover werden uitgesteld tot na de ondertrouw, dus nadat de toestemming voor het huwelijks al was gegeven. In de negentiende eeuw werd dat onder de burgerij de gewoonte. Maar met name onder gezeten boeren bleef de oude zakelijkheid nog bestaan. Voor hen stond er ook veel op het spel. Het paar trouwde vaak bij de ouders van de jongen in en moest eventueel het bedrijf voortzetten, wat niet alleen strikte afspraken vooraf maar ook een zorgvuldige partnerkeuze vereiste. Pas toen de landbouwmechanisatie een behoorlijk niveau had bereikt, kon onder eigenerfde boeren de liefde worden vrijgegeven.
De verloving
Met de ondertekening van het huwelijkscontract was de verloving, de belofte om te trouwen, een feit. De trouwbelofte werd in de regel bekrachtigd door een geschenk van de jongen aan het meisje, ook wanneer er helemaal geen huwelijkscontract bestond, zoals bij de meeste mensen het geval was.

Als geschenk dienden een penning, een ring, een vingerhoed of een stuk koek en een paar hazelnoten. In Friesland en delen van Noord-Holland kende men de knottedoek, een lap waarin muntstukken zaten geknoopt, die door het meisje vaster werd aangetrokken als zij de verloving wenste. Rijke lieden bewaarden die doek in een zilveren knottekistje, nu een kostbaar antiquiteit. Mettertijd heeft de ring, die al bij de Romeinen bekend was, alle andere voorwerpen verdrongen. Voor katholieken is dat niet vreemd, want de ring was sinds de elfde eeuw in de liturgie opgenomen. Maar protestantse dominees verwijderden de ring daaruit en hebben dat volgehouden tot 1930.
Interessant is dat de ring aanvankelijk door de man aan de vrouw werd gegeven, zonder dat hij iets terugkreeg. Volgens de volkskundige Han Voskuil symboliseerde de ring zijn trouwbelofte aan haar en was daardoor een onderpand. Zij hoefde de ring ook niet te dragen en zo ze dat wel deed, dan was dat onder invloed van de heersende mode. Met de veranderingen in het 'psychisch klimaat' tussen man en vrouw, gebeurde het steeds vaker, aldus Voskuil, dat zij elkaar een ring gingen geven, die uit een deel voor haar en voor hem bestond. Tussen de zestiende en achttiende eeuw doken hiervoor tweedelige 'hoepringen' op. Aan het eind van die periode gingen vrouwen uit hogere stedelijke milieus hun ring daadwerkelijk dragen, enerzijds ten teken van trouw aan hun man en anderzijds ter bescherming van hun maatschappelijke status. Ze deden de ring om de wijsvinger, omdat daar een adertje doorheen zou lopen dat rechtstreeks naar het hart voert, en hadden hem ook altijd om - op dat ene ogenblik na dat hij verhuisde van de linker- naar de rechterhand bij protestanten en van de rechter- naar de linkerhand bij katholieken.
In de negentiende eeuw gingen de eerste mannen een ring dragen, als uiting van echtelijke trouw. Deze gewoonte verbreidde zich vanuit de stad over het platteland en vanuit de hogere kringen over de lagere, dit ondanks de weerzin die veel protestantse dominees en mannen ertegen hadden. Mannen waren bang voor 'opscheppers, kaatjes of zeikers' te worden versleten. Maar toen de 'ringwisseling' ook in de protestantse kerk werd ingevoerd, leek de omwenteling voltooid en bloeide de ringindustrie als nooit tevoren.
Althans tot 1965, want vanaf die tijd daalde de verkoop van ringen en droegen sommige stelletjes helemaal geen onderscheidingsteken meer. Zeker had dit voordelen, want iemand met oneerbare bedoelingen verborg doorgaans zijn ring; een terugkerend tafereel in oude films en romans. Toch was het niet met dat oogmerk dat ringen nu achterwege werden gelaten, want als alternatief kwamen medaillons en bedeltjes in zwang. Paartjes concludeerden kennelijk dat zij als teken van onderlinge verbondenheid van alles konden gebruiken en hadden niet langer behoefte aan de status die een ring ooit gaf.
De verloving heeft een zelfde ontwikkeling ondergaan. Verlovingen waren onder de burgerij tot ver in de negentiende eeuw hoogtijdagen. Er werd een annonce in de krant gezet, het stel stuurde visitekaartjes rond, er werden bezoekjes aan familieleden en vrienden afgelegd en zelfs een verlovingsreceptie behoorde tot de mogelijkheden. Ook anderszins had een verloving voor de burgerij zin. Het sparen voor meubels begon en de jongen en het meisje konden gaan en staan waar ze wilden, zonder de eeuwige chaperonne.
Onder de meerderheid van de bevolking daarentegen was de verloving rond 1900 nog zo goed als onbekend, maar een inhaalslag volgde, met de ring als wegbereider. In de jaren zeventig van de vorige eeuw verklaarde in een onderzoek van Bureau Makrotest bijna 85 procent van de geënquêteerden dat zij zich min of meer officieel hadden verloofd. De verburgerlijking van de arbeidersklasse speelde hierbij een rol, maar ook de algehele welvaartsstijging die een extra cadeautjesronde voor huwelijkskandidaten mogelijk maakte.
Niettemin, ondanks die recente opbloei, lijkt het erop dat de verloving aan betekenis verliest. Verlovingsannonces verschijnen nog maar in weinig kranten, verlovingskaartjes worden bij de drukker niet meer in modelvorm aangeboden en mensen die voor een verlovingsreceptie worden uitgenodigd zullen daarvan opkijken. Veel stelletjes verloven zich tegenwoordig in het geheim en stellen hun familie daarvan terloops op de hoogte. In kringen waar de verloving van oudsher gebruikelijk was, slaan paartjes deze fase helemaal over. De vrijheid die zij met een verloving kregen, krijgen zij nu zonder ook wel, en verder vinden zij het gebaar dat een verloving toch vooral tegenover de buitenwacht was, niet langer nodig.
Trouwdwang
Nog om een andere reden heeft de verloving aan kracht ingeboet: een trouwbelofte was vroeger bindend. Had een van de partijen spijt gekregen, dan was dat niet voldoende om het huwelijk geen doorgang te laten vinden; het jawoord was bij wijze van spreken al gegeven. Deze opvatting stamde uit de tijd dat een huwelijk voltrokken werd door een trouwbelofte gevolgd door 'vleselijke conversatie'.
Zo, 'zonder veel gelaats', kwamen tot in de zestiende eeuw bijna alle huwelijken tot stand. Weliswaar had de kerk in de twaalfde eeuw voorgeschreven dat een huwelijk - nadat het tot drie keer toe was afgeroepen - door een priester moest worden ingezegend, maar tegelijkertijd bleef zij de oude praktijk erkennen. Na het concilie van Trente in 1563 gold dat huwelijken die niet waren ingezegend, ongeldig waren, maar de trouwbelofte werd sindsdien een dwingende reden om een huwelijk aan te vragen. Bij de hervorming, die in de meeste provincies de huwelijkssluiting door een dominee of rechter invoerde, bleef dat zo. De trouwbelofte overleefde zelfs de scheiding van kerk en staat in 1795, waarbij het burgerlijk huwelijk werd ingevoerd en het kerkelijk huwelijk slechts een ceremoniële status kreeg toebedeeld. Pas het Burgerlijk Wetboek van 1838 bepaalde dat niemand op grond van zo'n belofte tot een huwelijk kon worden gedwongen.
De moeilijkheid van een trouwbelofte was de bewijsbaarheid. Soms was een ondubbelzinnige schriftelijke verklaring opgesteld ('Ik, Andries Belt bezwere...') en ook een opgemaakt huwelijkscontract bood doorgaans voldoende bewijs, maar wat als het contract niet door een handtekening maar door een penning of een ring was bekrachtigd? Was de rechter van een toezegging overtuigd dan kon hij de woordbreker tot een schenking dwingen, wat meestal gebeurde. Stond de eer van het meisje op het spel, omdat het huwelijk al was aangekondigd, dan kon een rechter de jongen net zo lang gijzelen totdat hij bereid was te trouwen. Eventueel werd een vertegenwoordiger benoemd die in zijn naam de formaliteiten bezegelde.
Tot in de twintigste eeuw zijn er processen aangespannen om een gebroken trouwbelofte alsnog na te komen, al ging het daarbij meestal om schadevergoeding voor een meisje dat een kind verwachtte of al had gekregen van de woordbreker. De wetgever liep hierin klaarblijkelijk ver voor op de heersende moraal. Daar waar de rechter geen hulp kon bieden, bestond altijd nog de mogelijkheid het paar tot een 'moetje' te bewegen. Onder de burgerij zijn dergelijke 'moetjes', die meestal in stilte werden voltrokken, pas uit het repertoire verdwenen sinds abortus in de jaren zeventig van de vorige eeuw een uitweg begon te beiden. Ook al werd daar geen gebruik van gemaakt, het simpele feit dat dat alternatief bestond ontsloeg de jongen en het meisje van trouwdwang.
Op het platteland, waar niet alleen de familie maar de hele gemeenschap door een geschonden trouwbelofte werd geraakt, koos men in zo'n geval voor een publieke aanpak. De woordbreker kon een serenade van ketelmuziek krijgen of, wat in Drenthe en noordwest-Overijssel voorkwam, op symbolische wijze in de echt worden verbonden.
Dit gebruik is onder verschillende benamingen bekend (kolde bruloft, kolde wasschup, halen, wagenrijden, op de wagen nemen), maar de vorm was overal gelijk. Op een bepaalde avond werd de weigerachtige jongeman door zijn leeftijdgenoten van het dorp van huis afgehaald en gedwongen op een boerenwagen - of in een punter, zoals in Giethoorn - te gaan zitten, die vaak met mest beladen was. In optocht van soms wel een paar honderd man ging men naar het huis van het meisje. Het meisje werd eveneens op de kar gezet of de jongen werd bij haar binnen gebracht. Was er een kind in het spel, dan vond de zogenaamde kniezetting plaats: door het kind op de knie te nemen erkende de vader immers zijn vaderschap. Was het meisje in verwachting, dan ontlokte een van de aanwezigen, die zich de rol van burgemeester aanmat, de jongen een nieuwe trouwbelofte en verklaarde het paar vervolgens voor getrouwd. 'Voor 't aangezicht des volks' moesten de jongen en het meisje elkaar omhelzen. Een dergelijke koude bruiloft is nog in 1941 voorgekomen in Staphorst.
Ondertrouw
Het moment van aantekenen, bij de kerk of op het stadhuis, werd door velen ervaren als het begin van de wettige relatie, de eigenlijke huwelijksdag. Dat de ondertrouw een periode inluidde waarin derden bezwaar konden maken tegen het voorgenomen huwelijk, werd kennelijk als een formaliteit beschouwd. Het voornemen was de daad zelf; de rest was voor juristen.
Op het platteland kwamen jongelingen de avond voor de aantekening bij het aanstaande bruidspaar langs voor het traditionele bruidsbier, boxenbier, verschoolbier of schootbier, waarmee de bruid als het ware werd afgekocht van de gemeenschap. Ter inleiding werden door de jongelingen geweerschoten gelost, een gebruik dat vroeger algemeen schijnt te zijn geweest, maar alleen is vastgelegd voor Brabant en de oostelijke provincies. In Brabant heette dit 'losschieten', in de oostelijke provincies, waar het trouwens na de terugkeer van het paar van het stadhuis plaatsvond, 'bokseschieten'. Die traktatie op bruidsbier gold als dure plicht. Nog in 1956 is in Vessem, Noord-Brabant, bij een bruidegom die weigerde na het losschieten op bier te trakteren, de boel kort en klein geslagen.

De aantekening zelf werd meestal alleen door het paar bijgewoond. Daar bestonden traditionele data voor, zoals Witte Donderdag onder Volendammers.
De bruidsdagen die nu begonnen, werden vooral gevierd door rijke stedelingen en bemiddelde boeren. Onder de eersten bestond de gewoonte om op de eerste zondag na de aantekening - als het voorgenomen huwelijk zowel van de preekstoel als van het stadhuisbordes werd afgeroepen - wederom een receptie te houden. Kinderen kregen daarbij de befaamde bruidssuikers en volwassenen bruidstranen of hipocras, een kruidenwijn. De benaming bruidstranen verwijst naar de tranen die de bruid werd geacht te plengen, want dat zij huilde vond men heel gepast. Intussen zat de bruid samen met enkele vrouwelijke verwanten 'in staatsie' onder een bruidskroon, die de Romeinen al kenden. De bruid werd aldus 'te prijk' gezet. Buren en familieleden kwamen haar bewonderen en van een afstand gelukwensen, maar aan de bruidegom werd nauwelijks aandacht besteed. Die liep vrij rond en rookte uit een lange versierde pijp, een traditionele gift van zijn bruid, die op het platteland tot in de twintigste eeuw voorkwam.

Halverwege de achttiende eeuw schijnt aan dit openbare staatsiezitten voor de vrouw een eind te zijn gekomen. Van toen af ging het bruidspaar samen recipiëren. Eerst zaten man en vrouw naast elkaar, omgeven door vrouwelijke verwanten; later kwamen de wederzijdse ouders voor de laatsten in de plaats, en op een gegeven moment ging dit gezelschap staan om de gasten, die zich voor hen in een rij hadden opgesteld, een voor een de hand te schudden. Tegenwoordig blijven de ouders vaak achterwege en neemt het paar alleen de gelukwensen in ontvangst.
Ondertrouwrecepties zijn gehouden tot na de laatste wereldoorlog, althans Amy Groskamp - ten Have geeft er nog de regels voor. Ook de bruidsdagen hebben weinig betekenis meer, behalve de avond voor het huwelijk, die een lange geschiedenis heeft. De burgerij placht op die avond thuis een partijtje te organiseren voor vrienden van het paar, waarbij takken van de maagdenpalm werden gevlochten om als versiering tijdens het bruiloftsfeest te dienen, het zogenaamde palmknopen. Bruid en bruidegom namen op die manier afscheid van hun vrijgezellenbestaan en degenen die nog niet zo ver waren kregen gelegenheid om het gezegde 'van een huwelijk komt een huwelijk' inhoud te geven. Maar met de verpreutsing in de achttiende eeuw werden die avondjes gesplitst in een 'adieu jeune fille' voor meisjes en een 'adieu garçon' voor jongens.
Het adieu garçon werd begin twintigste eeuw door vrijmoedige jongeren (studenten, soldaten) omgevormd tot bokkenavond, die op initiatief van de vrienden tot stand kwam, met als plaats van handeling de stamkroeg. Afscheid van het ongebonden bestaan vormde de leidraad; de vriendenkring verloor een lid aan een vrouw en dat moest herdacht worden. In de burgerlijke jaren vijftig raakten de bokkenavonden nagenoeg in de vergetelheid: er was geen hogere staat denkbaar dan de huwelijkse staat. Maar in de jaren zeventig begon een opleving, nu vaak onder de benaming hengstenbal. Terwijl het huwelijk steeds minder een keurslijf oplegde, werd de stap daarnaartoe als des te drastischer voorgesteld - bij wijze van bezwering, of van verlokking? De stamkroeg voldeed hiervoor niet langer en tijdens het verrassingsreisje voor de bruidegom was uniforme kledij gewenst. In het uitgaansleven van Amsterdam kan men regelmatig uitbundige jongemannen uit de provincie signaleren, die een stripteasetent bezoeken met slechts een luier aan.
Het adieu jeune fille bleef lang een huiselijke aangelegenheid. In sommige kringen werd hiervan een brideshower of kitchenshower gemaakt, een Amerikaans gebruik uit de late negentiende eeuw om de bruid te voorzien van keukengerei, nodig om de liefde van de man, die door de maag gaat, te prikkelen. Volgens Amerikanen is de reden van het ontstaan geweest dat steeds meer bruiden geen uitzet van thuis meekregen, omdat ze zelf gingen bepalen met wie ze trouwden. Het voorbeeld daartoe zou nota bene uit Nederland komen, waar al in de zeventiende zulke bijeenkomsten voorkwamen. Dit zou in elk geval stroken met de waarneming dat in Nederland al vroeg de vrije huwelijkskeuze kende. Omdat keukenspullen tegenwoordig nauwelijks iets hoeven kosten zullen er nog weinig kitchenshowers worden gehouden. Integendeel, als uitvloeisel van de Tweede Feministische Golf in de jaren zeventig is er een vrouwelijk equivalent van het hengstenbal tot ontwikkeling gekomen. Restaurants die gerechten in de vorm van geslachtsdelen serveren danken hier veel omzet aan. Vanwege de seksuele gelijkschakeling heten zulke avondjes tegenwoordig zowel voor meisjes als voor jongens vrijgezellenfeest of bachelorparty. Ook het thema is identiek: een laatste kans om nog eens uit de ban te springen.
Burgerlijk huwelijk
Het burgerlijk huwelijk is zoals gezegd in 1795 ingesteld, maar kon niet direct op veel aandacht rekenen. Voor katholieken is dat makkelijk te begrijpen. De echte huwelijkssluiting vond voor hen voor het altaar plaats en het burgerlijk huwelijk gold slechts als een tussenstop, die niet noodzakelijk op dezelfde dag hoefde plaats te vinden. Zo waren er na de Tweede Wereldoorlog nogal wat katholieke stelletjes die alvast voor de wet trouwden, omdat ze zich dan voor een huis konden inschrijven, maar pas jaren later gingen samenwonen, nadat een priester hun de zegen had gegeven.
Ook voor bemiddelde protestanten was het burgerlijk huwelijk van weinig belang. Voor 1795, toen een wettig huwelijk door een predikant kon worden gesloten, hadden zij niets op het stadhuis te zoeken, en nadien liepen zij er even langs op weg naar de dominee. Onbemiddelde protestanten daarentegen lieten van toen af de kerkelijke bevestiging vaak achterwege, vanwege de extra kosten die dat met zich meebracht. Zij vierden de ondertrouw, hielden kort daarop een bruiloft en gingen later zonder veel omhaal hun boterbriefje ophalen. Boerenknechten en arbeiders beperkten zich veelal tot dat boterbriefje, omdat zij anders geen recht op bedeling en woonruimte hadden.

Eigenlijk waren het alleen welgestelde onkerkelijken die van de gang naar het stadhuis een gebeurtenis maakten. In de negentiende eeuw was dit een verwaarloosbare groep, in de twintigste eeuw niet meer. Samen met de opkomende socialisten hebben zij het burgerlijk huwelijk steeds meer gewicht gegeven, tenslotte ook voor protestanten en katholieken, die nu in meerderheid op één dag voor wet en kerk trouwen. Ambtenaren van de Burgerlijke Stand zijn door deze ontwikkeling stilletjes gepromoveerd van notulisten tot ceremoniemeesters.
Bruiloftsgasten
De klassieke bruiloft, zoals dat in de vakpers heet, is het product van de achttiende-eeuwse burgerij, die naar een bevredigend mengsel van intimiteit en formaliteit streefde. De adel strekte daarbij tot voorbeeld, maar daarnaast kwam een internationale mode op met nieuwe attributen. De smetteloze witte bruidsjapon, ten teken dat de bruid nog maagd was, iets waarover eerdere generaties minder inzaten, is daar een vrucht van, evenals het bruidsboeket, het jacquet voor de bruidegom, de receptie op uitnodiging en de krantenannonce.
Dit werd de formule die de meeste mensen zouden overnemen, al hield de boerenbevolking lang aan eigen tradities vast. Zo namen in Twente en de Achterhoek tot in de twintigste eeuw brulfteneugers de uitnodigingen voor een huwelijk voor hun rekening. Versierde meisjes of jongens liepen langs de huizen; iedereen wist hoe of wat, maar er werd net gedaan of het nieuws nog onbekend was. 'Goen dag!' zeiden de brulfteneugers in Borculo. 'Hier stoa ik op mienen staf, En weet niet wat ik zeggen mag..., Nóu weet ik, wat ik zeggen mag' en op rijm werden vervolgens alle details verschaft.

De burgerij in het westen gaf daarentegen al sinds de achttiende eeuw kennis van een voorgenomen huwelijk via een trouwkaart, die inmiddels voor iedereen standaard is geworden. Veelzeggend is de verandering die de tekst op de trouwkaartjes de laatste decennia heeft ondergaan. Waren het vroeger de hoofden van beide families die de eer en het genoegen hadden het voorgenomen huwelijk van hun zoon en dochter aan te kondigen; tegenwoordig doen die zoon en dochter dat veelal zelf, eventueel 'mede namens wederzijdse ouders'. Hoe futiel ook, dit was steeds een stap waarvoor het paar in kwestie moed nodig had, en waarschijnlijk danken we daaraan het verschijnsel van de alternatieve trouwkaart dat in de jaren zeventig opgeld deed: door een artistieke vorm te kiezen konden paartjes de wederzijdse ouders makkelijk afleiden van het feit dat zij niet werden vermeld.

Wie waren de bruiloftsgasten? Minimaal de kennissenkring en de hele familie, tot aan de achterneven en -nichten toe, en maximaal uit de hele familie en de hele buurt. Het eerste was onder de burgerij gebruikelijk. Weliswaar kende de aristocratie al in de achttiende eeuw het verschijnsel 'in stilte trouwen', waarbij bruid en bruidegom alleen en in doordeweekse kleren naar de kerk gingen, maar de burgerij verfoeide dit.

Een huwelijk gold tot in recente etiquetteboeken als een 'maatschappelijke gebeurtenis'. Er wordt in die boeken wel begrip getoond voor de (vanzelfsprekend veronderstelde) wens van het paar in kleine kring en zonder opsmuk te trouwen, maar desondanks hoorde het paar de wens van de familie uit te voeren en zich het hele voorgeschreven ritueel te laten aanleunen. Welnu, met de kennis van alledag mogen we concluderen dat inmiddels de bruid en de bruidegom bepalen wie er op hun feest verschijnen, wat in de praktijk betekent dat het aantal aanwezige familieleden en buren danig is teruggebracht.
Op het platteland is deze reductie moeilijker te bewerkstelligen geweest. De welvaartsstijging van de twintigste eeuw maakte het juist mogelijk dat er méér gasten op een bruiloft verschenen. Twente en de Achterhoek leerden het fenomeen monsterbruiloft kennen. Op boerenbruiloften daar werden altijd al veel mensen ontvangen, maar door de verdichting van de bebouwing, waardoor iedereen meer naburen kreeg, en door de verbeterde reismogelijkheden die verre vrienden en verwanten naderbij brachten, nam het aantal potentiële gasten steeds toe.
Van een receptie, de aangewezen oplossing voor een surplus aan gasten, wilde men niet weten; het moest een heus feest blijven. Veel gasten betekende trouwens veel aanzien en er ontbrandde een ware prestigeslag, die zich ook over de steden verbreidde. Op het hoogtepunt ervan schijnen op het land gemiddeld vijfhonderd bezoekers per huwelijk aanwezig te zijn geweest, en in de stad gemiddeld tweehonderd. Als een en twee op de ranglijst worden genoemd: Geesteren 1920: 1000 gasten, Neede 1953: 900 gasten. Hoewel bij zulke bruiloften de bezoekers geen cadeaus maar geld schonken om de kosten te drukken, werden paartjes voor jaren in de schulden gestoken. Bij hen begon het animo ervoor dan ook het eerst te verminderen. De sociale druk ertoe was echter groot, men sprak van 'bruiloftsdwang'. In 1966 hebben jongelingen in de buurtschap Dichteren bij Doetinchem op een boerderij een complete ravage aangericht, omdat zij tegen de lokale regels in niet op een huwelijksfeest waren uitgenodigd.

Standsorganisaties hebben geholpen dit soort excessen te bestrijden door de nabuurschappen opnieuw in te delen, met minder verplichte gasten tot gevolg. Een goede strategie voor het echtpaar was de bruiloft te verplaatsen van de boerderij naar een café, liefst buiten de buurt, waardoor er fysieke grenzen aan het aantal aanwezigen werden gesteld (ook al zijn de cafézalen nergens zo groot als in Twente en de Achterhoek). Het afnemende belang van het nabuurschap, vanwege de opkomst van de verzorgingsstaat, en de toestroom van westerlingen naar deze gebieden hebben ook invloed gehad. Toch zijn er in Twente en de Achterhoek nog steeds bruiloften van twee- à driehonderd man, al gaat het daarbij volgens de sociologe Ineke Baas eerder om gezocht streekeigen dan om een opgelegde levensvorm. In elk geval betalen de bezoekers nu zo ruimhartig dat een bruidspaar niet meer op het feest hoeft toe te leggen.
De bruiloft
Het woord bruiloft is ontleend aan bruid-loop, de tocht die de bruid vanuit haar ouderlijk huis naar dat van haar toekomstige echtgenoot maakte. In de oostelijke provincies heeft de bruidloop tot in de vorige eeuw gefunctioneerd. De bruidegom kwam op de afgesproken dag met een aantal versierde wagens vol jongelui naar het huis van het meisje. Alle luiken en deuren waren daar gesloten, alsof men nog sliep. Een van de jongelui vroeg, waarom ze hier naar toe waren gegaan, wat de 'begeerte' was, en daarop trad de 'broedneuger', niet de bruidegom zelf, naar voren:
Vroege ij noa mien begeerte,
Vroege ij wat ik hier wil,
'k zal 't jou doon verstoan.
Wees moar een weinig stil.
Wie kommen op dit pas,
Om hier een broed te hoalen,
Veur dieze brudegom,
Dat zel ik jou verhoalen...
Nadat de bruid was opgeëist, werd de grote deeldeur van binnenuit geopend. Soms volgde er een schijngevecht met de familie van de bruid; soms verstopte de bruid zich en moest de bruidegom haar gaan zoeken. Na enige versnaperingen klom het paar op een van de wagens, de uitzet van de bruid werd opgeladen en in optocht ging men naar het huis van de bruidegom. Dit heette 'heemgeleide'. Onderweg stuitte men regelmatig op versperringen als een balk of een draad, aangebracht door dorpsgenoten, die met een traktatie konden worden afgekocht.

Aangekomen op het erf van de bruidegom werd er eerst driemaal om het huis heengereden. Had het huis een lijkdeur, dan ging het paar daardoor naar binnen. De bruid, maar soms ook de bruidegom, werd over de drempel gedragen óf zij sprongen er gezamenlijk overheen; de zielen van de afgestorvenen bevonden zich immers onder die drempel en mochten niet worden gestoord. Daarna werd de bruid plechtig rondgeleid. 'Dit is het bed', zei men; 'dit is de kast', 'dit is de klok'. Ook werd zij driemaal rond de ketelhaak van de haard gevoerd, net als nieuw personeel, onder de begeleidende woorden: 'Ik haal u in den naam des Heren, wat ge niet kent, zullen wij u wel leren'.

Bij de burgerij in de steden was een bruidloop om praktische redenen niet mogelijk, en daarom nam men genoegen met een meer abstracte uitvoering ervan, de bruidsstoet. De jongeman kwam, vergezeld van zijn bruidsjonkers, het meisje en haar bruidsmeisjes bij haar ouders thuis afhalen en min of meer georganiseerd trok men vervolgens naar de kerk. In de kerk werd pas de echte stoet geformeerd, met vooraan de vader die de bruid ging weggeven en daarachter de bruidegom en zijn moeder. De situatie dat de man aan de bruidegom bij het altaar wacht, niet ongebruikelijk inmiddels, is overgenomen van Angelsaskische films. Bij het verlaten van de kerk liepen bruid en bruidegom wel naast elkaar en werd de overdracht gesymboliseerd doordat direct daarachter de bruidsmeisjes en bruidsjonkers kwamen en dan pas de directe familie. Buiten volgde de regen van rijst, wat de oude Romeinen al deden. Maar de bruidsstoet kon nooit langer standhouden dan het kerkplein breed was.
Al met al is het burgerlijk bruiloftsmodel zeer sterk gebleken: het heeft zelfs de aanval van mantelpakjes voor de bruid en corduroypakken voor de bruidegom uit de jaren zeventig doorstaan. In tijdschriften over trouwen wordt dit model met al zijn parafernalia ook nog steeds als droom voorgespiegeld. De variaties die mensen er in aanbrengen zijn vooral variaties in prijs.

Toch wordt er ook nog op alternatieve wijze getrouwd. In 1965 baarde provo Rob Stolk opzien door met zijn bruid op een witte fiets naar het stadhuis te rijden, en dat was het startsein voor paartjes die per step, op rolschaatsen, op een motor of in een two-seater naar de plechtigheid gingen - allemaal schijnbewegingen om de aanwezigheid van de ouders niet te laten overheersen en een wat meer informele sfeer te creëren. Maar ook de plechtstatigheid van een burgerlijke bruiloft is gaandeweg verminderd. Wanneer men tegenwoordig over de bruiloft spreekt, wordt eigenlijk het bruiloftsfeest bedoeld...
Het bruiloftsfeest
In de organisatie van bruiloftsfeesten vervulden vroeger niet trouwe vrienden en favoriete familieleden de hoofdrol maar buren; voor hun hulp kregen zij later een 'nabruiloft' aangeboden. Merkwaardig was de grote vrijheid die de gasten bezaten. Zij konden net als bij een geboorte de linnenkast van de vrouw opentrekken en de bezittingen van de man nalopen. De bruid verkleedde zich soms een paar keer om te laten zien wat ze allemaal had. Ook vielen er om de haverklap buitenstaanders binnen die om een consumptie vroegen: huilbier voor de volwassenen en snoepgoed voor de kinderen. In Limburg verscheen Vader Aartje, een ouderwets gekleed personage, die begeleid door een troep kinderen grappen uithaalde en een plaats aan de feestdis wist af te dwingen.
Maar het meest merkwaardige was het slot van de avond. Dan nam wat Huizinga noemt 'de schaamteloze publiciteit van de eerste huwelijksnacht' een aanvang. Tijdens het dansen werd de bruid plotseling door de jongelui vastgegrepen en naar het bruidsvertrek gesleept. De bruid werd beroofd van eventuele sluier, kroontje en kousenbanden, ware trofeeën voor wie ze kon bemachtigen. De bruidegom werd pas na allerlei gekheid binnengelaten. Wanneer bruid en bruidegom in bed lagen, ging in de kamer ernaast het feest gewoon door, waarbij herhaaldelijk invallen bij het paar werden gedaan. 's Anderendaags gaf de jongeman de traditionele morgengave aan zijn jonge vrouw en haar verwanten, ten teken dat het huwelijk was geconsumeerd. En weer draafden de buren op, met tussenpozen, tot aan het eind van de wittebroodsweken, die overigens veertig dagen duren.
Op het platteland en onder arbeiders zijn zulke pesterijtjes nog tijden doorgegaan. Dertig jaar geleden beschikte men in het zwaar gereformeerde gedeelte van de Veluwe op dit vlak over het volgende arsenaal: bed op scherp stellen, rijst in bed, bonen in bed, pyjama's dichtnaaien, roet in de slaapkamer, geit in de slaapkamer, kinderwagen op de schoorsteen, tandpasta op de wc-bril en een blokje bouillon in de douchekop. Ook tijdens de monsterbruiloften in de oostelijke provincies zijn pesterijtjes nog aan de orde gebleven. Aan het slot van het feest worden bruid en bruidegom op stoelen rondgedragen, waarbij men op de wijs van 'Alle eendjes zwemmen in het water' zingt: 'Bruigom durft zijn bruidje niet te kussen'... Als het even kan wordt ook het bed van het paar op scherp gesteld of op een sirene aangesloten.
De burgerij heeft aan dit soort uitingen voor zichzelf al vroeg een eind gemaakt. Een beperkt aantal gasten en een zware regie verminderden direct de kans op ongepastheden. Die regie openbaarde zich al bij aankomst in de feestzaal: het aansnijden van de bruidstaart, die een nog niet zo lange geschiedenis kent. Dat gasten zoetigheden voor het paar meenamen was een oude usance, maar de Engelse queen Victoria liet daarvan voor haar dochter een gezamenlijke taart vervaardigen, met meerdere etages. In 1901 hadden koningin Wilhelmina en prins Hendrik bij hun huwelijk een dergelijke taart en sindsdien zou dit gebruik in Nederland verder verspreid raken. Natuurlijk snijden man en vrouw de taart samen aan en het laatste stukje, een bloem van marsepein, wordt door hen bewaard om tegen de gevaren van het eerste huwelijksjaar bescherming te bieden. Ongetrouwde vrouwen dromen van een toekomstige echtgenoot als zij een stukje taart onder hun kussen leggen.
Ook een huwelijksdiner met meerdere gangen biedt een garantie voor een orderlijk verloop. In recente Amerikaanse films wordt dat diner en en zelfs de hele huwelijkssluiting vooraf geoefend, om niet voor onaangename verrassingen te komen staan. Althans het proefdiner is in Nederland al meedere malen gesignaleerd. Ook het slot van het feest staat onder regie. Uitgezwaaid door de gasten vertrekken bruid en bruidegom naar elders. In de negentiende eeuw is het verschijnsel huwelijksreis opgekomen, waarbij de eindbestemming niet voor niets geheim werd gehouden. Jongeren die het pasgetrouwde stel graag willen pesten kunnen nog slechts blikjes en oude schoenen aan de bumper van hun auto hangen, een traditie die uit Engeland is overgewaaid.
Het mag al met al toch wel verbazen waarom mensen nog huwelijken sluiten. De kosten zijn niet gering: voor een gemiddelde trouwpartij belopen die tegenwoordig al 12.000 euro. Omdat man en vrouw niet vaak meer vanuit hun familie huwen draaien zij daar dikwijls zelf voor op. Dat is zeker het geval wanneer zij eerst een tijd hebben samengewoond en zelfs al kinderen hebben, wat steeds vaker aan de hand is (volgens het CBS was in 1985 nog slechts 8 procent van de kinderen buitenechtelijk geboren, in 2009 al meer dan 45 procent). Via een samenlevingscontract bij een notaris zouden alle gewenste regelingen veel goedkoper getroffen kunnen worden. En dan daarbij: een op de drie huwelijken loopt inmiddels spaak; in Amerika en Engeland is dat al een op twee, zodat duidelijk is welke richting het uitgaat.
Waarom dan trouwen? Om als een heus paar bekend te komen staan, ook voor critici die hieraan nog wensen te twijfelen? Of is het theater van het persoonlijke? Daar doet in elk geval een recent opgedoken gebruik aan denken, waartoe Hollywoodsterren het voorbeeld hebben verstrekt: het hernieuwen van de trouwbelofte. Het doel ervan zou zijn een in het slop geraakt huwelijk een impuls te geven, maar de praktijk is waarschijnlijk dat de plechtigheid in de plaats komt van zilveren, gouden en diamanten huwelijksfeesten. Immers, temidden van alle scheidingen hebben zulke feesten iets sukkeligs gekregen en met een hernieuwde trouwbelofte wint het paar aan glamour. Veel Bekende Nederlanders kiezen al voor deze ceremonie, zodat een brede verspreiding ervan niet lang op zich zal laten wachten. Zelfs Ambtenaren van de Burgerlijke Stand wordt er al om gevraagd, maar zij kunnen dat hooguit als particulier persoon doen. Wel zijn veel geestelijken in dit gat gedoken, die al tijden vlasten op manieren om huwelijksbanden te verduurzamen.
Echtelieden
Waar vrijen en trouwen een publieke aangelegenheid was en zakelijke motieven de doorslag gaven, waren ook de verhoudingen binnen het huwelijk soms weinig liefdevol en intiem. Dat kon leiden tot de klassieke staaltjes van harteloosheid die we uit de literatuur kennen. Bijvoorbeeld: man en vrouw die elkaar met de achternaam aanspraken en die zelden of nooit samen ergens naar toe gingen en zo al, dan liep zij een paar passen achter hem. Of mannen uit de aristocratie die vaker buitenshuis dan thuis verbleven en er openlijk een maîtresse op nahielden. Of arbeiders die hun weekloon al hadden opgedronken voordat ze bij 'moeder de vrouw' aanschoven. En boeren die wel voor een paard maar niet voor hun echtgenote de dokter lieten roepen; die echtgenote kon per slot van rekening gratis worden vervangen.
Dit waren natuurlijk wel de extremiteiten. Maar dat gewone echtelieden weinig lol aan elkaar beleefden, heeft Herman Maas in zijn roman Het goud van de Peel uit 1908 laten zien. Twintigjarige arbeiders en boeren, schrijft hij, veranderden na hun huwelijk in oude, wijsdoende lui. Aan kleding en uiterlijk mochten ze niet langer zorg besteden; deden zij dat toch dan werd ontrouw vermoed. Tegelijk werd onderlinge scherts als 'flauw' en 'kalerig' bestempeld. Er werd van hen verwacht dat zij met ernstige gezichten meeklaagden over de miserie in de wereld, zo niet dan was er 'niks aan hen'. Voor elkaar bleven zij vreemden. Op vragen van de een gaf de ander nauwelijks antwoord en 'van de morgen tot de avond vlogen er snauwen over en weer', zonder dat dit een van beiden pijn deed; 'dat bracht de trouw met zich mee'.
Dergelijke huwelijken konden makkelijk uit de hand lopen wanneer er geen economische belangen speelden en derden geen oogje in het zeil hielden. Onder boeren waren die belangen duidelijk: vrouwen waren volledig in de bedrijfsvoering opgenomen en dat zal hun positie binnen het huwelijk navenant hebben gemaakt. Daarnaast was er extern toezicht. Wie introuwde, genoot bescherming van de overige familieleden, al hoefde dat niet altijd plezierig uit te pakken: 'De bliksem en de introuw zijn nog niet beschreven', zei men in Limburg.
Maar ook buren konden ingrijpen. Over de Kempen van het begin van de twintigste eeuw vertelt de arts P.A. Barentsen, dat men het daar niet verdroeg wanneer echtelieden voortdurend ruzieden. Haalde een openlijke waarschuwing niets uit, dan werd de aanstichter van de ruzies door de buren voor een ploeg gespannen om de hardgetreden grond voor de boerderij, die de huiselijke vrede verzinnebeeldde, om te ploegen. Van een dergelijke ingreep is kort voor de Tweede Wereldoorlog nog melding gemaakt. In Limburg placht men in zo'n geval een ezel van teer op de huismuren te schilderen; elders bracht men een serenade van ketelmuziek.
Bij arbeiders in de negentiende-eeuwse steden was er van gezamenlijke economische belangen en van toezicht door derden geen sprake. De lage lonen en erbarmelijke leefomstandigheden produceerden weinig harmonie. De taferelen waartoe dat kon leiden, zijn uitgebreid beschreven door sociaal-realistische auteurs als Israël Querido en Herman Heijermans. De burgerij trachtte stichtend werk te verrichten met de Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank (1842) en de Maatschappij tot Verbetering van den Werkenden Stand (1854). Maar het zou de socialistische, protestantse en katholieke vakbonden zijn die de noodzakelijke combinatie van geestelijke en materiële verheffing brachten. Vooral de honderden woningcoöperaties uit het begin van de twintigste eeuw hebben veel goeds voor het gezinsleven van arbeiders betekend.
De burgerij kende minder huwelijkse uitwassen, vanwege de vroege cultus van huiselijkheid en familiezin, tot uiting komend in nadrukkelijk gevierde koperen, zilveren, gouden en diamanten bruiloften en in portretjes van gezinsleden aan de muur - toen foto's opkwamen sierden die portretjes ook schoorsteenmantels en zelfs vaders bureau op kantoor. Toch was de vertrouwelijkheid tussen man en vrouw in de burgerij traditioneel niet groot. Lang bestond daarin het gebruik elkaar in het bijzijn van de kinderen objectiverend als vader ('pap') en moeder ('mam') aan te spreken. De vrouw had dan wel het monopolie over het huishouden en zat midden in het web van het gezin, maar was uiteindelijk ondergeschikt aan haar man, zoals uit uit vele wetten blijkt. Volgens de Code Penal uit 1811, die hier ook nog kort van kracht is geweest, mocht een vrouw die overspel pleegde door haar man worden vermoord. Tot 1919 kon een vrouw, hoe rijk ook, bij verkiezingen geen stem uitbrengen. En pas in 1923 werd zij in erfrechtelijk opzicht met haar kinderen gelijkgesteld (voordien ging alles naar de kinderen). Tot 1956 was zij bovendien handelingsonbekwaam. Als het 'zwakke vat' verdween zij voor de buitenwereld zelfs min of meer achter haar man. Zij en hij heetten bijvoorbeeld op brieven 'de heer en mevrouw Henk de Wit', wat overigens meer was dan het 'mrs. Henk de Wit' uit Angelsaksische landen of het 'Frau Dokter' voor een vrouw van een dokter uit Duitsland; aanspreekvormen die daar nog steeds gangbaar zijn.

Twee feministische golven verder is de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw op papier min of meer rond. De vanzelfsprekende hegemonie van de man is tot in de naamgeving doorbroken, want sinds 1999 kunnen kinderen desgewenst de achternaam van hun moeder kiezen. Anderzijds heeft de man op brieven vaak de naam van zijn vrouw erbij gekregen: 'de heer en mevrouw De Wit - Jansen'. Regelmatig blijft de vrouw trouwens haar eigen meisjesnaam gebruiken, ook als haar kinderen naar de man heten, waardoor een argeloze buitenstaander haar als onechte moeder zou kunnen aanmerken; kennelijk geen bezwaar. Tot op deurnaambordjes dringt deze gewoonte door. Ook de voornamen van de kinderen staan daarop tegenwoordig al vaak vermeld, of zelfs van de huisdieren, om aan te geven dat die inmiddels voor het volle pond meetellen.
Op de achtergrond hiervan spelen ontwikkelingen als de algehele democratisering en de toenemende scholing van vrouwen, die weer heeft geleid tot een grotere deelname van hun kant aan het arbeidsproces. Het opvallende is dat die ontwikkelingen ook een uitholling van het gezin hadden kunnen teweegbrengen. En over uitholling spreken moralisten het meest als zij het over echtscheidingen hebben. Maar men kan met evenveel recht zeggen: echtscheidingen geven juist aan hoezeer het leven in gezinsverband wordt verheerlijkt. De meeste gescheidenen gaan immers op voor een nieuwe ronde.
Het homohuwelijk
Van onverdachte zijde is niet zo lang geleden de populariteit van het huwelijk bevestigd. Na jarenlang ijveren door de homobeweging is het per 1 april 2001 toegestaan dat mensen van gelijk geslacht met elkaar een burgerlijk huwelijk sluiten. Burgemeester Job Cohen van Amsterdam ontfermde zich persoonlijk over deze primeur, gadegeslagen door cameraploegen uit de hele wereld. Het homohuwelijk bleek een exportproduct, want inmiddels kent een reeks van landen het: België, Canada, Spanje, Noorwegen, Zweden, IJsland, Spanje, Portugal, Argentinië, Zuid-Afrika en diverse staten van de VS.

Toch heeft het menigeen verbaasd dat de homobeweging dit huwelijk eiste, ook onder sympathisanten van die beweging. Homoseksualiteit werd vereenzelvigd met klassieke filosofen, met Afrikaanse adolescenten die op hun intiatie als krijger wachten, met zwoele romantici en artistieke vrijdenkers, ja, met het rijtje extroverte nichten dat we sinds de jaren zeventig van de televisie kennen, maar niet met een gebreid echtpaartje. Homo's die dat wilden konden bovendien al sinds 1998 kiezen voor een geregistreerd partnerschap, dat nagenoeg dezelfde rechten verschaft, inclusief dat op adoptie, en inmiddels in talloze landen is erkend. Bijkomend voordeel ervan is dat een eventuele ontbinding geen tussenkomst van de rechter vergt. Een registratie kan ook volledig zelf vorm gegegeven worden, van schraal tot uitbundig, wat een pre is, zou men zeggen. Er zijn ceremonies geweest waarbij de partners ten overstaan van alle aanwezigen uitgebreide liefdesverklaringen aflegden, heel wat indrukwekkender dan het bijna onmondige jawoord op een burgerlijk huwelijk.
Maar kennelijk willen homo's niet langer apart zijn, al leert de Gay Parade dat dat niet voor allen geldt. Voor hetero's zullen zij in gehuwde staat toch wel apart blijven. Zo is het lastig wennen aan de zegswijze 'mijn man' of 'mijn vrouw' als de wederhelft zelf een man of een vrouw is. Vroeger spraken homo's hooguit van partner, wat vaak al een bewijs van hun geaardheid was. Ook het gebruik om eenmaal getrouwd beider achternamen met een liggend streepje aan elkaar te koppelen is vreemd. Bij mannen lijkt het dan net alsof zij tot de Engelse aristocratie behoren, want Nederland kent geen dubbele namen met een streepje ertussen. Zelfs de wetgever lijkt hier niet helemaal uitgekomen te zijn, want bij een koppeling dienen beide partners de eigen achternaam achteraan te zetten, zodat ieder stel twee achternamen blijft houden. 'De heer en de heer Jansen-Pietersen' en 'de heer en de heer Pietersen-Jansen' op één adres. Apart!
Minderheden
Onder Nederlandse moslims is uithuwelijken nog steeds de norm, al komt de individuele keuze wel opzetten. Volgens de antropoloog Ibrahim Yerden werd eind vorige eeuw nog tachtig procent van alle Turkse jongeren in Nederland uitgehuwelijkt; nu is dat ongeveer veertig procent. Lang hebben moslimjongeren de strijd tegen een door ouders opgelegd huwelijk in hun eentje moeten voeren, maar zij kunnen sinds kort steun vinden bij www.yourright2choose.nl, dat ook voor andere gezindten beschikbaar is. Natuurlijk bestonden (en bestaan) er wel graden van dwang. De meeste ouders plachten een huwelijk slechts te arrangeren, dus omstandigheden te scheppen waarin een jongen en een meisje gaandeweg genegenheid voor elkaar opvatten. En genegenheid wordt door de koran ook als een voorwaarde voor een goed huwelijk gezien, want echtelieden horen 'een kledingstuk' voor elkaar te zijn. Een uitdrukkelijk 'nee' van een meisje werd daarom doorgaans gerespecteerd. Er was ook wel keuze mogelijk, want veel meisjes werden door meer dan een man begeerd.
Ook de traditionele endogamie is aan het veranderen. Trouwde volgens het CBS enkele jaren geleden nog slechts een op de tien Turken en Marokkanen met een westerse autochtoon, inmiddels is dat twee op de tien. Een punt hierbij is dat de islam wel toestaat dat een man met een niet-moslim trouwt, maar een vrouw omgekeerd niet, tenzij haar man moslim wordt, wat betekent: zich laten besnijden, belijdenis doen en dat dan door getuigen laten vastleggen. Om van een moslim verzekerd te zijn werden tot voor kort vier van de vijf partners uit het herkomstland gehaald, vooral neven en nichten. Sinds de overheid leeftijd- en inkomensgrenzen voor huwelijksmigratie stelt, is dat nog maar bij een op de vijf het geval. Anders gezegd, tachtig procent van de partners woont al hier.
In de oude situatie ligt het initiatief voor een huwelijk meestal bij de vader van de jongen, omdat hij een bruidsprijs van een paar duizend euro moest betalen. Die bruidsprijs bestaat dikwijls uit gouden sieraden en diende oorspronkelijk tot zekerheid van het meisje na overlijden van haar man, want het islamitisch recht, de sharia, kent geen vererving aan echtgenotes. Het zijn in de oude situatie ook de ouders van de jongen die de ouders van het meisje om haar hand vragen. Dat gebeurt in een serie bijeenkomsten, waarbij de ouders van de jongen steeds duurdere cadeaus meebrengen. Aanvaarding daarvan houdt een aanmoediging in; weigering kan betekenen dat een ouder familielid als koppelaar moet inspringen. Tijdens de slotbijeenkomst wordt de bruidsprijs bepaald en komen de huwelijkse voorwaarden aan de orde. Volgens de koran mag een man met vier vrouwen trouwen, maar een meisje kan bedingen dat zij de enige echtgenote blijft, wat ook meestal de praktijk is.
Een huwelijk is voor moslims een burgerlijke overeenkomst; geen sacrament. Openbaarmaking is daarbij essentieel, en dat begint al bij de verloving. Turken bevestigen een verloving met een ringwisseling: aan een rood lint zitten twee ringen en zodra de jongen en het meisje de ringen hebben omgedaan, wordt het lint doorgeknipt door een 'gelukkig iemand', die door het paar is uitverkoren. Turken en Marokkanen kennen een verlovingsschat: een flinke hoeveelheid geschenken van de jongen aan het meisje, die openlijk wordt tentoongesteld. In bepaalde delen van Marokko en Turkije wordt de verlovingsschat op een wagen geladen en onder begeleiding van muziek langzaam naar het huis van het meisje gereden. De avond voor het huwelijk is er een vrijgezellenpartij voor ongetrouwde leeftijdgenoten van het paar. De aanstaande bruid krijgt een hennaversiering op haar handpalm (bij Turken) of op haar handen en voeten (bij Marokkanen). Turkse bruidjes trouwen in een westerse bruidsjurk, Marokkaanse in een Arabische labsa, een felgekleurd gewaad met kralen, glitters en borduursels à la Duizend-en-een-nacht.
Turken hebben de verplichting een huwelijk op het stadhuis in te schrijven. De bruidegom meldt zich daartoe met een bruidsboeket in de hand bij het huis van zijn bruid en krijgt de deur in zijn gezicht gesmeten: hij moet eerst een symbolisch bedrag betalen. Met een klein gevolg staat het bruidspaar vervolgens voor de gemeenteambtenaar. Daarna, maar niet noodzakelijk op dezelfde dag, wordt in een zaal het echte huwelijksfeest gehouden, waarbij getuigen bruid en bruidegom ondervagen en het huwelijkscontract wordt ondertekend. De vader van de bruid strikt een rood lint om haar middel ten teken dat ze maagd is. De gasten doneren meestal geld of gouden armbanden en medaillons, die voor geld zijn om te wisselen. Het geld en de medaillons worden met spelden op de kleren van het bruidspaar geprikt, de armbanden schuift de bruid direct om. Alle giften worden met de naam van de gever omgeroepen door een ceremoniemeester. Na afloop van het feest wordt het bruidspaar te bedde gedanst of in een hotel achtergelaten. Een voorlichtende tante komt de volgende dag vragen of er problemen waren en legt een gouden sieraad op een eventuele bloedvlek in het laken.
Marokkanen gaan niet naar het stadhuis maar naar een notaris om hun huwelijk vast te leggen. Het huwelijksfeest kan maanden later plaatsvinden. Overdag vieren de families van de jongen en het meisje afzonderlijk feest. 's Avonds gaat de familie van de jongen het meisje opeisen om haar in optocht mee naar huis te voeren. In Nederland worden kosten noch moeite gespaard om haar entree indrukwekkend te maken: per kameel, helikopter of een Ferrari. Tijdens het feest de volgende dag kleedt de bruid zichzelf geregeld om, want zij bezit minimaal twee labsa's en vaak nog een westerse bruidsjurk, al zijn er ook gevallen bekend van zeven jurken! Marokkaanse stellen geven hierdoor anderhalf keer zo veel uit aan hun trouwerij als gemiddelde stellen in Nederland, maar familieleden springen financieel bij. Aan de huwelijksnacht wordt vanwege de strenge seksescheiding weinig ruchtbaarheid gegeven. Alleen in Marokko zijn er nog gebieden waar de bruidegom de volgende ochtend met een bebloed laken naar buiten treedt.

Ook onder Hindoes wilde de traditie dat ouders een levenspartner voor hun kind zochten. Een gemengd huwelijk heette bij hen een huwelijk met iemand van een andere kaste. Verliefdheid als basis voor een huwelijk werd griezelig gevonden, omdat een huwelijk niet een verbintenis tussen twee geliefden was maar tussen twee families. In Suriname won onder Hindoes de gedachte al veld dat een jongen en een meisje elkaar dienen uit te kiezen, wat bij hen die naar Nederland zijn gekomen de overheersende praktijk is geworden. Familieleden en de pandit, de huispriester, gaan in Nederland ook niet meer op zoek naar een geschikte huwelijkskandidaat; liever schrijven jonge Hindoes zich in bij speciale bemiddelingsbureaus om iemand uit eigen kring te vinden. De oude huwelijksrituelen onder Hindoes, die zeer uitgebreid zijn, worden hierdoor steeds kunstmatiger, wat nog wordt versterkt doordat onder jongeren ook de secularisatie toeslaat.
Bij orthodoxe Hindoes vindt de kennismaking meestal ten huize van het meisje plaats, nadat de mannelijke leden van beide betrokken families het nodige voorwerk hebben verricht, zoals een astrologische controle. De beide families zitten op en het meisje wordt gevraagd een frisdrank te serveren, maar blijft verder op afstand. Ter plekke wordt een beslissing verlangd. De verloving nadien gebeurt bij de jongen thuis, zonder dat het meisje daarbij aanwezig is. De jongen geeft ten overstaan van haar vader en enkele mannelijke getuigen zijn wens te kennen, waarop het meisje voor hem wordt 'gereserveerd'.
Doorgaans volgt een half jaar later de ondertrouw. Hiervoor komt wederom de vader van het meisje zonder haarzelf naar de jongen toe en brengt bij hem een gekleurde stip op het voorhoofd aan, de tilak. De ondertrouw is ook het moment dat de bruidsschat wordt overhandigd, die de vader van de bruid zelf bepaalt. Van oudsher bestond die uit een koperen bord met bijbehorende beker, een schouderdoek, een kokosnoot en gouden en zilveren sieraden, die een behoorlijk bedrag vertegenwoordigden. Hindoes in Nederland beperken zich steeds vaker tot praktische geschenken.
In de week voor het huwelijk trekken vrouwelijke familieleden in een stoet erop uit om ongeschonden, gelukbrengende aarde op te graven, ten behoeve van de kohbar, het kleurig versierde altaar dat in elk hindoe huis staat. In Nederland heeft men wel eens moeite dergelijke aarde te vinden. Zowel bij de bruid als de bruidegom thuis wordt een tent van zeildoek opgericht en worden buitenmuren met handafdrukken bedekt, ten teken dat een huwelijk 'op handen' is. De dag ervoor poft men rijstkorrels, die tijdens de plechtigheid in een vuur worden geofferd. De jongen en het meisje ondergaan een zalving met gele olie en een 'kussing' met hard gras. Ook krijgen beiden een beschermende armband om de pols gebonden, die twee dagen blijft zitten. De pandit wijst hen op hun plichten. De jongen wordt geacht voor vrouw en kinderen te zorgen; het meisje moet haar man dienen als een verschijning Gods, maar beheert wel de portemonnee.

Overigens is de positie van de pandit in Nederland aan het verzwakken, doordat hij niet, zoals in Suriname, als ambtenaar van de Burgerlijke Stand fungeert. Vanwege het hier verplichte burgerlijk huwelijk kunnen hindoe paartjes het zelfs zonder hem stellen, wat niet alleen goedkoper is maar ook de ceremoniële uitbundigheid vermindert. De voorbereidingen op het huwelijk worden afgesloten met een vrijgezellenavond, waarbij tegenwoordig ook alcohol wordt gedronken.
Op de grote dag trekt de bruidegom, in geel gewaad en met een kroon op zijn hoofd waaraan versierde slierten hangen, in een lawaaierige stoet, de baraat, naar het huis van de bruid. Alleen mannelijke familieleden en vrienden vergezellen hem. Na allerlei gebeden, begroetingen en reinigingsrituelen breekt het moment suprème aan als de bruid, gestoken in een rode sari, door haar vader aan de bruidegom wordt overgedragen, in hindoe-ogen de grootste gift die een mens kan doen. Als om de overdracht uit te drukken gaat zij rechts van de bruidegom op een huwelijksbank, de pirha, zitten.
Volgen geschenken, rondgangen, vuuroffers en mantra's. Bruid en bruidegom worden met een sjaal aan elkaar verbonden en de bruid zet zeven stappen richting poolster, waarmee zij zichzelf toevertrouwt aan haar man. Op zijn beurt spreekt deze zeven beloften uit (o.a. dat hij zich niet zal inlaten met andere vrouwen) en daarna gaat de bruid links van hem zitten, de aangewezen plek voor een echtgenote. Om hun bloed symbolisch te laten vermengen, brengt hij rode vermiljoenpoeder op haar haarscheiding aan, sindhoor, wat ook het teken is voor een getrouwde vrouw (vroeger fungeerde de stip tussen de ogen, de bindiya, als zodanig maar tegenwoordig kunnen ook ongetrouwde vrouwen er een dragen). Na nog een offer kan het feest beginnen, dat rustig verloopt maar wel lang duurt. De volgende ochtend wordt de feesttent flink heen en weer geschud en afgetuigd, ten teken dat de bruid gaat vertrekken, wat met hartstocht gebeurt. Bij het huis van de bruidegom wachten diens vrouwelijke familieleden haar met vuurwerk en zegeningen op. Een nabruiloft de volgende dag besluit de plechtigheden.
Afro-Surinamers en Antillianen kennen al sinds decennia een vrije partnerkeuze, al bepaalt naar verluidt driekwart zich daarbij wel tot soortgenoten. Hun huwelijksgebruiken zijn westers, zelfs hyperwesters; vooral bij Antillianen, die in meerderheid katholiek zijn. Wel beperken velen zich tot het burgerlijk huwelijk. Kostenbesparing is daarbij een factor, tegelijk met ontkerkelijking of juist kerkelijkheid: de katholieke kerk staat immers geen echtscheiding toe, terwijl Surinamers die mogelijkheid klaarblijkelijk willen hebben, gezien het feit dat ruim zestig procent van hen in een eenoudergezin leeft. Echtscheiding onder hen is zelfs zo normaal dat de vrouwen er terdege op voorbereid zijn. Zij houden een sterk netwerk aan en vertellen elkaar dat hun eerste man niet een man is maar een 'schooldiploma'.
Sommige Surinaamse vrouwen trouwen in koto, de Surinaamse klederdracht, maar de meesten dragen een westerse bruidsjurk met sleep. Antillianen formeren bij de kerkelijke inzegening een enorme stoet met bruidsmeisjes en -jongens, voorafgegaan door een dama di honora, een vrouwelijke ceremoniemeester, bruidskinderen die bloemblaadjes strooien en een kind dat op een kussen de twee ringen draagt. Aan de gasten wordt zwarte likeurcake, bolo preto, uitgedeeld, verpakt in tule of een duurzaam doosje, ter eeuwige herinnering aan het huwelijk.
Na de receptie gooit de bruid haar bruidsboeket op Amerikaanse wijze in een kring ongetrouwde meisjes; wie het vangt wordt de volgende bruid. Aan het eind van het feest vertrekt het bruidspaar met stille trom. Zodra de bruid uit haar bruidsjurk stapt, hoort zij de sleep ervan af te knippen, anders roept zij onheil over zichzelf af.
Nieuw is dat Surinamers en Antillianen vrijgezellenavondjes organiseren en de 'Just Married'- status van een paar benadrukken met blikjes aan de auto, een gebarricadeerd huis of een in wanorde gebrachte huisraad. Ook worden er in Nederland Surinaamse mannen gesignaleerd die met baby's over straat lopen en samen met hun vrouw boodschappen doen, hoewel zij van oudsher als 'players' bekend staan en vaak bij verscheidene vrouwen kinderen hebben. Dit soort ontwikkelingen wijst er op dat zij in Nederland meer belang aan het huwelijk gaan hechten. In de Caraïben leeft echter nog steeds het spreekwoord: 'Vandaag getrouwd, morgen gescheiden'.
Onder Chinezen in Nederland is het gearrangeerde huwelijk nog veelvoorkomend, althans bij degenen die in het horecawezen actief zijn; de in aantal snel groeiende academici volgen veelal hun eigen hart en bepalen zich ook niet langer tot hun soortgenoten. Bij de gearrangeerde huwelijken worden vaak makelaars ingeschakeld.
Chinezen trouwen bij voorkeur niet in hun eigen clan, een verband van families met een gezamenlijke voorouder, die vele generaties teruggaat. Een makelaar kan het gevreesde gezichtsverlies van een van de betrokken families voorkomen. Daarnaast is astrologie een gezocht hulpmiddel, zowel om te bepalen of de huwelijkskandidaten bij elkaar passen (opdat een meisje een jongen niet kan overheersen, moet de jongen uit een jaar stammen van een hoger dier dan het meisje), als om een geluksdag uit te zoeken waarop het huwelijk kan worden gesloten. In elk geval doet de familie van de man het aanzoek.
Op de dag van de bruiloft gaat de bruidegom met zijn gevolg naar het ouderlijk huis van de bruid. De nog niet helemaal uitgestorven folklore wil dat hij, voordat hij wordt binnengelaten, eerst aan jonge vrouwelijke verwanten van de bruid een bedrag van 999,99 gulden moet betalen, want 'negen' staat voor eeuwigheid. Insgelijks krijgen de jongere broers van de bruidegom soms schoenen van zijn aanstaande schoonfamilie, want in het chinees klinkt 'schoen' als 'kuis'. Nadat bruid en bruidegom een rode geluksenvelop van de ouders hebben ontvangen, gaan zij voor in een theeceremonie, die het afscheid van de bruid uit het ouderlijk huis moet verbeelden, een aanleiding tot veel tranen.
Daarna vertrekt men naar het stadhuis en eventueel de kerk. Het echte feest is uiteraard in een restaurant. De westerse trouwjurk die de bruid tot nu toe heeft gedragen, wordt vervangen door een rode, rijk versierde bruidsjapon, de kwa. Als het goed is heeft de bruid al haar sieraden om, ook eventuele doublures. De bruidegom kan, al naar gelang het gevoel voor traditie, een westers pak aanhebben of een lang gewaad, waarin hij zich nauwelijks van zijn bruid onderscheidt.
Chinese bruiloften waren vroeger berucht om het bruidje pesten: allerlei verwensingen en seksuele insinuaties werden door de gasten naar haar hoofd geslingerd, opdat zij kon tonen dat zij zelfbeheersing had. Tegenwoordig bepalen de gasten zich tot het geven van een rode geluksenvelop, waarna zij worden beziggehouden door een diner van soms wel negen gangen, met een 'ongeschonden' speenvarken als hoofdgerecht, vanwege de staat die de bruid wordt gewenst te hebben. Zodra kleine ronde koekjes worden geserveerd is het feest ten einde en trekt het bruidspaar zich geruisloos terug.
Joden zijn de bedenkers geweest van ons monogame huwelijk. Een huwelijk tussen man en vrouw is volgens het Oude Testament als het herstellen van een eenheid, zoals die tussen Adam en Eva. Nog tot in het recente verleden werd die eenheid ook in Nederland door families gesmeed, zonder dat de jongen en het meisje een inbreng hadden.
Huwelijksmakelaars hielpen bij de kennismaking en de onderhandelingen over de bruidsschat die het meisje meekreeg, oorspronkelijk een tegenprestatie voor het feit dat zij van de vaderlijke erfenis was uitgesloten. Tegenwoordig zijn huwelijksmakelaars alleen nog in orthodoxe kringen actief en van de bruidsschat is slechts de gewoonte overgebleven om het jonge paar goed in de spullen te zetten. Volgens een onderzoek van het Joods Maatschappelijk Werk is momenteel zelfs zestig procent van alle gehuwde Nederlandse joden met een niet-joodse partner getrouwd, waaruit volgt dat zij in vrijheid een keuze hebben gedaan.

Zodra de onderhandelingen met succes waren afgerond, waren de jongen en het meisje formeel verloofd, wat bindend was, zoals dat tot 1838 voor iedereen in Nederland gold. Al sinds de diaspora horen joden volgens de wetten van het land waarin zij wonen te trouwen, maar daarnaast kennen zij eigen rituelen, die ook niet-gelovige joden nog graag volvoeren. De plechtigheid kan in een synagoge plaatsvinden, in een feestzaal of onder de blote hemel, waarbij de sterren verwijzen naar het aantal nakomelingen dat God Abraham beloofde. Eerst wordt de huwelijksakte voorgelezen. Bij orthodoxe joden bevat die alleen de beloften van de man; bij liberale joden zowel van de man als de vrouw.
De plechtigheid zelf wordt voltrokken onder een choepa, een baldakijn, dat het echtelijk bed symboliseert. Als choepa kan ook een gebedsmantel, de talliet, dienen, die over de hoofden van het paar wordt gedrapeerd, wat onder Oost-Europese joden, de ashkenazi, gebruikelijk was. Nadat het paar wijn van de wederzijdse ouders te drinken heeft gekregen en met tarwekorrels is bestrooid, volgt de ringwisseling, althans bij liberale joden; bij orthodoxe joden ontvangt alleen de vrouw een ring, ten teken dat haar aanstaande man haar kan onderhouden. Zeven lofzeggingen bezegelen de huwelijksvoltrekking. Dan breekt de bruidegom een glas, ter herinnering aan de verwoeste tempel van Jeruzalem. De gasten reageren hierop met een salvo van Mazzeltofs ('veel geluk'). Voordat het feest, vaak met opzwepende muziek, kan beginnen, trekt het jonge paar trekt zich in een aparte ruimte terug om te beseffen dat het een heilig verbond is aangegaan.