Carnaval

 

 

In zijn befaamde Verdediging van Carnaval betoogde de katholieke auteur Anton van Duinkerken dat carnaval 'nimmer kan vergaan dan met den mensch'. Dat is overdreven. Het feest heeft in Nederland twee bloeiperiodes gehad: in de late Middeleeuwen en in de huidige tijd. In de periode daartussen versukkelde het steeds meer, totdat het op een bepaald moment nagenoeg overal was verdwenen.

De carnavalsviering is wel oud, hèèl oud. Nederlands bekendste carnavaloog Theo Fransen weet nog uit Babylonië, Mesopotamië en het Egypte van de farao's feesten op te dissen waarbij maatschappelijke verhoudingen carnavalesk op hun kop werden gezet en een spotkoning in een scheepswagen  rondreed. Toch zullen deze feesten niet als directe inspiratiebron voor de huidige traditie hebben gediend. Dat geldt mogelijk wel voor de Romeinse Saturnalia, gewijd aan Saturnus, de god van de landbouw en de overvloed. De Saturnalia, die uitvoerig zijn geboekstaafd, kenden eveneens een omkering: de meesters werden slaven en de slaven meesters en een dronkelap fungeerde als koning. De Romeinen zouden dit feest hier tijdens hun overheersing hebben achtergelaten of het zou later, tijdens de heropleving van het Latijn, zijn geïntroduceerd.

Maar er is ook een andere theorie. Aanhangers van Germaanse mythen menen dat carnaval van oorsprong een inheems ritueel is: de oude Germanen zouden Koning Winter en zijn begeleidende boze geesten hebben verdreven door lawaai te maken en zich exact zo uit te dossen als die boze geesten. Dit heidens midwinterfeest, waarvoor geen concrete bewijzen bestaan, zou tijdens de kerstening door de katholieke kerk behendig zijn ingekapseld. Eerst werd in de derde eeuw voorafgaand aan Pasen een veertigdaagse vastenperiode ingelast en vanaf het concilie van Benevento in 1091 gold Aswoensdag (waarbij de gelovigen een kruis met as van verbrande palmtakjes op hun voorhoofd krijgen) als het begin daarvan. Hiermee had de Kerk het feest tot een onderdeel van haar liturgische kalender gemaakt.

 

carnaval_1
De strijd tussen vastenavond en vasten, tussen de katholiek-feodale en de
protestants-kapitalistische levensstijl. Ets van F. Hogenberg, 1558. (Atlas van Stolk)


Volgens sommige Germanisten manipuleerde de Kerk ook de benaming ervan. Tot in de Middeleeuwen sprak men namelijk van vastelavond in plaats van vastenavond. Vastel zou teruggaan op 'vazel' en 'fazel', wat betekenissen heeft als onzin, kletspraat en uitwendig geslacht van vrouwelijk vee; 'vazelen' stond zelfs voor geslachtsgemeenschap. De Kerk zou die seksuele connotatie hebben verdonkeremaand door vastelavond schijnheilig in vastenavond te veranderen, maar dat is te leuk om waar te zijn. Het woord carnaval, dat pas in de zeventiende eeuw voor het eerst in Nederland opduikt, zou een zelfde behandeling hebben ondergaan: tegen beter weten in werd dat door kerkgeleerden herleid tot carne vale, vaarwel vlees, in plaats van tot carrus navalis, wat duidt op de scheepswagen die in veel carnavalsoptochten wordt meegevoerd.

Deze lezing is gek genoeg ook onder katholieken populair. De Duitse volkskundige Dietz-Rüdiger Moser stelt evenwel dat niet de Germanen, niet de Romeinen, maar alleen de katholieke Kerk initiatiefnemer en stimulator van het carnaval is geweest. Om de overgang naar de veertigdaagse vasten te markeren en de gelovigen van de noodzaak hiervan te overtuigen bedacht de curie in de Middeleeuwen een feest van de 'anti-schepping', aldus Moser. De redenering erachter was dat als mensen enkele dagen met duivels, heksen en narren, kortom met hun eigen heilloze zondigheid, werden geconfronteerd, zij naar een vastenperiode gingen verlangen! Vreemd in dit verband is wel dat uitgerekend de Kerk zich in later eeuwen tegen de viering keerde. Anderzijds kan het niet anders dan dat haar invloed allesbepalend is geweest, want een feest als carnaval vereist een stads milieu, en echte steden ontstonden in Europa pas na de kerstening.

Een moraal voor burgers

Over carnaval in de late Middeleeuwen schrijft de neerlandicus Herman Pleij in Het gilde van de Blauwe Schuit. Het feest duurde maar liefst van Sint Maarten tot Pasen. Eerst op Onnozele Kinderen (28 december) kozen scholieren en koorknapen een kinderbisschop, die uitgerust met staf en mijter naar het altaar werd geleid. Bij het Magnificat klonk in het Latijn: 'Hij heeft de machtigen van de troon gezet en de geringen verheven'. De kinderbisschop prevelde intussen onzingebeden, gaf de zegen en werd bewierookt. Vervolgens werden er spelletjes gedaan, die de aangewezen machthebbers steevast verloren. De verplichting om dan het achterwerk te ontbloten was de populairste sanctie. Ook volwassenen bedreven de zotheid. Onder toeziend oog van de 'ezelspaus' droegen zij een mis op, waarbij elk onderdeel met een luide boer werd afgesloten (bij ite missa est drie boeren). Of zij zongen in koeterwaals tegen elkaar in, om na afloop van de mis zo snel mogelijk de kerk uit te hollen, omdat de laatst overgeblevene uit zijn broek zou worden gestroopt. De drie dagen voor Aswoensdag vormden van deze festiviteiten het hoogtepunt. 

Dit klinkt zot inderdaad, maar als het ging om lichaamsfuncties waren de omgangsvormen in de Middeleeuwen beduidend losser dan nu. In de zestiende eeuw raadde Erasmus in zijn Samenspraken kinderen nog aan de 'winden des buycks' niet in te houden, omdat dat gevaarlijk werd geacht. Dus wat ons als ongemanierdheid treft, was voor middeleeuwers slechts goedmoedige scherts. Anderzijds waren de machtsverschillen toen dermate groot dat de tijdelijke omkering ervan op iedereen diepe indruk moet hebben gemaakt.

 

carnaval_2
Voorstelling van de Blauwe Schuit, uit De Oude Tijd. In een soort scheepswagen dansen
meestal Prins Carnaval en zijn Raad van Elf tijdens de carnavalsoptochten.


Het kerkelijk zottenfeest werd, aldus Pleij, in de vijftiende eeuw afgeschaft, omdat het zijn diensten had verricht. Voordien had het zich echter gemengd met festiviteiten buiten de kerk en deze namen nu een vlucht. Gezeten burgers, aangevuld met edellieden en ondersteund door rederijkerskamers en gilden, werden de dragers van het lekenfestijn. Pleij brengt dit in verband met de opkomende burgerklasse, die een moraal zocht. De burgerij bezat van zichzelf geen leefregels en omgangsvormen en kon vanwege haar geheel eigen belangen daarvoor niet terecht bij de boerenstand, de geestelijkheid en de adel. Vastenavond diende om wat er op dat terrein inmiddels was uitgevonden te testen en wel op een indirecte manier: door waarden en normen tijdelijk te ontkennen werd hun bruikbaarheid in het leven van alledag aangetoond.

Aldoende werd steeds duidelijker wat bespot diende te worden. In een vijftiende-eeuws statuut voor de Blauwe Schuit werden de volgende personen opgeroepen om naar een plek buiten de geordende samenleving te worden gebracht: berooide edellieden, hoererende geestelijken, potverterende rijkeluiszoontjes, jonge vrouwen met bejaarde echtgenoten, slordige knechten en dienstmaagden, en middenstanders die hun winst verzopen in plaats van te herinvesteren. De burgerij was hen liever kwijt. En toen dat eenmaal tot haar was doorgedrongen, verloor vastenavond zijn functie en werd zelfs een bedreiging. Aan de massale lol kwam, aldus Pleij, in de zestiende eeuw een eind.

Een sluimerend einde

Deze voorstelling van zaken is fraai, maar melodramatisch. Inderdaad rees in de zestiende eeuw verzet tegen vastenavond. Zo meldt Ter Gouw dat in 1579 de Amsterdamse schouten kregen opgedragen alle feestgangers 'de mommeklederen en de grimmen' af te nemen, omdat onverlaten daarmee gemakkelijk misdrijven konden plegen. De Reformatie probeerde het feest vervolgens tot een katholiek gebeuren te reduceren, daar protestanten de vasten voor zichzelf hadden afgeschaft. Hierdoor namen veel stadbestuurders, die eerder een centrale rol in het festijn hadden vervuld, geleidelijk afstand. Op het algehele enthousiasme voor vastenavond had dit echter weinig effect. Alleen al aan beeldmateriaal bestaat er een overstelpende hoeveelheid bewijs dat carnavalvierders in het hele land door de straten bleven trekken:

 

carnaval_3
Eind 18e eeuw werd in Amsterdam nog carnaval op straat gevierd, getuige  Vaderlandsche
Kindervreugd
uit 1780. Het commentaar luidde wel:'Wat vreemde, kakelbonte kleêren?
Voegt zulk een tooi Bataafse jeugd. Die houten sabels, grinzen, veren?
Is dit gepaste kindervreugd? ' (Atlas van Stolk)


Pas vanaf de achttiende eeuw, dus warempel drie eeuwen later dan Pleij zou willen, begonnen verlichte personen en organisaties zich fanatiek tegen het feest te keren. En ditmaal met succes. Hoewel vastenavond zich benoorden de grote rivieren nog tot in de negentiende eeuw in ballrooms en salons zou handhaven, werd nadien zelfs de herinnering aan het feit dat het daar ooit een levende traditie was geweest uitgewist. Intussen zijn rommelpotlopers ('Ik heb zo lang met de rommelpot gelopen, Ik heb geen geld om brood te kopen, Rommelpotterij, rommelpotterij, Geef me een cent, dan ga ik voorbij") tot iets meer dan honderd jaar geleden in de noordelijke provincies actief geweest.

 

carnaval_4
Eind 19e eeuw werd in Noord-Nederland nog steeds carnaval gevierd, zij het in
balzalen met genodigden. Uit: Kinderfeesten van P.J. Andriessen, 1876. (Atlas van Stolk)


In Brabant en Limburg dreigde, jawel, hetzelfde te gebeuren. Vastenavondfestiviteiten lagen er als inleiding op de vasten weliswaar voor de hand, maar vanaf de kansel begonnen priesters te oreren tegen de 'saturnaliën en supercaliën' die het gemene volk dan bedreef. In veel parochies werd tijdens de festiviteiten een veertigurengebed ingesteld, een 'gunst' van paus Clemens XIII uit 1765, waarbij de monstrans met het Lam Gods demonstratief op het altaar werd geplaatst en trouwe gelovigen ervoor in stilte baden tegen de bandeloosheid buiten.

Ook lokale overheden in het Zuiden begonnen op te spelen. Zij verzetten zich tegen de maskerades in het openbaar; in sommige plaatsen kwam het zelfs tot een totaal verbod op het feest. In 1849 is naar aanleiding daarvan in Breda een compleet carnavalsoproer uitgebroken. En in 1919 werden in 's-Hertogenbosch vastberaden vierders op charges van de marechaussee onthaald. Tijdenlang had elke katholiek die de emancipatie van zijn geloofsgenoten beoogde een enorme weerzin tegen vastenavond. Men leze een Vlaamse beschrijving ervan uit de eerste helft van de twintigste eeuw door de volkskundige Alphons de Cock, iemand die vanwege zijn beroep geacht mag worden van volkse uitingen te houden:

'De straat geeft ons al niet meer te aanschouwen dan piepjonge, schreeuwerige gekken, vaak in povere afschuwelijke zotsplunje gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een gewoon rijtuig zittend, en links en rechts de wandelaar, vooral de jonge meisjes, een varkensblaas op de rug slaand, of handenvol confetti's in het gelaat gooiend: een toneel dat veeleer walging- dan lachwekkend mag heten.'

De trage doorstart

Het is duidelijk dat vastenavond was verdwenen als er geen initiatieven zouden zijn ontplooid om tot een meer geciviliseerde vorm te komen. Het Duitse Rijnland nam hierin het voortouw. Net als in Nederland, maar ook in Frankrijk en Italië, liep de vastenavondviering daar op haar laatste benen. Te beginnen in Keulen (1823) werden er in de eerste helft van de negentiende eeuw overal carnavalsverenigingen opgericht. Het model dat die verenigingen voor hun viering kozen was ontleend aan het middeleeuwse equivalent in Venetië. Allereerst werd op elf november om elf minuten over elf de Raad van Elf, inclusief de Prins, voor het komende jaar bekendgemaakt. Het getal elf kreeg die rol, omdat het als gekkengetal te boek staat: het zit tussen twee 'perfecte' getallen in, tien en twaalf. Tot aan Aswoensdag volgden er dan diverse pronkzittingen, met dansmarietjes en narren die voordrachten hielden. Het hoogtepunt vormde een optocht met praalwagens. Ook de gangbare groet alaaf, met de rechterhand nabij de linkerwang, als spiegelbeeld van een militair saluut, schijnt uit Keulen afkomstig te zijn. 'All af' betekent in het oud-Keuls iets als 'alles weg'. 

Dit was de geboorte van het moderne carnaval. Vanuit Rijnland verspreidde de nieuwe regie zich in rap tempo over naburige landen. Maastricht kende al in 1839 de vereniging Momus, die het jaar daarop ook de landelijke primeur had van een carnavalsoptocht. In 1842 volgde Venlo met de vereniging Jocus. Ook 's-Hertogenbosch, Bergen op Zoom, Breda en Sittard waren er vroeg bij. Dit eerste golfje groeide echter niet uit tot een vloedgolf, zoals bijvoorbeeld in België gebeurde. De vierders waren welgestelden die vanuit een sociëteitsgebouw opereerden en, historisch gezien, slechts een beperkte spankracht bezaten. Momus raakte snel in verval en werd bij haar eeuwfeest ontbonden; als plaatselijke opvolger ontstond in 1947 de Tempeleers. Jocus kende ook een lange periode van inactiviteit en moest in 1936 zelfs worden heropgericht, maar geldt wel als de oudste vereniging van het land.

In de jaren dertig van de twintigste eeuw begon de echte omslag. Bijna nergens in Brabant en Limburg bestond nog een officieel carnaval, maar niet alleen werden er steeds meer verenigingen opgericht, ook de houding van de overheid en de katholieke Kerk versoepelde. De pleidooien van iemand als Anton van Duinkerken, die vooral het katholieke in carnaval benadrukte, hebben hierbij zeker geholpen. De acceptatie verschilde overigens wel per stad. In 1931 hadden Helmondse middenstanders het in hun hoofd gehaald een Raad van Elf te vormen, maar één woord van de deken was genoeg om de lancering van een lokale carnavalsvereniging twee decennia uit te stellen. En in 1932 waren er in Sittard ernstige rellen, omdat op verzoek van de geestelijkheid de vereniging Marotte, die al sinds 1882 optochten hield, de editie van dat jaar schrapte met het oog op de ongewenste maskerades.

raad

Andere tijdenIn 1931 hadden enkele Helmondse middenstanders een Raad van Elf opgericht.

De attributen bezaten zij al, en zelfs een statieportret was vervaardigd. Maar de deken van Helmond

stelde dit initiatief niet op prijs en riep hen bij zich: exit Raad van Elf. (RHC-Eindhoven)  

 

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het georganiseerde carnaval definitief in de openbaarheid. Veel sympathie kweekten de buuttereedners, of tonpraters zoals zij letterlijk vertaald in Brabant heten. Buuttereedners horen in een ton te staan, als parodie op een preekstoel, en beelden geen gewiekste pastoor uit maar een niet erg snugger personage, dat ook nooit begrijpt waarom de mensen om hem lachen. 'Sauwelen' of gewoon 'ouwehoeren' heet elders deze activiteit. Als prototype mag gelden Toon Hermans in zijn rol van voorzitter van Ons Genoegen ('Mevrouw Stip... Stip'). Zulke genoeglijke humor was in klein gezelschap uiteraard allang bekend, maar niet in de publieke arena, die nog doordesemd was van ernst en hoogdravendheid. Dat vooral gewone mensen, 'volkstypes', het woord voerden was een democratische verworvenheid, die onmiddellijk werd vastgelegd. Al vanaf 1954 werden er op dit vlak in Limburg provinciale kampioenschappen gehouden; vanaf 1967 in Brabant.     

Tilburg was misschien de laatste veste tegen het moderne carnaval: nog in 1964 werd daar een parade verboden. De meeste burgemeesters in het Zuiden onderwierpen zich toen al gretig aan het ritueel van de symbolische sleuteloverdracht, waarbij meneer pastoor als instemmende getuige optrad. In een aantal kerken werd zelfs het veertigurengebed vervangen door een carnavalsmis met verklede parochianen in de banken. Uiteindelijk zouden gemeenten en lokale bedrijven hun werknemers de twee dagen voor Aswoensdag vrijaf gaan geven, opdat iedereen zich zonder tijdslimiet in het feestgewoel kon storten.  

Toch was nog niet iedere zuiderling bereid zich aan carnaval over te leveren. Voor jeugdige babyboomers waren de gangmakers van de verenigingen omslachtige lolzoekers, rondom wie bovendien een commercieel sfeertje hing, want er zaten nogal wat winkeliers en kleine zelfstandigen tussen, zoals de antropoloog Hans Werdmöller heeft laten zien. De verenigingen op hun beurt klaagden over de geringe deelname van jongeren en erkenden dat zij de betergesitueerden niet wisten te bereiken. Er deden zelfs voorspellingen de ronde dat het moderne carnaval alweer zijn langste tijd had gehad! In elk geval godsdienstig was dat niet vreemd gedacht. Nadat het Tweede Vaticaans Concilie de vasten als niet strokend met de moderne tijd had beoordeeld, schafte Rome in 1967 de vasten af; alleen Aswoensdag en Goede Vrijdag bleven over. Carnaval was nota bene tijdenlang aangeprezen als een noodzakelijke uitspatting voorafgaand aan een veertigdaagse periode van onthouding, en nu verdween dat ijkpunt.

Desondanks sloeg midden jaren zestig plotseling de vonk over. De protestgeneratie in wording zag dat haar verlangen naar lossere omgangsvormen  althans tijdens de carnavalsdagen werd gehonoreerd. Die generatie werd toen nog in zwijgende rijen door kille schoolgebouwen gedirigeerd, reden waarom de slagzin Agge mar leut het een revolutionaire boodschap behelsde. Jongens die op dansles hadden geleerd hun colbertje dicht te knopen vooraleer zij een meisje met een verplicht zinnetje ten dans mochten vragen, konden haar met carnaval zonder een woord de dansvloer optrekken. Meisjes, die altijd volledig passief moesten blijven, mochten omgekeerd hetzelfde doen. Ook aanstellerigheid, waaraan opvoeders altijd zo'n hekel hadden, was gepermitteerd. Zelfs milde kritiek op het politiek-sociale systeem, tot die tijd angstvallig gesmoord door gezagsdragers, bleek ineens mogelijk, hoewel dat aspect altijd belangrijker is geweest voor externe commentatoren dan voor de deelnemers zelf. Hèn ging het om de persoonlijke vrijheid.


jarigejob

Brabants beroemdste Tonprater Berry Knapen als Jarige Job.

Tonpraten/buutreednen zit tussen burlesk variété en pretentieus cabaret in.

(foto Henri van de Griendt, zie www.absurdist.nl) 

 

In mijn optiek werd carnaval hierdoor voor het Zuiden, wat provo voor het Noorden was. In feite gebeurde er precies het omgekeerde van wat er in de Middeleeuwen was gebeurd. Een nieuwe moraal werd getest, niet om te onderzoeken wat er niet mocht, maar om te onderzoeken wat er wel mocht. Carnaval begeleidde het Zuiden op die manier naar een informelere omgang, en daarna naar een mate van ontzuiling en deconfessionalisering die niemand ooit voor mogelijk had gehouden. In Helmond bijvoorbeeld traden (mét dispensatie van hun dominee) begin jaren zestig twee gereformeerden tot de Raad van Elf toe, een makelaar en een fabrikant, van wie iedereen altijd dacht dat zij papenhaters waren.

Maar zoals de historica Carla Wijers heeft opgemerkt, er bleven nog wèl beperkingen gelden. Voor vrouwen was binnen de verenigingen voorlopig slechts een rol als Dansmarieke weggelegd; tot de hogere regionen drongen zij niet door. Net als bij provo ging het bij carnaval echter in eerste instantie om de ontvoogding van het individu, de emancipatie van de vrouw was een latere luxe. Toen in 1996 bij de Feestneus in Groesbeek een Prinses Ummenie (Ria Weijers) aantrad, kon daarmee een begin worden gemaakt. Verrassend was toch wel dat vervolgens ook mensen van islamitische huize in het verenigingsleven konden aarden en doorbraken, te beginnen in 2007 met jeugdprins Rachid I Zahraoui van de Belhamels in Nieuw-Bergen.

Landelijk hossen

Het hedendaagse carnaval is niet langer een sociaal experiment, maar een gezellig volksfeest, dat wordt bestormd door toeristen uit het Noorden. Een brugfunctie hierbij hebben ongetwijfeld de vele 'reserve-Belgen' vervuld die tegenwoordig in de Randstad wonen. Maar omgekeerd was er ook toenadering, want nuchtere noorderlingen verloren hun schroom voor verkleedpartijen, getuige hun Oranjepakken bij wedstrijden van het Nederlands Elftal. Menig zuiderling verbaasde zich juist hierover.

Het feest zou zich ook opnieuw boven de grote rivieren vestigen: van de ongeveer 1800 carnavalsverenigingen die Nederland telt, bevinden er zich maar liefst duizend buiten Brabant en Limburg, al is daar het fenomeen carnavalsvakantie tot nu toe onbekend gebleven. Katholicisme lijkt nog steeds de verbindende factor. Rondom Nijmegen en Arnhem en in de katholieke delen van Twente, Salland, de Achterhoek, de Betuwe, West-Friesland, Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen is het carnaval weer aanwezig alsof het nooit is weggeweest. In de Bollenstreek en het Groene Hart, maar ook in Groningen en Drenthe profileren katholieke enclaves er zich mee. Zelfs Amsterdam-West, Delft en Flevoland kennen verenigingen. Ondanks al deze activiteiten ligt het zwaartepunt van de viering nog steeds in het Zuiden. Van de 720 (!) optochten in het land vindt het leeuwendeel, 490, daar plaats.     

De katholieke connectie is wel opvallend, gelet op het feit dat de verspreiding van het feest min of meer gelijk is opgegaan met de leegloop van de Kerk. Volgens Theo Fransen heeft het moderne carnaval in Duitsland en Nederland zich vooral ontwikkeld in die gebieden waar socio-religieuze scheidslijnen lagen; het intens katholieke Beieren kent bijvoorbeeld een veel bescheidener variant: Fasching, oftewel het laatste glas voor de vasten. Katholieken nabij zulke scheidslijnen wilden ermee tegenover protestanten hun levensgevoel uitdragen; dat wil zeggen: lichtvoetig, zorgeloos, feestelijk, saamhorig. Maar als de vierders niet langer kerkelijk of zelfs gelovig zijn, wat is dan de zin daarvan? Nostalgie naar het theatrale en bindende element van hun godsdienst kan een factor vormen. Carnavalsverenigingen lijken qua betrokkenheid van de leden ook wel op vroegere parochies en kennen veel meer functies die verdeeld moeten worden.   

Deze nostalgie verbloemt intussen wel een filosofisch probleem. Carnaval was altijd een omkeringsritueel, waarbij maatschappelijke verhoudingen op hun kop werden gezet, maar wat valt er in een genivelleerde welvaartsmaatschappij als de onze nog op de kop te zetten? Als het om omkering gaat zou een vastenperiode tegenwoordig op haar plaats zijn, of dat vrouwen even niets te vertellen hebben, maar het is onwaarschijnlijk dat het feest zich in die richting zal ontwikkelen. Achter het massale gehos ligt daarom folklorisering op de loer. De media werken ongewild hieraan mee, want hun grootscheepse aandacht heeft een verstenend effect. En Hollandse liedjeszangers willen ieder jaar een succesje boeken dat uniformerend uitpakt. Die zangers volgen hierin overigens Toon Hermans, die met Mien, waar is mijn feestneus uit 1968 de eerste nationale carnavalskraker had. 

Van enige folklorisering getuigt reeds het bestaan van een nationaal carnavalsmuseum in 's-Hertogenbosch en lokale musea in Oldenzaal, Oosterhout, Hulst en Venlo. Ook zijn er enkele buutreednerscholen opgericht, een initiatief van de Geleense schrijver Jean Meijntz. Kennelijk kan men het feest al spelen in plaats van vieren. Hetzelfde lijkt aan de orde te zijn bij diverse verboden die recentelijk rondom carnaval zijn afgekondigd. Sterker nog, wanneer carnaval de laatste jaren het nieuws haalt, is dat vanwege een taboe op openlijke verwijzingen naar bijvoorbeeld Osama Bin Laden, Mohammed, boerka's, of de leuze 'vol = vol'. Men zou zeggen, juist met carnaval moet onbehagen daaromtrent aan de oppervlakte kunnen komen, maar sluipenderwijs is politieke correctheid ook hier de leidraad geworden. Zelfs drinkgelagen zijn niet langer toegestaan, want sinds 2011 weert Zuidoost-Brabant onmiskenbare 'zuipwagens' uit de optochten.

 

De lokale oceaan 

 

Natuurlijk wordt het feest ook nog echt gevierd. In de getuigenissen erover is wel een ander perspectief geslopen. Vroeger sprak men over carnaval  als 'een uitlaatklep voor frustraties', 'een vlucht uit een anonieme technocratische wereld', 'een vakantie van het ik', of 'een dialoog met het alledaagse'; kortom, een Ventilsittezoals Duitsers zeggen. Tegenwoordig vallen termen als 'een verklikker van het menselijk tekort', een 'verlangen naar een gemeenschapsvorm zonder negativiteit', 'nur Mensch sein'. Volgens Carla Wijers gaat het de deelnemers om het 'oceanisch gevoel' waarin zij worden ondergedompeld: iedereen is gelijk, iedereen doet mee. Een gedragscode bestaat uiteraard wel, want zonder dat er een woord aan wordt besteed groeit het feest in Nederland nooit uit tot een erotisch festival als in Brazilië. Wijers vult aan dat in Nederland zelfs serieuze flirtations uit den boze zijn, iets wat bezoekende noorderlingen niet altijd willen begrijpen. Anderen spreken van 'ongecompliceerde contacten' die nooit 'familiair' worden. Het wiggelen en waggelen in groepsverband zal op individuen ook wel een therapeutisch effect hebben, dunkt me, al hoor je daar weinig over. Bakvissen, nerds, macho's, kakkers, dichters en filosofen hoeven zich bij deelname minder eenzaam of bijzonder te voelen. Is het hierom dat de meeste Brabanders en Limburgers zich zonder poeha presenteren? Zij hebben een masker gedragen maar ook weer afgezet - bijna een biecht. Zelfs toeschouwers langs de kant van de weg blijven niet onberoerd, want voordat zij het weten vormen zij 'levende dijken'. De algehele werking wordt nog versterkt doordat het feest een hyper lokaal gebeuren is. Voor provincies, steden, dorpen en buurten drukt carnaval als geen ander ritueel de gezamenlijkheid uit.

 

carnaval_5
Carnavalslol Etten-Leur 2000: wereldrecord menselijke dominoketen.
Zittend op de grond laat men zich achterover vallen. (ANP)

 

De carnavaloog Fransen heeft als eerste enige theoretische orde in de regionale chaos geschapen. Hij onderscheidt naast de genoemde Rijnlandse traditie een Bourgondische traditie die in Brabant haar thuishaven vindt. De benaming verwijst naar het oude Bourgondische Brabant, waartoe ook Vlaams Brabant behoorde. Deze traditie, voor zover zij nog bestaat, kenmerkt zich door boerse nivellering, als verzet tegen de vereiste hoffelijkheid jegens de Hertog van Brabant. De bijbehorende dracht is een eenvoudige boerenkiel, met een rode zakdoek om de nek, gefixeerd door de huls van een lucifersdoosje. Plaats van handeling zijn cafés en zalen, waar nogal lijfelijk wordt gedanst. Antiburgerlijkheid staat voorop, zoals ook tot uiting komt in de kleinerende bijnamen die Brabantse steden met carnaval krijgen: Bergen op Zoom wordt Krabbegat, Breda Kielegat, Eindhoven Lampegat, Helmond Kattegat, 's-Hertogenbosch Oeteldonk en Tilburg Kruikestad (in Limburg heeft alleen Heerlen een echte bijnaam, Sjpassemig). Tegelijkertijd, alsof men het feodalisme toch niet kan vergeten, is het Brabantse carnaval strakker georganiseerd. Per gemeente maakt één vereniging de dienst uit en wie zich niet conformeert aan het thema voor de jaarlijkse optocht, kan naar deelname fluiten. 


carnaval_7
Varkenspest in Boekel 1997. (ANP)

 

De Rijnlandse traditie in Limburg daarentegen is zwierig en een aangelegenheid voor buiten. De sfeer is niet zozeer antiburgerlijk is als wel antimilitair en anti-establishment. Limburgers dragen individuele fantasiekleding en bespotten veelvuldig het gezag. Dit geldt vooral voor Maastricht en het 'stadje-van-plezier' Venlo; Roermond en Heerlen, waar veel Hollandse import woont, staan bekend als 'deftig' en 'stijf'. Anarchistisch zijn ook de Ouwe Wijvenavonden die in de week voor carnaval, meestal op Vette Donderdag, worden gehouden. Ouwe wijven mogen dan stropdassen en schoenveters afknippen van mannen die zij op straat of in de kroeg ontdekken. Venlo muntte hiervoor de benaming Truujendaag, die andere steden hebben overgenomen. Het ritueel lijkt aan de geest van Dolle Mina te zijn ontsproten, maar het is een naoorlogse vondst uit Rijnland, waar vrouwen hun verworven zelfstandigheid tijdens de oorlogsjaren wilden onderstrepen tegenover mannen die van het front waren teruggekeerd.   

Binnen dit provinciale onderscheid, dat overigens de laatste jaren behoorlijk aan het vervlakken is, doen lokale verenigingen hun best zich op hun beurt te onderscheiden. Eigenheid lijkt inderdaad het sine qua non van de viering. Menig plaatselijk dialect dankt het feit dat het in geschreven vorm is vastgelegd aan de carnavalskrant. Hetzelfde oogmerk dienen allerlei invented traditions, tradities die ooit zijn bedacht of ontleend aan oudere voorbeelden en direct tot onvervangbaar cultuurgoed worden verklaard. En als men die onderlinge band al niet voelt dan krijgt men die wel, want bijvoorbeeld de praalwagens vergen maandenlange inspanningen van duizenden vrijwilligers.

In Maastricht heeft men van de viering het meeste werk gemaakt. 's Zondags voor vastenavond worden met het Momus-kanonnetje, dat aan de eerste carnavalsvereniging herinnert, elf schoten ter inwijding van de optocht gelost, en wordt het Mooswief, een ballonpop van een legendarische groentevrouw, de lucht ingelaten. Twee reuzenagenten gaan de optocht vooraf. En de hele dag trekken de mensen in lange rijen door de Middeleeuwse straten, aangemoedigd door 'zaate herremeniekes', die eind jaren vijftig ten tonele zijn verschenen. Elke avond is er ook een cramignon, een spontane rijdans, in de binnenstad. 

Elders verkiest men andere 'authentieke' elementen. Beek-Genhout houdt al twee weken vòòr carnaval een optocht, Sjravalaire geheten. De Wouwse Plantage doet dat een week ervoor, maar claimt toch telkens de vroegste van het land te zijn. In Heerlen rijdt in diezelfde week een replica van de Blauwe Schuit rond.  

 

carnaval_6
Het Metworstrennen 1997 in Boxmeer, uitsluitend vrijgezellen strijden om een worst
van zeven el, twee broden, twee vaten bier en een varkenskop. (ANP)

 

Venlo - het 'stadje van plezier' - is in 1912 de initiator geweest van het fenomeen Boerenbruiloft, dat inmiddels in grote delen van Limburg, Noordoost-Brabant en Gelderland plaatsvindt. Bij zo'n bruiloft wordt een paar in de onecht verbonden, ten overstaan van een nepfamilie. De eerste Keulse canavalsvereniging voerde dit ritueel al uit, maar de vroegste meldingen ervan stammen uit de zestiende eeuw.

In Grevenbricht houdt men wedstrijden in het middeleeuwse ganstrekken (al is het de vraag hoe lang dat nog zal duren). Sittard kent een speciaal aldewieverbal, waarbij gemaskerde dames vrijpostigheden plegen. In Steyl belegt men vierjaarlijks een symbolisch volksgericht. Boxmeer heeft de Metworstrennen, een paardenrace waarvan de winnaar een metworst van zeven el krijgt omhangen. Beugen lijkt hetzelfde te doen met haar Knakworstrennen, maar daarbij dragen mannen vrouwen op hun rug. In Roermond sluit men de festiviteiten af door de pop Bacchus in de Roer te verdrinken, in Helmond doet men dat door de Kei van de Keienbijters te begraven. Enzovoorts.

Zelfs de periode nà carnaval is niet meer heilig. In de jaren zeventig gold als gewoonte onder ware kroegtijgers: haringhappen op Aswoensdag. Ter verdeding voerde men aan dat de haring symbool stond voor de vasten, die geen enkele beperking voor vis oplegde. Rijnland kende ook zijn Heringessen, geserveerd met wite bonen; vandaar. Omdat  ook alcohol ter tafel kwam, hing er een besmuikt sfeertje omheen die trouwe kerkgangers meden. Inmiddels is de vasten verdwenen, maar het symbool ervan leeft sterker dan ooit. Een Hollands tintje heeft het gebruik wel gekregen, want men volgt de Scheveningse consumptiewijze, met een haring boven het hoofd, die pas aan het begin van de twintigste eeuw is ontstaan (oorspronkelijk werd de haring in partjes opgediend, zoals in Amsterdam nog steeds gebeurt). 

Dankzij het haringhappen (in Limburg spreekt men van heringebieten) heeft carnaval er voor velen een extra dag bijgekregen. In Heerlen en Hoensbroek sluit men dan pas af door enkele haringen te begraven. Sommige verenigingen grijpen zelfs Halfvasten - Laetare, verheug u - aan voor festiviteiten, onder meer in Angelo, Breda, Eijsden en het dorp Zeeland. 

De kunst is natuurlijk bij al deze gebruiken het carnavalsgevoel vast te houden, maar de echte carnavalist kost dat geen moeite. En lukt het een keer niet dan is er altijd nog een laatste carnavalstraditie: wintersport.

 

Een overzicht van carnavalsverenigingen op http://carnaval-verenigingen.startpagina.nl  en http://cin.dercksen.info. Voor carnavalsoptochten: www.cvgkmw.com. Buutreednen en Tonpraten zijn broederlijk verenigd op www.tonpraten.nl. Bijna alle verenigingen hebben een eigen website. Interessant is www.gawstrekkers.nl uit Gevenbricht. In het recente verleden heeft de desbetreffende vereniging al diverse processen rond het door haar beoefende ganstrekken gevoerd en in 2011 ontstond er zelfs landelijke ophef over, maar het jaar daarop werd het ritueel weer als vanouds voltrokken (andere mediahypes speelden). 

 


terug naar boven