Van alle taboes die zich in de loop van de geschiedenis hebben voorgedaan, is het taboe op de geboorte het hardnekkigst geweest. Wanneer dit zich heeft aangediend is niet bekend, maar waarschijnlijk is dat in de vroege Middeleeuwen gebeurd, tijdens de kerstening. In de ogen van de kerkvaders was de vrouw immers de incarnatie van het kwaad, reden waarom God haar met de pijnlijke en bloederige bevalling had gestraft. In de twaalfde eeuw schreef de latere paus Innocentius III nog onomwonden: 'De vrouw ontvangt met onreinheid en stank, zij baart met droefheid en smart, zij zoogt met benauwenis en zwoegen, zij verzorgt met angst en vrees'. Volgens de Amerikaanse feministe Adrienne Rich werd het mannen hierom verboden bij een bevalling aanwezig te zijn.
Maar of mannen zich daadwerkelijk aan dit verbod hielden? Het is denkbaar dat, waar de behuizing klein was en het klimaat kil, zij nog eeuwenlang getuige van geboorten zijn geweest. Niettemin moet al vroeg de officiële norm hebben gegolden dat wat er in de kraamkamer gebeurde een vrouwenaangelegenheid was en geheim. Daarom komen op oude afbeeldingen van geboorten zelden mannen voor en wordt ook de eigenlijke partus nooit getoond: - of de vroedvrouw tast onder de rokken of de kinderen zijn al lang en breed gebakerd. Dat het hier wel degelijk een taboe betrof en niet een fatsoenskwestie, blijkt uit het lot van een zekere dr. Wertt uit Hamburg, die in 1552, nota bene als vrouw verkleed, een bevalling meemaakte en daarvoor op de brandstapel belandde.
Het taboe op de geboorte verklaart ook allerlei fabeltjes die kinderen over hun oorsprong te horen kregen. Dat was al de gewoonte in een tijd toen erotiek nog nauwelijks uit de openbaarheid was verdrongen en er een uitgebreide verbale cultuur omheen bestond, zodat het niet moeilijk was kinderen subtiel voor te lichten.
Een bevalling volgens Den roseghaert van de bevruchten vrouwen uit 1516 van de Duitser Eucharius Roessslin, de eerste verloskundige verhandeling in Europa. (UB Amsterdam) | Zinneprent van J. Francois op de geboorte van de latere koning Willem III, op 19 februari 1817. |
De poppesteen in Bergum, Friesland, waarbij kinderen werden gevonden. ( Pieter Söhngen) | |
Zo omschreef de zeventiende-eeuwse dichter P.C. Hooft, die verder nooit een blad voor de mond nam, een bevalling zedig als een roeitocht naar Volewijk, ten noorden van Amsterdam, waar kinderen uit een boom werden geplukt. Dergelijke bomen stonden in meer plaatsen. Utrecht had zijn Munnekenboom, Haarlem de holle iep bij Kraantje Lek, Zwolle de dikke boom van Wijhe.
Elders kwamen de kinderen uit de kool, het riet, een gracht, een bron of zelfs een put, zoals de Hoenderput in Deventer. Ze lagen in de duinen of bij de Poppesteen in Bergum en de Hommelebommelesteen in Urk. Ze werden gebracht door de vloed, door een schip dat op de Doggersbank voer, door watergeesten, vliegen en muggen, en door engeltjes en missionarissen in katholieke kringen. Dokters en bakers maakten ze zelf of kochten ze op de markt.
De ooievaar op een postkaart uit 1909, als hofleverancier |
|
Sommige volkskundigen hebben in die bomen, stenen, putten en bronnen de resten willen zien van animisme en Germaanse godsdienstoefening. Maar als verklaringen liggen dat soort vindplaatsen nogal voor de hand, en of de oude Germanen hun kinderen al zulke onzin verkochten? Het is veelzeggend dat niet-westerse culturen nauwelijks kinderbrengers nodig hebben gehad.
De ooievaar als kinderbrenger is in Nederland vrij laat algemeen geworden. Volgens de schrijver Okke Haverkamp is hij in die rol pas aan het eind van de achttiende eeuw vanuit Duitsland tot het westen doorgedrongen; alleen oostelijke provincies kenden hem zo langer. Dit is opmerkelijk, want net als in Duitsland was de ooievaar hier een bekende verschijning. Als trekvogel die elke lente op zijn oude nest terugkeert om jongeren groot te brengen, soms op een schoorsteen middenin de stad, stond hij ook symbool voor vruchtbaarheid en trouw. Niet voor niets siert hij sinds 1541 het wapen van Den Haag en zijn diverse gevelstenen in Amsterdam aan hem gewijd. Etymologen beweren zelfs dat het woord ooievaar is afgeleid van odevaar of adebaar, wat schatbrenger zou kunnen betekenen. En toch moest die associatie met de geboorte van kinderen uit Duitsland komen. Eenmaal in die rol echter werd hij een doorslaand succes, want in de twintigste eeuw was het verhaal over hem het meest verbreid, met dat over de kool op de tweede plaats. Iconografisch heeft hij ook als enige de openhartige voorlichting overleefd die sinds het midden van de vorige eeuw gebruikelijk is geworden: op geboortekaartjes wordt hij nog wel, maar de kool niet meer afgedrukt.
Waarom de ooievaar uiteindelijk heeft gewonnen, blijft gissen. Misschien vonden mensen van na de Verlichting het plezieriger hun kind bij hem te denken dan bij vliegen, muggen, een put of een boom. Grappig in dit verband is dat een vrouwelijke ooievaar altijd als een echte dame wordt afgebeeld en een mannelijke als een heer in jacquet.

Wellicht speelde ook een rol dat deze dame of heer een kind komt brengen, terwijl in de meeste verzinsels de ouders het kind halen. Dat lijkt een heel andere entree. In het laatste geval hoort namelijk het kind dankbaar te zijn. De komiek Albert Mol getuigde eens hoe erkentelijk en gevleid hij was, toen zijn moeder hem vertelde dat zij hem uit tientallen andere kinderen had gekozen die in een koolveldje lagen te vernikkelen. Ook de kinderen die in Volewijk bij trosjes aan de bomen hingen waren zich bewust van de goedertierenheid van hun aanstaande ouders; zij riepen om het hardst:
Pluk mijn, pluk mijn,
Ik zal alle dagen zoet zijn.
Wanneer nu een kind aan huis wordt afgeleverd, wordt de dankbaarheid als het ware verlegd naar de ouders: zij zijn blij met om het even wat voor kind. Dit is speculatie natuurlijk, maar die past wel in de intensieve zorg waarmee kinderen sinds de achttiende eeuw in burgerlijke gezinnen werden omgeven. Zelfs de getroffen moeder kreeg in het verhaal van de ooievaar een plaats. Wanneer hij een kind bij de moeder bracht, stak hij haar met zijn snavel per ongeluk in buik of been, en dat kon haar bedlegerigheid na de bevalling tegenover oudere kinderen verklaren. Het was zelfs mogelijk de ooievaar in de gezinspsychologie te betrekken. Albert Heijn vertelt in Albert Heijn, de memoires van een optimist dat zijn vader in 1931, toen hij zelf vier jaar oud was, de geboorte van zijn broer Gerrit-Jan aankondigde met de woorden: 'De ooievaar is net weg, maar hij vroeg nog naar je'. Zeventig jaar na dato stond Albert nog bij dat hij zich door die opmerking niet buitengesloten had gevoeld.
Een uitvloeisel van het taboe rond de geboorte is geweest dat er nergens zoveel en zo lang volksgeloof heeft getierd als op dit vlak: de bakerpraatjes. Hun verspreiding heeft tot in de twintigste eeuw geduurd, niet helemaal verwonderlijk gezien het feit dat biologen pas in 1875 hebben ontdekt hoe de bevruchting precies plaatsvindt. Door de grote kindersterfte - tot in de negentiende eeuw haalde slechts de helft van de kinderen het vijfde levensjaar - was men bovendien ontvankelijker voor troostende waanwijsheid.
De bijbel en de Griekse en Romeinse geneeskunst dienden als grootste inspiratiebron, gevolgd door de signatuurleer van de zestiende-eeuwse Zwitserse arts Paracelsus, volgens welke een ziekte dient te worden bestreden door iets wat erop lijkt (een gele plant tegen geelzucht, pissebedden tegen bedplassen). Maar ook alledaagse normen werden verheven tot medische inzichten. Een vrouw die niet in verwachting raakte, had volgens haar omgeving te veel omgang met mannen gehad, of te weinig met haar eigen man; in elk geval lag het aan haar.
Ter opwekking van de zwangerschap dienden kleverige en stoppende middeltjes, zoals stroop en koek, maar die hielpen niet wanneer de vrouw nog een ander kind borstvoeding gaf, wat ook vandaag nog te beluisteren valt. Raakte de vrouw zwanger maar kreeg ze een miskraam, dat deerde niet, dat was slechts een voorbode van een volgende dracht.
Tijdens de zwangerschap mocht een vrouw niet met de benen over elkaar zitten, want dan groeiden die van het kind aan elkaar. Ze mocht haar armen niet boven haar hoofd steken, aangezien de navelstreng zich dan rond de nek van het kind krulde. Onder een drooglijn doorlopen of een halssnoer dragen had hetzelfde effect. De vrouw mocht vooral niet schrikken van lelijke of vreemde dingen en mensen; dat zou een even lelijke of vreemde afwijking aan de vrucht meedelen. Schrok de vrouw niettemin, dan mocht ze nooit met haar hand haar lichaam ergens raken, daar het kind op die plaats een wijnvlek zou krijgen. Sloeg ze bij het schrikken voor een haas een hand voor de mond, dan kreeg haar kind onherroepelijk een hazenlip. Ze kon het beste naar mooie dingen kijken, daar werd haar kind ook mooi van.
Dit soort inbeeldingen heet 'verzien'. Volgens de bioloog C. Naaktgeboren was verzien in de vroege Middeleeuwen nog voornamelijk gericht op harmonieuze voorstellingen tijdens en direct na de conceptie; daarna kwamen de misvormingen erbij en werd het effect ervan over de hele zwangerschap uitgesmeerd. Zo was veel melk drinken aan te raden als de vrouw een blanke baby wenste. Een beker azijn per dag leverde een mager kind op. Gestage boterconsumptie maakte het kind blozend. Rauwe wortelen zorgden voor een zoon, slappe kost voor een dochter. En of het een meisje of een jongetje was viel af te leiden uit de beweeglijkheid van de vrucht en de ronding van de buik (zat die aan de rechterzijde, de gelukkige kant van de mens, dan was het een jongetje). Ook het gezicht van de moeder kon wat dit betreft onthullend zijn, aldus de dichter Jacob Cats:
Die van een soontje swanger gaet
Heeft veel een skoon en bly gelaet.
Maer gaet ze van een meysje swaer,
So is haer wesen niet te klaer.
Dit sluit aan bij de veronderstelling dat vrouwen het geslacht van het kind bepalen, terwijl de mannelijke zaadcel dat geslacht al in zich draagt. Van alle bakerpraatjes is dit praatje wel het meest internationaal en virulent. In moslimlanden gebeurt het nog steeds dat vrouwen als echtgenote worden vervangen, omdat zij alleen dochters baren...
Om het kind te ontvangen moesten er uiteraard voorbereidingen worden getroffen, maar men mocht die niet afronden, want dat zou de goden verzoeken zijn. Wanneer de geboorte op handen was, zette men wel laden, kasten en deuren open om de baarmoedermond een voorbeeld te geven. Een gedroogde woestijnplant in water, zodat deze zich als een Roos van Jericho kon openbaren, diende hetzelfde doel. Amuletten van rood koraal of een afbeelding van de Heilige Anna aan een rood koord beschermden tegen het boze oog.
Voor een voorspoedige bevalling adviseerde Het Kleyn Vroetwyfsboeck uit de zeventiende eeuw - talloze malen herdrukt - de huid van een serpent aan de zij van de moeder te binden en de moeder dikke drankjes te geven, opdat haar kind er makkelijk uit zou glijden. De consumptie van wijwater kon de zaak eveneens bespoedigen. De bloeding nadien kon gestopt worden met soortgelijke drankjes, maar ook met eenvoudige bezweringen.
Aan het kind was met een oogopslag te zien wat voor volwassene eruit zou groeien. Hield het de vuistjes gesloten, dan werd het gierig. Een dubbele kruin duidde op koppigheid of knapheid. De eerste nageltjes moesten er door de moeder worden afgebeten, anders werd het kind een dief. Meten kon men het ook beter niet, want dan mat men tevens zijn doodskistje. Verder waren roodharigen van God getekend; zij hadden een leven van plagerij en bespotting voor zich.
Om nog even door te gaan: vrijdagskinderen stierven spoedig, terwijl woensdags-, zondags- en kerstkinderen gelukskinderen waren. De laatste twee konden bovendien in de toekomst kijken. Dat was eveneens het geval bij hen die met een deel van het geboortevlies over het hoofd, de helm, ter wereld kwamen. Zij bezaten het 'tweede gezicht' of de 'voorschouw'. Zo'n helm bracht de drager geluk, maar werd door de omgeving angstaanjagend gevonden. Men kon die helm beter verbranden of elders juist bewaren om te voorkomen dat het kind straks allerlei onaangename tijdingen zou brengen.
Ten slotte waren er diverse geboden voor de kraamvrouw die voortkwamen uit de onreine toestand waarin zij geacht werd te verkeren. Zo moest het kraambed minstens negen (heilig getal) dagen duren; was de moeder eerder opgestaan, dan diende ze althans die dag weer in bed te gaan liggen. Gewestelijk mocht zij voorlopig evenmin de stallen betreden, de was doen, kleren in de kast leggen, nabij ingemaakte groenten en vers geslacht vlees komen, vet uitbraden of pannenkoeken bakken, of de kerk passeren. Pas wanneer zij zes weken na de bevalling haar eerste kerkgang had gemaakt, was haar periode van onreinheid officieel beëindigd.
Een oud-Hollandse kraamkamer
De cultus rond de geboorte, zoals we die tegenwoordig kennen, is begonnen in de zeventiende eeuw. In die eeuw werd in Nederland, en voorlopig alleen hier, de kraamkamer een populair thema in de beeldende kunst. Kennelijk vond de stedelijke burgerij het in die tijd de moeite waard een geboorte, die dikwijls dramatisch verliep, op een schilderij of prent tot in lengte van dagen te gedenken. Dit is een blijk van betrokkenheid bij kinderen die niet alleen stond maar velerlei uitingen had. Zo bezat in diezelfde tijd iedere stad in het land, hoe klein ook, een of meer weeshuizen; internationaal beschouwd uitzonderlijk. Vermoedelijk hierom ontbreken in de Nederlandse literatuur extreme verhalen over aborteuses en 'zieltjesmakers' (vrouwen die tegen vergoeding baby's doodden), waar de Franse literatuur bol van staat. Dankzij die tehuizen kon tevens het gesol met vondelingen beperkt blijven. Frankrijk kende bijvoorbeeld tot in de negentiende eeuw reguliere babyophalers, die karren vol verstoten baby's - dronken, om ze tijdens de lange ritten stil te houden - naar nonnenkloosters brachten. Een Nederlandse equivalent van zulke figuren zal men niet gauw vinden.
Wel, al was de kraamkamer dan een populair thema in de beeldende kunst, een echte kamer betrof het doorgaans niet. Alleen de grootste huizen bezaten voldoende ruimte om een aparte kraamkamer in te richten, zoals bewaarde poppenhuizen uit die tijd laten zien. Gewoonlijk was de kraamkamer het centrale woonvertrek, voor de gelegenheid aangevuld met de babyuitzet. Deze bestond uit een aantal elementen: een luiermand, die gewoonlijk door de moeder van de aanstaande vader werd verzorgd, een maanden durend karwei; een schommelwieg, die vaak door een lijn met het ouderlijk bed was verbonden, opdat het kind van daaruit kon worden gewiegd; een kraamscherm tegen de tocht; en een bakermat, die vlakbij de open haard stond en waarin het kind werd verzorgd ('te heet gebakerd', 'de bakermat van onze beschaving'). Met het verdwijnen van de hoge schouw in de achttiende eeuw zou die bakermat worden vervangen door een eenvoudiger bakerstoeltje, met een bijbehorende vuurmand voor de natte luiers, maar zij zou het pas midden negentiende eeuw definitief afleggen tegen de moderne commode.
Was de kraamkamer ingericht, dan konden vrouwelijke familieleden en vriendinnen worden uitgenodigd voor het zogenaamde deurzichten. Dit vond plaats na zeven maanden zwangerschap en was bedoeld om de blijde gebeurtenis officieel aan te kondigen en alvast toekomstige hulp in te roepen. Zodra de dames binnen waren, trokken ze onbezwaard de kasten open, haalden de luiermand leeg en bespraken onder het genot van een glaasje de kwaliteit van het een en ander.
In rijke milieus geschiedde deze aankondiging met behulp van een Hansje-in-de-kelder: een zilveren kelk met een aardbol in het midden van de kom, waaruit een poppetje verrees zodra deze met wijn werd gevuld. 'Op Hansje in de kelder' luidde de heilwens voor een vlotte bevalling. Overigens vormden dergelijke bekers, die in de Middeleeuwen dienden om nieuwe steden in het Hanzeverbond te verwelkomen, al in de achttiende eeuw een gewild object voor de antiekhandel.
Bakermat, borstvoeding en luiermand, op een ets van C. de Passe uit de tweede helft van de 17e eeuw.(Atlas van Stolk) | Hansje-in-de-kelder, waaruit bij voorkomende gelegenheden de aanstaande moeder werd toegedronken.(Atlas van Stolk) |
Zodra de bevalling zich aankondigde ging de vrouw op de rand van haar bed zitten, met kussens in haar rug. Ook maakte ze wel gebruik van een baarstoel, die al bij de Egyptenaren bekend was, of een werkbed, een lit de travail. Ze zát in ieder geval. In stedelijke milieus werd ze bijgestaan door een vroedvrouw; op het platteland hielpen vaak buurvrouwen elkaar. Was het kind ter wereld gekomen dan werd het overhandigd aan de baker, een bedreven oudere vrouw, die tot aan de komst van de professionele kraamverzorgster in het begin van de twintigste eeuw die rol vervulde.
De baker legde de baby 'in de luren'. Dat ging net als in Aristoteles' tijd: een doekje om het hoofd dat de fontanel moest beschermen en de groei van vlakke slapen en platte oren diende te bevorderen (maar tegelijkertijd op de kruin vaak een eivormige verdikking deed ontstaan); dan een linnen doek en een wollen luier om het hele lijfje en ten slotte een strak zwachtel van de voeten tot de oksel, opdat het kind de benen niet kon bewegen. Angst voor scheefgroei en navelbreuk waren hierin de onterechte raadgevers.

Nadat de baby was verzorgd, kon de vader binnenkomen. Hij kreeg het kind aangereikt en door het op de knieën te nemen bevestigde hij zijn vaderschap. De buitenwereld werd van het hele gebeuren in kennis gesteld door een kraamkloppertje op de voordeur, een kantwerkje op de plaats van de klopper dat het huis voorlopig vrijwaarde van rekeninglopers.
Typisch voor die tijd was dat familie en buren op het eerste bericht kwamen toegesneld. Kinderen werden getrakteerd op suikerbollen of gesuikerde boterhammen (kindermanstik). In de Zaanstreek schijnt het gebruik van 'muisjes' te zijn ontstaan: een anijszaadje met een suikerlaagje dat tijdens het productieproces een staartje overhoudt en daardoor de associatie met een muisje wekt, tevens vruchtbaarheidssymbool. Anijs was elders ook bekend, bijvoorbeeld in de vorm van kraamanijs, oftewel anisette, dat de baarmoeder van de kraamvrouw zou doen slinken. Vanaf 1860 zorgde de firma De Ruijter voor industrieel vervaardigde muisjes, wat landelijke verspreiding mogelijk maakte. Een unieke Nederlandse traditie ontwikkelde zich toen bakkers vanaf het midden van de negentiende eeuw op grote schaal eierbeschuit gingen vervaardigen: beschuit met muisjes. Overigens waren die muisjes altijd rose en wit; pas vanaf medio 1990 bestaat de combinatie blauw/wit voor jongens.
Volwassenen kregen tijdens het kraambezoek kandeel geschonken: brandewijn met rauwe eieren, kaneel en kruidnagelen. De drukte rondom het kraambed was dusdanig dat de overheden er dikwijls keuren tegen uitvaardigden. In 1743 getuigde een Giethoornse dominee 'dat het schandelijk, ja zelfs moorddadig was, zoals aanstonds na de geboorte het kraamhuis vervuld werd met ijselijk geschreeuw, getier, geroep, gepaard gaande met zondige danserijen dat wellicht een oorzaak van de dood van zwakke kraamvrouwen zijn konde'.
Bij de traditionele openheid van een geboortehuis hoorde dat het kind ook publiekelijk werd gezoogd. De moeder deed dat gewoonlijk zelf en wanneer zij onvoldoende melk had sprong een buurvrouw bij. Het verschijnsel van een min of 'zuigster' bestond volgens de onderzoeksters Broos en Stoffers wel, maar was uitzonderlijk. Er was al vroeg weerstand tegen. Jacob Cats verwoordde dit aldus: 'Een die haer kinders baert is moeder voor een deel/ Maer die haer kinders sooght is moeder in 't geheel'. Later, met de toenemende verfransing van de hoogste kringen werd door hen 'uit hoogmoed van rang' wel regelmatig een min ingeschakeld, maar de Franse gewoonte om kinderen op het platteland bij zo'n vrouw onder te brengen, met alle verwaarlozing vandien, is hier nooit overgenomen. De min kwam aan huis en maakte deel uit van het gezinsleven.
Met de spontane toeloop direct na een geboorte, ook wel kraameten genoemd, had het ouderpaar nog niet alle bezoek gehad. Enkele dagen later volgde een meer officiële ontvangst, waarbij de buren de nieuwgeborene met cadeautjes in de gemeenschap begroetten. In het noorden van het land heette dit kraamschudden, in Brabant 'met den krommen erm gaan', in Limburg 'met de eierschoot gaan'. De giften bestonden uit zelfgebreide kleren, eieren, diverse baksels en een hartversterkertje voor de vader. In het oosten van het land verschenen de gezamenlijke buren met een krentenwegge van soms wel twee meter; een dusdanig aansprekend gebruik dat de krentenwegge als regionaal symbool is gaan fungeren en nu bij festiviteiten van uiteenlopende aard opduikt. Volgens de historicus Schotel draafde de omgeving na dit bezoek andermaal op als het kind werd gespeend, werd ontbakerd, uit de bakerkleren ging en zijn eerste tandjes kreeg.

De doop speelde tussendoor. Bij katholieken was hier haast bij, want mocht het kind ongedoopt overlijden, dan kreeg het geen zielenheil. Zonder van de erfzonde te zijn verlost werd het naamloos (een naam kreeg het pas bij de doop) tussen zelfmoordenaars in ongewijde aarde begraven, iets waaraan tot veler verdriet nog enkele decennia geleden strikt de hand werd gehouden. Maar ook protestanten wilden hun kinderen het liefst kort na de eerste kerkgang van de kraamvrouw laten dopen. Veel protestanten beschouwden een doop weliswaar als niet-noodzakelijk voor de zaligheid; de afgewezen katholieke leer trok toch. Het volksgeloof versterkte deze neiging. In moerassen doolden 's nachts dwaallichtjes (fosforescerende gasbelletjes of glimwormen) rond, waarvan men aannam dat het ongedoopte gestorven kinderen waren, die reizigers in een poel probeerden te lokken teneinde alsnog door hen te worden gedoopt.
In de doopplechtigheid speelden de peten een hoofdrol. Zij waren degenen die na eventueel overlijden van de ouders de zorg voor het kind op zich namen, een functie die met de verminderde kans daarop geleidelijk is verwaterd: peten werden eerst suikerooms en suikertantes en nu gaat het om een eer zonder verplichtingen. De keuze van de peten verliep volgens een vast patroon. Voor het eerste kind kwamen successievelijk de grootouders en de ouders van de vader in aanmerking; daarna die van de moeder, en voor de volgende kinderen werden ooms en tantes, broers en zussen en neven en nichten aangezocht. In de praktijk werd een kind vaak naar een van de peten vernoemd en traden zij op als een soort toeziend voogd: zij waren bij alle hoogtepunten in het leven van hun petekind aanwezig en vertegenwoordigden het bij erfeniskwesties. Bij de doopplechtigheid hielden zij het kind boven de doopvont en nadien brachten zij het naar het ouderlijk huis, overigens nadat er in een naburige kroeg stevig kinderbier was ingenomen. Thuis werd ook vaak de pillegift overhandigd, een geschenk van de peten om hun band met het kind te bevestigen. Een doopmaal volgde.
Kunst en kunde
Hoewel een bevalling in de zeventiende eeuw nog steeds een exclusieve aangelegenheid was voor vrouwen, kwamen meer en meer mannen in de wachtkamer zitten. Het begon er mee dat mannen de kennis van vroedvrouwen optekenden. Den roseghaert van den bevruchten vrouwen van de Frankfurtse arts Eucharius Roesslin verscheen al in 1516, 't Boeck vande vroetwijfs van de Zwitserse chirurgijn Jacobus Rueff in 1591. De Zwitserse varkensslager Jakob Nufer waagde zich in 1500 aan de eerste keizersnede, op zijn eigen vrouw wel te verstaan, maar tot aan het eind van de negentiende eeuw stond zijn ingreep vrijwel gelijk aan een doodvonnis, omdat men de baarmoeder niet waterdicht kon hechten. De keizersnede was overigens al in de oudheid bekend, maar werd toen alleen bij overleden vrouwen verricht.
Halverwege de zestiende eeuw herstelde de Fransman Ambroise Paré een andere techniek uit de oudheid: de kering op de voet, die in de tweede eeuw na Christus was beschreven door de Griek Soranus van Efeze, maar nadien in de vergetelheid was geraakt.
Mannen construeerden ook de eerste hulpinstrumenten. De Brit Peter Chamberlen ontwierp rond 1600 de verlostang, waarmee moeder en kind door een moeilijke bevalling heen konden worden geholpen. Het taboe op de geboorte bleek voor zijn hele familie bijzonder lucratief te zijn. Vier generaties Chamberlen zouden de verlostang geheim houden en alleen tegen hoge betaling toepassen. Hetzelfde deden eind zeventiende eeuw Hendrik en Rogier van Roonhuysen met hun 'Roonhuysiaanse geheim': een hefboom met twee lichte krommingen erin, waarmee een reeds overleden kind kon worden verwijderd. Verloskundigen moesten dit geheim kopen om het te mogen gebruiken. Door dit soort praktijken, die niet strijdig met de medische ethiek werden geacht, zou het tot 1720 duren voordat een eerste verlostang, ontworpen door de Gentse arts Jan Palfijn, algemeen beschikbaar kwam.

Geleidelijk ontfermden mannen zich ook over het onderricht aan vroedvrouwen. Hoogstwaarschijnlijk waren de meeste vroedvrouwen bedreven in hun vak. De beroemde Friezin Catharine Schrader assisteerde volgens haar dagboek tussen 1693 en 1745 bij meer dan drieduizend bevallingen; zij beheerste de 'voetkering' en zag slechts veertien moeders onder haar handen sterven. Niettemin was het aanzien van vroedvrouwen laag. Vroed betekende weliswaar wijs, maar die wijsheid werd niet door iedereen hoog aangeslagen; soms werd een vroedvrouw zelfs 'kwaadwijf' genoemd. In 1614 was al in Groningen een vroedvrouwenschool gestart. In 1638 werd in Amsterdam het Collegium Medicum opgericht, dat belast werd met het toezicht op vroedvrouwen. Dertig jaar later werd voor hen ook een examen ingesteld. Volgens de bijbehorende eed moest de vroedvrouw tevens de namen van de vaders achterhalen, waardoor het stadsbestuur was verlost van de financiële steun die het aan buitenechtelijke kinderen moest geven.
Verstelbare kraamstoel van Hendrik van Deventer uit 1701 - nog één handeling verwijderd van de horizontale baarhouding. (Atlas van Stolk) |
Een bevalling onder een laken door een vroedmeester in de 18e eeuw, ets van H. Thiriat.(UB Amsterdam) |
Toen ineens deed de vroedmeester zijn intrede. Tot halverwege de zeventiende eeuw kwamen mannen alleen aan een kraambed als destructieve chirurgie was geboden. In 1663 liet Lodewijk de Veertiende echter bij de bevalling van zijn minnares Louise de la Vallière een mannelijke hofarts roepen, een gebeurtenis met internationale uitstraling. Het is mogelijk dat in Nederland al eerder vroedmeesters actief zijn geweest, maar in elk geval steeg hun aantal nadien snel. Het voordeel van vroedmeesters was dat zij instrumenten mochten toepassen en medicijnen mochten voorschrijven, wat hun vrouwelijke collega's was verboden. Verloskunde als wetenschap kon hierdoor een enorme impuls krijgen. In 1701 publiceerde de autodidact Hendrik van Deventer de eerste wetenschappelijke verhandeling over het vak, Manuele operatien zijnde een nieuw ligt voor vroedmeesters en vroedvrouwen. Als eerste Nederlandse hoogleraar in de verloskunde staat Meinhard du Pui te boek, die rond 1800 in Leiden doceerde.
Een volgende stap was dat vroedmeesters speciale vrouwenklinieken openden, zoals Hôtel Dieu in Parijs. Hiermee kon de medicalisering van de bevalling eerst echt aanvangen, waartoe ook behoorde de horizontale baarhouding, een vinding uit de negentiende eeuw. De beginjaren van de klinieken verliepen niettemin rampzalig. Tien tot twintig procent van de moeders overleed er aan de kraamvrouwenziekte. Navrant is het lot van de Weense arts Ignaz Semmelweis, die terecht had geconstateerd dat de ziekte nagenoeg verdween als behandelende artsen vooraf hun handen wasten - hij werd ontslagen. De heersende opvatting was dat een arts ná de bevalling zijn handen moest wassen, wat met de veronderstelde onreinheid samenhing. Pas aan het eind van de negentiende eeuw werd antisepsis een standaardpraktijk, met de uitvinding van de couveuse in 1891 door de Franse arts Alexandre Lion als voorlopig hoogtepunt. En nadien ging de medicalisering steeds harder.
In de meeste westerse landen zou de bevalling een operatieve ingreep in een ziekenhuis worden, met behulp van opwekkende en verdovende middelen. Met een ruggenprik en een inleidende verdoving kan dat zelfs pijnloos geschieden. Nederland behield tot op zekere hoogte als enige land de 'expectatieve' (afwachtende) traditie en de thuisbevalling. Vroedvrouwen, voor wie beide het handelsmerk zijn, raakten hier ook niet volledig buitenspel. Vanaf 1865 werd hun beroep zelfs wettelijk beschermd: alleen zij die een Kweekschool voor Vroedvrouwen met succes hadden gevolgd, mochten zich vroedvrouw noemen. Wel ondervonden vroedvrouwen geleidelijk meer concurrentie van huisartsen, die eveneens in 1865 bevoegd werden verloskunde te bedrijven. Maar wellicht zorgden die huisartsen er tevens voor dat thuisbevalling in Nederland lange tijd een normaal verschijnsel bleef.
Volgens Erasmus waren kraamkloppertjes al in de 15 eeuw | Staphorster vrouw met ingebakerde |
Pas sinds een halve eeuw is de thuisbevalling ook in Nederland op haar retour: was zij toen nog bij zeventig procent van de geboortes gangbaar, in 2009 slechts bij 21 procent. En die krimp lijkt zich voort te zetten, nu berichten de ronde doen dat de kans op babysterfte bij thuisbevalling twee keer groter is, wat allerlei oorzaken kan hebben. Veel vroedvrouwen - sinds 1976 neutraal 'verloskundigen' geheten - kiezen er daarom uit zichzelf voor om bevallingen veiligheidshalve in een ziekenhuis te laten plaatsvinden, en de concentratiebeweging in het ziekenhuiswezen, waardoor een toenemend aantal patiënten niet langer binnen het voorgeschreven kwartier in een polikliniek kan arriveren, doet de rest.
Dat de ruim drieduizend geregistreerde verloskundigen in Nederland intussen nog altijd een behoefte vervullen blijkt uit de internationale opmars van de doula, een oud-Griekse term voor een inhuurbare vrouw die emotionele en fysieke bijstand verleent bij zwangerschappen en bevallingen. Bedacht in 1973 door de antropologe Dana Raphael als reactie op de verregaande medicalisering, zijn er in Amerika inmiddels enige tienduizenden gecertificeerde doula's actief. Ook Nederland kent er een honderdtal, maar daar zitten tevens verloskundigen tussen die slechts een uitbreiding van hun arbeidsterrein zien.
Van taboe naar openbaarheid
De komst van de eerste mannen aan het kraambed betekende niet dat het taboe op de geboorte was doorbroken, integendeel. Figuren als Chamberlen en Van Roonhuysen plachten de deuren van de kraamkamer op slot te doen, de barende vrouw te blinddoeken of haar heupen met kleden te bedekken en al tastend hun werk te verrichten, opdat niemand hun geheim kon ontdekken. Deze handelwijze sloot wonderwel aan bij de verpreutsing die in de achttiende eeuw bij de burgerij op gang kwam. De verbale cultuur werd zoals gewoonlijk het eerst aangepast. Een vrouw was niet meer zwanger, maar 'in blijde verwachting'; ze baarde niet, maar 'beviel' - de gedachte dat dat in barensnood gebeurde, werd uitgebannen.
Waar mogelijk werden er ook kamerschermen rond het kraambed gezet of werd de slaapkamer van het ouderpaar als kraamkamer ingericht, teneinde de intimiteit te vergroten. Het 'deurzichten' voorafgaand aan de bevalling raakte in onbruik, zo ook de zoete inval erna. Geboortes werden slechts aan een beperkt aantal mensen persoonlijk aangezegd; het kraamkloppertje op de deur verdween, in plaats daarvan kwamen krantenannonces en gedrukte geboortekaartjes in zwang. Dit laatste leidde tot een gebruik dat alleen in Nederland en Vlaanderen heerst. De eerste geboortekaartjes werden halverwege de negentiende eeuw in gegoede kringen verstuurd, een eeuw later gebeurde dat in alle milieus.
Ook de 'somptueuze kraammaaltijden', waartegen in de zeventiende eeuw nog talrijke keuren werden uitgevaardigd, hielden op. Mensen zaten voortaan op 'kraamvisite', waarbij lichamelijkheid werd verhuld. Aan het begin van de achttiende eeuw was het blijkens vele afbeeldingen nog normaal dat de kraamvrouw tijdens die visite haar baby de borst gaf, maar borstvoeding zou nadien bijna tweehonderd jaar uit de openbaarheid verdwijnen.
Natuurlijk had men met deze veranderingen verbeteringen in de zin. Uit alles blijkt dat de burgerij meer aandacht aan haar kinderen ging besteden. Voor kinderen kwamen er aparte kleren, aparte boeken; tot de hoogste verlangens behoorden een aparte kinderkamer en een kinderjuffrouw. Ook in de kraamkamer werd men 'oplettend', zoals de Leidse lector le Francq van Berkhey in zijn Natuurlijke Historie van Holland uit 1773 formuleerde. Naar Engels voorbeeld, stelde hij, schafte men het bakeren af om de kinderen aan 'hun natuurlijke wasdom' over te laten. Hygiëne werd een permanente zorg. Natte luiers werden voordien zonder uit te spoelen in een vuurmand gedroogd, nu werden ze gewassen en in de buitenlucht te drogen gehangen. Dokters vonden uit dat het intensieve wiegen van kinderen slecht was voor de hersentjes; dus maakte de schommelwieg geleidelijk plaats voor een staande wieg, met lange vitrages tegen de tocht en kou.
Voor alle sociale stijgers werd dit het nastrevenswaardige model; het laatst in perifere gebieden. De schommelwieg, inclusief het koord om op afstand de wieg te doen schommelen, was in negentiende-eeuwse boerderijen nog algemeen, zoals te zien is in nagebouwde exemplaren in het Openluchtmuseum in Arnhem. Begin twintigste eeuw bewerkstelligden vroedvrouwen en artsen dat arbeiders hun baby's niet langer in de ouderlijke bedstee lieten slapen, of in een la daaronder, maar in eenvoudige bedjes, desnoods een 'stijfselkissie'. Ook het bakeren werd door hen met succes bestreden, al zou dat op het eiland Marken pas na de Tweede Wereldoorlog uitgestorven raken. Tegen die tijd konden de meeste mensen zich ook een echte kraamkamer veroorloven, liever gezegd een babykamer. Voor de controle tijdens het 'deurzichten' zorgde niet langer vrouwelijke familieleden en vriendinnen maar het Groene Kruis en de traditionele giften van buren werden overgenomen door de Felicitatiedienst.
De burgerij bleef intussen haar doelen bijstellen, totdat er ineens een radicale maar vanzelfsprekende koerswijziging kwam. De verhouding tussen man en vrouw was langzamerhand zo gedemocratiseerd en intiem en privé geworden, dat een oude scheidslijn kon worden overschreden. Na minstens duizend jaar van officiële afwezigheid kwam de echtgenoot tijdens een bevalling naast zijn vrouw zitten. In de jaren dertig van de vorige eeuw is deze nieuwigheid schoorvoetend begonnen, maar in katholieke ziekenhuizen moest zij tot in de jaren vijftig worden bevochten. Een decennium later was het al ondenkbaar dat een man zijn vrouw in haar weeën niet zou bijstaan. Het is van belang te constateren dat de verklaring van vrouwelijke 'onreinheid' hiermee stilzwijgend werd ingetrokken.
In 1962 kwam de eerste succesvolle anticonceptiepil op de markt, uitgevonden door de Nederlander Max de Winter. Dankzij acties van Dolle Mina zou de pil tien jaar later in het ziekenfonds belanden, waarmee kinderen krijgen voor iedereen een bewuste keuze werd. Zelfs grote gezinnen verkleinden hierdoor: was vòòr de pil een gezin met tien kinderen nog betrekkelijk normaal, nu werd zeven kinderen al extreem gevonden en werd twee of drie de standaard. Niet alleen de pil liet overigens haar invloed op het geboortecijfer gelden. In 1971 opende in Arnhem de eerste abortuskliniek haar deuren, startpunt van een hevig debat dat in 1981 resulteerde in de Abortuswet, waarin landen als Engeland en Frankrijk voorgingen. Het aantal abortussen in Nederland bedraagt gemiddeld 33.000 per jaar. Tegelijkertijd echter ontwikkelden gynaecologen bevruchtingstechnieken voor vrouwen die niet langs natuurlijke weg zwanger raken, een uitvloeisel van de eerste kunstmatige inseminatie die de Friese veearts Jan Siebenga in 1935 op koeien had toegepast. Dankzij al deze ontwikkelingen kon een intense focus op geboortes ontstaan.
Mannen die aanvankelijk overdonderd naast het kraambed zaten, begonnen een foto- of videocamera te hanteren, en sommigen gingen vooraf mee naar zwangerschapscursus om het puffen onder de knie te krijgen. Een veelgebruikt zinnetje voor stelletjes werd: 'Wij zijn zwanger', of: 'Wij zijn in verwachting', een vertaald bon-mot van een vooroorlogs Amerikaans schrijver dat inmiddels als serieuze boodschap is aanvaard. De focus op geboortes leverde ook alternatieve baarhoudingen op, zoals de aloude baarstoel, de hurkstand of liggend in een bad met water, teneinde een als storend ervaren medische sfeer tegen te gaan. Muziek kon ook weerklinken, en desgewenst mochten mannen de navelstreng doorknippen. De baby's zelf werden niet langer gewassen en geluierd aan de moeder overhandigd, maar direct na de partus op haar blote buik gelegd, wat in culturen die nog met het begrip onreinheid werken absoluut ondenkbaar zou zijn.

De volgende stap was meer publiciteit, in de brede zin van het woord. De dikke buik tijdens de zwangerschap verdween niet langer onder een overgooier, maar kreeg nadruk met behulp van strakke T-shirts of stretchbanden over de broek heen. Tijdens de bevalling mochten ook oudere familieleden, en soms de kinderen en vrienden, al rond het bed plaatsnemen. En de kraamkamer nadien stroomde weer vol als in de zeventiende eeuw, waarbij het op prijs werd gesteld als de moeder openlijk haar baby zoogde. Ten slotte werd ook de buurt meer bij het gebeuren betrokken. De plattelandsgewoonte om ooievaars bij de gevel te plaatsen, vond zijn weg naar de stad. Baby's werden niet meer in een gevoileerde kinderwagen vervoerd maar in open buggy's, of in een hangzak op rug of borst. En gedurende vele weken na een geboorte kan men achter de ramen van het desbetreffende huis in uitgeknipte letters aan een snoertje lezen: 'hoera, een zoon', 'hoera, een dochter'.
Deze grotere openheid diende zich tegelijk aan met een andere tendens, die er historisch eigenlijk haaks op staat: buitenechtelijke geboorten. Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldt dat het percentage buitenechtelijke kinderen in 1985 op acht procent stond. In 2009 was dat meer dan 45 procent en bij eerstgeborenen al 56 procent! Van de bijna 200.000 kinderen die jaarlijks geboren worden is dus de helft buitenechtelijk. Nog niet zo lang geleden kende men voor zulke kinderen grievende aanduidingen als bastaard, mantelkind, ondergeschoven kindje, koekoeksjong, maar indruk maken die niet meer. Integendeel, wat men vroeger geheim hield, laat men nu openlijk weten. Bastaard is zelfs een term geworden die de gebruiker in een kwaad daglicht stelt in plaats van het kind in kwestie - binnen vijfentwintig jaar!
De trend naar blijvende openheid blijkt ook uit de opbloei van een nieuwigheid sinds de laatste eeuwwisseling, de babyshower, hoofdzakelijk bij eerstelingen. De benaming is Amerikaans en het voorbeeld ertoe werd verstrekt door de internationale jetset in de glossy's en roddelbladen, maar voor hetzelfde geld kan men er een heropleving van het oude 'deurzichten' in zien. Wat gebeurt? Direct als het zwangerschapsverlof ingaat, in Nederland een recht sinds 1966, organiseren vriendinnen van de zwangere vrouw een verrassingspartijtje voor haar, met kleine geschenken en een hoop lol. Hoewel er in Amerika ook mannen bij aanwezig kunnen zijn, lijkt het in Nederland een soort vrouwensabbath, waarbij de ene helft zich realiseert dat de jeugd definitief voorbij is en de andere helft dat er langzamerhand met de kinderwens haast moet worden gemaakt.
Geboortedagen
Met zoveel vroege aandacht voor de geboorte van kinderen in Nederland, zou je verwachten dat ook hun verjaardagen hier al eeuwen worden gevierd, maar dat is niet het geval. De geboorte van een individu was een gebeurtenis voor de familie, en dat individu bleef daaraan zelfs op zijn geboortedag ondergeschikt. Lang golden ook religieuze bezwaren. De bijbel rept niet van verjaardagen, zelfs niet met betrekking tot Jezus Christus. Daarentegen kenden de oude Egyptenaren ze wel, evenals de Grieken, die dan zelfs al de taarten met de uit te blazen kaarsjes lieten aanrukken. De gedachte daarachter was dat iedereen een goede en een kwade geest om zich heen heeft, die speciaal rond verjaardagen naderbij komen. Daarom haastte men zich op die dag een heilwens uit te spreken. Met kaarslicht kon de kwade geest worden verdreven, en door de vlammetjes in een keer uit te blazen werden die vlammetjes als het ware naar het geestenrijk getransporteerd, waar de goede geest ze kon opvangen, samen met de uit te voeren wens.
Vorsten hebben eeuwenlang verjaardagen gevierd, maar volgens de Britse Linda Rannels Lewis zijn zulke dagen pas in de zeventiende eeuw in de Europese burgerij doorgedrongen, vooral om de familieband te versterken. Het calvinistische Nederland moet die mode voorlopig genegeerd hebben, want nog in de achttiende eeuw maakten kranten hier uitsluitend melding van verjaardagen van doorluchtigheden. Het eerste bericht over een verjaarspartijtje voor een (Amsterdams) burgerkind verschijnt pas in 1795. Nederland is dan bezet door de Fransen, wat de veronderstelling rechtvaardigt dat zij het fenomeen hebben ingevoerd.
In de negentiende eeuw wordt de notie normaal dat volwassenen tenminste verjaardagen hebben, getuige de herhaalde mededeling in overlijdensberichten dat iemand kort na of voor zijn zoveelste verjaardag is gestorven. Blijkens romans als Eline Vere zijn kinderpartijtjes in welgestelde kringen aan het eind van die eeuw usance, maar de meeste mensen krijgen er pas mee te maken dankzij de leerplicht van 1900. Met name scholen zijn de verbreiders geweest van verjaardagen onder de massa, al hadden zij daarbij weerstand te overwinnen van zowel gereformeerden als katholieken. Gereformeerden koesterden weerzin tegen een dag waarop een persoon centraal staat en cadeautjes van familie en vrienden ontvangt. De volkskundige Van der Molen meldt dat in het noordoosten van Nederland maar liefst tot in de jaren zestig van de vorige eeuw verjaardagen volledig onopgemerkt voorbijgingen; en protestantse Zeeuwen beperkten zich lang tot een feest als kinderen tien werden. Katholieken op hun beurt verkozen van oudsher de minder persoonlijke 'naamdag' van de heilige naar wie zij waren vernoemd; in Limburg bleef dat tot na de Tweede Wereldoorlog het geval.
Ondanks de jonge traditie van het verjaardagvieren kreeg het feest in Nederland wel aparte elementen. Wellicht om de gelovigen tegemoet te komen hebben de twee bekendste verjaardagsliedje een godsdienstige connotatie: Lang zal die leven in de gloria (= heerlijkheid) en Hij leve hoog. Niet-gelovigen konden uitwijken naar Er is er een jarig, hoera, hoera, of het engelstalige Happy Birthday, dat vooral na de oorlog populair werd, tegelijk met het Amerikaanse O.K. Overigens meldde de komiek Wim de Bie dat Lang zal die leven in 1901 is gecomponeerd door een zekere Piet Jansen uit het streng gereformeerde Kootwijk, die zich nog op honderdjarige leeftijd erover beklaagde dat hij nooit royalties voor zijn lied had ontvangen...
Een andere eigenaardigheid is de verjaarskalender die veel mensen in hun wc hebben hangen, ogenschijnlijk iets triviaals, maar volgens de Amerikaanse antropologe Ethel Portnoy draagt een kalender uitgerekend op die plek er toe bij dat buitenlanders Nederlanders als 'een soort Marswezens' beschouwen. Even eigenaardig: de gewoonte van familieleden en vrienden om elkaar onderling met een jarige te feliciteren ('gefeliciteerd met je broer Sjaak'). Volgens de leerrijke site www.stuffdutchpeoplelike.com is het woord 'gefeliciteerd' al overdreven. In Engelstalige landen feliciteert men iemand met een huwelijk, een geboorte of een promotie; bij iets normaals als een verjaardag beperkt men zich tot 'happy birthday' - laat staan dat men dan derden zou feliciteren die zelf niet eens jarig zijn! In de aangedikte praktijk die hier te lande geldt proeft men de overcompensatie die nodig was om iedereen tot een nieuwe traditie te verleiden.
Een uniek tafereel bieden Nederlandse woonwijken bij avond. Tussen de inkijk biedende ramen met tegelijk verspringende flikkeringen van de televisie zit opeens een hel verlicht raam met erachter een kring mensen onder slingers: daar wordt dan met familie en vrienden iemands verjaardag gevierd. Het gaat om een gemengde en aangeklede variant van het koffieleuten onder huisvrouwen, het 'bakkie doen', wat in nabuurlanden eveneens zelden gebeurt. De gasten worden geacht een cadeautje voor het feestvarken mee te nemen, waarbij als zodanig ook kunnen fungeren: een kaasplankje met magneetjes waaraan mesjes kleven en een notitieblok op een kartonnetje met aaanhangend potlood. In elk dorp van enige omvang kan men zulke artikelen aanschaffen bij een drogist of speciale giftshop. De geanimeerdheid van de avond hangt verder sterk van de aanwezigen af. Nederlanders gedragen zich over het algemeen makkelijk in grote gezelschappen en zijn ook opvallend goed in persoonlijke gesprekken, maar op feestjes zitten ze dikwijls op elkaar af te dingen, omdat ze zelf zo graag bijzonder willen zijn.
Een laatste eigenaardigheid is dat verjaardagen niet alleen op scholen worden gevierd, ook op kantoren en fabrieken. Zoals men dat op school heeft geleerd, geldt daar een omgekeerde geefrichting: de jarige tracteert op een versnapering, wellicht omdat dat de makkelijkste manier is om ieders aandacht te verkrijgen. Hoezeer deze tractatiegewoonte in Nederland gemeengoed is geworden toont www.stichtingjarigejob.nl die via voedselbanken arme kinderen een pakket snoep verschaft opdat zij eveneens in de klas kunnen uitdelen.
Opmerkelijk is dat de volwassenwording niet speciaal wordt gevierd. Dit kan te maken hebben met het feit dat het wettelijke begin daarvan nogal eens is gewijzigd: van 23 jaar - voor huwelijkse vrijheid zelfs 27 jaar - via 21 jaar, tot 18 jaar nu. En hierop zijn ook weer uitzondering mogelijk, zoals huwen bij zwangerschap vanaf zestien jaar.
Maar ongetwijfeld speelt ook een rol dat in een moderne maatschappij de volwassenheid in etappes komt, die per individu verschillen: van een voorwaardelijk rijbewijs met 17 tot uithuizigheid met 25 of eerder. Als gevolg daarvan kennen wij ook geen gefixeerde puberteit, zoals bijvoorbeeld de strenggelovige, uit Duitsland afkomstige Amish-people in Amerika kennen met hun rumspringa: een periode van minstens een half jaar waarin jongeren mogen 'herumspringen' in de normale maatschappij. Westerse jongeren doen nog aan rumspringa wanneer ze allang volwassen zijn.
Ondubbelzinnige kroonjaren krijgen wel nadruk, vooral het vijftigste, wanneer men Abraham wordt. Dit gaat terug op het evangelie van Johannes, waarin joden Jezus rethorisch voorhielden: 'Nog geen vijftig jaar en toch hebt gij Abraham gezien?' Hoewel de aartsvader veel langer daarvoor leefde, gaf deze verbazing kennelijk aanleiding tot de gedachte dat iedere vijftigjarige zich diens wijsheid eigen moeten hebben gemaakt. Het gezegde 'Abraham zien' is echter pas in 1898 tot Van Dale doorgedrongen, in lijn met de late opkomst van verjaardagen.
In de negentiende eeuw was het geven van een Abrahamkoek al wel gebruikelijk in Het Gooi en West-Friesland. De rest van Nederland maakte ermee kennis op 30 april 1959, toen Wageningse bakkers zo'n pop van geglazuurde kruidkoek aanboden aan de vijftigjarige koningin Juliana. Zij kreeg inderdaad een Abraham, niet een Sara, die pas in de jaren zeventig populair werd, wellicht op instigatie van feministen. Inmiddels is de koek veelal vervangen door een kabouterachtige pop die bij voorkeur in de tuin, dus voor iedereen zichtbaar, een plaatsje krijgt. Voor wie dat zou wensen kunnen er vergelijkbare poppen worden gemaakt voor zestigjarigen (Isaak en Rebecca), zeventigjarigen (Jacob en Rachel), tachtigjarigen (Jozef en Asenath) en negentigjarigen (Efraim), maar alleen de honderdjarige Methusalem mag zich nog in ieders aandacht verheugen, al was het maar doordat dan de plaatselijke burgemeester langskomt.
De Abrahamviering heeft de laatste decennia wel een andere thematiek gekregen. Vroeger werd een leeftijd van een halve eeuw geassocieerd met verworven inzichten en verkregen gezag. Een vijftigjarige wist 'waar Abraham de mosterd vandaan haalde', anders gezegd, hij kende de van oudsher uiterst geheime mosterdrecepten waarmee veel geld was te verdienen. In onze fitness-cultuur wordt bij vijftig jaar juist eerder gedacht aan het definitieve verlies van jeugdigheid. Wat dat betreft lijkt de huidige Abrahamviering meer op Amerikaanse Over-the-hillparties, waarbij vijftigjarigen cadeautjes krijgen als steunzolen, kunstgebitten en haarverf. Spot klinkt in elk geval door in de op lantaarnpalen en bomen regelmatig te signaleren oproepen aan automobilisten om bij het langsrijden drie keer voor de jubilaris te toeteren; vanaf de jaren tachtig een groeiend gebruik. Ook een gevelbedekkend spandoek uit 2011 op een nieuwbouwhuis in het dorp Beusichem laat over de nieuwe teneur geen misverstand bestaan: 'Geen flauwekul, Henk (50) is voortaan een Ouwe Lul'.
Minderheden
Tijdens de zwangerschap kennen moslims nog vele staaltjes van 'verzien'. Lelijke aanblikken, ongewenste aanrakingen, gedachteloos krabben, over een kuil stappen en gerechten als kippenlever en kreeft laten allemaal sporen na op de boreling. Voor Turken leidt het eten van perziken niet tot een begerenswaardig perzikhuidje maar tot overbeharing. Een jongen kondigt zich aan met een spitse moederbuik, een meisje met een ronde. Bij onduidelijkheid kan men een draadje boven de moederbuik hangen: beweegt het op en neer dan is het een jongen. Ook kan men de moeder tussen twee kussens laten kiezen, waaronder een schaar en een speld verborgen liggen: gaat de moeder op het kussen met de speld zitten, dan wordt het een meisje.
Tot aan de bevalling genieten Marokkaanse vrouwen extra belangstelling van de familie van de man; tijdens de bevalling en daarna van haar eigen familie. Mannen zijn zelden bij een geboorte aanwezig, omdat vrouwen volgens de koran op dat moment haram (onrein) zijn. In Arabische landen gaat de vrouw hiervoor zelfs naar haar ouderlijk huis. Marokkaanse vrouwen bevallen nog wel geknield, maar die stand is niet lang vol te houden. Zij maken veel drukte. Speciale aandacht gaat uit naar de placenta, die als het tweede kind wordt beschouwd. Traditionele moslimvrouwen laten die placenta drogen, om vervolgens als amulet te gebruiken of op een gezegende plaats te begraven.
De Arabische praktijk wil dat de ogen van de baby worden geschminkt met khol, een pasta van roet en wierookhars, vergelijkbaar met mascara. Zo snel mogelijk fluistert een geestelijke het Allah Akhbar ('Allah is groot') in het oor van de nieuweling, wat geldt als een doop. Na zeven dagen komt de familiie bijeen voor een geboortemaal, Nasika, en krijgt het kind een naam, omdat het dan getoond heeft levensvatbaar te zijn. Turken en Marokkanen plegen pas daarna aangifte bij de Burgerlijke Stand te doen, hoewel dat eigenlijk binnen drie dagen dient te gebeuren. Op die dag ontdoet men de baby ook van het hoofdhaar, dat als het enige onreine onderdeel geldt, want moslimkinderen worden geacht onschuldig ter wereld te komen. In Arabische landen weegt men het hoofdhaar en schenkt men de baby het equivalent ervan in zilver. Daar ook worden dan voor een jongetje twee dieren geslacht, en voor een meisje èèn. Jongetjes krijgen er bovendien een eigen dadelpalm.
In de gebieden waar de in Nederland levende Turken en Marokkanen oorspronkelijk vandaan komen, worden kinderen nog steeds gebakerd, maar die gewoonte is hier nagenoeg verdwenen. Wel smeren Turken een kind met zout in, om nare luchtjes tegen te gaan en op latere leeftijd overmatige transpiratie te voorkomen. De kraamvrouw wordt op de zevende dag en de veertigste dag door andere vrouwen gewassen, omdat alleen zij haar toestand van onreinheid kunnen opheffen. Bij Turkse vrouwen zijn dit soort wassingen minder populair aan het worden, maar Marokkaanse vrouwen passen bij elkaar nog de meervoudige voetdrukmassage toe: de kraamvrouw ligt daarbij op de grond en twee vrouwen bewerken met de voeten de zijkant van haar lichaam van top tot teen.

Meisjes worden alleen in Egypte, Soedan en Somalië besneden, maar is bijvoorbeeld in Oman bij wet verboden. Voor jongens geldt het voorbeeld van aartsvader Abraham als dwingend. De ingreep vindt soms al op de de zevende dag plaats, maar meestal later: tussen het vijfde en negende jaar. In Nederland gebeurt het vaak door een uroloog, waarbij een anesthesist een plaatselijke verdoving toebrengt; elke ziekteverzekeraar betaalt deze behandeling. Het nadeel van een uroloog is dat hij in een afgezonderde operatiekamer werkt en dat de jongen nadien naar een uitslaapkamer gaat. Daarom komen er ook lekenbesnijders uit het thuisland over, of gebeurt het besnijden tijdens een vakantie aldaar.
Pas na een besnijdenis kan een jongen in de hemel belanden; hij is 'moslimman' geworden. Die overgang wordt grootscheeps gevierd, met telefonische felicitaties van verre verwanten en een eetfestijn voor zoveel mogelijk gasten. De jongen draagt die dag een speciale cape en wordt overladen met cadeaus. Marokkaanse jongens worden zelfs opgemaakt met henna op handpalmen en voeten en kohl rond de ogen, als om vrouwen jaloers te maken.
Verjaardagen vieren moslims niet, omdat ze alleen religieuze feesten kennen. Oudere Marokkanen en Turken weten hun geboortedatum niet eens, omdat die nergens is genoteerd; in Nederland gelden zij voor het ingaan van bijvoorbeeld de AOW als 'jarig' op 1 januari. Ook het vieren van Mohammed's verjaardag is allesbehalve onomstreden en wordt door sommige geleerden als westerse decadentie beschouwd. Op ettelijke islamitische sites krijgen moslims zelfs de uitdrukkelijke waarschuwing niet naar verjaardagsfeestjes van klasgenoten, collega's en buren toe te gaan. Het schijnt dat er zich op dit vlak toch enige geloofsafval voordoet.
Afro-Surinamers en Antillianen in Nederland bezitten van huis uit nog oude opvattingen en gebruiken rond de geboorte. Een zwangere vrouw mag niets geweigerd worden, ook niet tijdens haar 'gekke trek', anders loopt haar kind kans op 'lostoes', huidvlekken in de vorm van het gewenste voedsel. Ze wordt met égards behandeld en krijgt het eerst opgediend, wat normaal gesproken het voorrecht van de man is. Het 'verzien' leeft sterk: schrikt een zwangere vrouw van een dier dan zal het kind op dat dier gaan lijken. Ruzies en verwijten moeten worden vermeden, anders komt de bevalling niet op gang.
De bevalling zelf is niet taboe voor mannen, maar de traditie wil wel dat zij vertrekken zodra de weeën beginnen. Een pasgeboren baby mag niet door iedereen worden gezoend, maar creoolse moeders preferen bij hun kinderen toch al strelingen en massages, tot verbazing van veel Nederlanders. Onreinheid na de bevalling is als in zoveel culturen hun grote zorg. Om als kraamvrouw aan te sterken zijn allerlei drankjes te gebruiken, zoals Pleegzusterbloedwijn en bita, een mix van bittere kruiden. Om de vagina en baarmoeder schoon te maken en snel te laten krimpen is gedurende zes weken een dagelijkse zit boven een emmer met stomend water, een wassie, aan te raden. Antilliaanse vrouwen kunnen daarbij met een hete handdoek op de rug worden geslagen om het 'vuil' te verwijderen. Ook voor het kind bestaan er drankjes en wassies. Surinamers kopen Nurse Harvey, op basis van zuiveringszout, voor een gladde babyhuid en tegen buikkrampen. Reckitt Blue wordt door Surinamers én Antillianen op de voetzolen, het voorhoofd of de bilnaad van het kind gestreken als het naar buiten gaat; de kleur blauw zorgt voor rust. In Suriname hanteert men wel een vuile vaatdoek om baby's te verschonen wanneer zij in een menigte zijn geweest, waarin we de signatuurleer van Paracelsus herkennen. Surinamers bewaren soms ook de gedroogde navelstreng om er een medicijn tegen stuipen van te maken. Antillianen begraven de navelstreng juist onder de voordeurdrempel, opdat het kind zijn geboortehuis nimmer vergeet. Volgens oud-gouverneur René Römer kennen Antillianen ook een vampier, èszè, die tot acht dagen na de geboorte bloed van de baby probeert te drinken, wat met een wake kan worden voorkomen. Een zeer frappant gebruik onder hen is een baby met een zichtbaar bloedvat op de neus, wat wordt uitgelegd als een imprint van een doodskist, een amulet met een zilveren sleutel te geven, opdat hij of zij later kan bepalen wanneer het deksel daarvan opengaat. Het boze oog is zowel op de Antillen (oyada) als in Suriname (azé) bekend, waartegen respectievelijk een boon of kraal, die barst bij contact met het boze boog, kan waarschuwen. Overigens zijn al deze gewoonten en opvattingen onder degenen die allang in Nederland wonen, verdwenen of zelfs al helemaal vergeten.
Als bijzonder overgangsritueel kennen Surinamers de friyari (verjaardagen). De eerste verjaardag is al een feest voor tientallen mensen. En volwassenen sparen tijdenlang om een paar maal in hun leven een groot feest ter ere van zichzelf te kunnen geven. Gasten verschijnen al de avond daarvoor en de dag zelf wordt om zes uur 's ochtends ingeluid met een aubade door vrouwen in klederdracht, met in hun anisa (hoofddoek) de geschenken, waaronder een koperen bekken. Een ontbijt volgt, met aansluitend een kerkdienst en een dankdienst aan huis. 's Avonds begint in een zaal of tent het feest met een polonaise en veel oereh's (hoera's). Tot 'bam' ('bis am Morgen') duurt het; eventueel halen de gasten zelf geld op om de muzikanten te laten doorspelen. Ook onder Surinamers in Nederland worden nog friyari gevierd, vooral bij bigi jari, jubileumjaren.
Hindoes in Nederland zijn er in twee soorten: aanhangers van de orthodoxe 'Sanatan Dharm' en aanhangers van de hervormingsgezinde Arya Samaj-beweging uit 1875, die als eerste het kastenstelsel verwierp dat inmiddels bij zeer veel Hindoes ter discussie staat. De orthodoxen zijn veruit in de meerderheid en zullen we hier volgen. Zij hebben geen bijzondere rituele handelingen ter voorbereiding op de geboorte, of het moet zijn: het vertellen van verhalen uit de Ramayan en de Mahabharat, die het ongeboren kind gunstig kunnen beïnvloeden.
Het idee van onreinheid leeft sterk. Veel Hindoevaders blijven weg bij een bevalling en het kan gebeuren dat een vader, de astrologische voortekenen volgend, zijn kind de eerste 27 dagen niet aankijkt en daarna eerst via de schaduw die het kind op het badwater heeft geworpen. De naamgeving is het eerste overgangsritueel. Vroeger deed dat de pandit, de huispriester, op basis van sterrenbeelden, opdat men bij ziekte in een almanak kon opzoeken hoe te handelen. Tegenwoordig zijn westerse roepnamen in zwang.
De tweede overgangsfase is het afscheren van het 'onreine' hoofdhaar van de baby, waartoe een kapper aan huis komt. Vuuroffers begeleiden het begin en het einde van deze ceremonie. Volgens de regels behoort een zus van de vader het afgeschoren haar in een deegklompje te doen en dat naar zee te laten afdrijven. Hindoes in het Westen vieren verjaardagen in het algemeen slechts tot het zestiende jaar, wat te maken heeft met de sterke nadruk die men legt op volwassenwording.
Van de Chinezen die in Nederland wonen is tweederde afkomstig uit China (inclusief Hong Kong). De overigen zijn hier via de voormalige koloniën beland en zijn doorgaans sterk verwesterd; het heeft geen zin verder op hen in te gaan. De 'Chinese' Chinezen, die veelal nog in het restaurantwezen werkzaam zijn, hebben niet zozeer een religie als wel een stelsel van levensfilosofieën. Voor praktische tips rond de bevalling kunnen zij terecht in het eeuwenoude Maand voor Maand Handboek. De adviezen uit dat boek trekken nog steeds. Een yin-vrouw, die kouwelijk en zwak is, dient krachtige bouillons en gebraden vlees te eten, terwijl een yang-vrouw, die sterk en actief is, haar lichaam dient af te remmen met gestoomde en gesudderde gerechten. Als speels bijgeloof zullen zwangere Chinese vrouwen nooit hun bed verschuiven of een spijker in de muur slaan, want dat zou een vroeggeboorte of miskraam kunnen veroorzaken. Tijdens de laatste weken van de zwangerschap is het goed om gehurkt of geknield te zitten, als oefening op een inmiddels verlaten baarhouding.
Mannen zijn niet echt welkom bij een bevalling, maar de moeder van de kraamvrouw soms evenmin. Volgens sommige Chinese bevolkingsgroepen is het beter dat de moeder wegblijft als de kraamvrouw zwak bloed en 'slechte wind' heeft, die bij een bevalling kan toeslaan. Om de 'wind' aan te pakken zijn een streng dieet en bandages aanbevolen. Kou moet worden vermeden, dus geen koude dranken en een volledig bad pas vanaf de tweede week. Intussen komt de hele familieclan, waarin traditionele Chinezen leven, op kraamvisite, waarbij rode eieren worden geserveerd, die staan voor geluk en kracht. Een maand na de geboorte wordt het Feest van de Volle Maand gehouden, omdat dan de baby zijn levensvatbaarheid heeft getoond.
Joden in Nederland kennen geen specifieke gebruiken meer rond de bevalling. Alleen in ultraorthodoxe kringen komt het voor dat mannen daarbij wegblijven. Ook worden voor de grap amuletten gebruikt tegen Lilith, de verstoten vrouw van Adam, die nog steeds haar gram op de nakomelingen van Eva probeert te halen. Het niet meten van een baby, omdat men dan tevens het doodskistje zou meten, is net als bij veel christenen pas sinds kort verleden tijd.

Joodse rituelen doen zich eerst na de bevalling voor. Op de achtste dag vindt de besnijdenis van jongens plaats, een ingreep waaraan ook veel joden hechten die niet godsdienstig zijn; volgens het Joods Maatschappelijk Werk is dat zeventig procent. Door een besnijdenis treden jongens toe tot het eeuwigdurend verbond van Gods volk; vaak krijgen zij dan ook hun hebreeuwse naam. De besnijdenis wordt uitgevoerd door een geoefende mohel, en een peetoom oftewel sandak neemt de jongen op schoot, terwijl hij op de stoel van de profeet Elia zit, die geacht wordt getuige te zijn. Verdoven is niet nodig, omdat het jongetje er nauwelijks iets van voelt. De controversiële techniek van de mohel om het opwellende bloed met de mond weg te zuigen, metzitzah b'peh, waarover in de Verenigde Staten nog geregeld ophef ontstaat, was volgens rabbijn S. Ph. de Vries in Nederland rond 1900 al definitief verdwenen ten gunste van een glazen pipet.
Verjaardagen vierden joden van oorsprong niet, omdat de bijbel alleen verjaardagen vermeldt van de Egyptische farao en van de Romeinse koning Herodes; niet van heilige personen. Sinds lang is dit anders; waarschijnlijk hebben zij hierin de westerse ontwikkeling gevolgd. De traditionele verjaarswens luidt: 'Moge je 120 jaar oud worden', zijnde het aantal jaren dat God de mensheid voorafgaand aan de zondvloed gaf om terug te keren van het kwade.
Een apart feest is de lossing van de eerstgeborene, op zijn 31ste levensdag. De achtergrond hiervan is een bijbeltekst: 'Al wat de moederschoot opent, behoort Mij'. Net als bij een oogst moest er een eerstelingengave worden gepleegd. Maar een eerste zoon kon als het ware worden teruggekocht, waarmee hij werd ontslagen van de verplichting om kohen, priester, te worden. Daartoe legt op die dag de vader die zoon in de armen van de kohen, en hij mag hem pas terugnemen nadat hij de kohen enkele muntstukken heeft geschonken.
Op driejarige leeftijd wordt een joods jongen pas voor het eerst geknipt, 'opgeschoren', wat het hoofd geschikt maakt voor het dragen van een keppeltje. Op dertienjarige leeftijd wordt hij religieus volwassen. Hij doet dan Bar Mitswa, dat wil zeggen: hij onderwerpt zich aan de thora, de joodse levensleer. Daartoe begint hij al een jaar van tevoren te oefenen op de lezing uit de thora, die hij op de bewuste dag in de synagoge moet houden; geen sinecure, want het hebreeuws wordt zonder klinkers geschreven. Na de lezing krijgt hij cadeautjes en is er een feestmaal. Meisjes worden al op twaalfjarige leeftijd religieus volwassen. Hun Bat Mitswa is tegenwoordig eveneens onderwerp van viering, maar alleen liberale gemeenten laten hen tijdens de dienst uit de thora voorlezen.