Verantwoording

 

 

Filmen zonder camera

 

De Utrechtse bioloog Johan Bolhuis stelde in 2011 dat menselijke taal overeenkomt met het gezang van vogels. Dat was voor mij een opluchting. Een andere Nederlandse bioloog, Frans de Waal, betoogt al jaren dat mensen hun manners & morals met apen delen, wat volgens de evolutietheorie inhoudt dat wij die aan hen hebben ontleend. Maar wat heb je aan zo'n inzicht? Om mensen te begrijpen zou De Waal eigenlijk zijn vraag moeten omdraaien: hebben apen iets van ons? Eén blik op de apenrots in Artis leert dat zij onze dadendrang missen, beduidend nuchterder zijn, minder acteren en slechts primitieve geluiden voortbrengen.

De menselijke rusteloosheid en versierlust herken ik wel bij vogels. Ongetwijfeld zullen die het weer van de vissen hebben, getuige de mannelijke kogelvis die in de oceaanbodem hele graancirkels aanlegt om vrouwtjes te lokken. Maar vogels kwinkeleren erbij en zijn ook artistieker. Neem de prieelvogel, die in de baltstijd een heus prieeltje bouwt, met kunstige perkjes van bloemen, bessen en blaadjes eromheen, als een Japanse Zentuin. Baltsgedrag is bij mensen niet aan een periode gebonden, waardoor ze bij wijze van spreken de hele dag tuintjes aanleggen, maar andere primaten vertonen die neiging niet of nauwelijks. Blijkbaar behelst taal meer dan wat klanken. Zij schenkt gevoel voor symmetrie en muziek en lokt creativiteit uit.

 

prieelvogel

Baltsplaats van een Australische prieelvogel, in het Frans toepasselijk oiseau jardinier, tuiniervogel, geheten. (Ontraceerbare internetproductie)   

 

Rituelen hebben ook iets vogelachtigs, al was het maar doordat mensen zich geregeld met veren tooien. Mijn fascinatie voor zulk gedrag moet begonnen zijn in Helmond, het industriestadje waar ik ben opgegroeid. In mijn jeugd heerste daar de vreugdeloze tucht van de fabrieksfluit, maar op een dag hield de pas opgerichte carnavalsvereniging De Keiebijters haar eerste optocht. Mijn ouders, nuchtere katholieken uit Rotterdam, waren amper enthousiast; ik ging er vol verwachting heen.

Nog zie ik de opgetuigde vrachtwagen de krappe Veestraat inrijden, met op de laadvloer de Dansmariekes, dan op een met triplex omzoomde trap de Raad van Elf en helemaal bovenin de Prins met fazantenveren op zijn muts. Hoe ze allemaal lachten en zwaaiden en dansten... Ook al raakte ik behoorlijk overdonderd, tegelijk verbaasde mij de vanzelfsprekendheid van het tafereel, alsof iedereen al vaker met dit bijltje had gehakt. Op de weg terug naar huis kon ik ook de aanwezigheid van bepaalde personen moeilijk verklaren. Wat deed die knorrige fabrikant in de Raad van Elf, en die bekakte winkelier en, helemaal vreemd, die gereformeerde makelaar? Instinctief voelde ik dat er meer aan de hand was dan dat iedereen de lolbroek wilde uithangen.

Sindsdien ben ik mensen in zulke uitingen gaan volgen. Mij boeit allereerst de gekozen vormentaal, die altijd ietwat liturgisch aandoet (mijn persoonlijke nostalgie?). Rituelen onthullen ook hoe mensen tegen de wereld aankijken, zeker als je de historie ervan napluist. Tegenover derden kunnen ze behoorlijk afwerend zijn, maar de deelnemers zelf ervaren zich inniger dan ooit met elkaar verbonden. Een voor mij aandoenlijk aspect houdt met dit laatste verband. Om bij een groep te horen zijn lieden van allerlei soort en rang bereid hun persoonlijkheid opzij te zetten en zich aan voorgeschreven, soms vrij kinderlijke of zelfs saaie gedragingen uit te leveren.

Zelf ervaar ik die neiging nauwelijks, moet ik bekennen. Rituelen zijn voor mij andermans gezelligheid, en dat is ook precies wat ze beogen. Nog vóór de zingende aap van Bolhuis, bestond de gedachte dat de mens eerst heeft gezongen voordat hij is gaan praten; dat spraak dus voortkomt uit zang. Niet voor niets valt zelfs de grootste filosoof stil zodra Miserere mei, Domine weerklinkt en luisteren opstandige pubers eerbiedig naar Amazing Grace. Maar rituelen gaan chronologisch nog aan zang vooraf; een meer elementaire vorm van onderlinge zingeving is er niet.

Ik wil geenszins beweren dat alle rituelen diepe boodschappen over ons bestaan bevatten; integendeel, de meeste zijn zelfs vrij banaal. Anderzijds is het ook waar dat wanneer dichters geen woorden meer vinden en musici de lust tot spelen is vergaan, een ritueel nog iets van troost kan bieden. Denk aan The Bell of Hope bij St. Paul's Chapel in New York: simpel klokgelui tegenover het kolossale verdriet van 9/11, hartverscheurend maar tegelijkertijd bemoedigend, alsof de overlevenden willen laten weten de situatie weer in de hand te hebben. Daarom, als je wilt achterhalen hoe mensen zijn dan moet je ze tijdens dit soort gedragingen observeren. Het is als filmen zonder camera. Dichter bij het geheim van het leven kom je niet. 

 

Volksdeskundigen 1


Tijdens mijn studie culturele antropologie ontdekte ik dat anderen mijn interesse deelden. Eerst kwam ik in aanraking met liefhebbers van zogenaamd authentieke volksgebruiken. In tegenstelling tot wat ik verwachtte, waren zij niet ontwapenend eenvoudig maar juist fanatiek. Ter verklaring van gebruiken schetsten zij een rauw universum vol Germaanse griezels, die zelfs in oliebollen en beschuit met muisjes hun sporen hadden nagelaten. Als ware gelovigen wonden zij zich het meest op over de emotionele ontkenning van dat universum, zoals tot uitdrukking kwam in toeristische opvoeringen van gebruiken, het zogenaamde folklorisme, want dat had niets met het oergevoel van het volk van doen. Mij boeide deze benadering weinig, omdat het eerste carnaval dat ik had gezien ongetwijfeld ook toeristen wilde lokken. En wat het volk betreft, ik kreeg het idee dat zij daarmee een heilig verbond bedoelden, en ik was net zo geïnteresseerd in wat dat verbond onderling verdeelde.

Toen een uitgever mij verzocht een boek over Nederlandse rituelen te schrijven, nam ik contact op met het (P.J.) Meertens Instituut. Vreemd genoeg werkten daar vrijwel uitsluitend neerlandici, die zich tooiden met de naam volkskundige, wat je warempel kunt lezen als: volksdeskundige. Nu was het woord 'volk' daarin al ruim bemeten. Hun aandacht ging uit naar keuterboeren en dorpsbewoners benoorden de grote rivieren; ik geloof dat stadse fabrieksarbeiders nog te mondain voor hen waren, laat staan dat zij zich voor de bourgeoisie interesseerden. Maar verder deden zij hun herkomst eer aan: zij hielden zich bezig met taal, niet met beeld, terwijl, zo ontdekte ik, geen vakgebied aardiger te illustreren viel dan het hunne.

Speciaal was hun houding tegenover collega-wetenschappers. Hun voorgangers waren de ontdekkers en propagandisten geweest van het Germaanse godenrijk maar daar namen zij nadrukkelijk afstand van; wel enigszins begrijpelijk, aangezien menig voorganger met de nazi's had geheuld. Tot bescheidenheid omtrent eigen verrichtingen had dit niet geleid, integendeel, zij spraken met onverholen minachting over iedereen die ook maar ergens een link met de voorchristelijke periode veronderstelde en voelden zich superieur aan historici en antropologen met een veel betere conduitestaat.

 

meertens

Logo van het Meertens Instituut, genoemd naar P.J. (Piet) Meertens, de beroemdste volksdeskundige van Nederland. www.meertens.nl   



De grote schrik van het instituut was Han Voskuil, niet omdat hij zo'n bullebak was, maar omdat hij zijn medewerkers voortdurend vanachter zijn pijp toesiste dat ze voor buitenstaanders als ik moesten oppassen. De schat die hij beschermde was een vracht aan enquêtemateriaal waarmee het instituut nog nooit iets had gedaan. Desgevraagd verbood hij mij ook toegang tot die bron, hoewel er geen staatsgeheimen in verborgen zaten en zelfs de prullenmand onder zijn stoel nog van belastinggeld was betaald. Mij bleef niets anders over dan een literatuurstudie te verrichten, waarbij ik als een scharrelkip mijn kennis uit andere publicaties bijeenpikte. Ik bezondigde mij bij het schrijven zelfs aan het citeren van citaten die anderen al hadden gebruikt, maar dat bleek tamelijk normaal te zijn. Wel noemde ik consequent de persoon achter de geringste observatie, wat mijzelf zelden zou overkomen toen mijn boek eenmaal gepubliceerd was. Eens las ik een bespreking van wat iemand over Sinterklaas had beweerd en lang dacht ik het over mij ging, maar dat bleek niet zo te zijn. Wat dat betreft mocht ik mijn werk dus als geslaagd betitelen, al had Voskuil zijn medewerkers na verschijning meteen triomfantelijk laten weten dat het slechts oud materiaal bevatte, zonder erbij te melden dat hij daarvoor persoonlijk had gezorgd. Jaren later hoorde ik niettemin dat iedere bezoeker op het Meertens Instituut mijn boek krijgt aanbevolen als algemene inleiding.

 

De zegen van Salieri


Teleurgesteld wierp ik mij op een ander facet van mijn geboortestad: fabrieken. Als zoon van een zwijgzame bankier die nergens met meer liefde over sprak dan over het bedrijfsleven, was dat arbeidsterrein voor mij net zo verleidelijk als Samoa voor Margaret Mead of Amazonië voor Levi-Strauss. Ik publiceerde een aantal geschiedenissen van bedrijven, maar stuitte waarachtig wéér op ambtenaren die hetzelfde deden; ditmaal vanuit de Universiteit van Utrecht, onder aanvoering van een zekere Joost Dankers. Zelden heb ik zulke ambitieuze slokops van subsidies meegemaakt, die het zelfs doodnormaal vonden om freelancers als ik uit de markt te drukken terwijl zijzelf een gegarandeerd inkomen genoten. Moet ik erbij vertellen dat zij allemaal van linkse snit waren en desgevraagd sociale ongelijkheid als een schrijnend probleem zagen, maar intussen onderling een nagenoeg perfect kartel vormden? Zelfs hun boeken lieten zij nog beoordelen door vriendjes, die gretig met stroop smeerden in de hoop via hen zelf mooie opdrachten te verwerven.

Ondanks alle ijver die zij aan de aan dag legden, kan ik met de beste wil van de wereld niet zeggen dat hun prestaties beter waren dan de mijne. Sowieso heb ik onder de talloze gesubsidieerde academici tegen wie ik het in mijn leven heb moeten opnemen weinig supertalenten ontdekt. We zouden al die bevoorrechte lieden, want dat zijn het, eens op het Malieveld in Den Haag moeten verzamelen. Ik ben dan wel bereid een toespraakje te houden. Met een vinger richting het Binnenhof zou ik eerst de vraag stellen waar de overheid eigenlijk het recht vandaan haalt mij en anderen oneerlijke concurrentie aan te doen met behulp van gesubsidieerde stoottroepen. Ik zou ook het effect van het subsidiewezen aan de orde stellen: cliëntelisme en zelfcensuur omwille van groepsacceptatie, met als resultaat een Kulturkammer op vrijwillige basis. Toch zou ik mild eindigen. Na mijn slotzin zou ik net als Salieri in de film Amadeus de middelmatigheid van alle aanwezigen zegenen met een serie kruistekens.

 

Oude en nieuwe rituelen


Al vormden rituelen ook een onderzoeksveld waarop steeds meer gesubsidieerde koeien graasden, ik keerde er met genoegen naar terug toen mijn uitgever, Het Spectrum, na twintig jaar om een nieuwe versie van mijn overzichtswerk vroeg. Inhoudelijk was dat boeiend om te schrijven, want er deden zich rondom rituelen diepgaande veranderingen voor. Allereerst maakten zij nu deel uit van een algehele hang naar traditie, die zich tot in de bouwkunst deed gelden. Alleen al door de enorme aantallen deelnemers verschoven rituelen van de periferie naar het centrum van het dagelijks leven. In plaats van een uitdrukking van persoonlijke voorkeur werden zij echter veel meer een gezamenlijk statement tegenover buitenstaanders. Zonder twijfel was dit een reactie op de aan gang zijnde toevloed van niet-westerlingen naar Nederland, waarbij tegelijkertijd het proces van Europese eenwording een verlies aan nationale zelfstandigheid beloofde. Wie naar het maatschappelijk onbehagen op zoek was had aan de hand van rituelen al in de jaren tachtig de eerste signalen daarvan kunnen opvangen.  

Tegelijk met die opleving deden nieuwe rituelen hun intrede. Zij verschilden echter van eerdere edities. Vroeger waren rituelen anoniem en vrij statisch, zeker in de beleving van de deelnemers zelf. Als esthetische inspiratiebron diende vaak nog de romaanse tijd, zoals te zien is in menig carnavalsmasker. Ook viel er heel wat afgezakt cultuurgoed van hogere kringen in te herkennen, dat in die kringen zelf niet meer gangbaar was. Er stak al met al een vertrouwde wereld achter van standen, die onderling verbonden waren maar een gezonde argwaan jegens elkaar behielden. Volkse Gemeinschaft was de hoofdteneur.

Nieuwe rituelen daarentegen verbeelden een wezenlijk andere wereld. Om te beginnen zijn ze modieus, dus vluchtig en niet stijlvast; soms zelfs smakeloos, in de zin van onaf en kitscherig. Er valt ook dikwijls een naam van een bedenker of stimulator aan te verbinden en hun focus ligt meestal bij het individu, zij het binnen een menigte, want dat is een zeer opvallende trek: de enorme menigten die moderne rituelen op de been brengen. Een andere paradox is dat ze democratisch en speels schijnen maar tegelijkertijd doortrokken zijn van verering, zelfs voor gewone  prestaties. Het lijkt wel alsof rituelen van vóór de deconfessionalisering kritischer waren en alleen belang hechtten aan wat echt bijzonder was.

 

Volkscultuur en massacultuur

 

Wel, ik ben geneigd in deze nieuwe rituelen de omslag bezegeld te zien van volkscultuur naar massacultuur, ook al mogen die termen volgens de antropologe Irene Cieraad niet gebezigd worden omdat ze wezenlijk elitair zijn. Maar het is vrij simpel. Als de standenmaatschapij niet meer of nog slechts in rudimentaire vorm bestaat dan is het de massa die bepaalt. 'Massa is kassa', zeggen marketeers niet voor niets. 

De triomf van de massa situeerden schrijvers als Ortega y Gasset en Elias Canetti al in de negentiende en aan het begin van de twintigte eeuw. Economisch en politiek is dat ongetwijfeld juist, maar cultureel stond zij nog steeds onder leiding van een elite die zichzelf reproduceerde. Het culturele omslagpunt heeft mijn generatie meegemaakt, toen steeds meer vertegenwoordigers uit de massa tot de elite doordrongen. Aanvankelijk bekommerden zij zich vooral om volkse uitingen, die gaandeweg steeds linkser en provocatiever werden gebracht, - het verschil tussen de komieken André van Duijn en Paul de Leeuw. Op die manier hebben de massamedia veel volkscultuur voor uitsterven behoed, tot aan Sinterklaas toe. Ogenschijnlijk in tegenspraak hiermee bevorderde de massa tegelijkertijd de extase rond sport en alledaags amusement, met als neveneffect: een nooit vertoond hyperkapitalisme. 

Het moet een ieder die nadenkt toch eindeloos frapperen dat dezelfde mensen die werkgevers tot uitbuiters bestempelen omdat zij, zeg, tien keer modaal verdienen, gretig geld op tafel leggen om matige voetballers en artiesten honderd keer modaal te laten verdienen. Even vreemd: cabaretiers en televisiepresentatoren die maatschappelijke misstanden bekritiseren en daardoor miljonair worden. Vroeger had je ook rijkaards die streden voor een betere samenleving, maar het was nooit zo dat zij op die manier binnenliepen; integendeel, zij legden er op toe. Er staat ons op het gebied van de massacultuur nog het een en ander te wachten, want de massa begint nu ook de voormalige elitecultuur in te lijven, zoals blijkt uit de groeiende waardering voor klassieke muziek, jarenlang ondergesneeuwd door alle aandacht voor pop. 

Om geen misverstand te wekken: ik houd niet van elitecultuur en van rijkdom, en nog minder van na-aperij op dat vlak, zoals een Mart Smeets in smoking op een sportgala. Met de lui die Jort Kelder ons in Hoe heurt het eigenlijk? voorschotelt heb ik voornamelijk medelijden: blijkbaar is voornaamheid ook niet meer wat het geweest is. Thuis voel ik me slechts in de modernistische, klasseloze cultuur die in de negentiende eeuw ontstond en die duizenden ondernemers en wetenschappers heeft gebaard, alsook Vincent van Gogh. Geheel klasseloos was die cultuur zeker niet, maar het ging om een 'klasse' die iedereen zich tijdens zijn leven kon eigenmaken. Veel elitaire modernisten hebben zich trouwens actief ingezet om klassengrenzen te slechten, zoals rissen onderwijshervormers en architecten als Berlage en Oud.

Daarnaast houd ik van volkscultuur, omdat zij elementaire emoties vertolkt. Mijn enige reserve geldt de feodale overdrijving die erin zit, van enerzijds mensen die immer de dupe zijn en daarom onze altijddurende bijstand vergen, en anderzijds mensen die boven ons zijn gesteld en bewonderd moeten worden. Massacultuur vind ik alleen te verteren als voortzetting van die volkscultuur. En daar ging het ook lange tijd om, want bijvoorbeeld de huidige stripalbums kennen een voorganger in het Tapijt van Bayeux. En middeleeuwers zouden zeker ook van kauwgom genoten hebben. Op bepaalde terreinen vormt massacultuur zelfs een sophistication van volkscultuur, want popmuziek komt voort uit volksmuziek. Nederland, egalitair land, had achteraf gezien misschien zelfs de eerste popmusicus ter wereld in Peter Koelewijn, een zoon van een visboertje én een HBS-er tegelijk, toen nog een uitzonderlijke combinatie, die met Kom van dat dak af zowel Dijkers als Pleiners bereikte, om in Amsterdamse termen te spreken.

 

komvandatdakaf

 

1959, het jaar van Kom van dat dak af, van Peter Koelewijn en zijn Rockets. Was dit niet het jaar dat rockmuziek voor het eerst alle jongeren aansprak? Als dat zo is dan was Koelewijn eerder een popmuzikant dan the Beatles en the Rolling Stones.    

 

Maar vervolgens ging de massa steeds meer met zichzelf aan de haal. Je leest hierover zelden in romans, wat mij verbaast. Blijkbaar bezitten hedendaagse romanschrijvers een statischer en minder cynisch beeld van de werkelijkheid dan ik. Mij staan bepaalde sleutelmomenten in het geheugen gegrift. De zanger Jaap Fischer, die onovertroffen teksten schreef, als een Roald Dahl voor de Lage Landen, hing vroeg in de jaren zestig zijn gitaar aan de wilgen, omdat hij geen zin in fans had. Fans - ik zeg het er even bij: afkomstig van het Engelse 'fanatics' - behoren nu tot de normale wereld, maar nog niet zo lang geleden vonden zelfbewuste mensen zichzelf veel te goed om een fan te zijn, laat staan dat zij zich groepsgewijs als zodanig manifesteerden.

In dezelfde periode kwamen The Beatles op de proppen met de weinig snuggere drummer Ringo Star. Het verhaal wil dat Ringo zelfs de minste drummer van de groep was maar dat deed er helemaal niet toe, hij 'paste in het plaatje' en was 'best wel grappig'. Terwijl ik, laten we zeggen, zingend en swingend opgroeide werd mij duidelijk dat kwaliteit niet langer als voornaamste criterium in het leven gold.

Achtenswaardige cultuurdragers uit mijn jeugd verdwenen uit zicht. Als HBS-er had ik zelf de antieke wereld al links laten liggen, hetzelfde deed ik nu met godsdienst en klassieke muziek, mijn versie van het generatieconflict. Maar om vervolgens verslingerd te raken aan musicals, cabaret en televisieshows, nee, dat zou conformisme op een lager niveau hebben betekend. Een concert van The Byrds in het Concertgebouw leerde mij dat de tijden definitief waren veranderd, zij het in andere zin dan Bob Dylan beloofde. Wachtend in de zaal voelde ik me al bezwaard, want ik wist natuurlijk dat Mr. Tambourine Man geen KV 467 was. Bleek dat heren twee uur te laat kwamen en totaal stoned of dronken waren, ze rotzooiden maar wat aan en vonden zichzelf geweldig. Het publiek (fans!) stoorde zich niet in het minst aan dit optreden en danste tussen de rijen, en ik schaamde me.

Achteraf was dit nog maar het begin van de idolate massacultuur, die in mijn beleving totaler en intenser is dan de religieuze dweepzucht van vorige generaties. Een bezoeker uit een ver en vreemd land waande ik me toen ik in 2004 bij het PSV-stadion in Eindhoven een manshoog bronzen beeld ontdekte van de voetballer Willy van der Kuijlen, die net als ik uit Helmond komt. Bij leven zijn er inmiddels ook al drie (!) biografieën over hem verschenen. Het eigenaardige is: hijzelf bezit nog een volkse bescheidenheid en taalt niet naar roem. Het zijn de supporters die naar roem talen, zíj willen vereren. 

 

Volksdeskundigen 2     

 

Op het Meertens Instituut was Voskuil inmiddels godzijdank van het tapijt verdwenen en zijn opvolgers hadden behendig gebruik gemaakt van de bekendheid die hij hun had bezorgd door hun instituut te afficheren als een centre of excellence. Een bezwaar is wel dat de medewerkers louter politiek correcte uitspraken plegen te doen - of nee, het is erger. Je mag verwachten dat een dergelijke werkkring aantrekkingskracht uitoefent op conservatieve brompotten; in werkelijkheid zitten er uitsluitend Feingeister die met elkaar wedijveren om wie het meest progressieve standpunt kan vertolken. Daarom blijft het een merkwaardig verschijnsel, zo'n instituut. Het doet mij om een of andere reden altijd denken aan die enorme, wandbrede volières die vroeger menig huiskamer in volkswijken beheerste, tot in de Amsterdamse Jordaan toe. Dat de gezinsleden daardoor minder leefruimte overhielden, hinderde klaarblijkelijk niet, als de kanariepietjes maar konden hippen en piepen.   

Inmiddels was het vakgebied ook in de breedte gegroeid. Ettelijke onbezoldigde amateurs hadden uitstekende monografieën gepubliceerd en een nieuwe ster aan het gesubsidieerde firmanent was het Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, beter gezegd de alom aanwezige woordvoerster ervan, Ineke Strouken. Zij verricht geen onderzoek maar geeft voorlichting. Vroeger was dat iets wat ik en anderen gratis deden, maar de Nederlandse regering vond dat kennelijk een ongewenste toestand en riep een aparte spreekbuis in het leven. Nou, ik kan garanderen dat Strouken als scharrelkip mijn meerdere is. Niemand hoeft van haar ook verbeten verhalen over folklorisme of over niet-bestaande Germaanse oorsprongen te verwachten. Integendeel, alsof zij net van een meeslepende Palmpasenoptocht komt houdt zij in de media voortdurend lofzangen op ieder denkbaar ritueel.

 

volkscultuur.jpg

Logo van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, te bereiken onder www.volkscultuur.nl, www.immaterieelerfgoed.nl en www.tradties.nl. Tel.: 030-2760244

 

Ferm uitgangspunt bij haar promotionele arbeid is de eind jaren zeventig uitgeroepen multiculturele samenleving. Volgens Strouken dienen in zo'n samenleving tradities niet naar de achtergrond te verdwijnen maar juist gekoesterd te worden, want zij bieden individuen houvast en een noodzakelijke identiteit. Desgevraagd verklaarde Strouken eens te hopen dat Nederland op den duur 'een joods-christelijke-islamitische cultuur' krijgt. Beide noties leven klaarblijkelijk in de boezem van onze bureaucratie en smeken daarom om commentaar. Zie www.jefdejager.nl/multiculti.php 

 

           


terug naar boven