Verantwoording

 

 

Filmen zonder camera

 

De Utrechtse bioloog Johan Bolhuis stelde in 2011 dat menselijke taal overeenkomt met het gezang van vogels. Ach zo, vogels, een pak van mijn hart. Een oudere theorie wil dat de homo sapiens eerst heeft gezongen voordat hij is gaan praten; dat spraak zich dus heeft ontwikkeld vanuit zang, wat andermaal op een band met vogels wijst. Net zo goed als voor vogels is zang voor de mens een basale expressie. Pijnlijkheden die hij tijdens een gesprek zal verzwijgen, vertolkt hij zonder gêne tijdens een lied; de grootste filosoof valt stil bij Miserere mei, Domine, de brutaalste puber bij Auld lang syne; en een beter bindmiddel dan samenzang is er niet.

Als naast zang ook onze taal van vogels stamt dan zullen we aan hen ook het vermogen tot musiceren en dansen te danken hebben. Muziek! De Australische palmkaketoe drumt met een heus stokje op takken. Dans! Een groep flamingo's die zich voortbeweegt in ondiep water lijkt op een boot uit de Canal Pride, en manakins moeten Michael Jackson tot de moonwalk hebben geïnspireerd.

 

kogelvis 

Het oerritueel in de fauna? Een mannelijke kogelvis creëert met zijn buik in de zandbodem van de Japanse Zee kunstige cirkels om vrouwtjesvissen te lokken. Foto Yoji Ooaka.

 

Wat is hiervan belang? Een andere Nederlandse bioloog, Frans de Waal, betoogt al jaren dat wij onze manners & morals met apen delen, wat volgens de evolutietheorie inhoudt dat wij die aan hen hebben ontleend. Maar De Waal zou zijn vraag eigenlijk moeten omdraaien: in hoeverre lijken apen op ons? Eén blik op de apenrots in Artis leert dat zij onze dadendrang missen, beduidend nuchterder zijn, minder acteren en slechts primitieve geluiden voortbrengen. Niet zelden lijken zij zich ronduit te vervelen, zonder precies te weten wat hen dwarszit, alsof zij nog op een woord ervoor broeden.  

De menselijke rusteloosheid en versierlust herken ik wel bij vogels. Zij zijn zelfs artistiek. Neem de prieelvogel, die in de baltstijd een prieeltje aanlegt met kunstige perkjes van bloemen, bessen en blaadjes eromheen, als een Japanse Zentuin. Baltsgedrag is bij mensen niet aan een periode gebonden, waardoor ze bij wijze van spreken de hele dag tuintjes aanleggen. Andere primaten vertonen die neiging echter niet of nauwelijks. Blijkbaar behelst taal meer dan wat klanken: zij schenkt gevoel voor symmetrie en ritme en lokt creativiteit uit.

 

prieelvogel

Baltsplaats van een Australische prieelvogel, in het Frans toepasselijker oiseau jardinier, tuiniervogel, geheten. (Ontraceerbare internetproductie)   

 

Rituelen, hoewel in het hele dierenrijk bekend, hebben ook iets vogelachtigs - uiteraard vanwege de zang en de dans die eraan te pas komen maar ook vanwege de gelijkenis tussen menselijke kleding en een verenkleed. Mijn fascinatie voor zulk gedrag moet zijn begonnen in Helmond, het industriestadje waar ik ben opgegroeid. In mijn jeugd heerste daar de vreugdeloze tucht van de fabrieksfluit, maar op een dag hield de pas opgerichte carnavalsvereniging De Keiebijters haar eerste optocht. Mijn ouders, nuchtere katholieken uit Rotterdam, waren amper enthousiast; ik ging er vol verwachting heen.

Nog zie ik de opgetuigde vrachtwagen de krappe Veestraat inrijden, met op de laadvloer de Dansmariekes, dan op een met triplex omzoomde trap de Raad van Elf en helemaal bovenin de Prins met fazantenveren op zijn muts. Hoe ze allemaal lachten en zwaaiden en dansten... Ook al raakte ik behoorlijk overdonderd, tegelijk verbaasde mij de vanzelfsprekendheid van het tafereel, alsof iedereen al vaker met dit bijltje had gehakt. Op de weg terug naar huis kon ik de aanwezigheid van bepaalde personen moeilijk verklaren. Wat deed die knorrige fabrikant in de Raad van Elf, en die bekakte winkelier en, helemaal vreemd, die gereformeerde makelaar? Instinctief voelde ik dat er meer aan de hand was dan dat iedereen de lolbroek wilde uithangen.



eksters

Van apen, olifanten maar ook van eksters en andere vogels wordt gezegd dat zij gezamenlijk rouwgedrag vertonen. www.animaltoday.com

 

Sindsdien ben ik mensen in zulke uitingen gaan volgen. Mij boeit allereerst de gekozen vormentaal, die altijd ietwat liturgisch aandoet (mijn persoonlijke nostalgie?). Rituelen onthullen ook hoe mensen tegen de wereld aankijken, zeker als je de historie ervan napluist. Tegenover derden kunnen ze behoorlijk afwerend zijn, maar de deelnemers zelf ervaren zich inniger dan ooit met elkaar verbonden. Een voor mij aandoenlijk aspect houdt met dit laatste verband. Om bij een groep te horen zijn lieden van allerlei soort en rang bereid hun persoonlijkheid opzij te zetten en zich aan voorgeschreven, soms vrij kinderlijke of zelfs saaie gedragingen uit te leveren.

 

grace

www.telegraph.co.uk https://www.youtube.com/watch?v=IN05jVNBs64

 

Zelf voel ik die neiging nauwelijks, moet ik bekennen. Rituelen zijn voor mij andermans gezelligheid, en dat is ook precies wat ze beogen. Chronologisch gaan ze nog aan zang vooraf; een meer elementaire vorm van onderlinge zingeving is er niet. Daarmee wil ik geenszins beweren dat rituelen diepe boodschappen over ons bestaan bevatten; integendeel, de meeste zijn vrij banaal. Anderzijds is het ook waar dat wanneer het dichters aan woorden ontbreekt en musici de lust tot spelen is vergaan, een ritueel nog iets van troost kan bieden. Denk aan The Bell of Hope bij St. Paul's Chapel in New York: iel klokgelui tegenover het kolossale verdriet van 9/11, hartverscheurend maar tegelijkertijd bemoedigend, alsof de overlevenden laten weten de situatie althans weer meester te zijn. Daarom, als je wilt achterhalen hoe mensen zijn dan moet je ze tijdens dit soort gedragingen observeren. Het is als filmen zonder camera. Dichterbij het geheim van het leven kom je niet. 

 

Volksdeskundigen 1


Tijdens mijn studie culturele antropologie ontdekte ik dat anderen mijn interesse deelden. Eerst kwam ik in aanraking met liefhebbers van zogenaamd authentieke volksgebruiken. In tegenstelling tot wat ik verwachtte, waren zij niet ontwapenend eenvoudig maar juist fanatiek. Ter verklaring van gebruiken schetsten zij een rauw universum vol Germaanse griezels, die zelfs in oliebollen en beschuit met muisjes hun sporen hadden nagelaten. Als ware gelovigen wonden zij zich het meest op over de emotionele ontkenning van dat universum, zoals tot uitdrukking kwam in toeristische opvoeringen van gebruiken, het zogenaamde folklorisme, want dat had niets met het oergevoel van het volk van doen. Mij boeide deze benadering weinig, omdat het eerste carnaval dat ik had gezien ongetwijfeld ook toeristen wilde lokken. En wat het volk betreft, ik kreeg het idee dat zij daarmee een heilig verbond bedoelden, en ik was net zo geïnteresseerd in wat dat verbond onderling verdeelde.

Toen een uitgever mij verzocht een boek over Nederlandse rituelen te schrijven, nam ik contact op met het (P.J.) Meertens Instituut. Vreemd genoeg werkten daar vrijwel uitsluitend neerlandici, die zich tooiden met de naam volkskundige, wat je warempel kunt lezen als: volksdeskundige. Nu was het woord 'volk' daarin al ruim bemeten. Hun aandacht ging uit naar keuterboertjes en dorpsbewoners benoorden de grote rivieren; ik geloof dat fabrieksarbeiders nog te mondain voor hen waren, laat staan dat zij zich voor de bourgeoisie interesseerden. Maar verder deden zij hun herkomst eer aan: zij hielden zich bezig met taal, niet met beeld, terwijl, zo ontdekte ik, geen vakgebied aardiger te illustreren viel dan het hunne.

Speciaal was hun houding tegenover collega-wetenschappers. Hun voorgangers waren de ontdekkers en propagandisten geweest van het Germaanse godenrijk maar daar namen zij nadrukkelijk afstand van; wel enigszins begrijpelijk, aangezien menig voorganger met de nazi's had geheuld. Tot bescheidenheid omtrent eigen verrichtingen had dit niet geleid, integendeel, zij spraken met onverholen minachting over iedereen die ook maar ergens een link met de voorchristelijke periode veronderstelde en voelden zich superieur aan historici en antropologen met een veel betere conduitestaat.

 

meertens

Logo van het Meertens Instituut, genoemd naar P.J. (Piet) Meertens, de beroemdste volksdeskundige van Nederland. www.meertens.nl   



De grote schrik van het instituut was Han Voskuil, niet omdat hij zo'n bullebak was, maar omdat hij zijn medewerkers voortdurend vanachter zijn pijp toesiste dat ze voor buitenstaanders als ik moesten oppassen. De schat die hij beschermde was een vracht aan enquêtemateriaal waarmee het instituut nog nooit iets had gedaan. Desgevraagd verbood hij mij ook toegang tot die bron, hoewel er geen staatsgeheimen in verborgen zaten en zelfs de pen waarmee hij schreef nog van belastinggeld was betaald. Mij bleef niets anders over dan een literatuurstudie te verrichten, waarbij ik als een scharrelkip mijn kennis uit andere publicaties bijeenpikte. Ik bezondigde mij bij het schrijven zelfs aan het citeren van citaten die anderen al hadden gebruikt, maar dat bleek tamelijk normaal te zijn. Wel noemde ik consequent de persoon achter de geringste observatie, wat mijzelf zelden zou overkomen toen mijn boek eenmaal gepubliceerd was. Eens las ik een bespreking van wat iemand over Sinterklaas had beweerd en lang dacht ik het over mij ging, maar dat bleek niet zo te zijn. Wat dat betreft mocht ik mijn werk dus als geslaagd betitelen, al had Voskuil zijn medewerkers na verschijning meteen triomfantelijk laten weten dat het slechts oud materiaal bevatte, zonder erbij te melden dat hij daarvoor persoonlijk had gezorgd. Jaren later hoorde ik niettemin dat iedere bezoeker op het Meertens Instituut mijn boek krijgt aanbevolen als algemene inleiding.

 

De zegen van Salieri


Teleurgesteld wierp ik mij op een ander facet van mijn geboortestad: fabrieken. Als zoon van een zwijgzame bankier die nergens met meer liefde over sprak dan over het bedrijfsleven, was dat arbeidsterrein voor mij net zo verleidelijk als Samoa voor Margaret Mead of Amazonië voor Levi-Strauss. Ik publiceerde een aantal geschiedenissen van bedrijven, maar stuitte waarachtig wéér op ambtenaren die hetzelfde deden; ditmaal vanuit de Universiteit van Utrecht, onder aanvoering van een zekere Joost Dankers. Zelden heb ik zulke ambitieuze slokops van subsidies meegemaakt, die het zelfs doodnormaal vonden om freelancers als ik uit de markt te drukken terwijl zijzelf een gegarandeerd inkomen genoten. Moet ik erbij vertellen dat zij allemaal van linkse snit waren en desgevraagd sociale ongelijkheid als een schrijnend probleem zagen, maar intussen onderling een nagenoeg perfect kartel vormden? Zelfs hun boeken lieten zij nog beoordelen door vriendjes, die gretig met stroop smeerden in de hoop via hen zelf mooie opdrachten te verwerven.