Verantwoording

 

 

Filmen zonder camera

 

De Utrechtse bioloog Johan Bolhuis stelde in 2011 dat menselijke taal overeenkomt met het gezang van vogels. Ach zo, vogels. Een pak van mijn hart.

Een oudere theorie wil dat de homo sapiens eerst heeft gezongen voordat hij is gaan praten; dat spraak zich dus heeft ontwikkeld vanuit zang, wat andermaal op een band met vogels wijst. Net als voor vogels is zang voor de mens inderdaad een wezenlijke uiting. Pijnlijkheden die hij tijdens een gesprek zal verzwijgen, vertolkt hij zonder gêne tijdens een lied. De grootste filosoof valt stil bij Miserere mei, Domine, de brutaalste puber bij Auld lang syne. En een beter bindmiddel dan samenzang is er niet.

Als onze zang en taal al van vogels stammen dan zullen we aan hen eveneens het vermogen tot musiceren en dansen te danken hebben. Muziek! De Australische palmkaketoe drumt met een heus stokje op takken. Dans! Een groep flamingo's die zich voortbeweegt in ondiep water lijkt op een boot uit de Canal Pride, en manakins - het is al vaker opgemerkt - moeten Michael Jackson tot de moonwalk hebben geïnspireerd.

 

kogelvis 

Het oerritueel in de fauna? Een mannelijke kogelvis creëert met zijn buik in de zandbodem van de Japanse Zee cirkels om vrouwtjes te lokken. Toch wel raadselachtig: de vorm lijkt op een bloem. Foto Yoji Ooaka.

 

Wat is hiervan het belang? Biologen benadrukken steevast onze relatie met zoogdieren. Wij kennen allemaal de spelende poes, de listige vos, de gewetensvolle hond, de zelfbewuste dolfijn, de empathische olifant, de orang oetan die een instrument hanteert. Frans de Waal betoogt zelfs dat wij onze manners & morals met mensapen delen, wat volgens de evolutietheorie inhoudt dat wij die aan hen hebben ontleend. Ik wil het werk van De Waal zeker niet relativeren, want hij heeft overtuigend aangetoond dat wij geenszins als een tabula rasa ter wereld komen en dat moreel gedrag niet is afgedwongen door religie of slaven. Maar De Waal zou zijn vraag ook moeten omdraaien: in hoeverre lijken apen op ons? Eén blik op de apenrots in Artis leert dat zij onze dadendrang missen, beduidend nuchterder zijn, minder acteren en slechts primitieve geluiden voortbrengen. Niet zelden lijken zij zich ronduit te vervelen, zonder precies te weten wat hen dwarszit, alsof zij nog op een woord ervoor broeden.  

De menselijke rusteloosheid en versierlust herken ik wel bij vogels. Neem de mannelijke prieelvogel, die in de baltstijd een prieeltje aanlegt met eromheen kunstige perkjes van bloemen, bessen en blaadjes, volgens een zelfde achteloze harmonie als Japanse monniken in een Zentuin nastreven. Baltsgedrag is bij mensen niet aan een periode gebonden, waardoor ze bij wijze van spreken de hele dag tuintjes aanleggen. Andere primaten vertonen die neiging totaal niet. Blijkbaar behelsen zang en taal meer dan wat klanken: zij schenken gevoel voor symmetrie en ritme en lokken creativiteit uit.

 

prieelvogel

Baltsplaats van een Australische prieelvogel, in het Frans toepasselijker oiseau jardinier, tuiniervogel, geheten. (Ontraceerbare internetproductie)   

 

Rituelen, hoewel in het hele dierenrijk bekend, hebben ook iets vogelachtigs - uiteraard vanwege de zang en de dans die eraan te pas komen maar ook vanwege een andere opvallende gelijkenis: die tussen menselijke kleren en een verenkleed. Niet weinig volken, zoals de oude Egyptenaren en de Blackfoot-indianen, dosten zich zelfs als vogels uit.

Mijn fascinatie voor rituelen moet zijn begonnen in Helmond, het industriestadje waar ik ben opgegroeid. In mijn jeugd heerste daar de vreugdeloze tucht van de fabrieksfluit, maar op een dag hield de pas opgerichte carnavalsvereniging De Keiebijters haar eerste optocht. Mijn ouders, nuchtere katholieken uit Rotterdam, waren amper enthousiast; ik ging er vol verwachting heen.

Nog zie ik de opgetuigde vrachtwagen de krappe Veestraat inrijden, met op de laadvloer de Dansmariekes, dan op een met triplex omzoomde trap de Raad van Elf en helemaal bovenin de Prins met fazantenveren op zijn muts. Hoe ze allemaal lachten en zwaaiden en dansten... Ook al raakte ik behoorlijk overdonderd, tegelijk verbaasde mij de vanzelfsprekendheid van het tafereel, alsof iedereen al vaker met dit bijltje had gehakt. Op de weg terug naar huis kon ik de aanwezigheid van bepaalde personen moeilijk verklaren. Wat deed die knorrige fabrikant in de Raad van Elf, en die bekakte winkelier en, helemaal vreemd, die gereformeerde makelaar? Instinctief voelde ik dat er meer aan de hand was dan dat iedereen de lolbroek wilde uithangen.



eksters

Van apen, olifanten maar ook van sommige vogels wordt gezegd dat zij gezamenlijk rouwgedrag vertonen. www.animaltoday.com

 

Sindsdien ben ik mensen in zulke uitingen gaan volgen. Mij boeit allereerst de gekozen vormentaal, die altijd ietwat liturgisch aandoet (mijn persoonlijke nostalgie?). Rituelen onthullen ook hoe mensen tegen de wereld aankijken, zeker als je de historie ervan napluist. Tegenover derden kunnen ze behoorlijk afwerend zijn, maar de deelnemers zelf ervaren zich inniger dan ooit met elkaar verbonden. Een voor mij aandoenlijk aspect houdt met dit laatste verband. Om bij een groep te horen zijn lieden van allerlei soort en rang bereid hun persoonlijkheid opzij te zetten en zich aan voorgeschreven, soms vrij kinderlijke of zelfs saaie gedragingen uit te leveren.

 

grace

www.telegraph.co.uk https://www.youtube.com/watch?v=IN05jVNBs64

 

Zelf voel ik die neiging nauwelijks, moet ik bekennen. Rituelen zijn voor mij andermans gezelligheid, en dat is ook precies wat ze beogen. Chronologisch gaan ze nog aan zang vooraf; een meer elementaire vorm van onderlinge zingeving is er niet. Daarmee wil ik geenszins beweren dat rituelen diepe boodschappen over ons bestaan bevatten; integendeel, de meeste zijn vrij banaal. Anderzijds is het ook waar dat wanneer het dichters aan woorden ontbreekt en musici de lust tot spelen is vergaan, een ritueel nog iets van troost kan bieden. Denk aan The Bell of Hope bij St. Paul's Chapel in New York: iel klokgelui tegenover het kolossale verdriet van 9/11, hartverscheurend maar tegelijkertijd bemoedigend, alsof de overlevenden laten weten de situatie althans weer meester te zijn. Daarom, als je wilt achterhalen hoe mensen zijn dan moet je ze tijdens dit soort gedragingen observeren. Het is als filmen zonder camera. Dichterbij het geheim van het leven kom je niet. 

 

Volksdeskundigen 1


Tijdens mijn studie culturele antropologie ontdekte ik dat anderen mijn interesse deelden. Eerst kwam ik in aanraking met liefhebbers van zogenaamd authentieke volksgebruiken. In tegenstelling tot wat ik verwachtte, waren zij niet ontwapenend eenvoudig maar juist fanatiek. Ter verklaring van gebruiken schetsten zij een rauw universum vol Germaanse griezels, die zelfs in oliebollen en beschuit met muisjes hun sporen hadden nagelaten. Als ware gelovigen wonden zij zich het meest op over de emotionele ontkenning van dat universum, zoals tot uitdrukking kwam in toeristische opvoeringen van gebruiken, het zogenaamde folklorisme, want dat had niets met het oergevoel van het volk van doen. Mij boeide deze benadering weinig, omdat het eerste carnaval dat ik had gezien ongetwijfeld ook toeristen wilde lokken. En wat het volk betreft, ik kreeg het idee dat zij daarmee een heilig verbond bedoelden, en ik was net zo geïnteresseerd in wat dat verbond onderling verdeelde.

Toen een uitgever mij verzocht een boek over Nederlandse rituelen te schrijven, nam ik contact op met het (P.J.) Meertens Instituut. Vreemd genoeg werkten daar vrijwel uitsluitend neerlandici, die zich tooiden met de naam volkskundige, wat je warempel kunt lezen als: volksdeskundige. Nu was het woord 'volk' daarin al ruim bemeten. Hun aandacht ging uit naar keuterboertjes en dorpsbewoners benoorden de grote rivieren; ik geloof dat fabrieksarbeiders nog te mondain voor hen waren, laat staan dat zij zich voor de bourgeoisie interesseerden. Maar verder deden zij hun herkomst eer aan: zij hielden zich bezig met taal, niet met beeld, terwijl, zo ontdekte ik, geen vakgebied aardiger te illustreren viel dan het hunne.

Speciaal was hun houding tegenover collega-wetenschappers. Hun voorgangers waren de ontdekkers en propagandisten geweest van het Germaanse godenrijk maar daar namen zij nadrukkelijk afstand van; wel enigszins begrijpelijk, aangezien menig voorganger met de nazi's had geheuld. Tot bescheidenheid omtrent eigen verrichtingen had dit niet geleid, integendeel, zij spraken met onverholen minachting over iedereen die ook maar ergens een link met de voorchristelijke periode veronderstelde en voelden zich superieur aan historici en antropologen met een veel betere conduitestaat.

 

meertens

Logo van het Meertens Instituut, genoemd naar P.J. (Piet) Meertens, de beroemdste volksdeskundige van Nederland. www.meertens.nl   



De grote schrik van het instituut was Han Voskuil, niet omdat hij zo'n bullebak was, maar omdat hij zijn medewerkers voortdurend vanachter zijn pijp toesiste dat ze voor buitenstaanders als ik moesten oppassen. De schat die hij beschermde was een vracht aan enquêtemateriaal waarmee het instituut nog nooit iets had gedaan. Desgevraagd verbood hij mij ook toegang tot die bron, hoewel er geen staatsgeheimen in verborgen zaten en zelfs de pen waarmee hij schreef nog van belastinggeld was betaald. Mij bleef niets anders over dan een literatuurstudie te verrichten, waarbij ik als een scharrelkip mijn kennis uit andere publicaties bijeenpikte. Ik bezondigde mij bij het schrijven zelfs aan het citeren van citaten die anderen al hadden gebruikt, maar dat bleek tamelijk normaal te zijn. Wel noemde ik consequent de persoon achter de geringste observatie, wat mijzelf zelden zou overkomen toen mijn boek eenmaal gepubliceerd was. Eens las ik een bespreking van wat iemand over Sinterklaas had beweerd en lang dacht ik het over mij ging, maar dat bleek niet zo te zijn. Wat dat betreft mocht ik mijn werk dus als geslaagd betitelen, al had Voskuil zijn medewerkers na verschijning meteen triomfantelijk laten weten dat het slechts oud materiaal bevatte, zonder erbij te melden dat hij daarvoor persoonlijk had gezorgd. Jaren later hoorde ik niettemin dat iedere bezoeker op het Meertens Instituut mijn boek krijgt aanbevolen als algemene inleiding.

 

De zegen van Salieri


Teleurgesteld wierp ik mij op een ander facet van mijn geboortestad: fabrieken. Als zoon van een zwijgzame bankier die nergens met meer liefde over sprak dan over het bedrijfsleven, was dat arbeidsterrein voor mij net zo verleidelijk als Samoa voor Margaret Mead of Amazonië voor Levi-Strauss. Ik publiceerde een aantal geschiedenissen van bedrijven, maar stuitte waarachtig wéér op ambtenaren die hetzelfde deden; ditmaal vanuit de Universiteit van Utrecht, onder aanvoering van een zekere Joost Dankers. Zelden heb ik zulke ambitieuze slokops van subsidies meegemaakt, die het zelfs doodnormaal vonden om freelancers als ik uit de markt te drukken terwijl zijzelf een gegarandeerd inkomen genoten. Moet ik erbij vertellen dat zij allemaal van linkse snit waren en desgevraagd sociale ongelijkheid als een schrijnend probleem zagen, maar intussen onderling een nagenoeg perfect kartel vormden? Zelfs hun boeken lieten zij nog beoordelen door vriendjes, die gretig met stroop smeerden in de hoop via hen zelf mooie opdrachten te verwerven.

 

tum

Salieri in Amadeus: "to all the mediocrities in the world..." Voor bewegend beeld, zie tumblr.  

 

Ondanks alle ijver die zij aan de aan dag legden, kan ik met de beste wil van de wereld niet zeggen dat hun prestaties beter waren dan de mijne. Sowieso heb ik onder de talloze gesubsidieerde academici tegen wie ik het in mijn leven heb moeten opnemen weinig supertalenten ontdekt. We zouden al die bevoorrechte lieden, want dat zijn het, eens op het Malieveld in Den Haag moeten verzamelen. Ik ben dan wel bereid een toespraakje te houden. Met een vinger richting het Binnenhof zou ik eerst de vraag stellen waar de overheid eigenlijk het recht vandaan haalt mij en anderen oneerlijke concurrentie aan te doen met behulp van gesubsidieerde stoottroepen. Ik zou ook het effect van het subsidiewezen aan de orde stellen: cliëntelisme en zelfcensuur omwille van groepsacceptatie, met als resultaat een Kulturkammer op vrijwillige basis. Toch zou ik mild eindigen. Na mijn slotzin zou ik net als Salieri in de film Amadeus de middelmatigheid van alle aanwezigen zegenen met een serie kruistekens.

 

Oude en nieuwe rituelen


Al vormden rituelen ook een onderzoeksveld waarop steeds meer gesubsidieerde koeien graasden, ik keerde er met genoegen naar terug toen mijn uitgever, Het Spectrum, na twintig jaar om een nieuwe versie van mijn overzichtswerk vroeg. Inhoudelijk was dat boeiend om te schrijven, want er deden zich rondom rituelen diepgaande veranderingen voor. Allereerst maakten zij nu deel uit van een algehele hang naar traditie, die zich tot in de bouwkunst deed gelden. Alleen al door de enorme aantallen deelnemers verschoven rituelen van de periferie naar het centrum van het dagelijks leven. In plaats van een uitdrukking van persoonlijke voorkeur werden zij echter veel meer een gezamenlijk statement tegenover buitenstaanders. Zonder twijfel was dit een reactie op de aan gang zijnde toevloed van niet-westerlingen naar Nederland, waarbij tegelijkertijd het proces van Europese eenwording een verlies aan nationale zelfstandigheid beloofde. Wie naar het maatschappelijk onbehagen op zoek was had aan de hand van rituelen al in de jaren tachtig de eerste signalen daarvan kunnen opvangen.  

Tegelijk met die opleving deden nieuwe rituelen hun intrede. Zij verschilden echter van eerdere edities. Vroeger waren rituelen anoniem en vrij statisch, zeker in de beleving van de deelnemers zelf. Als esthetische inspiratiebron diende vaak nog de romaanse tijd, zoals te zien is in menig carnavalsmasker. Ook viel er heel wat afgezakt cultuurgoed van hogere kringen in te herkennen, dat in die kringen zelf niet meer gangbaar was. Er stak al met al een vertrouwde wereld achter van standen, die onderling verbonden waren maar een gezonde argwaan jegens elkaar behielden. Volkse Gemeinschaft was de hoofdteneur.

Nieuwe rituelen daarentegen verbeelden een wezenlijk andere wereld. Om te beginnen zijn ze modieus, dus vluchtig en niet stijlvast; soms zelfs smakeloos, in de zin van onaf en kitscherig. Er valt ook dikwijls een naam van een bedenker of stimulator aan te verbinden en hun focus ligt meestal bij het individu, zij het binnen een menigte, want dat is een zeer opvallende trek: de enorme menigten die moderne rituelen op de been brengen, alsof een menigte de ideale habitat voor de mens vormt. Een andere paradox is dat ze democratisch en speels schijnen maar tegelijkertijd doortrokken zijn van verering, zelfs voor gewone prestaties. Rituelen van vóór de deconfessionalisering waren gek genoeg kritischer en hechtten uitsluitend belang aan wat werkelijk bijzonder was.

 

Volkscultuur en massacultuur

 

Wel, ik ben geneigd in deze nieuwe rituelen de omslag bezegeld te zien van volkscultuur naar massacultuur, ook al mogen die termen volgens de antropologe Irene Cieraad niet gebezigd worden omdat ze wezenlijk elitair zijn. Maar het is vrij simpel. Als de standenmaatschapij niet meer of nog slechts in rudimentaire vorm bestaat dan is het de massa die bepaalt. 'Massa is kassa', zeggen marketeers niet voor niets. 

De triomf van de massa situeerden schrijvers als Ortega y Gasset en Elias Canetti al in de negentiende eeuw. Volgens Thomas Mann zou de massa ook aan het begin en het einde van het burgerlijke tijdperk (1880 - 1914) hebben gestaan. Economisch en politiek mag dit juist zijn, cultureel bleef de massa gehorig aan een elite die zichzelf reproduceerde. Het omslagpunt wat dat betreft heeft mijn generatie pas meegemaakt, toen dankzij de democratisering steeds meer afgezanten uit de massa tot de elite doordrongen, waardoor zij uiteindelijk de toon konden gaan zetten. Aanvankelijk richtten die afgezanten zich vooral op volkse uitingen, die gaandeweg steeds linkser en provocatiever werden gebracht, - het verschil tussen de komieken André van Duijn en Paul de Leeuw. Op die manier is veel volkscultuur voor uitsterven behoed, tot aan Sinterklaas toe. Nogal in tegenspraak hiermee bevorderde de nieuwe elite tegelijkertijd de extase rond sport en alledaags amusement, met als neveneffect: een nooit vertoond hyperkapitalisme. 

 

massa

De massa als feest: massaal televisiekijken in mei 2017 op het Museumplein in Amsterdam naar de Europa League-finale Ajax-Manchester United in Stockholm.

 

Het moet een ieder die nadenkt toch eindeloos frapperen dat dezelfde mensen die werkgevers tot uitbuiters bestempelen omdat zij, zeg, tien keer modaal verdienen, gretig geld op tafel leggen om matige voetballers en artiesten honderd keer modaal te laten verdienen. Even vreemd: cabaretiers en televisiepresentatoren die maatschappelijke misstanden bekritiseren en daardoor miljonair worden. Vroeger had je ook rijkaards die streden voor een betere samenleving, maar het was nooit zo dat zij op die manier binnenliepen; integendeel, zij legden er op toe. Er staat ons op het gebied van de massacultuur nog het een en ander te wachten, want de massa begint nu ook de voormalige elitecultuur in te lijven, zoals blijkt uit de groeiende waardering voor klassieke muziek, jarenlang ondergesneeuwd door alle aandacht voor pop. 

Om geen misverstand te wekken: ik houd niet van elitecultuur, en nog minder van na-aperij op dat vlak, zoals een Mart Smeets in smoking op een sportgala. Met de lui die Jort Kelder ons in Hoe heurt het eigenlijk? voorschotelt heb ik voornamelijk medelijden: blijkbaar is voornaamheid ook niet meer wat het geweest is. Thuis voel ik me slechts in de modernistische, klasseloze cultuur die in de negentiende eeuw ontstond en die duizenden ondernemers en wetenschappers heeft gebaard, alsook Vincent van Gogh. Geheel klasseloos was die cultuur niet, maar het ging om een 'klasse' die iedereen zich kon eigenmaken. Veel elitaire modernisten hebben van verheffing hun levenswerk gemaakt om aldus klassengrenzen te slechten.

Daarnaast houd ik van volkscultuur, waarmee ik beslist iets anders bedoel dan amateurkunst, want dat is een pretentieuze vrucht van onze tijd, een echo van het individualisme van vorige generaties die bijna altijd tot kitsch leidt. Wie daarvan wil genieten kan terecht op een van de talloze kunstmarkten in den lande. Uitgezonderd een enkele verloren ziel, moet je concluderen dat de meeste makers nog nooit een museum van binnen hebben gezien. 

Volkscultuur, folklore, vertolkt elementaire emoties in een traditonele vorm en lijkt daarom naturel. Mijn enige reserve geldt de feodale overdrijving die erin zit, van enerzijds mensen die immer de dupe zijn en daarom onze voortdurende bijstand behoeven, en anderzijds mensen die boven ons zijn gesteld en bewonderd moeten worden. Massacultuur vind ik alleen te verteren als voortzetting van die volkscultuur. En daar ging het ook lange tijd om, want bijvoorbeeld de huidige stripalbums kennen een voorganger in het Tapijt van Bayeux. En middeleeuwers zouden zeker ook van kauwgom genoten hebben. Op bepaalde terreinen vormt massacultuur zelfs een sophistication van volkscultuur, want popmuziek komt voort uit volksmuziek. Ik denk overigens dat Nederland, egalitair land, mischien wel de eerste popmusicus ter wereld had in Peter Koelewijn, een zoon van een visboertje én een HBS-er tegelijk, toen nog een uitzonderlijke combinatie, die met Kom van dat dak af zowel Dijkers als Pleiners bereikte, om in Amsterdamse termen te spreken.

 

komvandatdakaf

 

1959, het jaar van Kom van dat dak af, van Peter Koelewijn en zijn Rockets. Was dit niet het jaar dat rockmuziek voor het eerst alle jongeren aansprak? Als dat zo is dan was Koelewijn eerder een popmuzikant dan the Beatles en the Rolling Stones.    

 

Maar vervolgens ging de massa steeds meer met zichzelf aan de haal. Je leest hierover zelden in romans, wat mij verbaast. Blijkbaar bezitten romanschrijvers van mijn generatie een statischer en minder cynisch beeld van de werkelijkheid dan ik. Zij doen ook net alsof hun keuzes in die tijd vanzelfsprekend zijn geweest, terwijl je als ontzuilde jongere van alles kon worden: een Franse existentialist, een Amerikaanse beatnik, een Hollandse provo, hippie of communist. Zelf kwam ik niet verder dan iets tussen een existentialist en beatnik in. Voor provo ontbrak mij het lef en hippies en communisten ervoer ik als nieuwe meelopers.

Mij staan tevens bepaalde sleutelmomenten in het geheugen gegrift. De zanger Jaap Fischer, die onovertroffen teksten schreef, als een Roald Dahl voor de Lage Landen, hing vroeg in de jaren zestig zijn gitaar aan de wilgen, omdat hij geen zin in fans had. Fans - ik zeg het er even bij: afkomstig van het Engelse 'fanatics' - behoren nu tot de normale wereld, maar nog niet zo lang geleden vonden zelfbewuste mensen zichzelf veel te goed om een fan te zijn, laat staan dat zij zich groepsgewijs als zodanig zouden manifesteren.

In dezelfde periode kwamen The Beatles op de proppen met de weinig snuggere drummer Ringo Star. Het verhaal wil dat Ringo zelfs de minste drummer van de groep was maar dat deed er helemaal niet toe, hij 'paste in het plaatje' en was 'best wel grappig'. Terwijl ik, laten we zeggen, zingend en swingend opgroeide werd mij duidelijk dat kwaliteit niet langer als voornaamste criterium in het leven gold.

Achtenswaardige cultuurdragers uit mijn jeugd verdwenen uit zicht. Als HBS-er had ik zelf de antieke wereld al links laten liggen, hetzelfde deed ik nu met godsdienst en klassieke muziek, mijn versie van het generatieconflict. Maar om vervolgens verslingerd te raken aan musicals, cabaret en televisieshows, nee, dat zou conformisme op een lager niveau hebben betekend. Een concert van The Byrds in het Concertgebouw leerde mij dat de tijden definitief waren veranderd, zij het in andere zin dan Bob Dylan beloofde. Wachtend in de zaal voelde ik me al bezwaard, want ik wist best dat Mr. Tambourine Man geen KV 467 was. Bleek dat heren twee uur te laat verschenen en totaal stoned of dronken waren; ze rotzooiden maar wat aan en vonden zichzelf geweldig. Het publiek (fans!) stoorde zich niet in het minst aan hen en danste uitzinnig tussen de rijen. Ik schaamde me.

abe

Standbeeld van Abe Lenstra in Heerenveen, 1994. Het oudste voetballersstandbeeld in Nederland betreft Pierre Massy in Roermond, 1967. www.scheerenveen.nl

 

Achteraf was dit nog maar het begin van de idolate massacultuur, die volgens mij de religieuze dweepzucht van vorige generaties in de schaduw stelt. Qua waardigheid winnen gelovigen het al: men vergelijke iemand die een kruis voor het eten slaat met een headbanger voor het podium van een dj of een volwassen kerel die jankt om het verlies van zijn cluppie. Niettemin zag ik hoe vroegere geestverwanten de een na de ander naar het massakamp overstapten. Geld was zogenaamd nooit de drijfveer, al kwamen zij er binnen de kortste keren in om. Een bescheiden dichter ontwikkelde zich tot een voetbalfrik die intellectuelen te weinig aandacht voor sport verwijt, hahaha. Een schrijver die bij zijn debuut als de Nederlandse Scott Fitzgerald werd verwelkomd beperkte zich voortaan tot radiopraatjes over pophelden, die natuurlijk alles behalve helden zijn.

Wat mij ook zo verbaasde: het plezier waarmee mensen in een massa doken - ik kende alleen het besef dat je in een massa ten onder kon gaan. Een massafestijn is kennelijk een dubbel festijn. De samenzang en spreekkoren op tribunes mogen best vrolijk zijn, maar ik ervaar ze liever solo als televisiekijker.

Een bezoeker uit een ver en vreemd land waande ik me toen ik aan het begin van het nieuwe millenium bij het PSV-stadion in Eindhoven een manshoog bronzen beeld ontdekte van voetballer Willy van der Kuijlen, die net als ik uit Helmond komt. Navraag leerde mij dat Nederland inmiddels meer dan dertig van zulke monumenten telt, maar deze wereldse dulia was mij ontgaan. Aan Sint Willy zijn ook al drie (!) biografieën gewijd. Het eigenaardige is: hijzelf bezit nog een volkse bescheidenheid en taalt niet naar roem. Het zijn de supporters die naar roem talen, zíj willen vereren. 

 

Volksdeskundigen 2     

 

Op het Meertens Instituut was Voskuil inmiddels godzijdank van het tapijt verdwenen en zijn opvolgers hadden behendig gebruik gemaakt van de bekendheid die hij hun had bezorgd door hun instituut te afficheren als een centre of excellence. Een bezwaar is wel dat de medewerkers louter politiek correcte uitspraken plegen te doen - of nee, het is erger. Je mag verwachten dat een dergelijke werkkring aantrekkingskracht uitoefent op conservatieve brompotten; in werkelijkheid zitten er uitsluitend Feingeister die met elkaar wedijveren om wie het meest progressieve standpunt kan vertolken. Daarom blijft het een merkwaardig verschijnsel, zo'n instituut. Het doet mij om een of andere reden altijd denken aan die enorme, wandbrede volières die vroeger menig huiskamer in volkswijken beheerste, tot in de Amsterdamse Jordaan toe. Dat de gezinsleden daardoor minder leefruimte overhielden, hinderde klaarblijkelijk niet, als de kanariepietjes maar konden hippen en piepen.   

Inmiddels was het vakgebied ook in de breedte gegroeid. Ettelijke onbezoldigde amateurs hadden uitstekende monografieën gepubliceerd en een nieuwe ster aan het gesubsidieerde firmanent was het Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, beter gezegd de alom aanwezige woordvoerster ervan, Ineke Strouken. Zij verricht geen onderzoek maar geeft voorlichting. Vroeger was dat iets wat ik en anderen gratis deden, maar de Nederlandse regering vond dat kennelijk een ongewenste toestand en riep een aparte spreekbuis in het leven. Nou, ik kan garanderen dat Strouken als scharrelkip mijn meerdere is. Niemand hoeft van haar ook verbeten verhalen over folklorisme of over niet-bestaande Germaanse oorsprongen te verwachten. Integendeel, alsof zij net van een meeslepende Palmpasenoptocht komt houdt zij in de media voortdurend lofzangen op ieder denkbaar ritueel.

 

volkscultuur.jpg

Logo van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, te bereiken onder www.volkscultuur.nl, www.immaterieelerfgoed.nl en www.tradties.nl. Tel.: 030-2760244

 

Ferm uitgangspunt bij haar promotionele arbeid is de eind jaren zeventig uitgeroepen multiculturele samenleving. Volgens Strouken dienen in zo'n samenleving tradities niet naar de achtergrond te verdwijnen maar juist gekoesterd te worden, want zij bieden individuen houvast en een noodzakelijke identiteit. Desgevraagd verklaarde Strouken eens te hopen dat Nederland op den duur 'een joods-christelijke-islamitische cultuur' krijgt. Beide noties leven klaarblijkelijk in de boezem van onze bureaucratie en smeken daarom om commentaar. Zie www.jefdejager.nl/multiculti.php 

 

           


terug naar boven