Volksdeskundigen
Mijn fascinatie voor wereldse rituelen moet in Brabant zijn ontstaan, in het fabrieksstadje Helmond waar ik ben opgegroeid. Toen ik twaalf was organiseerde daar de pas opgerichte carnavalsvereniging De Keiebijters een eerste optocht. Mijn ouders, nuchtere katholieken uit Rotterdam, waren amper enthousiast maar ik ging er vol verwachting heen. Nog zie ik de opgetuigde vrachtwagen de krappe Veestraat inrijden, met op de laadvloer de Dansmariekes, dan op een met triplex omzoomde trap de Raad van Elf en helemaal bovenaan de Prins. Hoe ze allemaal lachten en zwaaiden en dansten... Ook al raakte ik behoorlijk overdonderd, tegelijk verbaasde mij de vanzelfsprekendheid van het tafereel, alsof iedereen al vaker met dit bijltje had gehakt. Terugwandelend naar huis kon ik ook de aanwezigheid van bepaalde personen moeilijk verklaren. Wat deed die knorrige fabrikant in de Raad van Elf, en die bekakte winkelier en, helemaal vreemd, die gereformeerde makelaar? Instinctief voelde ik dat er meer aan de hand was dan dat iedereen de lolbroek wilde uithangen.
Sindsdien ben ik mensen in zulke uitingen gaan volgen. Mij boeit allereerst de gekozen vormentaal, die altijd ietwat liturgisch aandoet (mijn persoonlijke nostalgie?). Rituelen onthullen ook, zo bemerkte ik, hoe mensen tegen de wereld aankijken, zeker als je de historische ontwikkeling ervan napluist. Tegenover derden kunnen ze behoorlijk afwerend zijn, maar de deelnemers zelf ervaren zich inniger dan ooit met elkaar verbonden. Een voor mij aandoenlijk aspect houdt met dit laatste verband. Lieden van allerlei soort en rang zijn bereid af en toe hun persoonlijkheid opzij te zetten en zich aan voorgeschreven, soms vrij kinderlijke of zelfs saaie gedragingen uit te leveren. Ik moet bekennen dat ikzelf die neiging nauwelijks ervaar. Rituelen zijn voor mij andermans gezelligheid, en dat is ook precies wat ze beogen. Een bekende theorie wil dat de mens eerst heeft gezongen en toen pas is gaan praten; dat spraak dus voortkomt uit zang. Dit zou in elk geval verklaren waarom ieder gezelschap onmiddellijk stilvalt zodra een van de leden een liedje aanheft. Maar rituelen gaan chronologisch zelfs nog aan zang vooraf; een meer elementaire vorm van onderlinge zingeving is er niet. Daarom, als je wilt achterhalen hoe mensen zijn dan moet je ze observeren tijdens de uitvoering daarvan. Het is als filmen zonder camera. Dichterbij het geheim van het leven kun je niet komen.
Tijdens mijn studie culturele antropologie ontdekte ik dat anderen mijn interesse deelden. Eerst kwam ik in aanraking met liefhebbers van zogenaamd authentieke volksgebruiken. In tegenstelling tot wat ik verwachtte, waren zij niet ontwapenend simpel maar juist fanatiek. Ter verklaring van allerlei gebruiken schetsten zij een rauw universum vol Germaanse griezels, die zelfs in oliebollen en beschuit met muisjes hun sporen hadden nagelaten. Als ware gelovigen wonden zij zich het meest op over de emotionele ontkenning van dat universum, zoals tot uitdrukking kwam in toeristische opvoeringen van gebruiken, het zogenaamde folklorisme, want dat had niets met het oergevoel van het volk van doen. Mij boeide deze benadering weinig, omdat het eerste carnaval dat ik had gezien ongetwijfeld ook toeristen wilde lokken. En wat het volk betreft, ik kreeg het idee dat zij daarmee een heilig verbond bedoelden, en ik was net zo geïnteresseerd in wat dat verbond onderling verdeelde.
Toen een uitgever mij verzocht een boek over Nederlandse rituelen te schrijven, nam ik contact op met de gesubsidieerde onderzoekers van wat nu het Meertens Instituut heet. Vreemd genoeg waren dat in hoofdzaak neerlandici, al tooiden zij zich met de naam volkskundige, wat je warempel kunt lezen als: volksdeskundige. Hun voorgangers waren de ontdekkers en propagandisten geweest van het Germaanse godenrijk maar daar namen zij nu nadrukkelijk afstand van; wel enigszins begrijpelijk, aangezien menig voorganger met de nazi's had geheuld. Tot bescheidenheid omtrent eigen verrichtingen had dit niet geleid, integendeel, zij spraken met onverholen minachting over iedereen die ook maar ergens een link met de voor-christelijke periode veronderstelde. Mij verwonderde intussen het meest het vreugdeloze protestantse sfeertje waarin het instituut was gedompeld. Ikzelf zou behoorlijk in mijn sas zijn geweest als ik mijn hobby betaald had mogen verrichten; de beambten van het Meertensinstituut schuifelden stram door hun gebouw alsof ze bang waren op enig levensgeluk te worden betrapt.
De grote schrik van het instituut was Han Voskuil, niet omdat hij zo'n bullebak was, maar omdat hij zijn medewerkers voortdurend vanachter zijn pijp toesiste dat ze voor buitenstaanders als ik moesten oppassen. Voskuil zou later over zijn heroïsche ambtelijke avonturen de zevendelige bestseller Het Bureau publiceren. Hoewel ik slechts een paar woorden met hem heb gewisseld, kom ook ik daar uitgebreid in voor - als Blazer, van blaaskaak vermoedelijk, omdat ik hem niet nederig genoeg zal hebben benaderd. Ik heb me elders al uitgesproken over die romancyclus en wil hier slechts kwijt dat mijn vrienden nog precies weten hoe ver zij daarin zijn gekomen (blz. 43, blz. 59 en blz. 71). Mijn vrouw spant de kroon: blz. 6.
Voskuils instituut was voor mij van belang omdat er een vracht aan enquêtemateriaal lag waarmee nog nooit iets was gebeurd. Desgevraagd verbood Voskuil mij echter toegang tot die bron, hoewel er geen staatsgeheimen in verborgen zaten en zelfs de prullenmand onder zijn stoel nog van belastinggeld was betaald. Mij bleef niets anders over dan een literatuurstudie te verrichten, waarbij ik als een scharrelkip mijn kennis uit andere boeken bijeenpikte. Ik bezondigde mij bij het schrijven zelfs aan het citeren van citaten die anderen al hadden gebruikt, maar dat bleek tamelijk normaal te zijn. Wel noemde ik consequent de persoon achter de geringste observatie, wat mijzelf later zelden zou overkomen toen het boek eenmaal gepubliceerd was. Ooit las ik een bespreking van wat iemand over Sinterklaas beweerde en lange tijd meende ik dat het over mij ging, maar dat bleek niet zo te zijn. Wat dat betreft mocht ik mijn boek dus als geslaagd betitelen, al had Voskuil zijn medewerkers na verschijning meteen triomfantelijk laten weten dat het slechts oud materiaal bevatte, zonder erbij te melden dat hij daarvoor persoonlijk had gezorgd. Jaren later hoorde ik niettemin dat iedere bezoeker op het Meertensinstituut mijn boek krijgt aanbevolen als algemene inleiding.
Teleurgesteld wierp ik mij op een ander facet van mijn geboortestad: fabrieken. Als zoon van een zwijgzame bankier die nergens met meer liefde over sprak dan over bedrijven, waren zulke instituties voor mij net zo verleidelijk als Samoa voor Margaret Mead of het Amazonegebied voor Levi-Strauss. Ik publiceerde een aantal geschiedenissen van bedrijven, maar stuitte waarachtig wéér op ambtenaren die hetzelfde deden; ditmaal vanuit de Universiteit van Utrecht, onder aanvoering van een zekere Joost Dankers. Protestants waren hij en zijn collega's beslist niet, wel ambitieus. Zelden heb ik zulke bedreven netwerkers en slokops van subsidies meegemaakt, die het zelfs normaal vonden om freelancers als ik uit de markt te drukken, terwijl zijzelf een gegarandeerd inkomen genoten. Ondanks alle ijver die zij aan de dag legden, kan ik met de beste wil van de wereld niet zeggen dat hun prestaties beter waren dan de mijne. Ik heb sowieso onder de talloze gesubsidieerde academici die mijn pad hebben gekruist weinig supertalenten ontdekt. We zouden al die bevoorrechte lieden, want dat zijn het, eens op het Malieveld in Den Haag moeten verzamelen. Ik ben dan wel bereid een toespraakje af te steken. Met een vinger wijzend naar het Binnenhof zou ik eerst de vraag stellen waar de overheid eigenlijk het recht vandaan haalt mij en anderen oneerlijke concurrentie aan te doen met behulp van gesubsidieerde individuen. Maar ik zou mild eindigen. Eenmaal uitgesproken zou ik net als Salieri in de film Amadeus met een kruisteken de middelmatigheid van alle aanwezigen zegenen.
Genoegen kon ik andermaal putten uit mijn liefhebberij voor rituelen, doordat mijn uitgever, Het Spectrum, na twintig jaar om een nieuwe versie van mijn overzichtswerk vroeg. Inhoudelijk was dat ook boeiend om te schrijven, omdat er zich rondom rituelen diepgaande veranderingen aan het voltrekken waren. Allereerst maakten zij nu deel uit van een algehele hang naar traditie, die zich tot in de bouwkunst deed gelden. Alleen al qua aantallen deelnemers verschoven rituelen hierdoor van de periferie naar het centrum van het dagelijks leven. In plaats van een uitdrukking van persoonlijke voorkeur werden zij echter veel meer een gezamenlijk statement tegenover buitenstaanders. Zonder twijfel was dit een reactie op de aan gang zijnde toevloed van ongeschoolde niet-westerlingen naar Nederland, waarbij tegelijkertijd de Europese eenwording een verlies aan nationale zelfstandigheid beloofde. Wie naar het maatschappelijk onbehagen op zoek was had aan de hand van rituelen al in de jaren tachtig de eerste signalen daarvan kunnen opvangen.
Tegelijk met die opleving deden nieuwe rituelen hun intrede. Zij verschilden echter van eerdere edities. Vroeger waren rituelen anoniem en vrij statisch, zeker in de beleving van de deelnemers zelf. Als esthetische inspiratiebron diende vaak nog de romaanse tijd, zoals te zien is in menig carnavalsmasker. Ook viel er heel wat afgezakt cultuurgoed van hogere kringen in te herkennen, dat in die kringen zelf niet meer gangbaar was. Er stak al met al een vertrouwde wereld achter van standen, die onderling verbonden waren maar een gezonde argwaan jegens elkaar behielden. Volkse Gemeinschaft was de hoofdteneur.
Nieuwe rituelen daarentegen verbeelden een wezenlijk andere wereld. Om te beginnen zijn ze modieus, dus vluchtig en niet stijlvast; soms zelfs smakeloos, in de zin van onaf en kitscherig. Er valt ook dikwijls een naam van een bedenker of stimulator aan te verbinden en hun focus ligt meestal bij het individu, zij het binnen een menigte, want dat is een zeer opvallende trek: de enorme menigten die moderne rituelen ter been brengen. Een andere paradox is dat ze democratisch en speels schijnen maar tegelijkertijd doortrokken zijn van verering, zelfs voor gewone mensen en gewone prestaties. Het lijkt wel alsof de rituelen van vroeger kritischer waren en alleen waardering opbrachten voor wat werkelijk bijzonder was. Welnu, ik ben geneigd in dit alles de bezegeling te zien van een omslag van volkscultuur naar massacultuur, ook al mogen die termen volgens de antropologe Irene Cieraad niet gebezigd worden, omdat ze wezenlijk elitair zijn. Maar het is vrij simpel. Als de standenmaatschapij niet meer of nog slechts in rudimentaire vorm bestaat dan is het de massa die bepaalt. En die massa heeft meer sympathie voor volkse uitingen dan voor elitaire. Het zijn ook juist de massamedia geweest die veel oude volkscultuur voor uitsterven hebben behoed, tot aan Sinterklaas toe, wat alleen al pleit voor handhaving van beide termen.
Op het Meertens Instituut was Voskuil godzijdank van het tapijt verdwenen en zijn opvolgers hadden behendig gebruik gemaakt van de bekendheid die hij hun had bezorgd door dat instituut om te vormen tot een centre of excellence, dat openstaat voor bezoekers. Een bezwaar is wel dat de medewerkers net als sociologen en politicologen louter politiek correcte uitspraken doen, hoeveel hersenacrobatiek dat soms ook vergt. Tegelijk is betweteren een gedeelde hobby. Een vraag die je stelt wordt meestal niet direct beantwoord maar eerst geherformuleerd, waarna je iets te horen kunt krijgen dat je niet zocht. Daarom blijft het een merkwaardig verschijnsel, zo'n instituut. Het doet mij om een of andere reden altijd denken aan die enorme, wandbrede volières die vroeger menig huiskamer in volkswijken beheerste, tot in de Amsterdamse Jordaan toe. Dat de gezinsleden daardoor minder leefruimte overhielden hinderde klaarblijkelijk niet, als de kanariepietjes maar konden hippen en kwinkeleren.
Inmiddels was het vakgebied ook in de breedte gegroeid. Ettelijke onbezoldigde amateurs hadden uitstekende monografieën gepubliceerd en een nieuwe ster aan het gesubsidieerde firmanent was het Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, beter gezegd de alom aanwezige woordvoerster ervan, Ineke Strouken. Zij verricht geen onderzoek maar geeft voorlichting. Vroeger was dat een bezigheid waarmee een enkele particulier soms een zakcentje verdiende, maar de overheid vond dit kennelijk een onduldbare toestand. Wel, ik kan garanderen dat Strouken als scharrelkip mijn meerdere is. Niemand hoeft van haar ook verbeten verhalen over folklorisme of over niet-bestaande Germaanse oorsprongen te verwachten. Integendeel, alsof zij net van een meeslepende Palmpasenoptocht komt houdt zij in de media voortdurend lofzangen op ieder denkbaar ritueel. Ferm uitgangspunt daarbij is de in de jaren tachtig geproclameerde multiculturele samenleving. Volgens haar dienen in zo'n samenleving tradities niet naar de achtergrond te verdwijnen maar juist gekoesterd te worden, want zij bieden individuen houvast en een noodzakelijke identiteit. Desgevraagd verklaart zij ook te hopen dat Nederland op den duur 'een joods-christelijke-islamitische cultuur' krijgt. Beide noties geven ongetwijfeld de gangbare opvatting in het subsidiewereldje weer en smeken om commentaar.
Een nieuwe Leitkultur
Zelf ben ik nooit in rituelen geïnteresseerd geweest omwille van de traditie. Tradities worden dikwijls verzonnen of opnieuw uitgevonden en veranderen op onderdelen voortdurend, waarmee ze nu net dat aspect verliezen dat tot hun benaming leidt. En als ze inderdaad eeuwenoud zijn dan bieden ze veelal een vrijbrief tot het volharden in atavistische denkbeelden. Dat dieren ritueel geslacht dienen te worden, dat varkens en honden onrein zijn, dat bij jongens (of zelfs bij meisjes) besnijdenis geboden is, dat vrouwen het zwakke geslacht vormen, - het zijn inzichten die in godsdienstige kringen voortleven, hoewel de onzinnigheid ervan allang is aangetoond. Dat gelovigen er niettemin bij zweren, maakt hen in mijn ogen, ja, ongeloofwaardig.
Het blijkt trouwens geregeld dat als het erop aankomt tradities ook voor de eigen achterban niet heilig zijn. Zo hebben joden de oeroude besnijdenistechniek metzitzah b'hep, waarbij het opwellende bloed door de mohel oraal werd weggezogen, zonder bemoeienis van derden laten vallen, toen zij in de tweede helft van de negentiende eeuw bekend raakten met de ziektekiemtheorie van Louis Pasteur en de antisepsis van Lord Lister...
Ook het begrip multiculturele samenleving roept bij mij nauwelijks romantische associaties op. Je hoeft geen historicus te zijn om te weten dat zo'n samenleving tot geweldsexplosies kan leiden, soms zelfs na eeuwen van ogenschijnlijke rust en onderlinge verdraagzaamheid. Onze versie van een multiculturele samenleving is trouwens al weinig idyllisch. Onze steden lijken soms een toevluchtsoord te zijn geworden voor provincialen uit de hele wereld. Let wel, Nederlandse stadsbewoners keken altijd zwaar neer op mensen uit de provincie, omdat die zogenaamd bekrompen waren, maar ze hebben nu directe buren die dat veel erger zijn. De algehele agitatie die sinds enkele decennia in het land hangt moet hier welhaast uit voortspruiten. Voor het eerst in honderden jaren hebben we onlangs twee politieke moorden en twee aangerichte bloedbaden meegemaakt, in Apeldoorn en in Alphen aan de Rijn. Geheel nieuw zijn de dagelijkse bedreigingen van politici, en zelfs van ambulancepersoneel en brandweerlieden, wat bij de daders op de afwezigheid van de meest elementaire burgerzin wijst. En dan zijn er de talrijke etnische fricties in de dagelijkse sfeer, van pesterijen tot beledigingen en afwijzingen, die veel verdriet veroorzaken. Een reële terugval in beschaving is in mijn ogen dat we sinds kort weer openlijk beleden antisemitisme, homohaat en mysogenie kennen.
Maar zelfs als het met een pluriforme samenleving goed gaat, gaat het slechts in beperkte mate goed, weet ik uit eigen ervaring. Als Brabander maar vooral als katholiek van huis uit heb ik me in Nederland altijd gevoeld als een ongenode gast op een intiem feestje; bizar eigenlijk, want in mijn jeugd vormden katholieken veertig procent van de bevolking. Ik leerde op die manier wel wat tolerantie maximaal inhoudt: dat je in andermans ogen hooguit een edelfigurant kunt worden. Verklaart dit misschien de behaagzuchtige blijheid die veel Nederlandse katholieken uitdragen, het Frater Venantius-complex, waarvan lotgenoten in Engeland en Duitsland geen last lijken te hebben? Hoe diep het onderscheid katholiek en protestant zit, blijkt uit het feit dat in mijn beleving de ontkerkelijking van de afgelopen jaren hierop nauwelijks invloed heeft gehad, want tegenwoordig waan ik me een ex-katholiek te midden van ex-protestanten. In zekere zin ervaar ik die ex-protestanten zelfs als protestantser dan vroeger, want zonder de wekelijkse donderpreek van de dominee is hun afkeer van stijl alleen maar toegenomen. Ik hoef hiervoor slechts de dagelijkse rodeo van ordinairheid op de Nederlandse televisie te volgen, die telkens als bij toverslag onderbroken kan worden door feodaal gedweep met het Huis van Oranje; mij even vreemd. Ik wil maar zeggen, een multiculturele samenleving is een wensdroom, een fictie, want overal heerst een Leitkultur.
Anderzijds is het een onloochenbaar feit dat Nederland sinds veertig jaar enkele grote minderheden erbij heeft gekregen en aanmerkelijk diverser is geworden. De vraag is: hoe dien je dit te labelen? Nederland, Wereldland, zoals de titel van het eerste overzicht van rituelen bij minderheden luidt, vind ik als leidraad wel positief. Hieruit spreekt een weldadig kosmopolitisme, dat ruimte biedt aan folkloristische uitingen van minderheden in het publieke domein, maar dan wel vanuit het besef dat de meerderheid anderdenkend is; dus bescheiden en niet aanmatigend. Het voordeel van een dergelijk kosmopolitisme is ook dat de oorspronkelijke bewoners iets extra's wordt beloofd in plaats van louter te horen krijgen dat zij voor nieuwkomers moeten indikken. Omgekeerd wordt die nieuwkomers te verstaan gegeven dat zij in een modern land leven.
Met name bij dit laatste gaat het herhaaldelijk mis. Immigranten uit peasant-societies, in ons geval zijn dat vooral moslims, begrijpen heel goed dat in het Westen het individu zwaarder telt dan de gemeenschap. Velen zijn vanwege dit aspect speciaal naar Nederland gekomen, al is het voor hen onmogelijk om direct aan te haken bij de gangbare levensstijl. Integendeel, eenmaal hier schrikt die levensstijl hen juist af; zij wapenen zich ertegen door terug te vallen op mores die soms in hun thuisland al voor ouderwets worden versleten. Welnu, in de huidige situatie is het zo dat sympathisanten van de multiculturele maatschappij hen wijs maken dat zij best in hun oude geplogenheden mogen volharden.
En dat gebeurt dan ook op grote schaal. De ansinga-hoofddoek voor creoolse vrouwen is in Suriname vrijwel uitgestorven, maar valt vandaag in Amsterdam volop te bewonderen; insgelijks is de djellaba-jurk voor Noordafrikaanse mannen hier relatief gesproken populairder dan in Noord-Afrika. Vanzelfsprekend blijft het niet bij deze uitwendige folkorisering. Een Marokkaan die zelden een moskee van binnen ziet en vrijelijk alcohol nuttigt is een volbloed moslim, ook in eigen ogen. Een kleurling uit de Bijlmer met een roomblanke moeder verklaart zichzelf tot Afro-Nederlander en gaat op zoek naar zijn roots in Ghana. Het succes van het Westen is echter altijd geweest dat mensen niet met hun achtergrond samenvielen; ook al kostte het moeite, boeren konden uitgroeien tot stadse intellectuelen, arbeiders tot fabrikanten. Tegenwoordig wordt juist een premie op achtergrond gezet. Jongeren die aan hun etnisch isolement willen ontsnappen, kunnen op die manier niet uitgroeien tot wat velen van hen in de eerste plaats wensen te worden: Nederlander, Europeaan, wereldburger.
Ook vanuit politiek oogpunt is een multiculturele maatschappij onwenselijk. Het is een reprise van het oude zuilensysteem, waarbij onnoemelijke bedragen gaan naar behoud in plaats van naar vernieuwing. Hoeveel duizenden subsidieontvangers hebben inmiddels niet baat bij voortzetting van de segregatie? Ik rep dan niet eens over kwaadwillenden die gesubsidieerd en wel hier anti-westerse opvattingen verkondigen; een idiote situatie waarop de media nauwelijks een weerwoord hebben. Dat er door de voortdurende benadrukking van eigenheid onbedoeld al tegenstellingen zijn aangewakkerd, blijkt overduidelijk uit de houding van veel immigranten. In plaats van zichzelf gelukkig te prijzen met de alle nutsvoorzieningen waarvan zij gratis gebruik kunnen maken en de enorme ontwikkelingskansen die hen ter beschikking staan, zingen de meesten slechts een lied van achterstelling en discriminatie, daarbij gesouffleerd door hun vertegenwoordigers die op extra subsidies vlassen. Een massapsycholoog heeft hierom eens voorgesteld dat allochtonen jaarlijks op de Dam in Amsterdam een Dankdag zouden moeten houden, uit erkentelijkheid voor alle welvaart die hun bij aankomst in de schoot is geworpen; - overdreven, maar dat zij boffen met hun aanwezigheid hier is een betere boodschap dan dat zij pech hebben. In elk geval lijken subsidies het slachtofferschap bij hen alleen maar te vergroten. Door de eeuwen heen, en in serieuze immigratielanden als de Verenigde Staten nog steeds, waren immigranten rasoptimisten die om aan geld te komen de nederigste baantjes aanvaardden en zich zonder enige overheidssteun opwerkten. Wij zitten met tienduizenden nieuwelingen die klagen over hun uitkering en nauwelijks ambitie tonen. Als ergens het failliet van onze aanpak zich in uit...
Het aangeprezen multiculturalisme bevat zelfs een inconsequentie. De onderliggende ratio ervan is dat alle culturen relatief zijn, een zienswijze die wij aan de Verlichting danken. Maar wonderlijk genoeg wordt dat relativisme wel in stelling gebracht bij de westerse cultuur, niet bij vreemde culturen, die juist worden verabsoluteerd en onveranderlijk verklaard. Laat ik het begrafeniswezen ter illustratie nemen. De meeste christenen hebben uit praktische overwegingen al honderden jaren geleden afscheid genomen van de eis om permanent begraven te worden, wat met het oog op de wederopstanding op de dag des oordeels wenselijk was. Joden en moslims koesteren dezelfde heilsverwachting maar blijven bij de eis tot eeuwigdurende rust voor de doden. Joden hebben hierom op eigen kracht eigen begraafplaatsen gesticht, zo'n tweehonderd in totaal. Die weg zouden moslims ook kunnen volgen, maar in plaats daarvan krijgen zij op bestaande begraafplaatsen speciale plekken toebedeeld, waarvoor de extra kosten over alle gezindten worden omgeslagen.
Hoe relatief culturen zijn heeft het Westen inderdaad uit en te na laten zien. Veel zaken die nu als islamitisch gelden, wat ze slechts ten dele zijn, bestonden tot voor kort hier eveneens. Bijvoorbeeld: de idee van vrouwelijke onreinheid. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw werden katholieke vrouwen zes weken na een bevalling priesterlijk gezegend om aan hun 'onreinheid' een eind te maken; mijn eigen moeder heeft nog principieel geweigerd zich aan dit ritueel te onderwerpen. En neem het gedwongen huwelijk. Als we het door de ouders opgelegde 'moetje' meerekenen dan was dat hier vijftig jaar geleden nog tamelijk normaal. Een verschijnsel als eerwraak kenden Nederlanders van oudsher als bloedwraak, wat trouwens een minder eufemistische term ervoor is. Zelfs de ramadan was vertrouwd, in de vorm van de vastenperiode bij katholieken, die in de jaren zestig officieel is afgeschaft als niet strokend met de moderne tijd, wat moslims zich ter harte zouden kunnen nemen. Summum van alle relativiteit is natuurlijk de geleidelijke implosie van de christelijke kerken die we momenteel meemaken, na hun eeuwenlange alomaanwezigheid.
Uiteraard pleit ik niet voor intolerantie of disrespect, wel voor scepsis ten aanzien van menige traditie. Zo staat het wel vast dat immiganten uit onderontwikkelde gebieden een flinke inhaalslag zullen moeten maken als het gaat om rechten van vrouwen, homoseksuelen en dieren, maar ook om burgerzin, bijvoorbeeld met betrekking tot vrijwilligerswerk. Tot op zekere hoogte zal dit een automatisch en geruisloos proces zijn, maar confrontaties met de omringende maatschappij blijven zeker niet uit. Die zal namelijk verlangen dat mensen zich niet tot in lengte van dagen afzonderen met al te exotische gebruiken, zeker als zij daardoor een beroep op de bijstand moeten doen. Een burka en een niqaab, zelfs een chador eigenlijk al, zijn in strijd met de geldende identificatieplicht, dus dat levert een probleem op voor de dragers ervan. Met het weigeren vrouwen een hand te schudden beledigt iemand het gros van de Nederlanders, dus is de vraag hoe lang hij dat wil volhouden.
Het meest verwarrende symbool van het gepropageerde multiculturalisme is wel de hoofddoek onder moslima's. Moderne Nederlanders komen daar moeilijk uit. De relativisten onder ons trekken regelmatig een vergelijking met de kleurrijke sjaal waarmee volksvrouwen zich tot in de jaren zestig tooiden, maar dat was een zeer prozaïsch gebruik: aldus konden zij met krulspelden in het haar nog de straat op. De vergelijking die getrokken moet worden is die met katholieke nonnetjes, bij wie het hoofd zelfs vaak identiek is omzwachteld. Hier begint de discrepantie in westerse ogen: moslima's zijn geen bruiden van Jezus. Merkwaardigerwijs bestond er vroeger, toen wij allemaal religieuzer waren, een afkeurende term voor lekenvrouwen die zich buiten de kerk vroom gedroegen: kwezels (Jacques Brel bezingt hen in Les bigottes). Maar met de deconfessionalisering lijkt ook de alertheid hierop verloren te zijn gegaan. Inmiddels zijn de meeste westerlingen er wel aan gewend dat moslima's een hoofddoek dragen, al zullen weinigen hen als interessante gesprekspartners zien, - immers, dertig jaar geleden gingen zij hier nog blootshoofds over straat, net als in Egypte, Iran en Indonesië trouwens. En moet nu iedereen waardering opbrengen voor deze uiting van regressie, terwijl non-conformistische vrouwen in islamitische landen strijd voeren om die dracht achterwege te laten? Dat symbolen in laatste instantie altijd relatief en onderwerp van manipulatie zijn, wordt duidelijk als men hoort dat veel Nederlandse moslimmeisjes hun hoofddoek plegen af te doen zodra zij de geboortestreek van hun ouders bezoeken, omdat zij daar niet voor achterlijk willen doorgaan...
De verlangde joods-christelijke-islamitische traditie op haar beurt levert zelfs intellectuele problemen op. De aanhangers van dat idee lijken niet te beseffen dat zij daarmee de multiculturele samenleving in feite afschaffen, want in hun ogen doen andere minderheden er kennelijk nauwelijks toe. Met andere woorden, zij kiezen voor een nieuwe Leitkultur, waarin Afro-Surinamers en Antillianen, hindoes en Chinezen tot de marge worden veroordeeld. En is dat wat zij willen? Dit sterkt mij in mijn vermoeden dat multiculturalisten helemaal geen kosmopolieten zijn, doch conservatieven die slechts nieuwe dijken willen opwerpen om verdere verandering tegen te gaan.
De combinatie 'joods-christelijk' rammelt al enigszins. Joden zullen zich erover verbazen dat zij met christenen op een lijn worden gesteld, want zij weten niet beter dan dat zij door hen eeuwenlang zijn uitgesloten en vervolgd. Toch valt er wel iets voor die combinatie te zeggen. Het jodendom heeft tal van elementen geschonken aan het christendom, zoals het monogame huwelijk, de wekelijkse rustdag, het 'wettische' en op mentaal vlak de levenslust en de ondernemerszin. Het jodendom en het christendom delen zelfs een heilig boek, en het is zonneklaar dat individuele joden een kolossale bijdrage hebben geleverd aan de vormgeving van ons deel van de wereld. Waar zou het moderne Westen zijn geweest zonder alle joodse geleerden, industriëlen en kunstenaars? Ik kan hier nog een persoonlijke noot aan toevoegen: in mijn perceptie hebben joden, gestreng als ze zijn, ook altijd meer bij het protestantse Nederland gehoord dan schipperende katholieken. Desalniettemin is het zo dat geen enkele feestdag van hen tot nationale feestdag is verklaard en buiten de eigen kring wordt gevierd. Met andere woorden de zogenaamd joods-christelijke traditie is een eenzijdige en vrijblijvende aangelegenheid van christenen.
Nu de islam. Ik zie zeker enige zielsverwantschap tussen moslims en protestanten: sommigen van hen zouden ook tot iets hysterisch als een beeldenstorm in staat zijn. Maar verder is het zo dat de islam zich op tal van punten juist heeft afgezet tegen het jodendom en het christendom. Zo kennen moslims nog de voorbijbelse polygamie, alsmede 'martelaren' die niet alleen zichzelf maar ook onschuldige burgers offeren, liefst zoveel mogelijk tegelijk. Wat betreft hun betekenis voor onze geschiedenis: zij hebben de laatste eeuwen zelf nauwelijks een geschiedenis gehad en spelen nu weer een rol op het wereldtoneel dankzij westerse oliegelden, westerse technologie en immigratie naar westerse landen. Het islamitisch reveil dat alom gaande is, lijkt soms wel deze feitenreeks tot onderwerp te hebben: een missionaire religie met universele aanspraken, waarvan de volgelingen bemerken dat ze de mensheid weinig meer dan hun ergernis en hun teleurstelling te bieden hebben. Sinds een kleine veertig jaar maken we hen nu als groepering mee in Nederland. De overgrote meerderheid ervan heeft wonderwel haar weg gevonden, maar met name jongeren van Noord-Marokkaanse komaf zorgen voor zware overlast. Terecht of niet, die overlast wordt door menigeen in relatie gebracht met dagelijkse terreurdaden en blijken van heethoofderij in naam van Allah op alle continenten, en met islamitische tirannen die niet aarzelen op hun eigen onderdanen te schieten. En ondanks dit alles zou hier toch bijvoorbeeld hun Suikerfeest een nationale aangelegenheid moeten worden?
Anders dan een voortijdige accomodatie kan ik in dit voorstel slechts een poging van christenen zien om religie weer in het centrum van de belangstelling te krijgen. Maar dat illustreert tevens de overbodigheid ervan. Inmiddels is immers de grootste groep Nederlanders verklaard onkerkelijk, ruim veertig procent, en waarom zou die groep moeten worden opgezadeld met een nieuw festijn dat godsdienst bejubelt? Uit tolerantie? Of juist uit intolerantie? Het wordt tijd dat we gaan spreken over onze humanistische cultuur, gebaseerd op een joods-christelijke en, voor wie dat per se wil: islamitische traditie.
Nederland, Wereldland!
* Dat een kosmopolitische maatschappij qua interculturele tolerantie haar grenzen kent, bleek duidelijk in 2011 op de Hogeschool van Amsterdam. Een moslimdocent liet na een bedevaart naar Mekka weten vrouwen nooit meer een hand te geven, in navolging van Mohammed. Op grond van eerdere rechtspraak werd de docent door het management direct voor ontslag voorgedragen, maar het College van Bestuur schaarde zich achter de man, onder het mom dat de feitelijkheid van een multiculturele samenleving zulks vergde. Begeleid door een fikse rel in de media tekende de medezeggensschapsraad van de school echter protest aan, en de handenweigeraar werd alsnog uit het docentencorps gezet. Aan de orde was een subtiel probleem. Tolerantie is voor veel mensen geen punt als het gaat om extreme opvattingen. Bij extreme uitingen kan dat al kwestieus worden, zoals blijkt uit de reacties op burka's. Extreme gedragingen, waarin anderdenkenden tegen hun zin betrokken worden, wekken soms regelrecht verzet. De voorzitter van de medezeggensraad, Astrid de Jager, verklaarde desgevraagd als vrouw geen deel te willen uitmaken van een seksistisch wereldbeeld, zelfs al werd dat geschraagd door een religie. De eigen gedragscode van de hogeschool, vrucht van eerdere emancipatie-arbeid, gaf haar in dat opzicht gelijk: er mocht helemaal geen verschil worden gemaakt in gedragingen tegenover mannen en vrouwen. Wat deze casus leert is dat een moderne maatschappij ook moderne omgangsvormen eist. Wie aan niet-courante tradities wil vasthouden moet zich maar afzonderen, zoals christelijke kloosterlingen eeuwenlang hebben gedaan.
** Op dezelfde school speelde in 2012 een relletje rond een verzoek om een gebedsruimte voor moslims, iets wat het College van Bestuur had afgewezen als niet strokend met het openbare karakter van de school. De waarheid gebiedt te erkennen dat de groep moslims die zich tegen die ruimte verklaarde minstens even groot, zo niet groter, was, maar dat deerde de indieners ervan allerminst. Zij brachten het sociaaldemocratische Tweede Kamerlid Ahmed Marcouch in stelling, die het College van Bestuur in deze armhartig en intolerant noemde. Een gebedsruimte was een 'kwestie van beschaving'. Kennelijk heerst er binnen de PvdA geen fractiediscipline op dit punt, want Marchouchs eigen voorzitter is gekant tegen gebedsruimten in openbare instellingen. Zou Marchouch hem eveneens als intolerant betitelen? Ook schrijver Abdelkader Benali mocht een duit in het zakje doen. Hij verklaarde hoogdravend dat de hogeschool geen antwoord had op het multiculturele drama. Wat de pleitbezorgers verzwegen is dat zij niet alleen om een uitzonderingspositie voor moslims vroegen, want andersoortige gelovigen bezitten evenmin een gebedsruimte, maar dat die ook nog moest worden gesubsidieerd - twee abnormaliteiten die als normaal werden gebracht. Los daarvan dienden zich praktische problemen aan: èèn moslimruimte is altijd twee moslimruimten, en hoe groot moesten die ruimten worden bij gebleken succes? Je krijgt de indruk dat sommige moslims niets van onze strijd voor neutraal onderwijs (willen) begrijpen.
*** Een voorbeeld van omgekeerde aanpassing zou Zwarte Piet kunnen betreffen, tegen wie het protest almaar groeit. Ik ben het niet eens met www.zwartepietisracisme.nl dat de zwartgeschminkte knecht van Sinterklaas als blijk van racisme moet worden opgevat, want de intentie daartoe ontbreekt ten ene male en zijn huidige zelfbewuste rol kan ook moeilijk als zwaar vernederend worden opgevat. Niettemin getuigt zijn personage van enige neerbuigendheid jegens negers en dat zou voldoende reden tot afschaffing ervan moeten zijn.