Verantwoording

 

 

Filmen zonder camera

 

De Utrechtse bioloog Johan Bolhuis stelde in 2011 dat menselijke taal overeenkomt met het gezang van vogels. Aha, vogels. Een pak van mijn hart.

Een oudere theorie wil dat de homo sapiens eerst heeft gezongen voordat hij is gaan praten; dat spraak zich dus heeft ontwikkeld vanuit zang. Inderdaad is zang voor de mens wezenlijk: hij kan ermee aan de werkelijkheid ontsnappen. Gevoelens van verliefdheid, verdriet en eenzaamheid die verbaal lastig te uiten zijn, laten zich in een lied zelfs in aangedikte vorm vertolken. Zang gaat ook alle andere indrukken te boven. De grootste filosoof valt stil bij Miserere mei, Domine, de brutaalste puber zingt mee met Amazing Grace. Een beter bindmiddel dan samenzang is er niet.

Als onze zang en taal al van vogels stammen dan zullen we aan hen eveneens afgeleide vermogens danken zoals fluiten en neuriëren, lachen en huilen. Ja, zelfs muziek en dans. Muziek! De Australische palmkaketoe drumt met een heus stokje op takken. Dans! Een groep rose flamingo's die zich voortbeweegt in ondiep water lijkt op een boot uit de Canal Pride, en de Zuidamerikaanse manakin - het is al vaker opgemerkt - moet Michael Jackson tot de moonwalk hebben geïnspireerd.

 

kogelvis 

Het oerritueel in de fauna? Een mannelijke kogelvis creëert met zijn buik in de zandbodem van de Japanse Zee cirkels om vrouwtjes te lokken. Toch wel raadselachtig: de vorm lijkt op die van een bloem. Of de zonnegod Ra! Foto Yoji Ooaka.

 

Wat is hiervan het belang? Biologen benadrukken steevast onze relatie met zoogdieren. Wij kennen inmiddels allemaal de spelende poes, de listige vos, de schuldbewuste hond, de ijdele dolfijn, de rouwende zwaan, de empathische olifant en de klussende orang oetan. Frans de Waal betoogt zelfs dat wij onze manners & morals met mensapen delen, wat volgens de evolutietheorie inhoudt dat wij die aan hen hebben ontleend. De Waal's verdienste is groot: hij heeft overtuigend aangetoond dat wij allerminst als een tabula rasa ter wereld komen en dat ons moreel gedrag niet is afgedwongen door gelovigen of door opstandige slaven. Maar hij zou zijn vraag ook moeten omkeren: in hoeverre lijken apen op ons? Hijzelf komt niet verder dan dat ze geen taal met woorden en een grammatica hebben, maar één blik op de apenheul in Arnhem leert dat zij onze dadendrang missen, beduidend nuchterder zijn, minder acteren en slechts primitieve geluiden voortbrengen. Het is alsof ze opgesloten zitten in zichzelf, ze zouden best willen praten maar kunnen het niet.  

De menselijke rusteloosheid en versierlust herken ik wel in vogels. Neem de mannelijke prieelvogel, die in de baltstijd een prieeltje aanlegt met eromheen kunstige perkjes van bloemen, bessen en blaadjes, volgens een zelfde achteloze harmonie als Japanse monniken in een Zentuin betrachten. Baltsgedrag is bij mensen niet aan een periode gebonden, waardoor ze bij wijze van spreken de hele dag tuintjes aanleggen. Andere primaten vertonen die neiging niet of nauwelijks. Blijkbaar behelsen zang en taal meer dan wat klanken: zij schenken gevoel voor symmetrie en ritme en lokken creativiteit uit.

Rituelen zijn niet speciaal menselijk, ze zijn in het hele dierenrijk bekend. Net als spel gaan ze vooraf aan wat wij cultuur noemen, zoals Johan Huizinga ooit opmerkte. Toch hebben onze rituelen vaak iets vogelachtigs. Dat geldt uiteraard vanwege de zang en de dans die eraan te pas komen maar ook vanwege een andere opvallende gelijkenis: die tussen menselijke kleren en een verenkleed. Niet weinig volken, zoals de oude Egyptenaren en de Blackfoot-indianen, dosten zich zelfs als vogels uit.

 

prieelvogel

Baltsplaats van een Australische prieelvogel, in het Frans toepasselijker oiseau jardinier, tuiniervogel, geheten. (internetproductie)   

 

Mijn fascinatie voor rituelen moet zijn begonnen in mijn vroege jeugd. Hoewel katholiek opgevoed bleek ik vrijwel geen aanleg voor het bovennatuurlijke te hebben. Misschien daarom frappeerde mij steeds de afspraak achter een ritueel, de instant bezieling van gedrag en voorwerpen. Je kunt een kaars gewoon aansteken, maar je kunt dat ook ter nagedachtenis van iemand doen, en dan is het een ritueel. Die kaars wordt aldus een bemiddelaar, meer dan louter voorwerp. Wederom: dieren kennen eveneens bemiddelaars (het balletje waarmee mijn hond tot vervelens toe komt aanzetten), maar ik neem aan dat bij hen slechts de associatie telt, niet de symboliek. 

Gaandeweg merkte ik dat er rituelen in graden en soorten zijn. In graden: veel gedragingen zijn ritueel zonder dat ze als zodanig te boek staan. Ontmoetingen verlopen meestal volgens een verborgen protocol, en zogenaamde debatten zijn zelden echte debatten. Mij valt altijd op dat mensen daarbij hun argumenten drie of vier keer herhalen en dan zwijgen, zonder dat iemand op die argumenten is ingegaan - een virtuele gebedsmolen dus. Ook zijn er gebruiken die alleen door de situatie een ritueel worden, zoals een zondags eitje maar dan met Pasen. Individuele dagelijkse rituelen worden meestal aangemerkt als gewoonten, dwanghandelingen of bijgeloof. 

 

eendjes

Eendenrij op een van de banen van Wimbledon. www.fok.nl

 

Wat betreft de soorten onderscheidt de filosoof Gerard Lukken er drie: crisisrituelen om rampen en tegenspoed te bezweren, cyclische rituelen (beter bekend als kalendergebruiken) en overgangsrituelen, - de beroemde 'rites de passage' van Van Gennep, die zowel initiatie als afscheid kunnen betreffen. Groepsbinding is een wezenlijk element van alle drie, maar inviduele troost volgens mij evenzeer. Schrijver Rudy Kousbroek, verstokt atheïst, ziet de behoefte aan zulke troost vooral in religie gestild worden: je bent moederziel alleen in het heelal, het leven is zin- en uitzichtloos maar rituelen, hoe nietszeggend ook, kunnen je een tel met dit gegeven verzoenen. Wat Kousbroek over het hoofd ziet is dat allerlei prozaïsche zaken evengoed de magie van een ritueel verkrijgen. Een munt wordt een geluksmunt door hem in een vijver te gooien, een paar roestige rails groeit uit tot een herdenkingsmonument. Ik heb voor dit vermogen tot wijding, tot consecratie, eigenlijk geen verklaring, tenzij het iets is waarmee alle dieren zijn toegerust om hun omgeving te leren kennen.  

Lukken onderscheidt rituelen naar inhoud, je zou dat ook naar vorm kunnen doen: van basaal naar complex, van instinctief naar cultureel bepaald. Beweging lijkt de basis van de meeste rituelen te zijn. Baby-eendjes scharen zich als vanzelf in een rij achter hun moeder; mensen kennen zo'n functionele rij eveneens maar bij gelegenheid formeren ze een stoet, een protestmars, een corso, een defilé, een cortège, een processie of een zegetocht. Als het om zang en dans gaat zijn de mogelijkheden nog diverser. Volgens rituelen-onderzoeker Jannes H. Mulder, auteur op www.ensie.nl, bestaan rituelen immer uit handelingen, maar dat is niet zo. Wat te denken van twee-minuten stilte? Ooit is iemand op het idee gekomen dat hij bij een dramatisch gebeuren het beste kon tonen dat hij met stomheid was geslagen, en die vondst heeft wereldwijd ingang gevonden. Gedraging is daarom correcter dan handeling. Met gedraging betrek je ook de mensen die alleen als getuige deelhebben aan een ritueel. Wat is bovendien de 'handeling' van iemand die zich stierlijk verveelt op een verjaardag?              



eksters

Eksters rondom een verongelukte soortgenoot. Van apen, olifanten maar ook van sommige vogels wordt gezegd dat zij gezamenlijk rouwgedrag vertonen. www.animaltoday.com

 

Rituelen, moeten we nog vaststellen, zijn allerminst gegeven en statisch. Zelf ontdekte ik dit in Helmond, het industriestadje waar ik ben opgegroeid. Tot in de jaren zestig heerste daar de vreugdeloze tucht van de fabrieksfluit, maar op een dag hield de pas opgerichte carnavalsvereniging De Keiebijters haar eerste optocht. Mijn ouders, nuchtere katholieken uit Rotterdam, waren amper enthousiast; ik ging er vol verwachting heen. Nog zie ik de opgetuigde vrachtwagen de krappe Veestraat inrijden, met op de laadvloer de dansmariekes, dan op een met triplex omzoomde trap de Raad van Elf en helemaal bovenin de Prins met fazantenveren op zijn muts. Hoe ze allemaal lachten en zwaaiden en dansten... Ook al raakte ik behoorlijk overdonderd, tegelijk verbaasde mij de vanzelfsprekendheid van het tafereel, alsof iedereen al vaker met dit bijltje had gehakt. Op de terugweg kon ik de aanwezigheid van bepaalde personen moeilijk verklaren. Wat deed die knorrige fabrikant in de Raad van Elf, en die bekakte winkelier en, helemaal vreemd, die gereformeerde makelaar? Instinctief voelde ik dat er meer aan de hand was dan dat iedereen de lolbroek wilde uithangen.

Sindsdien ben ik mensen in zulke wereldse uitingen gaan volgen. Mij boeit allereerst de gekozen vormentaal, die altijd ietwat liturgisch aandoet (mijn persoonlijke nostalgie?). Rituelen onthullen ook hoe mensen tegen de wereld aankijken, zeker als je de historie ervan napluist. Tegenover derden kunnen ze behoorlijk afwerend zijn, maar de deelnemers zelf ervaren zich inniger dan ooit met elkaar verbonden. Een voor mij aandoenlijk facet houdt met dit laatste verband. Om bij anderen te horen zijn lieden van allerlei rang en stand bereid hun persoonlijkheid opzij te zetten en zich aan voorgeschreven, soms vrij kinderlijke of zelfs saaie gedragingen uit te leveren.

 

grace

www.telegraph.co.uk https://www.youtube.com/watch?v=IN05jVNBs64. Samenzang troost maar kost soms zelfoverwinning. Ergo: zang is geen oerritueel.

 

Zelf voel ik die neiging niet zo sterk, moet ik bekennen; rituelen zijn voor mij vooral andermans aangelegenheid. Omdat ze evolutionair gezien zelfs aan de komst van zang en taal voorafgaan, vertegenwoordigen ze de meest elementaire communicatie die er bestaat. Daarmee wil ik geenszins beweren dat ze diepzinnige mededelingen over het leven bevatten; integendeel, de meeste zijn vrij banaal. Maar het is wel zo: wanneer dichters geen woorden meer hebben en musici de lust tot spelen is vergaan, kan een ritueel nog  soelaas bieden. Ik denk speciaal aan The Bell of Hope bij St. Paul's Chapel in New York: ijl klokgelui tegenover het kolossale verdriet van 9/11, hartverscheurend maar tegelijkertijd bemoedigend, alsof de overlevenden elkaar laten weten de situatie althans weer meester te zijn. Daarom, als je wilt achterhalen hoe mensen zijn dan moet je ze tijdens dit soort gedragingen observeren. Het is als filmen zonder camera. Dichterbij het geheim van het leven kom je niet. 

 

Volksdeskundigen 1


Tijdens mijn studie culturele antropologie ontdekte ik dat anderen mijn interesse deelden. Eerst kwam ik in aanraking met liefhebbers van zogenaamd authentieke volksgebruiken. In tegenstelling tot wat ik verwachtte, waren zij niet ontwapenend eenvoudig maar juist fanatiek. Ter verklaring van gebruiken schetsten zij een rauw universum vol Germaanse griezels, die zelfs in oliebollen en beschuit met muisjes hun sporen hadden nagelaten. Als ware gelovigen wonden zij zich het meest op over de emotionele ontkenning van dat universum, zoals tot uitdrukking kwam in toeristische opvoeringen van gebruiken, het zogenaamde folklorisme, want dat had niets met het oergevoel van het volk van doen. Het moest om 'levend' volksleven gaan, alsof er ook een 'dood' volksleven bestond. Mij boeide deze benadering weinig. Het eerste carnaval dat ik had gezien wilde ongetwijfeld toeristen lokken maar behelsde beduidend meer. En wat het volk betreft, ik kreeg het idee dat zij daarmee een heilig verbond bedoelden, en ik was net zo geïnteresseerd in wat dat verbond onderling verdeelde.

Toen een uitgever mij verzocht een boek over Nederlandse rituelen te schrijven, nam ik contact op met het (P.J.) Meertens Instituut. Vreemd genoeg werkten daar vrijwel uitsluitend neerlandici, die zich tooiden met de naam volkskundige, wat je warempel kunt lezen als: volksdeskundige. Nu was het woord 'volk' daarin al ruim bemeten. Hun aandacht ging uit naar keuterboertjes en dorpsbewoners benoorden de grote rivieren; ik geloof dat fabrieksarbeiders nog te mondain voor hen waren, laat staan dat zij zich voor de bourgeoisie interesseerden. Maar verder deden zij hun herkomst eer aan: zij hielden zich bezig met taal, niet met beeld, terwijl, zo ontdekte ik, geen vakgebied aardiger te illustreren viel dan het hunne.

Speciaal was hun houding tegenover collega-wetenschappers. Hun voorgangers waren de ontdekkers en propagandisten geweest van het Germaanse godenrijk maar daar namen zij nadrukkelijk afstand van; wel enigszins begrijpelijk, aangezien menig voorganger met de nazi's had geheuld. Tot bescheidenheid omtrent eigen verrichtingen had dit niet geleid, integendeel, zij spraken met onverholen minachting over iedereen die ook maar ergens een link met de voorchristelijke periode veronderstelde en voelden zich superieur aan historici en antropologen met een veel betere conduitestaat.

 

meertens

Logo van het Meertens Instituut, genoemd naar P.J. (Piet) Meertens, de beroemdste volksdeskundige van Nederland. www.meertens.nl   



De grote schrik van het instituut was Han Voskuil, niet omdat hij zo'n bullebak was, maar omdat hij zijn medewerkers voortdurend vanachter zijn pijp toesiste dat ze voor buitenstaanders als ik moesten oppassen. De schat die hij beschermde was een vracht aan enquêtemateriaal waarmee het instituut nog nooit iets had gedaan. Desgevraagd verbood hij mij ook toegang tot die bron, hoewel er geen staatsgeheimen in verborgen zaten en zelfs de pen waarmee hij schreef nog van belastinggeld was betaald. Mij bleef niets anders over dan een literatuurstudie te verrichten, waarbij ik als een scharrelkip mijn kennis uit andere publicaties bijeenpikte. Ik bezondigde mij bij het schrijven zelfs aan het citeren van citaten die anderen al hadden gebruikt, maar dat bleek tamelijk normaal te zijn. Wel noemde ik consequent de persoon achter de geringste observatie, wat mijzelf zelden zou overkomen toen mijn boek eenmaal gepubliceerd was. Eens las ik een bespreking van wat iemand over Sinterklaas had beweerd en lang dacht ik het over mij ging, maar dat bleek niet zo te zijn. Wat dat betreft mocht ik mijn werk dus als geslaagd betitelen, al had Voskuil zijn medewerkers na verschijning meteen triomfantelijk laten weten dat het slechts oud materiaal bevatte, zonder erbij te melden dat hij daarvoor persoonlijk had gezorgd. Jaren later hoorde ik niettemin dat iedere bezoeker op het Meertens Instituut mijn boek krijgt aanbevolen als algemene inleiding.

 

De zegen van Salieri


Teleurgesteld wierp ik mij op een ander facet van mijn geboortestad: fabrieken. Als zoon van een zwijgzame bankier die nergens met meer liefde over sprak dan over het bedrijfsleven, was dat voor mij net zo verleidelijk om te bestuderen als Samoa voor Margaret Mead. Ik publiceerde een aantal geschiedenissen van bedrijven, maar stuitte waarachtig wéér op ambtenaren die hetzelfde deden; ditmaal vanuit de Universiteit van Utrecht, onder aanvoering van een zekere Joost Dankers. Zelden heb ik zulke ambitieuze slokops van subsidies meegemaakt, die het zelfs doodnormaal vonden om freelancers als ik uit de markt te drukken terwijl zijzelf een gegarandeerd inkomen genoten. Moet ik erbij vertellen dat zij allemaal van linkse snit waren en desgevraagd sociale ongelijkheid als een schrijnend probleem zagen, maar intussen onderling een perfect kartel vormden? Zelfs hun boeken lieten zij nog beoordelen door vriendjes, die daarbij gretig met stroop smeerden in de hoop eveneens mooie opdrachten te verwerven.

 

tum

Salieri in Amadeus: "to all the mediocrities in the world..." Voor bewegend beeld, zie tumblr.  

 

Wat is hiervan de les? Je krijgt van kindsbeen af allerlei waarschuwingen mee: pas op voor werkgevers die je uitbuiten en voor arbeiders die lanterfanten, idem: voor handelaren die je geld aftroggelen en heethoofden die jou voor hun karretje willen spannen. Niemand vertelt je dat je het een leven lang zult moeten opboksen tegen gesubsidieerde krachten, of zelfs dubbel gesubsidieerde krachten als het ambtenaren zijn. En toch is dat de situatie waarin ontelbare mensen belanden.

Nu zou er iets voor dit systeem te zeggen zijn als mijn bevoorrechte tegenstanders beter waren geweest dan ik, maar met de beste wil van de wereld kan ik dat niet erkennen. Zij voelden zich wel altijd beter; het simpele feit dat de overheid aan hun kant stond en niet aan de mijne was hiertoe voldoende. Naar ik hoop onbedoeld bevorderde de overheid op die manier zelfs miezerigheid, zoals ik herhaaldelijk heb ervaren. Kleinsteedse historici, behept met een gemeentelijk budget ondanks een minimaal talent, meden en negeerden mij uit angst dat ik hen zou overvleugelen; zij omringden zich nog liever met krukken zodat hun eigen sterretje kon blijven flikkeren. En als we een keer samen iets ondernamen dan deden ze net alsof ik de aandacht van hen afleidde, terwijl het natuurlijk andersom was: zij leidden de aandacht van mij af.

We zouden al deze gebenedijde recipiënten eens op het Malieveld in Den Haag moeten verzamelen. Ik ben dan wel bereid een toespraakje af te steken. Met een vinger richting het Binnenhof zou ik eerst de vraag stellen waar de regering eigenlijk het recht vandaan haalt mij en anderen oneerlijke concurrentie aan te doen. Ik zou ook de grootste kwaal van het subsidiewezen aan de orde stellen: de verbreiding van politieke correctheid en cliëntelisme, met als resultaat een soort Kulturkammer op vrijwillige basis. Desalniettemin zou ik mild eindigen. Net als Salieri in de film Amadeus zou ik na mijn slotzin de middelmatigheid van alle aanwezigen zegenen met een serie kruistekens: I absolve you.

 

Oude en nieuwe rituelen


Al vormden rituelen ook een onderzoeksveld waarop steeds meer gesubsidieerde koeien graasden, ik keerde er met genoegen naar terug toen mijn uitgever, Het Spectrum, na twintig jaar om een nieuwe versie van mijn overzichtswerk vroeg. Daar was alle aanleiding toe, want er hadden zich op dat gebied wezenlijke veranderingen voltrokken. Allereerst maakten rituelen nu deel uit van een algehele hang naar traditie, die zich tot in de architectuur deed gelden. Alleen al door de enorme aantallen deelnemers verschoven rituelen van de periferie naar het centrum van het dagelijks leven. In plaats van een uitdrukking van persoonlijke voorkeur werden zij echter veel meer een gezamenlijk statement tegenover buitenstaanders. Zonder twijfel was dit een reactie op de aan gang zijnde toevloed van niet-westerlingen naar Nederland, waarbij tegelijkertijd het proces van Europese eenwording een verlies aan nationale zelfstandigheid beloofde. Wie naar het maatschappelijk onbehagen op zoek was had aan de hand van rituelen al in de jaren tachtig de eerste signalen daarvan kunnen opvangen.  

Tegelijk met die opleving deden nieuwe rituelen hun intrede. Zij verschilden echter van eerdere edities. Vroeger waren rituelen anoniem en vrij statisch, zeker in de beleving van de deelnemers zelf. Als esthetische inspiratiebron diende vaak nog de romaanse tijd, zoals te zien is in menig carnavalsmasker. Ook viel er heel wat afgezakt cultuurgoed van hogere kringen in te herkennen, dat in die kringen zelf niet meer gangbaar was. Er stak al met al een vertrouwde wereld achter van standen, die onderling verbonden waren maar een gezonde argwaan jegens elkaar behielden. Volkse Gemeinschaft was de hoofdteneur.

Nieuwe rituelen daarentegen verbeelden een wezenlijk andere wereld. Om te beginnen zijn ze modieus, dus vluchtig en niet stijlvast; soms zelfs smakeloos, in de zin van onaf en kitscherig. Er valt ook dikwijls een naam van een bedenker of stimulator aan te verbinden en hun focus ligt meestal bij het individu, zij het binnen een menigte, want dat is een zeer opvallende trek: de enorme menigten die moderne rituelen op de been brengen, alsof een menigte de natuurlijke habitat voor de mens vormt. Een andere paradox is dat ze democratisch en speels schijnen maar tegelijkertijd doortrokken zijn van verering, zelfs voor minimale prestaties. Rituelen van vóór de deconfessionalisering waren gek genoeg kritischer en hechtten uitsluitend belang aan wat werkelijk bijzonder was.

 

Volkscultuur en massacultuur

 

Wel, ik ben geneigd in deze nieuwe rituelen de omslag bezegeld te zien van volkscultuur naar massacultuur, ook al mogen die termen volgens de antropologe Irene Cieraad niet gebezigd worden omdat ze wezenlijk elitair zijn. Maar het is vrij simpel. Als de standenmaatschapij niet meer of nog slechts in rudimentaire vorm bestaat dan is het de massa die bepaalt. 'Massa is kassa', zeggen marketeers niet voor niets. 

De triomf van de massa situeerden schrijvers als Ortega y Gasset en Elias Canetti al in de negentiende eeuw. Volgens Thomas Mann zou de massa ook aan het begin en het einde van het burgerlijke tijdperk (1880 - 1914) hebben gestaan. Economisch en politiek mag dit juist zijn, cultureel bleef de massa gehorig aan een elite die zichzelf reproduceerde. Het omslagpunt wat dat betreft heeft mijn generatie pas meegemaakt, toen dankzij de democratisering steeds meer afgezanten uit de massa tot de elite doordrongen, waardoor zij uiteindelijk de boventoon konden gaan voeren. Aanvankelijk richtten die afgezanten zich vooral op volkse uitingen, die gaandeweg steeds linkser en provocatiever werden gebracht, - het verschil tussen de komieken André van Duijn en Paul de Leeuw. Op die manier is veel volkscultuur voor uitsterven behoed, tot aan Sinterklaas toe. Nogal in tegenspraak hiermee bevorderden de afgezanten van de massa tegelijkertijd de extase rond sport en alledaags amusement, met als neveneffect: een nooit vertoond hyperkapitalisme. 

 

massa

De massa als place to be: met honderdduizend mensen televisiekijken naar de Europa League-finale Ajax-Manchester United in Stockholm. Mei 2017, Museumplein, Amsterdam..

 

Het moet een ieder die nadenkt toch eindeloos frapperen dat dezelfde mensen die werkgevers tot uitbuiters bestempelen omdat zij, zeg, tien keer modaal verdienen, gretig geld op tafel leggen om matige voetballers en artiesten honderd keer modaal te laten verdienen. Even vreemd: cabaretiers en televisiepresentatoren die maatschappelijke misstanden bekritiseren en daarmee miljonair worden. Vroeger had je ook rijkaards die streden voor een betere samenleving, maar zij liepen daarmee niet binnen, zij legden er op toe. Er staat ons op het gebied van de massacultuur nog het een en ander te wachten, want de massa begint nu ook de voormalige elitecultuur in te lijven, zoals blijkt uit de groeiende waardering voor klassieke muziek, jarenlang ondergesneeuwd door alle aandacht voor pop. 

Om geen misverstand te wekken: ik houd niet van elitecultuur, en nog minder van na-aperij op dat vlak, zoals een Mart Smeets in smoking op een sportgala. Met de lui die Jort Kelder ons in Hoe heurt het eigenlijk? voorschotelt heb ik voornamelijk medelijden: blijkbaar is voornaamheid ook niet meer wat het geweest is. Thuis voel ik me slechts in de modernistische, klasseloze cultuur die in de negentiende eeuw ontstond en die duizenden ondernemers en wetenschappers heeft gebaard, alsook Vincent van Gogh. Geheel klasseloos was die cultuur niet, maar het ging om een 'klasse' die iedereen zich kon eigenmaken. Veel elitaire modernisten hebben van verheffing hun levenswerk gemaakt om aldus klassengrenzen te slechten.

 

oranjeparade

Een massa lééft. Zgn. Oranjeparade voorafgaand aan de EK-finale van het vrouwenvoetbal in Enschede, 2017. Op moderne hoempapa van de Snollebollekes schuift de parade van links naar rechts e.o. Zie: https://www.youtube.com/watch?v=8f8MzohtuQI

 

Daarnaast houd ik van volkscultuur, waarmee ik iets anders bedoel dan amateurkunst, want dat is een pretentieuze vrucht van onze tijd, een echo van het individualisme van vorige generaties die bijna altijd tot kitsch leidt. Wie van deze wansmaak wil genieten kan terecht op een van de talloze kunstmarkten in Nederland én ver daarbuiten, want dat is ook zoiets: van Vilnius tot Lissabon kun je Picasso's, Van Gogh's en Rothko's aantreffen die hun leermeester uit het oog hebben verloren.  

Volkscultuur, folklore, vertolkt elementaire emoties in een traditonele vorm en lijkt daarom naturel. Mijn enige reserve geldt de feodale overdrijving die erin zit, van enerzijds mensen die immer de dupe zijn en daarom onze voortdurende bijstand behoeven, en anderzijds mensen die boven ons zijn gesteld en bewonderd moeten worden. Massacultuur vind ik alleen te verteren als voortzetting van die volkscultuur. En daar ging het ook lange tijd om, want bijvoorbeeld de huidige stripalbums kennen een voorganger in het Tapijt van Bayeux. En middeleeuwers zouden zeker ook van kauwgom genoten hebben. Op bepaalde terreinen vormt massacultuur zelfs een sophistication van volkscultuur, want popmuziek is afgeleid van volksmuziek. Nederland, egalitair land, heeft mischien wel de eerste popmusicus ter wereld voortgebracht: Peter Koelewijn, een zoon van een visboertje én een HBS-er tegelijk, toen uitzonderlijk, die met Kom van dat dak af zowel Dijkers als Pleiners bereikte, om in Amsterdamse termen te spreken.

Maar vervolgens ging de massa steeds meer met zichzelf aan de haal. Je leest hierover zelden in romans, wat mij verbaast. Blijkbaar bezitten romanschrijvers van mijn leeftijd een statischer en minder cynisch beeld van de werkelijkheid dan ik. Zij doen ook net alsof hun keuzes in die tijd vanzelfsprekend zijn geweest, terwijl je als ontzuilde jongere van alles kon worden: existentialist, beatnik, provo, hippie of politiek activist. Zelf kwam ik niet verder dan iets tussen existentialist en beatnik in. Voor provo ontbrak mij het lef en hippies en politieke activisten ervoer ik als de nieuwe meelopers.

 

komvandatdakaf

 

1959, het jaar van Kom van dat dak af, van Peter Koelewijn en zijn Rockets. Was dit niet het jaar dat rockmuziek voor het eerst alle jongeren aansprak? Als dat zo is dan was Koelewijn eerder een popmuzikant dan the Beatles en the Rolling Stones.    

 

Ja, als de nieuwe meelopers. Hippies huppelden achter spirituele leiders uit het Oosten aan zonder die uit het Westen te kennen. En politiek activisten streden uit schuldgevoel voor doelen die niet de hunne waren. Ik heb rijkeluiskinderen ontmoet die als communist hun vader luidkeels vervloekten, hoe sportief en ruimdenkend die ook was. En arbeiderskinderen op de universiteit predikten de revolutie waarvan echte arbeiders hadden afgezien, - ik vermoed dat ze zo fel waren om hun bevoorrechte positie tegenover hun achterban te verdoezelen. In de canon van de jaren zestig zul je hierover weinig vinden, maar schrijver Maarten Biesheuvel liet zich in Biesboek (1988) eerlijk uit:

'Ik deed mijn best student te zijn. Politiek was ook wel iets voor ons. We begonnen rechten te eisen. Dat ik dat deed was belachelijk. Ik kwam uit een eenvoudig milieu en de Staat liet me uit zijn ruif eten en een luxeleven leiden.'

Mijn generatie is door de socioloog Helmut Schelsky de skeptische Generation gedoopt. Wij waren dat jegens oudere generaties, niet jegens onszelf. Wie zich wel consequent opstelde, was de zanger Jaap Fischer. Als twintiger schreef Fischer onovertroffen teksten, als een Roald Dahl voor de Lage Landen. Vroeg in de jaren zestig hing hij echter zijn gitaar aan de wilgen, omdat hij naar verluidt geen zin in fans had. Fans - ik zeg het er even bij: afkomstig van het Engelse 'fanatics' - behoren nu tot de normale wereld, maar nog niet zo lang geleden vonden zelfbewuste mensen zichzelf veel te goed om een fan te zijn, laat staan dat zij zich groepsgewijs als zodanig manifesteerden.

 

Vader Meghan Markle zal huwelijk met prins Harry mogelijk niet bijwonen

Kop uit De Volkskrant van 15 mei 2018, maar het bericht werd ook door andere Nederlandse media verspreid. Meghan Markle is een Amerikaanse actrice en prins Harry is prince Harry, zesde in lijn van de Britse troonopvolging. De NPO zendt op 18 mei hun hele huwelijk live uit, met als smaakmaker: 'Eindelijk is het zo ver'. 


In dezelfde periode maakte Elvis Presley furore. Het is dat onze opvoeders zich zo over hem opwonden, anders had ik toegegeven dat ik hem dommig vond, vooral als hij over zijn moeke kweelde. Met The Beatles kon ik mij beter identificeren, al kwamen zij weer op de proppen met de weinig snuggere drummer Ringo Star. Het verhaal wil dat Ringo zelfs de minste drummer van de band was maar dat deed er helemaal niet toe, hij 'paste in het plaatje' en was 'best wel grappig'. Terwijl ik, laten we zeggen, zingend en swingend opgroeide werd mij duidelijk dat kwaliteit niet langer als voornaamste criterium in het leven gold.

Achtenswaardige cultuurdragers uit mijn jeugd verdwenen uit zicht. Als HBS-er had ik zelf de antieke wereld al links laten liggen, hetzelfde deed ik nu met godsdienst en klassieke muziek, mijn versie van het generatieconflict. Ik hield daar wel het gevoel aan over dat mijn kennis permanent tekort schoot - wat dat betreft lijd ik aan het omgekeerde van, laten we zeggen: het Karel van het Reve-syndroom. Maar om vervolgens verslingerd te raken aan televisieshows, musicals en cabaret, nee, dat zou conformisme op een lager niveau zijn geweest. Een concert van The Byrds in het Concertgebouw leerde mij dat de tijden definitief veranderd waren, zij het in andere zin dan Bob Dylan beloofde. Wachtend in de zaal met de namen van grote componisten aan de muur voelde ik me al opgelaten, want ik wist best dat Mr. Tambourine Man geen KV 467 was. Bleek dat heren twee uur te laat verschenen en totaal stoned of dronken waren; ze rotzooiden maar wat aan en vonden zichzelf geweldig. Het publiek (fans!) stoorde zich niet in het minst aan hen en danste uitzinnig tussen de rijen. Zonder dat iemand op mij lette, schaamde ik me.

abe

Standbeeld van Abe Lenstra in Heerenveen, 1994. Het oudste voetballersstandbeeld in Nederland betreft Pierre Massy in Roermond, 1967. www.scheerenveen.nl

 

Achteraf was dit nog maar het begin van de idolate massacultuur, die volgens mij de religieuze dweepzucht van vorige generaties overstijgt. Qua waardigheid winnen gelovigen het al: men vergelijke iemand die een kruisteken slaat en amen zegt met een woordloze headbanger voor het podium van een dj. Godsdienst geeft op een of andere manier zin aan de reacties die zij oproept. De massacultuur biedt daarentegen een eenzijdige pseudo-wereld. Zonder dat er iets aan zijn leven verandert huilt de voetbalsupporter van het ene op het andere moment bittere tranen als zijn team een penaltyreeks verliest, terwijl hij door het dolle heen raakt als die gewonnen wordt. En dan al die royalty-zwijmelaars; ik wil best geloven dat ze nog bij zinnen zijn maar pathetisch en kitscherig zijn ze even goed.

Niettemin zag ik hoe vroegere geestverwanten de een na de ander naar het massakamp overstapten. Geld was zogenaamd nooit de drijfveer, al kwamen zij er binnen de kortste keren in om. Een bescheiden dichter ontwikkelde zich tot een voetbalfrik die tot vandaag intellectuelen te weinig aandacht voor sport verwijt, hahaha. Een schrijver die bij zijn debuut als de Nederlandse Scott Fitzgerald werd verwelkomd beperkte zich voortaan tot radiopraatjes over pophelden, die natuurlijk alles behalve helden zijn.

 

massazang

De emancipatie van de massa. Community-singing in voetbalstadions is een Engelse vondst, overgeheveld uit kerken. Dat kan ook los van het voetbal, moeten sommigen hebben gedacht. Duitsland kent het Rüdelsingen, samenkomsten van zingende vreemden. In Tilburg werd op Koningsdag 2018 voor de 15de keer een meezingevenement voor de  bevolking georganiseerd. www.tilburgzingt.nl

 

Wat mij ook zo verbaasde: het plezier waarmee mensen in een massa duiken. Zelf begeef ik me al niet graag onder publiek. Ik heb er ook geen houding voor, behalve als het lievelingszoontje van mijn moeder. Als het even kan mijd ik ook menigten op straat. Een massa ervaar ik als ronduit benauwend: iets om in ten onder te gaan. Alleen al de motoriek ervan is mij vreemd. Tijdens mijn studie zag ik een filmpje over de Oost-Afrikaanse springdans, en realiseerde me verbaasd dat westerlingen altijd zijwaarts dansen. Tegenwoordig is bij ons de verticale springdans in massa's normaal, logisch wel, want voor een andere beweging ontbreekt de ruimte - tenzij je met z'n allen gaat waven of headbangen, ook populair. Een massafestijn lijkt voor de moderne mens een dubbel festijn: de mogelijkheid tot aangedikte gezamenlijke extase én tot individuele expressie die vervolgens in de heisa teloorgaat. Ik zal niet ontkennen dat de samenzang op de tribunes en de geschminkte supporters vrolijk overkomen, maar ik prefereer de televisiebeelden.

Een bezoeker uit een ver en vreemd land waande ik me toen ik aan het begin van het nieuwe millenium bij het PSV-stadion in Eindhoven een manshoog bronzen beeld ontdekte van voetballer Willy van der Kuijlen, die net als ik uit Helmond komt. Navraag leerde mij dat Nederland inmiddels meer dan dertig van zulke monumenten telt, maar deze wereldse dulia was mij ontgaan. Aan Sint Willy bleken ook al drie (!) biografieën te zijn gewijd. Het eigenaardige is: hijzelf bezit nog een volkse bescheidenheid en taalt niet naar roem. Het zijn de supporters die naar roem talen, zíj willen vereren. 

 

Volksdeskundigen 2     

 

Op het Meertens Instituut was Voskuil inmiddels godzijdank van het tapijt verdwenen en zijn opvolgers hadden behendig gebruik gemaakt van de bekendheid die hij hun had bezorgd door hun instituut te afficheren als een centre of excellence. Een bezwaar is wel dat de medewerkers louter politiek correcte uitspraken plegen te doen - of nee, het is erger. Je mag verwachten dat een dergelijke werkkring aantrekkingskracht uitoefent op conservatieve brompotten; in werkelijkheid zitten er uitsluitend Feingeister die met elkaar wedijveren om wie het meest progressieve standpunt kan vertolken. Daarom blijft het een merkwaardig verschijnsel, zo'n instituut. Het doet mij om een of andere reden altijd denken aan die enorme, wandbrede volières die vroeger menig huiskamer in volkswijken overheerste, tot in de Amsterdamse Jordaan toe. Dat de gezinsleden daardoor minder leefruimte overhielden, hinderde klaarblijkelijk niet, als de kanariepietjes maar konden hippen en piepen.   

Inmiddels was het vakgebied ook in de breedte gegroeid. Ettelijke onbezoldigde amateurs hadden uitstekende monografieën gepubliceerd en een nieuwe ster aan het gesubsidieerde firmanent was het Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, beter gezegd de alom aanwezige woordvoerster ervan, Ineke Strouken. Zij verrichtte geen onderzoek maar gaf voorlichting. Vroeger was dat iets wat ik en anderen gratis deden, maar de Nederlandse regering vond dat kennelijk een ongewenste toestand en riep een aparte spreekbuis in het leven. Nou, ik kan garanderen dat Strouken als scharrelkip mijn meerdere was. Niemand hoefde van haar ook verbeten verhalen over folklorisme of over niet-bestaande Germaanse oorsprongen te verwachten. Integendeel, alsof zij net van een meeslepende Palmpasenoptocht kwam hield zij in de media voortdurend lofzangen op ieder denkbaar ritueel.

 

volkscultuur.jpg

Logo van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, te bereiken onder www.volkscultuur.nl, www.immaterieelerfgoed.nl en www.tradties.nl. Tel.: 030-2760244

 

Ferm uitgangspunt bij haar promotionele arbeid was de eind jaren zeventig uitgeroepen multiculturele samenleving. Volgens Strouken dienden in zo'n samenleving tradities niet naar de achtergrond te verdwijnen maar juist gekoesterd te worden, want zij bieden individuen houvast en een noodzakelijke identiteit. Desgevraagd verklaarde Strouken eens te hopen dat Nederland op den duur 'een joods-christelijke-islamitische cultuur' krijgt. Beide noties leven klaarblijkelijk in de boezem van onze bureaucratie en smeken daarom om commentaar: www.jefdejager.nl/multiculti.php 

 

           


terug naar boven