De apostelen zaten kort na Jezus' Hemelvaart bijeen op het joodse Wekenfeest, zeven weken na Pesach. Plotseling was er een gedruis alsof er een hevige wind opstak, er verschenen vurige tongen boven ieders hoofd en ongewild begonnen de apostelen in allerlei talen te preken over de wonderbare werken van de Heer.
Deze gebeurtenis staat bekend als de uitstorting van de Heilige Geest, die al sinds de vierde eeuw op de christelijke kalender wordt herdacht. De herdenking gold tevens de stichting van de eerste kerkgemeente, die met die veeltalige prediking een feit was geworden. Het feest kreeg een eigen octaaf en werd met Kerstmis en Pasen een van de drie hoogtepunten in het relgieuze jaar. De datum werd naar analogie van het joodse Wekenfeest bepaald op de vijftigste dag na Pasen - pentèkostos in het Grieks, vandaar: Pinksteren.
In Europa was Pinksteren vooral in de Middeleeuwen een groot feest, omdat de zending hier toen nog volop aan de gang was. In de kerken werden duiven losgelaten, blaadjes van pioenrozen over de gelovigen uitgestrooid en op klaroenen geblazen. Later is het belang van het feest tijdens diverse concilies teruggebracht. Was in de Heilige Geestweek, die aan Pinksteren voorafging, eerst alle arbeid verboden, vanaf 813 werd dat beperkt tot het begin van die week, terwijl in 1414 alleen de eerste, tweede en derde pinksterdag als rustdagen werden aangemerkt. Hoewel Pinksterdrie nog wel bekend is, o.a. in Zeeland en de Zaanstreek, is tegenwoordig alleen eerste pinksterdag 'verplicht'.

Het mindere gewicht dat de Kerk aan het feest hechtte, had uiteraard gevolgen voor de wereldlijke viering: ook die nam in intensiteit af. Vondel dichtte nog: 'Komt, komt, o driemaal Heilige Geest, Ai zegent ons Pinksterfeest', maar zulke verzuchtingen zijn later zelden te horen geweest. Pinksteren werd een wat onbestemde dag, waaraan de meest uiteenlopende evenementen werden gekoppeld. Schuttersfeesten, bedevaarten, processies, kermissen en het ringrijden vinden van oudsher vaak dan plaats. Zo heeft Purmerend op Pinksterdrie een 'bokkiesmarkt', oorspronkelijk een veemarkt, die volgens de overlevering dateert van 1574, toen de Spanjaarden bij de Zaanse Schans werden verslagen. Nieuwe loten aan de pinksterstam zijn de evangelische landdagen en, sinds 1970, het Pinkpopfestival in het Limburgse Landgraaf. Intussen kent Pinksteren nog steeds enkele restanten van gebruiken die behoorden tot een groot voorjaarsfeest, dat met Pasen en 1 mei zijn climax had.
Wat elders de meikoningin was, was in het oosten de pinksterbruid en in het westen de pinksterbloem. Oorspronkelijk waren dit de mooiste meisjes van het dorp of de buurt, als zodanig uitgekozen door huwbare jongelingen; een historische vorm van een missverkiezing. De meisjes werden gekroond en met bloemen en sieraden getooid. Andere meisjes sjouwden haar rond op een burrie of hielden versierde bogen over haar heen tijdens een optocht. In veel plaatsen werd ook een bruiloftskroon over de straat gehangen, die als een tolboom naar beneden viel als iemand eronder door wilde lopen: eerst betalen. Het geheel ging gepaard met uitbundige zang en dans.

Sommige folkloristen hebben in die bruiden een bezinksel willen zien van Germaanse vruchtbaarheidsrituelen, waarbij de pracht van de bruidskleding de grootte van de oogst moest voorspellen. Maar de vroegste vermeldingen over pinksterbruiden stammen pas uit de zeventiende eeuw en dat was steeds in het kader van vrijage en huwelijk. De benaming pinksterbruid is helder genoeg. Bovendien ging de bruid herhaaldelijk vergezeld van een pinksterbruidegom; terwijl juist meisjes die niet in de smaak vielen, bijvoorbeeld omdat ze nogal eens van vrijer wisselden of zich hooghartig gedroegen, hier en daar een strooien 'pinksterman' kregen aangeboden. Het was ook niet alleen het feest van de pinksterbruid, alle huwbare jongens en meisjes deden er aan mee.

Dit helpt ook verklaren waarom pinksterbruiden, net als meikoninginnen, in de negentiende eeuw in de meeste plaatsen verdwenen. Ze hadden hun functie verloren. Immers, om elkaar te leren kennen verkozen jongens en meisjes meer en meer de beslotenheid, zij wilden niet langer dat de goegemeente zich met hen bemoeide. Alleen als lokale folklore en in georganiseerd verband vertonen zich nog enkele pinksterbruidjes. Tekenend is dat het daarbij om niet-huwbare meisjes gaat, kinderen feitelijk, en dat soms de bruidjes zijn gedemocratiseerd, in de zin dat alle meisjes die meedoen bruidjes worden genoemd. In Borne, waar sinds een aantal jaren vanuit meerdere wijken weer groepjes van tien tot vijftien meisjes van vijf jaar en ouder op Pinksterdag dansend naar het centrum trekken, heten de bruidjes die onder de bogen lopen Rosa.
Een originele vorm van lokale folklore is de Deventer pinksterkroon. In Deventer bestond net als elders de gewoonte om kronen boven de straat te hangen, om er tol mee te kunnen heffen. Vanwege de 'insolentien' die daarbij bedreven werden, verbood de stedelijke overheid in 1679 de kronen. Volgens de historicus Marc Wingens hebben de stadsbewoners toen de pinksterkroon vervangen door meibomen. Maar toen in 1704 ook die bomen werden verboden, omdat het bomenbestand erdoor werd aangetast, richtten de bewoners als alternatief staken van zes tot tien meter op, die werden omhangen met hoepels en papieren slingers. In die vorm overleefden de pinksterkronen, zoals zij genoemd bleven worden, met glans twee eeuwen, mede ook omdat er al vroeg buurtcommissies bij waren betrokken en er een prijsuitreiking aan was verbonden. In 1956 werden er nog twintig kronen opgericht, maar daarna zette het verval in en begin jaren zeventig leek het met deze traditie gedaan. Maar er kwam een omslag. In buurten die te lijden hadden gehad onder sanering en leegloop, bleek de Deventer pinksterkroon voor nieuwe cohesie te kunnen zorgen. Momenteel staat zij weer in vier wijken. Als gelegenheid voor jongens en meisjes om met elkaar kennis te maken fungeert de kroon niet meer, maar wel wordt er op eerste en tweede Pinksterdag nog in een of twee kringen omheen gezwierd, het zogenaamde rozen.

Een bijzonder pinkstergebruik is ten slotte de Kallemooi op Schiermonnikoog. De oudste vermelding van een soortgelijk gebruik dateert van 1702 uit het Groningse Zoutkamp, waaruit we mogen concluderen dat de verbreiding ervan in het verleden groter is geweest. Op het waddeneiland wordt om half twaalf pinksternacht door een elfkoppige commissie, herkenbaar aan een halfhoge hoed met een witgroen lint eromheen, een 'kale-mei' boom opgericht. In de top hangt de Nederlandse vlag, met in de witte baan het woord Kallemooi. Daaronder is een rieten mand bevestigd, waarin - eigenaardig - een haan zit opgesloten. Die haan is uit een kippenhok van een eilandbewoner gestolen, ongevraagd geleend is juister, en moet drie dagen lang in de mand blijven; voor leeftocht is gezorgd. Op Pinksterdrie wordt de boom onttakeld en kan de verbaasde haan terug naar zijn hok. De erotische implicaties van dit gebruik zijn onmiskenbaar. Vroeger was het zelfs mos dat de mannen zich onthielden zolang de kraaiende haan in top was. En de volkskundige Catharina van de Graft wist in 1947 nog te melden dat de mannen, nadat de haan was verlost, hun zwarte bovenkleren uittrokken en in hun witte ondergoed de meisjes van het eiland ten dans vroegen...