Vroeger joeg men kinderen schrik aan. Men maakte hen bang voor sloten en vaarten met de bullebak, die ze aan de vissen voerde. Men maakte hen bang voor het koren en het bos met wezens als de roggemoeder, de weerwolf, de tenensnijder en de bloedzuiper. Men zorgde dat ze voor donker thuis waren met figuren als tientoon en elfribben en men hield hen stil in bed met de boeman; Klaas Vaak, de Nederlandse uitgave van de Zandman, zou zo wel komen.
Volkskundigen noemen dit verschijnsel 'kinderschrik'. Maar kinderschrik was veel meer; het was de hele opvoedmethode. Onder katholieken hield men de jeugd tot in de twintigste eeuw braaf met engelbewaarders, die kinderen weliswaar beschermden maar bij wangedrag niet draalden om hun zieltjes zwart te kleuren. Onder protestanten liet men haar sidderen voor de Here Here met gebeden als: 'Genaderijke weldoener, gelieft het U om ons, vloek- en helwaardige Adamskinderen...'
Dan waren er de akelige verhalen die kinderen te horen kregen over ongelukken waarin stoute leeftijdgenoten werden gestort, met de bijbehorende gruwelijke doodsstrijd. Er waren de lijfstraffen met speciaal voor dat doel vervaardigde werktuigen, zoals de bullepees en de plak; in de negentiende eeuw nog alom gangbaar. Er waren de tirannieke vaders, voor wie zij bij gelegenheid op hun blote knieën om vergiffenis moesten vragen. En zelfs degene die zich presenteerde als de kindervriend bij uitstek, was een engerd, die hedendaagse ouders geen minuut bij hun kinderen zouden laten.
Klaas zonder theorie
Toen ik me eind jaren zeventig voor het eerst met Sinterklaas ging bezighouden had wonderlijk genoeg nog nooit iemand het feest vanuit historisch-pedagogisch perspectief benaderd. Het dichtst in de buurt kwam de psycholoog A.D. de Groot met zijn Saint Nicholas, a psychoanalytic analyses of his history and myth. Maar zijn 'history' betrof vooral de oorsprong van de Sint, niet de pedagogische ontwikkeling die hij sindsdien heeft doorgemaakt.
Wat mij evenzeer verbaasde was dat het sinterklaasfeest in Nederland nooit een degelijke monografie had gekregen. Daar was genoeg aanleiding toe. Nergens was het feest zozeer een onderdeel van het nationale leven geworden, met intochten in iedere gemeente en een weken durende opwinding in de media, in winkelstraten, zelfs in bejaardentehuizen. Ook bezat het eigenaardigheden die om een verklaring smeekten. Hoe kon het dat een katholieke bisschop een calvinistisch land aan zijn voeten had gekregen en waar kwam die unieke knecht Zwarte Piet vandaan? Weliswaar bestond er sinds 1930 een onderzoeksinstituut dat zich met zulke vragen had kunnen belasten, het Meertens Instituut, maar dat was nooit verder gekomen dan het bestuderen van wat duitstalige auteurs over eigen lokale sinterklaasvieringen hadden gemeld. Hierdoor konden er met betrekking tot Zwarte Piet misverstanden rijzen die de discussie over hem jarenlang zouden troebleren en vertragen...
Katholieke Klaaskunde
De nog steeds belangrijkste auteur over ons sinterklaasfeest is de katholieke Duitse volkskundige Karl Meisen, met zijn Nikolauskult und Nikolausbrauch im Abendlande uit 1931. Via hem weten we dat de heilige Nicolaas in werkelijkheid de vereenzelviging is van twee personen: een bisschop van Myra uit de vierde eeuw na Christus, over wie nauwelijks iets bekend is, en een naamgenoot en collega uit het nabijgelegen Pinara, die in 564 overleed.

De eerste legendes over de bisschop van Myra, om wie de verering zich uiteindelijk zou concentreren, duiken in de Griekse overlevering in de zesde eeuw op. Wonderlijke vroomheid was zijn handelsmerk, waaruit ettelijke patronages voortrolden. Zo zou hij als zuigeling twee uur staand in bad hebben gebeden alvorens zich door de vroedvrouw te laten wassen, en op vastendagen accepteerde hij de moederborst slechts eenmaal. Als volwassene redde hij tot twee keer toe drie onschuldig veroordeelde generaals: zowel door persoonlijke tussenkomst als door in een droom aan Constantijn de Grote te verschijnen - vandaar dat hij patroon van gevangenen werd en, in één moeite door, van dieven, rechters en advocaten. Hij bracht voor zeelieden een orkaan tot bedaren: patroon van schippers, vissers en reizigers. Hij zond na zijn dood enkele graanboten naar de door hongersnood geplaagde inwoners van Myra en vervoerde hen naar veiliger oorden: patroon van bakkers, kooplieden en marskramers. Hij verschafte een bruidsschat, in de vorm van gouden appels, aan drie meisjes wier armlastige vader op het punt stond hen te prostitueren: patroon van bankiers, hoeren en maagden. En hij wekte drie scholieren die door een herbergier in een pekelvat waren gestopt om als varkensvlees te worden verkocht, weer tot leven: patroon van slagers, kuipers, kinderen en scholieren.
De verering van Sint Nicolaas bleef aanvankelijk beperkt tot de Byzantijnse kerk, waarvan hij na Maria nog steeds de belangrijkste heilige is. In de zevende en achtste eeuw verbreidde zijn cultus zich over Italië en drong via de Noormannen naar het noorden door. In aristocratische kringen werd hij hier geïntroduceerd door het huwelijk van Otto II met de Byzantijnse prinses Theophano in 972. Een volksheilige werd hij pas nadat Italiaanse kooplieden zijn stoffelijke resten vanuit het christelijke Myra, dat door moslims werd belegerd, in 1087 overbrachten naar Bari in Zuid-Italië. Kruisvaarders, die zich in die stad inscheepten voor de oversteek naar het Heilige Land, namen zijn roem mee naar huis. Via hen raakten ook relikwieën van hem over heel Europa verspreid (de Mariakerk in Maastricht bezit een van zijn tanden). De toenemende handel en scheepvaart versterkten zijn positie andermaal. Talrijke havensteden bouwden een Nicolaaskerk; in Nederland langs de hele Zuiderzee en langs de grote rivieren. Ook Groningen, Leiden en Delft hebben een aan hem gewijde kerk; Amsterdam heeft er zelfs drie en heeft hem bovendien tot stadspatroon verheven.
Volgens Meisen deed Nicolaas als kinderheilige later zijn intrede en ook vanuit een andere hoek. De herkomst van het kinderfeest ligt in middeleeuwse Franse kloosterscholen, waar op Onnozele Kinderen (28 december) een kinderbisschop werd gekozen, die een parodie op een mis opvoerde en zijn medeleerlingen over hun gedrag uithoorde: wie zoet was kreeg lekkers, wie stout was de roe. Op een of andere manier moet dit narrenfeest, dat zich over het hele noorden, midden en westen van Europa verbreidde, naar 6 december zijn verplaatst, de sterfdag van Sint Nicolaas. Op die datum kreeg het feest geleidelijk zijn huidige aanzien, aldus Meisen. De geschenken die men ging uitdelen, herinneren daarbij aan de bruidsschat voor de drie maagden; de schoen waarin ze worden gestopt aan de graanboten waarmee Nicolaas de bevolking van Myra redde; de schoorsteen aan het raam waardoor die bruidsschat naar binnen was gegooid.
En Zwarte Piet moeten we volgens Meisen beschouwen als een overwonnen duivel, een van de velen die het tegen Sint Nicolaas hebben afgelegd. Oorspronkelijk was Zwarte Piet geketend en bevatte, zo dacht men, de door hem gedragen zak alle verschrikkingen van de hel. Toen het geloof afnam dat duivels concrete verschijningen waren, werd Piet een knechtje, maar zijn zwartgeblakerde gezicht, zijn kettingen en zijn zak wijzen op zijn duivelse verleden.
Een heidense bisschop?
Met deze kerkelijke interpretatie van sinterklaasgebruiken uit 1931 reageerde Meisen op de zienswijze van de germanistische school, die op dat moment dominant was (en wel zodanig dat de nazi's alle exemplaren van Meisens boek die zij te pakken konden krijgen, vernietigden). Aanhangers van die school zagen in Sinterklaas een gekerstend Wodanfeest, waarin ook Freir, de god van geschenken en vruchtbaarheid, een rol speelde. Wodan placht door de lucht te klieven op de achtvoetige schimmel Sleipnir. Hij droeg een breedgerande hoed en een wijde mantel; in zijn hand had hij de wonderlans Gungnir. Dikwijls ging Wodan vergezeld van Nörwi, een zwarte rijmende reus, die met een roe vruchtbaarheid bracht. De mensen stopten ten behoeve van Wodans paard wat voer in een schoen bij de schoorsteen, die als verbinding met de geestenwereld fungeerde. Hiermee is Sinterklaas volgens germanistische mythologen vrijwel rond. Maar een speciaal punt van aandacht is zijn lange witte baard geweest. In de Byzantijnse kerk wordt Nicolaas namelijk consequent afgebeeld met een geschoren baardje; de lange baard van Sinterklaas moet dus wel van Wodan afkomstig zijn.
Het probleem met de germanistische visie is dat zijzelf niet uit de oertijd stamt, maar is geconstrueerd in de negentiende eeuw op basis van sprookjes die Jacob Grimm heeft verzameld. Dit is 'invented tradition' in de ware zin van het woord. Bovendien gaat die visie voorbij aan mogelijke christelijke invloeden op het feest, terwijl die juist in de loop van de geschiedenis steeds meer op de voorgrond zijn getreden. Onder wetenschappers is het Wodan-verhaal daarom niet erg populair meer; wel onder publicisten. In recente publicaties is hij nog in verband gebracht met de Janusfiguur (katholieke heilige enerzijds, Wodan anderzijds) en met de Wijze Sjamaan, die in tijd gemeten zelfs Wodan voorafgaat. Niettemin is het duidelijk dat het Sinterklaasfeest ook buitenkerkelijke elementen in zich draagt. Zo is daar de magische leeftijd van de sint. De katholieke Kerk vereert alleen gestorven heiligen, maar deze sint leeft nog hoewel hij al honderden jaren oud is. Ook de diverse klazen die er zijn, geven aan dat de Kerk de regie nooit volledig voerde.
Klazenparade
Sint Nicolaas is niet de enige Sinterklaas en zijn feest wordt niet altijd op 5 december gevierd. In het Friese Grouw komt Sinterklaas helemaal niet langs, maar Sint Pieter, de apostel van de lente, aan wie tot aan de Reformatie de dorpskerk was gewijd. Vroeger werd Sint Pieter in grote delen van het land vereerd, onder meer met Pietersvuren, maar om een of andere reden heeft alleen Grouw hem in het hart gesloten. Op de avond voor zijn naamdag, 22 februari, doet Sint Pieter precies hetzelfde wat Sinterklaas in de rest van Nederland doet. Wel ziet hij er anders uit. Hij draagt een witte mantel in plaats van een rode, berijdt een zwart paard in plaats van een schimmel en zijn enige zwarte knecht heet Hantjse Pik. Net als Sinterklaas wordt 'Sint Piter', zoals de Friezen zeggen, ingevaren met een boot en ontvangen door de burgemeester, maar hij verdwijnt niet in de nacht, hij wordt feestelijk uitgezwaaid. De onderzoeker S.J. van der Molen meldt dat de huidige viering dateert van 1908, toen een kleuterjuf de sint qua uiterlijk transformeerde tot een bisschop. Sindsdien heeft het feest de instroom van talloze nieuwe bewoners overleefd, niet in de laatste plaats doordat dorpsonderwijzers de organisatie ervan in handen houden en jaarlijks een sprookje over de heilige opvoeren. Zelfs de winkeliers voegen zich naar zijn regime, ook al hebben ze geprobeerd als extraatje de sinterklaasviering ingang te doen vinden.

Interessant is het uiterlijk dat Sint Pieter voor 1908 had: een ketting aan zijn been, een oude jas om waarop lekkernijen waren genaaid en een doek voor zijn gezicht die alleen zijn ogen onbedekt liet. Dit signalement gaat op voor talloze klazen. Dominee Hanewinkel schrijft in zijn Reizen door de Marjorij van 's Hertogenbosch uit 1799 dat sinterklaas daar in alle dorpen zijn intrede deed: 'Op enige derzelven rijdt één, somtijds twee mensen op een paard dan rond; zij zijn zeer misselijk, somtijds zelfs afschuwelijk uitgedost, zij werpen allerlei klein gebak onder de kinderen, die hen in menigte, met hoop en vrees bezield, navolgen en denken dat dit de ware St. Nicolaas is'. De Friese volkskundige Waling Dijkstra meldt dat in Franeker aan het begin van de negentiende eeuw gemaskerde schippersknechten op sinterklaasavond onder 'hoorngetoet en ketelmuziek' rondtrokken, in een gewaad dat 'lelijk en wanstaltig, ook wel onkies' was; 'de duivel met een zwarte keten aan het been mocht er nooit bij ontbreken'. En bij Ter Gouw staat te lezen dat in Amsterdam 'zwarte klazen' kettingen over de straatstenen lieten kletteren, op deuren en vensters bonsden en met een bullebakstem riepen of er nog stoute kinderen waren. Die konden dan mee om tot pepernoten te worden vermalen.
Dergelijke klazen zijn nog steeds te vinden op de Waddeneilanden, zo ook in Oostenrijk en Zwitserland. Texel vormt een soort overgangsgebied. Op 5 december wordt daar het Nieuwe Sunderklaas gevierd, dat precies verloopt als op het vasteland, maar op 12 december 'speult' men in de meeste dorpen Oude Sunderklaas. Eerst de jongeren, daarna de ouderen lopen vermomd over straat en gaan naar binnen waar de deur op een kier is gezet. Ze spreken met verdraaide stem om niet te worden herkend. Een jury beoordeelt sinds enkele decennia de vermommingen, die vaak op lokale of nationale situaties slaan.
De overige eilanden kennen alleen officieus ons sinterklaasfeest. Op 5 december trekken op Vlieland en Schiermonnikoog verklede figuren, zowel mannen als vrouwen, 's avonds langs de huizen. De bedoeling is ook hier anoniem te blijven. De Vlielandse Opgekleden zwijgen daartoe, al proberen hun gastheren hen tot spreken te verleiden. De Schiermonnikoger Klozums (Klaas-omes) praten slechts met vervormde stem. Er wordt natuurlijk allerlei gekheid gemaakt en later op de avond volgt de feestelijke ontmaskering. Op Terschelling gaat het ongeveer net zo, zij het dat het feest daar op 6 december plaatsvindt en zich beperkt tot het oosten van het eiland. Bovendien mogen de vrouwen zich er niet als Sunderums (sintheeromes) voordoen.

Ameland tenslotte heeft zijn Klaasomes; vooral die van Hollum zijn beroemd. Hollum houdt op 4 december een Kleine Klaas voor jongens tot achttien jaar, die daarmee worden ingewijd in de geheimen van Grote Klaas, de dag erna voor volwassen mannen. Op Grote Klaas verzamelen zich tegen de avond mannen in cafés met witte lakens om de schouders geknoopt, versierde stokken in de hand en lange toeters aan de mond. Klokslag vijf uur trekken ze 'knorrend' op hun toeters door de straten, daarmee het sein gevend dat vrouwen en kinderen naar binnen moeten gaan. Dit heet banenvegen. De straten, die de hele nacht onverlicht blijven, zijn vanaf dat moment het domein van de mannen. Wie dit niet respecteert, wordt in elkaar geknuppeld, zo staat er in de verslagen doodleuk te lezen. De uitdaging voor meisjes en jongens is vliegensvlug achter de banenvegers van het ene huis naar het andere over te steken. Dan, tussen zeven en acht, krijgen de vrouwen een vrijgeleide naar verschillende open huizen. In pakken waaraan maanden in het diepste geheim is gewerkt en die vaak plaatselijke toestanden op de hak nemen, verschijnen al toeterend de gemaskerde klaasomes op het toneel. Het zijn er enkele honderden, die in groepjes van twee of meer opereren. Zodra de groepjes elkaar ontmoeten beginnen ze te 'foesten': ze geven elkaar de hand en proberen met rukken en trekken de ander uit balans te brengen. Blijkt die ander, wat wel eens gebeurt, onder de leeftijd te zijn dan krijgt hij een flinke aframmeling. De klaasomes schijnen ook niet tegen verlichte gordijnspleten te kunnen; ze slaan dan met hun stokken op de ruiten en daarbij gaat er vaak eentje stuk. Eenmaal in de open huizen, waar drank en eten gereed staan, eisen ze van de vrouwen dat ze voor hen dansen. Ze geven dat aan door met hun stok voor de voeten van de vrouwen op de grond te tikken. Een klap op de benen volgt als het niet tot tevredenheid gebeurt. Sommige klaasomes gaan bij de vrouwen op schoot zitten en fluisteren met een babystemmetje onzinnigheden in hun oor ('Ke je me niet meer? We hewwe toch zo heerlijk ritselt?'). De afgang is enorm voor wie daarbij door de mand valt. Rond middernacht volgt het algemeen demasqué.
Sint zonder sint
De klaasomgangen vormen ongetwijfeld een residu van een sinterklaasfeest dat ooit algemeen is geweest. De vroegste Nederlandse vermelding van dat feest heeft echter slechts betrekking op schoolkinderen. De historicus G.D.J. Schotel citeert een stadsrekening uit Dordrecht van 1360, waaruit blijkt dat schoolkinderen op 'Nyclaesdagh' vrij van school kregen en geld ontvingen om plezier te maken. Een van hen werd net als in Frankrijk tot bisschop gekozen; onder de Vespers kreeg hij een mijter op zijn hoofd en een kromstaf in zijn hand gedrukt en vervolgens gingen de kinderen bedelend langs de straten. Ook het zetten van schoenen was al vroeg bekend. In 1427 werden in de Sint-Nicolaaskerk in Utrecht op sinterklaasavond enkele schoenen met wat geld gevuld, dat 'om Godswille' aan de armen werd geschonken. Volgens de sociologe Mirjam van Leer mochten in de vijftiende eeuw kinderen ook thuis en bij 'petemoei' een schoen of klomp zetten, om daar de volgende ochtend noten, appels en zoetigheid in te vinden.

Daarnaast was sinterklaas een feest voor adolescenten en volwassenen. In veel steden bestond een Nicolaasgilde, dat op die dag een processie hield en een feestmaal aanrichtte. Zeelieden hielden een braspartij. Op de sinterklaasmarkten konden jongelui mannelijke en vrouwelijke speculaaspoppen kopen, vrijers en vrijsters geheten. Door die poppen aan elkaar te schenken, suikerharten waren ook goed, konden zij peilen hoe de voorkeuren lagen. Bakkers gaven diezelfde jongelui open huis om klaaskoeken met bladgoud en zilver te beplakken, het zogenaamde koekvergulden, een gebruik dat tot in de negentiende eeuw heeft bestaan. Sinterklaas was namelijk een hylickmaker, een huwelijksmaker. De theoloog Louis Janssen weet te melden dat onwettige zonen hierom dikwijls Klaas werden genoemd.
De Reformatie bracht heil en verdoemenis. Met de openbare, kerkelijke verering van Sint Nicolaas was het direct afgelopen, zo ook met de kinderbisschop. Zelfs het lekenfeest werd onder vuur genomen. Dominee Walich Sieuwerts schreef: ' 't Is een zotte ende ongefundeerde manier van de kinderen hun schoenen met allerlei snoeperij ende slickerdemick te vullen. Wat is dit anders gedaan, als op de hoogten geofferd ende gerookt? Die zulks doen en verstaan noch niet wat van de ware religie is!'
Ook een gematigd hervormer als Luther was tegen het sinterklaasfeest. Blijkens zijn bewaard gebleven boekhouding, onderzocht door Meisen, vierde hij het feest nog wel met zijn kinderen, maar oordeelde hij later dat het geven van geschenken met het kerstkind moest worden geassocieerd. Immers, in een religie waarin alleen God goed doet, kunnen geschenken slechts van hem komen. Dit heeft er toe geleid dat in landen als Duitsland, Frankrijk en Engeland het sinterklaasfeest naar Kerstmis verhuisde. De Duitse Weihnachtsmann, de Franse Père Noël, de Engelse Father Christmas en de Amerikaanse Santa Claus zijn dus ontheemde klazen. Dit geldt bijna letterlijk voor de laatste, want zijn naam is een rechtstreekse vertaling van 'sinterklaas', die indertijd door Hollanders is ingevoerd in Nieuw Amsterdam, het huidige New York.
In Nederland weerstond het publiek het verzet van de dominees, hoewel de laatsten veel stadsbestuurders aan hun kant kregen. Om de 'paapsche idolaterie' tegen te gaan verboden Dordrecht (1657) en Amsterdam (1663) zelfs het hele sinterklaasfeest, inclusief de markt. Leerzaam is wat er daarop in Amsterdam gebeurde: boze kinderen en hun ouders roerden zich dusdanig dat het stadsbestuur snel bakzeil haalde. En nog in 1732 sneuvelden in Amsterdam bij drie predikanten de ruiten, omdat zij zich te fanatiek tegen sinterklaas hadden gekeerd. Misschien gingen de eisen van Nederlandse dominees te ver en spraken zij ook hun banvloek uit over het geven van geschenken tijdens Kerstmis, wat als schending van de Heer kon worden uitgelegd. Maar waarschijnlijker is dat sinterklaas hier al te zeer met het vroeg-moderne gezinsleven was verstrengeld om nog succesvol door het protestantisme te kunnen worden bestreden.
Het katholicisme lukte dit evenmin, al wilde de Kerk dat wel. Vanaf de achttiende eeuw hekelde zij de optochten van gemaskerde klazen, vooral vanwege de onoirbare dingen die daarbij gebeurden. Onder invloed van de Contrareformatie en de Verlichting, die ten aanzien van geloofszaken een grotere stiptheid en soberheid brachten, werd ook het kerkelijk vertoon ter ere van Sint Nicolaas minder uitbundig. Uiteindelijk, omstreeks 1960, zou de Kerk de verering van alle heiligen als niet wezenlijk voor de godsdienst beoordelen. In katholieke landen had deze ontwikkeling al vroeg grote gevolgen voor de heilige; zijn verering werd een plaatselijke aangelegenheid en versnipperde. Het protestantse Nederland bleef vanzelfsprekend gevrijwaard van deze ontwikkeling. En zo kon Nederland het enige land worden met een echte nationale Sinterklaas.
Feest der verwachting
Intussen had Sinterklaas nog steeds geen Sint zoals wij hem kennen. Men vierde zijn verjaardag zonder hem. Voor de publieke viering was dat geen punt, want festiviteiten als markten en bals werden gaandeweg minder populair. De sinterklaasmarkt in Amsterdam, tegen de afschaffing waarvan tweehonderd jaar eerder kinderen nog in opstand kwamen, werd rond 1830 wegens gebrek aan belangstelling zelfs geschrapt. Alleen als grootschalig geef- en vormingsfestijn voor sociaal zwakkeren bleef een anonieme Sint nut hebben. Vanaf 1871 werden in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt leerlingen van armenscholen namens de Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak vergast op chocolademelk en krentenbollen en wat kleren en speelgoed. In andere steden bloeiden soortgelijke initiatieven. Er valt overigens van hieruit een directe lijn te trekken naar de Witte Bedjesactie van Het Parool sinds 1946 en de Vara Speelgoedactie sinds 1951.

De nadruk van het sinterklaasfeest lag inmiddels op het thuisfront. W.J. Dekker meldt dat halverwege de achttiende eeuw de gewoonte was ontstaan oudere kinderen, die tot dan steevast zout in hun schoen aantroffen, eveneens met cadeaus te bedenken. Mirjam van Leer voegt hieraan toe dat in de eerste helft van de negentiende eeuw mannen aardigheidjes voor hun vrouwen gingen kopen en dat in de tweede helft van die eeuw die vrouwen dat omgekeerd voor hun mannen deden. Fopcadeaus en gedichten waarin elkaar op snaakse maar acceptabele wijze de waarheid werd verteld, voegden zich bij deze traditie. Sinterklaas werd aldus 'een feest van verwachting', zoals tot uitdrukking kwam in het lied Zie de maan schijnt door de bomen uit 1843 van Jan Pieter Heije ('Vol verwachting klopt ons hart, wie de roe krijgt wie de gard'). Ook andere liedjes die in die tijd werden vastgelegd vertolkten dit gevoel: Hoort wie klopt daar kinderen en Hoort de wind waait door de bomen.

De Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman lanceerde in 1850 het verrassend moderne Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan. Niet alleen de stoomboot, die toen net nieuw was, is hierbij opmerkelijk, ook 'Spanje' dat als thuisland van de sint wordt genoemd. De relatie met dat land schijnt overigens al eerder ter sprake te zijn gebracht in het lied Sinterklaas, goedheiligman/ trek uw beste tabberd an/ reis daarmee naar Amsterdam/ van Amsterdam naar Spanje, etc, dat voor het eerst in 1810 in druk verscheen. Er is over die relatie oneindig veel gespeculeerd, maar volgens mij zit het zo in elkaar: Zuid-Italië, waarin Bari met haar Sint Nicolaas-basiliek ligt, viel in de zeventiende eeuw rechtstreeks onder de Spaanse kroon en werd nog in de negentiende eeuw door Spaanse Bourbons bestuurd, zodat dit gebied in het spraakgebruik best voor Spanje kon doorgaan.
De moeilijkheid was dat men nog steeds niet over een scenario voor een blij huiselijk feest beschikte. In de meeste gezinnen bleef Sinterklaas 's nachts rijden, waarbij de avond ervoor de spanning werd opgevoerd door iemand op deuren te laten bonzen en pepernoten naar binnen te laten smijten. Vooral die pepernoten vertolkten een dubbele boodschap. Als lekkernij waren ze al in de tijd van Jan Steen bekend, hoewel ze toen uit brokken taai-taai bestonden. Wat nu doorgaat voor pepernoot is eigenlijk een kruidnoot, op basis van speculaas, een achttiende eeuws product. De fraaie vorm is het gevolg van machinale verwerking - de grootste pepernotenfabriek ter wereld staat in Harderwijk, Van Delft. De speculaasnoot werd door kinderen meer gewaardeerd dan de harde taai-taainoot, maar de consumptie leverde ook een gewetensprobleem op. Immers, hun werd verteld dat de noten bestonden uit vermalen kinderen die stout waren geweest...
De Sint zelf kregen de kinderen nog steeds niet te zien. Omdat hij als pedagogisch middel buitengewoon effectief kon zijn, ontstond het verlangen hem ook in levenden lijve op te voeren, het liefst tijdens huisbezoek. Het lijkt erop dat de eerste experimenten daarmee niet gelukkig zijn geweest. Men kende tot dusver slechts de Klazen, en in 1831 beschrijft W.A. van Hengel hoe zo'n Klaas er uitzag: 'een gemeenen kluchtspeler', in beestenhuiden gehuld en met 'oogen van Vuur'. Ook in Sint-Nicolaasavond van De Genestet uit 1849 heeft Sinterklaas nog een weinig mondain voorkomen. Hij draagt zijn kleren binnenstebuiten, en: 'Al grommlend in den baard, die afstroomt van zijn kin, Een masker voor 't gelaat - afschuwelijk van kleuren'. Een dergelijke Sint wilde de nette burgerij niet over de vloer hebben.
De eerste fysieke Sinterklaas meldt zich als katholieke bisschop rond 1800 op volksprenten. | |
Introductie van de zwarte knecht van Sinterklaas, in Sint Nicolaas en zijn knecht | |
De verlieving van de sint
Maar waar moest men een nieuwe Sint vandaan halen? Het is logisch dat protestanten daartoe niet het initiatief konden nemen, omdat zij een katholieke heiligman verketterden. Katholieken konden dat wel. Onlangs kwam een medewerker van het Meertens Instituut, John Helsloot, op het idee voor deze ontstaansgeschiedenis eens enkele digitale databanken te raadplegen, zoals www.kranten.kb en www.groene.nl. Daardoor weten we nu dat een sinterklaasviering zoals wij haar kennen al in 1828 in Amsterdam werd gehouden, uiteraard in een rooms milieu. Een Italiaanse koopman, Domenico Arata, organiseerde toen in zijn huis op de Herengracht een 'strooiavond' voor kinderen, onder wie de toekomstige schrijver Jozef Alberdingk Thijm, die bijna zestig jaar later zijn herinneringen eraan zou publiceren. Nadat de kinderen hadden gezongen kwam een 'kinderlievende bisschop' binnen, compleet met koorkap, witte baard en mijter. Terwijl de kinderen dansten wierp de Sint uit een zak ulevellen, chocolaadjes, suikererwten, kapittelstokjes en amandelen (nog geen pepernoten!) in de kring en vervolgens overhandigde hij, na 'eenige kwalijk geformuleerde zedelessen', ieder kind een geschenk uit een korf, die werd gedragen door... Pieter me knecht, een 'kroesharige neger'.
We zien hier dus het huidige feest in zijn elementaire vorm. Het Amsterdamse katholieke dagblad De Tijd meldt aansluitend in 1859 dat 'hier en daar', dus allicht ook onder zijn lezers, de gewoonte bestaat dat een goedhartige peetoom of een oude huisknecht zich tijdens sinterklaas met een mijter en staf tooit, vergezeld door 'een personnaadje, een Neger, die onder den naam Pieter, mijn knecht niet minder populair is dan de Heilige Bisschop-zelf'.
Waarschijnlijk heeft de eerder genoemde Jan Schenkman, een onderwijzer van protestantse huize, het aangedurfd dit katholieke feest te gebruiken voor zijn geïllustreerde Sint Nicolaas en zijn knecht uit 1850, dat talloze malen is herdrukt. Van durf lijkt hier wel degelijk sprake, want dit speelde in een tijd dat protestanten te hoop liepen tegen katholieken, vanwege het dreigende herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. De protestantse voorman Groen van Prinsterer presteerde het daarbij zelfs om katholieken tot 'bijwoners' te betitelen, een bijbelse term voor mensen die in een stad getolereerd worden maar verder niet ter zake doen. En desondanks kwam Schenkman met zijn boekje. Hij zou er wel de erenaam 'bedenker van de sinterklaastraditie' aan overhouden, maar dat mag alleen gelden voor het protestantse volksdeel.
Schenkmans zwarte knecht blijft intussen de eerste die ooit is afgebeeld. Volgens de kunsthistorica Eugenie de Boer was hij getekend naar het model van luxe Moorse pages, die al in de zestiende eeuw op statieportretten van regenten figureerden. Van belang is dat dit knechtje nog niets angstaanjagends had, maar een kind was met wie andere kinderen zich konden identificeren. In het boekje heette hij ook nog geen Pieter of Piet, laat staan Zwarte Piet. De naam Zwarte Piet is volgens de neerlandicus Frits Booy voor het eerst gemeld in een prentenboek uit 1868, maar werd pas populair in de twintigste eeuw. In de zuidelijke provincies zijn ook lang andere namen in zwang gebleven, zoals Assipan, Sabbas, Sjaksoer en Trappadoelie.
Nu men over de belangrijkste personages beschikte kon men het feest verder aanpassen. Ook de nieuwerwetse Sint was namelijk nog een griezelig heerschap. Op illustraties uit de negentiende eeuw treffen we hem in allerlei onbisschoppelijke houdingen aan. Sint slaat Alexander: een jongen ligt over zijn knie en sint haalt vol uit met een zweep. En in Schenkmans boekje grijpt hij twee kinderen, vaag van angst, in hun nekvel om ze in de zak te proppen, die Piet ophoudt. 'Hij straft niet graag kinderen, maar is hun een vriend,' zo luidt de begeleidende tekst. Maar zelfs de ouders van de stoute kinderen kijken ontzet naar de man. Om Sinterklaas te 'verlieven' was het slechts nodig dat van Zwarte Piet een volwassen knecht werd gemaakt, die de zak van Sinterklaas ging dragen en de roe hanteerde. Sinterklaas werd een milde oude man, die alleen bedreigend was vanwege zijn fanatieke begeleider.

Aldus kon het feest stad en land veroveren. In Brabant waren zoals gezegd al aan het eind van de achttiende eeuw in dorpen verklede figuren verschenen die te paard snoepgoed rondstrooiden, en dat werden nu waarschijnlijk nette bisschoppen. De eerste meldingen van een bisschop te paard boven de grote rivieren dateren echter pas uit de jaren zeventig van de negentiende eeuw. Het ging daarbij om gelegenheidsoptochten, niet om een heuse intocht. Na de vorige eeuwwisseling namen lokale middenstandsverenigingen daartoe het initiatief. Ongetwijfeld van grote invloed is de officiële ontvangst geweest die Sint Nicolaas vanaf 1934 in Amsterdam ten deel ging vallen, temeer daar hij met een echte stoomboot aankwam en ook anderszins rechtstreeks uit het boekje van Schenkman leek te zijn gestapt. Naar analogie van Amsterdam organiseerde vrijwel iedere gemeente een feestelijke intocht.

De welvaartsgroei van na de Tweede Wereldoorlog creëerde een volgende nieuwigheid. Nog steeds was zo dat de cadeautjes - een speculaasje en een inkleurboekje in de lagere milieus; een paar sokken of een gebreide das in rijkere milieus - meestal 's nachts werden gereden. De avond ervoor zat men vol ongeduld bijeen en werden spelletjes gedaan en liedjes gezongen. Omdat de cadeautjes steeds duurder en groter werden, verhuisden ze van de schoen naar de eettafel, waar de kinderen ze 's ochtends in alle vroegte konden uitpakken. Het was voor de ouders natuurlijk veel gezelliger als zij daarbij waren. Met het hele gezin vereend kon er ook meer werk worden gemaakt van de persoonlijke surprises, waarvoor lootjes werden getrokken. Aldus ontstond pakjesavond, waarbij de cadeaus in een mand of zak voor de voordeur worden gezet door een haastige Piet, die slechts tijd heeft een paar keer op de bel te drukken en op de deur te bonken.

Het zag ernaar uit dat Sinterklaas alleen maar populairder zou worden. Sint en Piet verschenen niet alleen op scholen, ook op bedrijfsavondjes. Zij kregen vanaf 1952 een landelijk onthaal op de televisie. En in hun manier van doen volgden zij de pedagogische inzichten op de voet. Met name Zwarte Piet moest zich nog minder fanatiek gaan gedragen. Bij de eerste naoorlogse intochten stormde hij langs de rijen, schudde met zijn roe, rinkelde met zijn kettingen en gooide keihard pepernoten naar de kinderen, die daar slechts aarzelend de tanden inzetten omdat het vermalen leeftijdgenootjes zouden zijn. Een informant wist te vertellen dat in het Friese Staveren tot 1953 kinderen door Zwarte Piet in de zak werden gestopt en enkele straten verder volkomen verdoofd werden losgelaten.
In 1965 maakte de nationale Sinterklaas, die van de televisie, aan deze praktijken een einde door demonstratief zijn zak in het water te gooien. Zwarte Piet op zijn beurt liet zijn roe en kettingen voortaan achterwege en trachtte met roodgestifte lippen en ondeugende buitelingen bij de kinderen sympathie te wekken. Hij ging ook praten, maar werd dan wel altijd als oliedom gepresenteerd. In schoolklassen beantwoordde hij de vraag van Sinterklaas hoeveel 1 + 1 is steevast met 3, waarna de leerlingen hem gezamenlijk konden uitjoelen. Zijn onschuld werd nog versterkt doordat in toenemende mate ook meisjes zijn rol gingen vervullen, een tour de force waaruit blijkt dat hij inmiddels een fantasiefiguur was geworden. Sint en Piet leken eindelijk de kindervrienden te zijn geworden waarvoor ze al die jaren doorgingen. Hun toekomst, zo merkte een waarnemer op, leek in 'banket- en chocoladeletters' geschreven.
Bedreigde Sint en Piet
Het was in zekere zin ironisch dat nu Sint en Piet eindelijk allemansvrienden waren geworden, er toenemende kritiek op hen ontstond. De gretige commercialisering van het feest wekte bij menigeen al tijden irritatie, evenals het feit dat men kinderen iets op de mouw spelde, wat generaties anti-autoritaire pedagogen hebben verfoeid.
Dertig jaar geleden kwam plotseling Zwarte Piet onder vuur te liggen. Dat hij als zwarte slechts de functie van dom knechtje kreeg toebedeeld, herinnerde volgens sommigen aan de slavernij, wat grievend zou zijn voor het toenemend aantal gekleurde Nederlanders. Een bepaalde strofe in het lied Daar wordt aan de deur geklopt was hier zelfs specifiek over: 'Ook al ben ik zwart als roet, toch ben ik goed'. Hoewel Piet met zijn kroeshaar en dikke lippen voor iedereen die niet stekeblind was onmiskenbaar op een neger leek, brachten enkele deskundigen hiertegen in dat hij een geketende, zwartgeblakerde duivel moet voorstellen; de visie van Meisen. Andere deskundigen wezen erop dat Zwarte Piet juist een Moor, een Spanjaard is, die zijn kleur had opgedaan tijdens zijn gang door de schoorstenen. Vooral deze laatste visie sloeg aan. Generaties neerlandici hebben haar voor zoete koek geslikt en in scholen uitgedragen, waardoor zij tegenwoordig op tientallen websites als de ultieme waarheid te boek staat.

Het zou interessant zijn om te achterhalen wie precies deze twee visies in Nederland heeft verspreid. Interessanter is evenwel de vraag waarom het Meertens Instituut pas na tachtig jaar etnologisch onderzoek een quickscan op Zwarte Piet pleegt? Als dat instituut zich eerder van zijn taak had gekweten dan hadden we niet decennialang de verkeerde discussie hoeven te voeren. Nu het bewijs er ligt dat Zwarte Piet al twee eeuwen een 'kroesharige neger' is, kunnen we hem ook beter plaatsen. Als zijn verschijning ergens op lijkt dan zijn het de Amerikaanse blackface singers, blanke zangers die hun gezicht zwart schminkten om voor een blank publiek negermuziek te brengen wat negers zelf niet mochten, een traditie die tot aan de Tweede Wereldoorlog heeft geduurd. Niet voor niets zijn Amerikanen ook vaak geschokt als ze op een Nederlandse Zwarte Piet stuiten, en het verhaal wil dat Schiphol hem daarom weert.
Maar er zijn wel verzachtende omstandigheden aan te dragen. Ik vermoed dat Zwarte Piet is bedacht als alternatief voor de griezelige sintbegeleiders in het buitenland. Zoals daar zijn: Knecht Ruprecht in Duitsland, een baardige witte man die inderdaad schoorsteenroet op zijn gezicht heeft, Krampus in het Alpengebied, een duivel getooid met de huid van een zwart schaap, en Père Fouettard in Frankrijk, letterlijk: Vader Zweep, van wie werd verteld dat hij drie kinderen had doodgeslagen. Ook de Klazen van de Waddeneilanden hebben mogelijk als afschrikwekkend voorbeeld gediend. Vergeleken met al deze figuren was Zwarte Piet een wonder van beschaving. In zijn pagekleren beeldde hij ook een onschuldig knaapje uit, dat destijds in Nederland volkomen exotisch was, waardoor niemand aanstoot aan hem kon nemen.
Nu tegenwoordig ook niet-blanke kinderen steeds vaker zijn rol vervullen en er bij wijze van tegemoetkoming zelfs Witte Pieten optreden, zou Sinterklaas eigenlijk als het eerste echte multiculturele feest van Nederland kunnen worden aangemerkt, een gezamenlijk cadeautje van katholieken en Afro-Nederlanders. Maar niet iedereen is van dit idee gecharmeerd. Rond elke viering verschijnen er verontwaardigde artikelen in kranten en op internet en soms krijgen scholen dreigbrieven wanneer zij aankondigen een Zwarte Piet te zullen ontvangen.
In 1998 bundelden Surinaamse en Antilliaanse intellectuelen zich in de slogan: Sinterklaasje, kom maar binnen zonder knecht. Het probleem is, zulke kritiek heeft de schijn van overdrevenheid en doorgeschoten logica. De aanhangers ervan vooronderstellen eerst bij Nederlandse kleuters en hun ouders een neiging tot racisme, en willen die neiging vervolgens bestrijden door in dezelfde trant te blijven denken. Maar consequent geredeneerd zou er er dan alleen sprake kunnen zijn van een zwarte Sinterklaas met Witte Pieten, ja, herinnert eigenlijk iedere zwarte in een ondergeschikte positie aan de slavernij. Los hiervan kan iemand met evenveel stelligheid beweren dat Piet juist het tegendeel van racisme impliceert, want ware racisten zouden zo'n figuur onmiddellijk van hun feest verbannen. Wat dan ook maximaal lijkt te spelen is goedwillende neerbuigendheid.
Bij deze ideologische dreiging voegde zich een praktische. Het was al opgemerkt dat de generatie van tweeverdieners geen zin meer had in bewerkelijke sinterklaassurprises en elkaar liever designspulletjes gaf met Kerstmis, dat in Nederland toch al een 'geeffeest' was geworden sinds werkgevers na de oorlog met kerstgratificaties en kerstpakketten begonnen. De media speelden hierop in door steeds intensiever met Santa Claus op de proppen te komen, die ook een gewenste internationale uitstraling bezat. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen schreef NRC-Handelsblad op Sinterklaasavond 1980: 'Het hoge woord moet er maar eens uit: Sinterklaas loopt op zijn laatste benen'. De krant gaf hem nog een jaar of drie, vier. De tekenen wezen inderdaad in die richting. Grootwinkelbedrijven begonnen al met kerstversieringen terwijl Sinterklaas nog in het land was en restaurants en tuincentra sloegen zijn feest zelfs helemaal over.

Een tegenbeweging liet niet lang op zich wachten. De achtergrond hiervan was een groeiend chauvinisme, want Nederland was ongemerkt van een emigratieland in een immigratieland veranderd en de Europese eenwording scheen de nationale identiteit weg te willen poetsen. Columnisten, die anders alleen klaagden over het verval van stedelijk schoon, klaagden nu over de teloorgang van een traditie, - de enige waarmee Nederland zich volgens hen onderscheidde. In 1989 diende het Sint Nicolaas Genootschap zich aan, als eerste in een reeks van soortgelijke organisaties die zich vooral keerden tegen winkelbedrijven die alleen Kerstmis propageerden. Vanaf 1997 stortte de commerciële televisie zich op de goedheiligman, uitmondend in de serie De Club van Sinterklaas. Vier jaar later begon de publieke omroep met het populaire Sinterklaasjournaal, dat de landelijke intocht steeds in een andere stad laat plaatsvinden.
Deze programma's zouden de sinterklaasviering een enorme impuls geven en ook veranderen. Ongetwijfeld uit ongemakkelijkheid over zijn personage pakten zij met name Zwarte Piet aan. De brabbelende dommerik met grote oorbellen en immens roodgestifte lippen was bij hen van meet af aan uit de gratie. Anderzijds kreeg hij omwille van de zichtbaarheid op televisie een lichtere tint; hij is nu bruin in plaats van zwart, wat hem overigens nog sterker op de gemiddelde Afro-Nederlander doet lijken. Om van de discussies over discriminatie af te zijn presenteerde het Sinterklaasjournaal gedurende een seizoen Pieten in alle kleuren van de regenboog, maar dat werd door iedereen als gekunsteld ervaren. Een beter alternatief was hem een veelvoud aan karakters te geven, van Coole Piet tot Hoge Hoogste Piet, zij het wel allemaal uitgesproken gunstig. Het resultaat van deze inspanning is dat er zelden een bevolkingsgroep zo positief in stereotypen is neergezet, en wringt dat ook niet een beetje?
Vanwege alle media-aandacht viert momenteel meer dan tweederde van de Nederlandse bevolking het feest uitgebreid. Ook bij een toenemend aantal moslims komt de goedheiligman langs, hoewel zijn personage geenszins strookt met hun officiële geloof. Op een lijst van honderd populaire tradities, in 2008 gepubliceerd door het Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed, bekleedt Sinterklaas momenteel de eerste plaats. Toch houdt het protest tegen Zwarte Piet aan, al doen de voorstanders inmiddels meer van zich spreken. In laatstgenoemd jaar wilde een groep kunstenaars in Eindhoven een ludieke demonstratie tegen hem houden, maar zag daarvan af vanwege alle ontvangen hate-mails en telefonische bedreigingen. In 2011 werden tijdens de intochten in Dordrecht en Amsterdam enkele tegenstanders gearresteerd die slechts een T-shirt met afkeurende tekst droegen. We zien hier de kleine pijn van een multi-etnische samenleving die misschien nooit overgaat. Maar voor wie het aanvoelt: Zwarte Piet is een naïef katholiek idee, dat in een katholiek land geen commotie zou oproepen of allang zou zijn verlaten.
PS 1 In de Leeuwarder Courant van 26 november 2011 mijn stellingname omtrent Zwarte Piet
PS 2 Het Sint Nicolaas Genootschap Nederland ijvert ervoor dat het Nederlandse Sinterklaasfeest een notering krijgt op de Unesco-lijst voor beschermd immaterieel erfgoed. Dat lijkt mij onverstandig, omdat de figuur van Zwarte Piet zowel in binnen- als buitenland onbegrip en irritatie oproept en een ingrijpende verandering zal moeten ondergaan wil alle kritiek verstommen. Zie http://zwartepietisracisme.tumblr.com
Sinterklaas op internet is een horreur: miljoenen meldingen. Prominent aanwezig zijn http://sinterklaasjournaal.ntr.nl/ en www.declubvansinterklaas.nl van de gelijknamige televiesieprogramma's. Promotionele sites zijn onder meer www.sngnederland.nl, www.vriendenvansint.nl en www.sint.nl. Tot mijn genoegen zag ik dat de door mij gelegde relatie tussen kinderschrik en het vroegere sinterklaasfeest inmiddels alom is geaccepteerd. Ook mijn verklaring waarom Nederland Sinterklaas als geschenkenbrenger heeft behouden kwam ik herhaaldelijk op internet tegen, alsmede mijn theorie over het waarom van Spanje als 's mans thuisland. Het Meertens Instituut bezigt in publicaties zelfs mijn term 'verlieving'. Het ware wel te wensen geweest dat de betrokken auteurs hierbij de zo kenmerkende gulheid van het Sinterklaasfeest in acht hadden genomen.