Vroeger leidden de meeste mensen een eentonig bestaan, zo wordt wel beweerd. Ze hadden lange werkdagen, ze kwamen zelden buiten hun dorp of buurt en ze vonden in hun schaarse vrije tijd nauwelijks afleiding, immers, er was geen vertier, geen amusement. Toch is het geen uitgemaakte zaak dat het leven toen zoveel saaier was; het tegendeel kan ook worden gesteld. Winkelcentra bijvoorbeeld kende men niet, evenmin woonwijken die zo rustig zijn dat de komst van de SRV-man er al de omvang van een gebeurtenis aanneemt.

Ook waren de mensen sterker op elkaar aangewezen; hun directe sociale omgeving was vaak groter en daarin vonden frequent ingrijpende gebeurtenissen als geboorte, huwelijk, ziekte en dood plaats. Zij hoefden zich niet slechts te handhaven, zij moesten overleven. Hun wereld was bevolkt door geesten en enge wezens en er bestonden bedreigingen, zoals brand, hongersnood, overstromingen, oorlogen en epidemieën, waarvan de meeste mensen tegenwoordig de opgeroepen angst niet eens kunnen navoelen. Het werk dat ze deden was wel zwaar, maar toch afwisselender dan dat van iemand die een boekhoudmachine bedient of achter de knoppen zit van een volautomatisch productieproces.
Bovendien waren er veel meer feesten dan nu; elke rustdag was bijna een feestdag. Er waren inderdaad geen sportverenigingen, geen bioscopen, geen dansgelegenheden; er was geen ontspanningslectuur, geen radio, geen televisie; het hele verschijnsel 'vrijetijdsbesteding' bestond niet. Toch, het spaarzame vermaak dat er wel was, bracht bij hen veel heftiger emoties teweeg dan ons vermaak bij ons. Niets is zo opwindend geweest als een ouderwetse kermis of jaarmarkt.
Oorsprong
Een kermis is van oorsprong een zuiver kerkelijk feest, zoals het woord aangeeft: ker(k)mis, de mis die jaarlijks werd opgedragen om de wijding van de kerk of de naamdag van haar patroonheilige te vieren. Aan die binding herinneren nog de namen van enkele kermissen, zoals de Sint-Rosa in Sittard en de Sint-Laurentius in Voerendaal. En in Limburg leeft hier en daar nog de gewoonte de kermis te openen met een processie, de zogenaamde bronk. Gronsveld kent eens in de vier jaar zelfs een Grote Bronk, waarbij het Allerheiligste, voorafgegaan door de schutterij, door het dorp wordt gedragen.
|
Aanvankelijk was aan elke kermis een jaarmarkt verbonden; vandaar dat men spreekt van de Sint-Jansmarkt in 's-Hertogenbosch en de Sint-Hubertus-markt in Gulpen. In het Duits komt deze relatie nog duidelijker tot uiting: 'Messe' betekent niet alleen mis, maar ook kermis en jaarmarkt. Een jaarmarkt werd weliswaar door de wereldlijke overheid ingesteld, maar 'handel en eredienst reikten elkaar de hand'. Pas na de Reformatie werden er geen jaarmarkten meer verleend op kerkfeesten, dus vanaf die tijd ontstonden de gespecialiseerde vee- en goederenmarkten, zoals we die nu bijvoorbeeld nog kennen in Oudeschoot, Deventer, Hedel en Zuidlaren, welke laatste zelfs uit 1232 stamt.
Tijdens de kermis, die enkele dagen tot soms drie weken kon duren, garandeerde de overheid vrede, vrijhandel en een vrijgeleide voor wie althans niet om geloofsredenen was verbannen of een halsmisdrijf had begaan; schuldenaars en dieven werden ongemoeid gelaten. Ten teken van deze marktvrede werd er een houten kruis aan de stadspoorten bevestigd, wat tot in de negentiende eeuw gebruikelijk was. Daarop stroomden dan de bezoekers toe: kermisklanten, marskramers, bedelaars, gauwdieven en mensen die inkopen kwamen doen. Velen grepen de gelegenheid aan om familie in het betreffende dorp te bezoeken; volgens Jos. Schrijnen was de kermis zelfs een familiefeest bij uitstek. Tezamen vormden zij één factor van de algehele opwinding. Inwoners van dorpen zagen zich plotseling omgeven door duizenden nieuwe gezichten.

Alleen al dit maakte een kermis onontkoombaar. Iedereen deed er ook aan mee: oud en jong, rijk en arm. Voor 'arm' was er de mogelijkheid met een getekende of gedrukte kermiswens een fooi op te halen, voor dienst- en servicepersoneel en kinderen gold hetzelfde. Mettertijd werden kermissen eigenlijk steeds aantrekkelijker. Een 'boerenkermis', zoals afgebeeld op talrijke genrestukken, kende slechts een processie, een schutterijoptocht, een eet- en drinkgelag en dierspelletjes als ganstrekken en katknuppelen. In het noorden verdwenen die processies na de Reformatie en de schutterijoptochten in de achttiende eeuw. In het noorden én het zuiden verdwenen in de negentiende eeuw de dierspelletjes. Maar vanaf de zestiende eeuw nam het aantal attracties op de kermissen steeds toe. Wat viel er niet allemaal te beleven?
We gaan voorbij aan de toneelspelers, de straatmuzikanten, de koek- en wafelbakkers, de loterijen, de poppenkasten, de geleerde dieren en de waarzeggers. Idem dito de kwakzalvers, die overigens al sinds de achttiende eeuw van veel kermissen werden geweerd, de acrobaten en de kunstenmakers (zoals de Italiaanse waterspuwer, die honderd glazen water opdronk, zijn handen in zijn zij zette en vervolgens drie stralen uit zijn mond spoot: bier, melk en wijn). Evenmin hoeven we veel aandacht te besteden aan de rarekiekkasten en toverlantaarns, ook al hadden die een overdonderend effect in een tijd dat mensen nog nauwelijks afbeeldingen te zien kregen.
Aardig is wel dat wetenschappers lange tijd hun vindingen op de kermis hebben gepresenteerd, bij gebrek aan een beter forum. Leeghwater toonde in 1606 op de Amsterdamse kermis de werking van zijn duikerklok; hij bleef drie kwartier onder water, spelend op zijn schalmei, terwijl het gerucht al rondging dat hij verdronken was. Ook de elektriseermachine deed in 1745 haar intrede als kermisattractie, de stoommachine en zo voort. In het voetspoor van die wetenschappers wisten 'physikers' geestesverschijningen berichten van gene zijde door te laten geven. 'Mechanikers' zaagden met de nodige dramatiek vrouwen door midden of onthalsden ze. Een mensenhoofd op een ijzeren stellage gaf antwoord op vragen uit het publiek - hoeveel toeschouwers zullen er gedacht hebben dat het om een echt hoofd ging?
Maar wat ons het meest bij een ouderwetse kermis zou treffen is de graad van openbaarheid en directheid, waarvan historica Marja Keijser in Komt dat zien! de voorbeelden geeft. Wij zouden ons schamen, zoals tot in de negentiende eeuw met kermis gebeurde, te gaan kijken naar gekken in het dolhuis, naar gevangenen in rasp- en spinhuizen of naar zogeheten wonderen der natuur, zoals daar zijn: gedrochten, Siamese tweelingen, wildemannen, albino's, hermafrodieten, levende skeletten en armlozen die met mond of voet tekeningen maakten. Wij zouden gruwen van een uitstalling van misgeboorten op sterk water. En wat te denken van aangeklede geraamtes van opgehangen misdadigers voor de vensters van de Waag in Amsterdam, bij wijze van grap?
Het hoeft niet te verbazen dat het verzet tegen het verschijnsel kermis al oud is. Calvinistische predikanten verwierpen de 'opgeworpen santen en santinnen' die met kermis werden vereerd en beschouwden de geboden attracties als 'onnutte occasiën ter verroekelosing van veel zielen'. Met uitzondering van enkele dorpen, waar het persoonlijk gezag van de predikant groot was, lukte het echter nergens de kermis compleet te verbieden. Wel kwam er in veel steden jaarlijks een centrale kermis, in plaats van even veel kermissen als er kerken waren. Een serieuze aanval zette in 1777 de Staten-Generaal in met de bepaling dat het zuiden alleen na 11 november kermis mocht houden, opdat daardoor het aantal kermissen kon verminderen. Alleen in Limburg leverde dit geen probleem op, want sindsdien kende men daar een 'Hollandse' kermis na 11 november, naast de gebruikelijke kermis.
Halverwege de negentiende eeuw zette toch overal de teruggang in. De burgerij begon zich steeds openlijker te distantiëren van het feestgedruis. Men diende petities in en bestookte elkaar met verontruste pamfletten als Kermis of geen kermis? en Geen kermis? Toch kermis. Een groep pleitte voor algehele afschaffing, een andere groep voor beschavingswerk onder het gewone volk, opdat ook dat even fijngevoelig als de burgerij zou worden. In Amsterdam vond de eerste groep gehoor, wat in 1876 tot een kermisoproer leidde, zeven dagen van relletjes en charges. Elders liet men de tijd zijn werk verrichten, want Vrouwe Kermis, zo schreef G.A. Wumkes, werd een 'teringpatiënte'. Rond 1900 waren er al hele streken 'ontkermist' en na de Eerste Wereldoorlog kelderde het aantal kermissen helemaal. Het eind was in zicht.

De wederopstanding begon met nieuwe techniek: botsautootjes, rupsbanen en het reuzenrad. Draaimolens met paarden bleven omwille van de nostalgie, maar moderne varianten daarvan tilden vliegtuigjes de lucht in, tolden driezitjes door elkaar en maakten een schuinslag. De nadruk verschoof van zien naar beleven en van beleven naar ondergaan, waarbij de gemiddelde leeftijd van de kermisgangers wel steeds lager werd. Aldus geciviliseerd en geactualiseerd keerde de kermis na de Tweede Wereldoorlog bijna overal terug. De binding met het katholieke zuiden bleek andermaal te werken, want van de ruim 1400 kermissen die Nederland momenteel telt, vindt bijna de helft in Limburg en Brabant plaats; een meer bevindelijke provincie als Utrecht telt er daarentegen slechts dertig. Door steeds nieuwe attracties zoals achtbanen en bungeejumpen toe te voegen, ging de kermis lijken op het twintigtal permanente attractieparken dat Nederland telt, sinds in 1951 De Efteling in Kaatsheuvel van start is gegaan. Maar voorlopig wint de kermis het, al doet zij in verband met de steeds hogere kosten wel minder dorpen aan dan enkele decennis geleden. De grootste kermis van het land, die in Tilburg, trekt in een paar dagen tijds een miljoen bezoekers, waarover alle attractieparken tezamen een paar maanden doen. Deze kermis wil ook opgenomen worden op de Unesco-lijst voor Immaterieel Erfgoed.