Koninginnedag

 

(Aristocraten zijn we allemaal, August Strindberg)

 

Een frappant onderscheid tussen mensen en dieren is dat dieren geen erfelijk leiderschap, geen monarchie kennen. In het dierenrijk zal altijd de sterkste of de slimste van het moment de baas zijn; in een monarchie is het theoretisch mogelijk dat de slapste en de domste dit wordt en vervolgens een halve eeuw aanblijft. Met andere woorden, in zo'n bestel krijgt niet kwaliteit de voorrang maar continuïteit, waarbij de gedeelde liefde voor de koninklijke familie voor een band tussen de onderdanen zorgdraagt. Heiligen en helden kunnen tevens in die behoefte voorzien, en zelfs mediasterren, moeten we vaststellen. Sinds een jaar of twintig immers melden ook zichzelf respecterende kranten ieder detail dat zij over het privéleven van zulke sterren weten te vinden, tot aan hun vakantiepech en overleden oma toe. Mogelijk verklaart dit waarom de monarchie tegenwoordig in Nederland zo populair is. 

 

Trotse republikeinen  

Gegeven het inherente risico van erfelijk leiderschap is het niet verwonderlijk dat er sinds lang voorstanders bestaan van een republiek met verwisselbare leiders. Nederland, nu behorend tot een kleine minderheid van koninkrijken, had zelfs de oudste republiek ter wereld kunnen zijn. Als vroegste stichtingsjaar van de natie mag gelden 1568, toen de bevrijdingsoorlog tegen de Spaanse overheerser begon; als laatste 1648, toen de Republiek der Verenigde Nederlanden formeel door de buurlanden werd erkend. Maar welk jaar men ook verkiest, het beginsel van volkssoevereiniteit, dat aan een republiek ten grondslag ligt, was tijdens de hele tussenliggende periode alleen nog gerealiseerd op het niveau van stadstaten, die sinds lang van het tapijt zijn verdwenen (op San Marino in Italië na).

Als republiek vormde Nederland ook een opmerkelijke uitzondering in de rij van Europese vorstendommen. Wat hierbij vooral speelde was dat niet-adel onder adel verkeerde, eigenlijk een faux pas. In reactie hierop ontstond er in Nederland zeker iets als republikeinse trots, aangemoedigd door het overweldigende economische succes van de beginjaren. De politieke elite doste zich bij voorkeur in het zwart uit en ging te voet over straat; een schril contrast met haar evenknie elders. Uit de zeventiende eeuw zijn ook wel verhalen bekend van Nederlanders die meewarig deden tegen Fransen en Engelsen, omdat zij onderdanen waren, geen vrije burgers. Het Nederlandse republicanisme werkte zelfs aanstekelijk. Het staat vrijwel vast dat de Amerikaanse Declaration of Independence is geïnspireerd op het Plakkaat van Verlatinghe, waarin het recht op zelfbeschikking is geformuleerd. En beluisteren we in de term 'bourgeoisie' (de groepering die in 1792 in Frankrijk de macht greep) niet een verwijzing naar de Nederlandse burgerij, die hier al eeuwen de lakens uitdeelde?

Anderzijds heerste er ook onzekerheid over de unieke status. In eerste instantie ging men naarstig in het buitenland op zoek naar een edelman die bereid was koning te worden; zonder resultaat. Nederland bleef hierdoor een verzameling gewesten en steden. Aan het hoofd ervan kwam geen president te staan doch een raadspensionaris, die onder de Staten-Generaal viel. Voor de Oranjes werd de functie van stadhouder gereserveerd, alsof zij net als in de Spaanse tijd nog steeds iemands stedehouder, dat wil zeggen: plaatsvervanger, waren.

Een lelijke smet op het republikeinse gedachtegoed was bovendien dat de provincie Brabant geen stemrecht had, maar door de Staten-Generaal als 'wingewest' werd bestuurd. En een huichelachtig aspect van de republiek was dat zij zogenaamd omwille van de vrijheid van godsdienst was geboren, maar dat katholieke geestelijken massaal uit de noordelijke provincies werden verdreven en elders hun godshuizen moesten overdragen aan protestanten, zelfs wanneer die ter plaatse een minieme minderheid vormden. In tegenstelling tot joden mochten katholieken ook tweehonderd jaar lang geen herkenbare kerkgebouwen neerzetten, slechts schuilkerken.  

Het Oranjegezinde verhaal wil dat de twijfel over de Nederlandse staatsvorm toenam, toen in de achttiende eeuw de grote koninkrijken economisch en politiek succesrijker waren dan Nederland. Dit is kras, aangezien juist die eeuw volkomen krankzinnige koningen opleverde, zoals George III van Engeland en Christiaan VII van Denemarken. Ook namen destijds lang niet alle onderdanen genoegen met de monarchale praktijk. De Franse Louis XVI belandde na een volkstribunaal op de guillotine en de Russische tsaar Paul I werd door zijn eigen hovelingen gewurgd, omdat hij onvoldoende naar hen luisterde.  

Maar Nederland was nog wel een verzameling gewesten, in plaats van een eenheidsstaat. Bovendien had de politieke klasse nagelaten voor legitimerende rituelen te zorgen, zoals de Verenigde Staten van Amerika deden, reden waarom de grote massa weinig geestdrift aan de dag legde voor het eigen systeem. Zelfs de verjaardagen van de stadhouders bleven een hofaangelegenheid, waarvan het publiek slechts op afstand mocht genieten. De verjaardagen van jonge prinsjes gaven daarentegen wel vroeg reden tot volks vertier. Jan Steen schilderde in 1665 of daaromtrent zo'n Prinsjesdag, een drankfestijn in een herberg, gewijd aan de toen vijftienjarige prins Willem III, die later koning van Engeland zou worden. Stadhouder prins Willem V (1748 - 1806) is waarschijnlijk de eerste geweest die zijn Prinsjesdag, op 8 maart, meenam naar zijn volwassenheid. Tijdens zijn stadshouderschap werden in het hele land transparante Oranjebomen opgericht, met een prins en een leeuw eronder, en een brandende teerton ernaast waaromheen werd gedanst. Volgens Ter Gouw was vooral op Kattenburg in Amsterdam de viering luidruchtig en intens.   

Toch, als er enig monarchaal verlangen smeulde dan was dat een oerverlangen, zoals ook communistische landen en dictaturen kennen, getuige de familiale presidentsopvolging die er vaak plaatsvindt. Het zag er geenszins naar uit dat de monarchisten de overhand zouden krijgen. Prins Willem V was ondanks zijn eigen Prinsjesdag zelfs dermate onpopulair dat hij in 1794 wijselijk de benen naar Engeland nam bij het naderen van de Franse invasietroepen. Iedereen die zich in die periode als 'patriot' presenteerde was overtuigd republikein.

Monarchie als splijtzwam 

Napoleon liet zien wat het betekent als volkssoevereiniteit niet als hoogste beginsel geldt: je kunt dan gewoon een ander land inpikken. Via zijn broer Lodewijk Napoleon, het eerste 'conijn van Holland', raakten Nederlanders ook vertrouwd met onderdanigheid. Dit wende blijkbaar zo snel dat Willem I, zoon van de gevluchte stadhouder, in 1813 met behulp van enkele medestanders de vacante troon kon bezetten die Lodewijk achterliet - formeel-juridisch gesproken was dit een staatsgreep.

De prille monarchie bracht zeker niet de voorspoed waarop haar propagandisten hadden gehoopt. Net als andere koningen zouden hebben gedaan, maakte Willem I van de Indische archipel direct een echte kolonie en hij zorgde tevens voor allerlei economische impulsen. Maar als bindend figuur, wat altijd als belangrijkste argument vóór een monarchie telt, faalde hij jammerlijk. Zoals bekend had het Congres van Wenen België bij Nederland gevoegd. Willem I kon de Belgen nimmer paaien en zij scheidden zich weer af. Vermoedelijk is er in de militaire geschiedenis zelfs geen potsierlijker aftocht geweest dan die van het Nederlandse leger uit België, waarbij de koning vergat Antwerpen te claimen, dat Nederlands wilde blijven. Het is dat Hollandse protestanten Vlaamse katholieken maar al te graag als vijanden zagen, anders was hij terstond op de boot naar Engeland teruggezet.

Halverwege de negentiende eeuw deed zich de wonderlijke figuur voor dat er in Europa alom verzet tegen de monarchie rees, maar dat Nederland, ooit inspirator van dat verzet, nu dit staatsbestel verdedigde. Helemaal ironisch was dat de zittende koning, Willem II, homoseksuele relaties had, iets wat in die tijd dermate scandaleus werd gevonden dat hij uit ieder normaal ambt zou zijn verwijderd. Als geen ander beschermd door de troon bracht hij echter wel de wijsheid op zijn macht grotendeels in te leveren. Hiermee redde hij nipt zijn positie, want ettelijke Europese koningen die daaraan wilden vasthouden, moesten volledig het veld ruimen.

Opvolger Willem III leek zich niet te kunnen voegen naar de zogeheten constitutionele monarchie, al zou juist hij het nut daarvan demonstreren. 'Koning Gorilla' presteerde het om na een hem aangedane belediging de Minister van Oorlog opdracht te geven met het Nederlandse leger naar Zwitserland op te trekken. Bij een andere gelegenheid beval hij de burgemeester van Den Haag te arresteren én te fusilleren. Onberekenend was hij intussen geenszins. Hij verbood zijn oudste zoon te trouwen met een meisje Van Limburg Stirum, wier grootvader nota bene een van degenen was geweest die ervoor had gezorgd dat de monarchie in 1813 was gevestigd. Het meisje was weliswaar gravin en van oudere adel dan de Oranjes, maar... geen prinses! En zelf probeerde hij na de dood van zijn eerste echtgenote met zijn toenmalige minnares een morganatisch huwelijk te sluiten, een 'huwelijk met de linkerhand', dat eventuele kinderen eruit niet eens recht gaf zijn familienaam te gebruiken. Volgens The New York Times was hij in seksueel opzicht de 'meest bandeloze figuur' van zijn tijd. 

Een feest vormde de Nederlandse monarchie halverwege de negentiende eeuw nog steeds niet. Net als ten tijde van de Republiek ontstonden er ook nauwelijks ceremonieën omheen die jubel en instemming opriepen. De verjaardag van koning Willem I op 24 augustus werd op dezelfde manier herdacht als die van prins Willem V, maar van Koningsdag sprak men niet en van Prinsjesdag kòn men niet spreken. Die laatste term was dus eigenlijk vacant. Nu zou vooral zijn opvolger, koning Willem II, werk maken van de jaarlijkse rijtoer naar het Binnenhof om de troonrede uit te spreken. Hijzelf zat daarbij te paard en nam zijn zonen mee. Iemand moet toen op de gedachte zijn gekomen het woord Prinsjesdag voortaan als meervoud te bezigen, als dag van de prinsjes in plaats van als dag van het prinsje. Halverwege de negentiende eeuw was deze interpretatie alom aanvaard, want in 1857 meldde het Nieuw Amsterdamsche Handels- en Effectenblad over de opening van de Staten-Generaal: 'Er bestaat in de hofstad een algemeen verspreide volksoverlevering dat op Prinsjesdag [!] altijd de zon zal schijnen'.   

De instelling van de monarchie in 1813 daarentegen werd slechts eens in de vijfentwintig jaar gevierd met een kleine nabootsing van de landing van Willem I op het strand van Scheveningen. Dit was nog enigszins begrijpelijk, want zoals gezegd vormde die landing een episode uit een staatsgreep. Maar ook verdienstelijke burgers werden geen bondgenoot gemaakt van de monarchie, want sinds Willem I bestonden er slechts twee ordes met een beperkt bereik: de Willemsorde voor militairen en de Orde van de Nederlandse Leeuw voor de hoogste standen.

Een militaire parade bij koninklijke verjaardagen ontbrak, evenals, nog opvallender, een imposante wisseling van de wacht, wat zelfs in Scandinavische landen tot het vaste repertoire behoort. De vergelijking met die landen doet vermoeden dat er in Nederland meer achter stak dan een protestants verlangen naar eenvoud. De republikeinse geest leefde nog volop. Opkomende socialisten verwierpen de monarchie op principiële gronden, en onder Amsterdamse  patriciërs was het niet ongewoon hooghartig een aanbod af te wijzen om door de koning in de adelstand te worden verheven.

Bijna tegen de keer ontstond in 1865 de Nederlandsche Oranjevereeniging, die de weldaden van het Huis van Oranje voor Nederland onder de aandacht wilde brengen, 'inzonderheid der laatste drie eeuwen, op Gereformeerden grondslag'. Zeven jaar later zou die religieuze claim nog stelliger weerklinken in de oprichting van een Haagsche Christelijke Oranjevereeniging. Hoewel protestanten zich dus als eersten rondom de monarchie schaarden, werd hun enthousiasme danig op de proef gesteld. De zonen van Willem III overleden de een na de ander en als door een wonder wist hij nog net een troonopvolgster op de wereld te zetten, prinses Wilhemina.  

 

Feestende onderdanen


Vermoedelijk is het de Nederlandsche Oranjevereeniging geweest die de eerste initiatieven tot publieke Oranjevreugde heeft ontplooid. Willem III was jarig op 19 februari, wat in den lande alleen gevierd werd met een recpetie en bal voor genodigden op provincieniveau. Maar in 1869 valt de term Koningsdag, in verband met een feestelijke uitvoering van de Nationale Zangschool. En in 1883 is er zelfs sprake van een Koninginnedag op 2 augustus, de verjaardag van Willem's tweede vrouw, koningin Emma. De West-Indiër geeft een verslag daarvan uit de residentie: de driekleur huis aan huis, een feestelijk gestemde menigte in de hoofdstraten en 's avonds een geïllumineerd Haags Bosje waarin 50.000 mensen ronddwalen. Koningsdag raakt dan ook ingeburgerd. In 1887 meldt H. Margadant dat er naast de inbreng van de gemeente (verlichting, muziek en vuurwerk) ook volksspelletjes worden gedaan als mastklimmen, worstelen en touwtrekken.   

In 1885 nu lanceerde het liberale Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad het voorstel om van 31 augustus, de verjaardag van Wilhelmina, een jaarlijkse Prinsessedag te maken. Taalkundig kon dat makkelijk, want sinds alle prinsen gestorven waren, verdween de zin van Prinsjesdag, alhoewel het grote publiek de opening van de Staten-Generaal zo bleef betitelen (de overheid zou dat pas vanaf 1930 weer gaan doen). Oranjeliefde was de drijvende gedachte achter dit voorstel, maar volgens de historicus Henk te Velde speelde een nog belangrijkere rol de sociale onrust rondom de industrialisatie èn de versnippering die aan het ontstaan was als gevolg van de verzuiling. De vijfjarige kroonprinses kon als nationaal bindmiddel fungeren.

Andere steden deden spontaan mee met dit feest. In 1887 volgde Amsterdam. Dat was precies een jaar na het verschrikkelijke Palingoproer, dat maar liefst 26 doden en 136 gewonden had opgeleverd. Net als in Utrecht was de organisator hier de door de overheid gesubsidieerde Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak en dat geeft een ander oogmerk van het feest weer: beschavingsarbeid. Wat dat betreft had Prinsessedag het niet eenvoudig, want in veel steden en dorpen vonden in dezelfde maand kermissen en oogstfeesten plaats, waarbij het publiek flink uit de band sprong.

Na de dood van Willem III zag koningin-regentes Emma het als haar taak de schade te herstellen die hij het koningschap had toegebracht. Speciaal voor de lagere standen werd in 1892 de Orde van Oranje Nassau ingesteld en sindsdien kent Nederland het verschijnsel van de jaarlijkse Lintjesregen. De regentes pikte ook de suggestie op om haar dochter als bindmiddel in te zetten, want ze regelde tot in de kleinste steden feestelijke intochten voor haar. De presentatie van het onschuldige prinsesje had onmiddellijk effect. De socialistische zuil bleef voorlopig de monarchie verfoeien, maar andere zuilen stelden hoopvol vast dat Oranje aan de onderlinge verdeeldheid een einde kon maken.

Wilhelmina's inhuldiging in 1898 werd meteen met een zelden vertoond enthousiasme gevierd. Speciale comités verzorgden in het hele land kroningsfeesten, vaak met zulk succes dat ze meteen werden omgezet in een permanente lokale Oranjevereniging. Likeurfabrikanten verhoogden de animatie door gratis Oranjebitter  beschikbaar te stellen, totdan een obscuur drankje dat voor het eerst bij Willem I was geschonken (maar als zoete oranjelikeur terugging tot stadhouder Frederik Hendrik). En nota bene burgers uit het republikeinse Amsterdam zamelden geld in om de jonge vorstin in 1903 een gouden koets te schenken, die ze bij de opening der Staten-Generaal kon gebruiken.

Vanaf Wilhelmina's troonsaanvaarding werd Prinsessedag logischerwijs Koninginnedag, maar dat was toch wel een verregaand idee. Dat het gewone volk een Koninginnedag viert, is niet overal normaal. In Engeland is Queen's Day een aangelegenheid gebleven van de koningin; zij krijgt dan een parade, Trooping the colour, en het publiek mag zich daaraan vergapen, meer niet. In België wordt op Koningsdag de koning hulde gebracht met een plechtige mis, waarbij hijzelf niet eens aanwezig is. Met Koninginnedag echter krijgt het volk uitdrukkelijk een uitnodiging aan het feest deel te nemen, wat een blijk van erkenning inhoudt, die andere vorstenhuizen achterwege lieten. Wel bleef Wilhelmina consequent uit zicht. Men vierde haar verjaardag in feite zonder haar. Wellicht daarom zou die verjaardag niet onmiddellijk aanslaan, al kan dat ook veroorzaakt zijn door de genoemde concurrentie van de kermis. Een enkele stad, zoals Rotterdam in 1908, verbood om die reden zelfs haar kermis, maar dat had tot gevolg dat de uitspattingen zich naar het Oranjefestijn verplaatsten, wat ook weer niet de bedoeling was. 

In mei 1902 bleek Wilhelmina, net getrouwd met prins Hendrik, aan typhus te lijden. Het volk leefde intens met haar mee, maar zat ook in de rats dat Nederland bij gebrek aan een eigen troonopvolger in Duitse handen zou vallen, wat zomaar had kunnen gebeuren. Eenmaal hersteld werd Koninginnedag in augustus extra gevierd. Pas zeven jaar later werd de troon veilig gesteld dankzij de geboorte van prinses Juliana; een nieuwe impuls voor Oranjeliefde. Zo zoetjes aan raakte Koninginnedag toch ingeburgerd, waarbij de datum een handje hielp, althans voor kinderen. In 1900 was de leerplicht ingevoerd, die het aantal schoolkinderen deed exploderen. Op 30 augustus vierden die kinderen hun laatste vakantiedag en de Oranjeverenigingen stonden dan klaar met allerhande spelletjes. Als kinderfeest sloeg Koninginnedag dus eerst aan.

 

koninginnedag
Koninginnedag 2010 in  Amsterdam. (foto ATCB)


In de jaren die volgden kreeg Wilhelmina zowel te maken met toenemende steun als met openlijk verzet van de zijde van socialisten. Al voor de Eerste Wereldoorlog doopten zij de derde dinsdag van september, dus de traditionele Prinsjesdag, om tot Rooie Dinsdag, en na de wapenstilstand van 1918 volgde de revolutiepoging van Troelstra. Wilhelmina hoefde slechts met haar dochter per koets door de straten van Den Haag te rijden om uitbundig aanhankelijkheidsbetoon te ontlokken. Protestanten namen hierin andermaal het voortouw. In 1910 was er al een Christelijke Bond van Oranjeverenigingen gevormd. Katholieken, anders altijd gretig met de vermelding van hun geloof, durfden het niet aan dit bij de eigen Oranjeverenigingen te doen. Net als liberalen bleven zij in dit opzicht neutraal. Pas in 1952 zou er naast de Christelijke Bond ook een Federatie van Oranjeverenigingen ontstaan, die uiteindelijk in 1995 in de Oranjebond samengingen.

Gegeven de weinig verheffende ervaringen met de drie eerdere vorsten moet onder Wilhelmina het veelgehoorde argument zijn opgedoken dat in Nederland alleen een Oranje de rol van staatshoofd kan vervullen, omdat geen enkele politicus daartoe het niveau zou bezitten - een argument van de perfecte onderdaan. En dan te bedenken dat kwaliteit helemaal geen raison d'être van een monarchie is en dat het koningschap van een individu nauwelijks meer vergt dan gezond verstand, enig plezier in decorum en de bereidwilligheid om zich door iedereen te laten aanstaren. Een koning hoeft ook alleen maar te zijn wie hij is; zijn onderdanen zullen niet gauw een betere uitvoerder eisen, zoals in de normale maatschappij voortdurend gebeurt. Zelfs misdragingen die voor politici onmiddellijk fataal zouden uitpakken, worden vergeven. Kennelijk was de herinnering aan de Republiek al aan het vervagen.

Defilerend volk 

Nadat Juliana in 1948 als koningin was ingehuldigd, werd vanaf het jaar daarop Koninginnedag op haar eigen verjaardag gevierd, 30 april. Tijdens de Bezetting was Oranje een symbool van hoop geworden, en vaderlandsliefde speelde hoog op. De jaarlijkse Dodenherdenking op 4 mei en de aansluitende Bevrijdingsdag, weliswaar een tijd lang facultatief, zorgden samen met de nieuwe Koninginnedag voor een week vol nationaal besef. Juliana bedacht een manier om ook volwassenen bij het feest te betrekken: het defilé op Soestdijk. De inspiratie daartoe ontleende ze waarschijnlijk aan de spontane bloemenhuldes die voor de oorlog al op Soestdijk door buurtbewoners aan haar grootmoeder Emma werden gebracht.

Met Juliana als stralend middelpunt op het bordes beleefde de Nederlandse monarchie haar genoeglijkste jaren. Honderdduizenden geselecteerde landgenoten moeten er langs haar en haar uitdijende familie zijn getrokken, en miljoenen volgden het jaarlijkse spektakel op de televisie. Vanwege alle waardering voor Juliana, die zich gewoon 'mevrouw' liet noemen, kregen meer en meer mensen die dag vrijaf, zodat 30 april tot een feest voor het hele land kon uitgroeien. Een tegengeluid kwam soms nog van socialisten die vonden dat Koninginnedag de 1-meiviering in de weg zat (Nederland is een van de weinige westerse landen zonder officiële Dag van de Arbeid). 

In de provincie bleef het vooralsnog een bescheiden kinderfestijn, met 's ochtends een aubade bij het stadhuis, een programma van koekhappen en zaklopen gedurende de middag en ter afsluiting een lampionoptocht. Op diverse pleintjes werden vervolgens voor oudere kinderen grammofoonplaatjes gedraaid, waarbij zij wat konden dansen.

In Amsterdam ontwikkelde zich na 1966 een meer volwassen variant. In dat jaar vond in de Westerkerk het huwelijk plaats tussen kroonprinses Beatrix en de Duitse diplomaat Claus von Amsberg. Het was een ongelukkige timing. De provo's beleefden het hoogtepunt van hun roem en in een mengeling van anti-Duitse en republikeinse gezindheid werd het feest verstoord met rookbommen en begeleidende opstootjes. Volgende Koninginnedagen waren steevast aanleiding tot stenengooierij en politiecharges midden in het centrum. De reactie van het gemeentebestuur hierop was nogal slim. Op afgelegen plekken in de stad was een traditie gegroeid dat particulieren, vooral kinderen, overbodige spullen voor een habbekrats te koop aanboden, de zogenaamde vlooienmarkten. Amsterdam maakte hiervan een Vrijmarkt, die tot in de binnenstad werd geoorloofd. Dit veroorzaakte jaarlijks een run op de beste plaatsen, waarin ook professionele handelaren zich mengden. Temidden van alle koopwaar en het toegestroomde publiek was het voor relschoppers lastig opereren; zij trokken zich terug. Nog één keer zouden zij op 30 april het centrum veroveren. Dat was in 1980, toen Beatrix in de Nieuwe Kerk werd ingehuldigd.
 

Paraderend Koningshuis


Beatrix zou Koninginnedag andermaal wijzigen. Allereerst handhaafde zij de datum van 30 april, omdat haar eigen verjaardag (31 januari) voor buitenfestiviteiten ongunstig viel. Volgens waarnemers bracht zij hiermee een scheiding aan tussen haar persoon en haar ambt, dat voortaan onderwerp van bejubeling werd. Belangrijker lijkt wat zij deed met het defilé. In de nadagen van Juliana's koningschap was dat een folkloristisch gebeuren geworden, waarvan het dragende deel der natie wegbleef. De Lockheed-affaire rond prins Bernhard had het koningshuis geen goed gedaan en bovendien waren er voortdurend schandaaltjes rond wie er wel en niet aan de optocht mocht deelnemen. Afgezien daarvan vormden voor het paleis de borduursels en andere uitingen van huisvlijt die mensen op de trappen van het bordes plachten neer te leggen, een groeiend logistiek probleem.

Beatrix veranderde hierop het defilé van het volk in een defilé van haarzelf, in de zin dat zij met haar voltallige familie jaarlijks een of meer plaatsen bezoekt, waar het feest al gaande is. Beatrix gaat dus naar de mensen toe, in plaats van vice versa. Dat is wezenlijk democratischer, al rees er nimmer een misverstand over de onderlinge verhoudingen, want Beatrix haalde ter compensatie de aanspreektitel majesteit ('verhevene') weer van stal.  

Met het jaarlijkse defilé van de Koninklijke Familie werd Koninginnedag een feest van verwachting, vergelijkbaar met Sinterklaas. Allereerst was er het vraagstuk of de familie al dan niet kwam; vervolgens of zij zomaar voorbij zou lopen aan degenen die met hoelahoepen en koekhappen bezig waren. Met name de jonge prinsen en hun echtgenotes bleken dikwijls bereid tot deelname aan de spelletjes, met Beatrix in de rol van toekijkster, innig verbonden met het publiek. Bij Juliana had het passerende publiek slechts kunnen zwaaien in diverse stadia van verzaliging.

De nieuwe formule van Beatrix past wonderwel binnen de huidige massacultuur, die mensen lijkt te verdelen in sterren en fans, waarbij de laatsten mogen hopen op een moment van glorie door even in de nabijheid van een ster te verkeren. Karaoke en look-a-like contests zijn andere uitdrukkingen van die hoop. De Oranjes gaven zelfs het idee dat iedereen van koninklijke bloede kon worden, want in weerwil van hun eerdere gedragslijn trouwden alle prinsen met burgermeisjes, van wie er eentje zelfs te boek staat als Prinses Rijtjeshuis. Deftige lieden vroegen zich bezorgd af of de Oranjes hiermee nog deftig genoeg waren, en het leek ook een gewaagd experiment: geen ander vorstenhuis had zich zozeer losgezongen van de adel, en zou het publiek een lekenmonarchie wel pikken? Het feit dat mensen sinds de deconfessionalisering al in de rij staan voor een handtekening van een televisiepresentator had deze angst in de kiem kunnen doen smoren. Dat de adel ten hove niet langer reçu is, lijkt zelfs een slimme zet, want hoe inconsequent het in dit verband ook moge klinken, Nederlanders bezitten au fond een egalitair wereldbeeld. Een kordon aristocraten rondom de troon had misschien wel die troon in gevaar gebracht. Los van dit alles was afstamming alleen van belang toen de monarch nog reële macht bezat en zich op iets extra's moest kunnen beroepen om zijn wil door te drukken. Voor de huidige symboolfunctie telt vooral aanstekelijke herkenbaarheid.

En hieraan voldeed het Huis van Oranje juist beter dan ooit. Juliana had altijd eenvoud en amodieusheid uitgestraald; zij was zelfs verlegen, waarmee zij overigens onfortuinlijke landgenoten veel troost bood. Onder Beatrix veroverde glamour het hof. In navolging van haar verschenen alle nieuwe prinsessen in haute couture en presenteerden zij zich met een wereldse vlotheid die aan RTL-Boulevard doet denken. Wel spraken zij allemaal bekakter dan Juliana, vermoedelijk om zich enigszins van gewone mensen te blijven onderscheiden.     

Er was nog een ander element dat de hedendaagse versie van Koninginnedag vleugels gaf. De Amsterdamse vrijmarkt was zo'n doorslaand succes dat zij in het hele land werd gekopieerd. Ook in gemeenten waar de Koninklijke Familie niet opdook ontstond hierdoor een drukte van belang. In plaats van een kinderpartijtje werd het een festijn voor het hele gezin, dat ook socialisten zich niet lieten ontzeggen. De vrijmarkten gaven zelfs aanleiding tot een nieuw verschijnsel: Koninginnenacht, of Koninginnenag, zoals ze in Den Haag zeggen. Om van de beste verkoopplekken verzekerd te zijn namen mensen de avond tevoren die al in beslag. Op deze wachtende schimmen kwamen weer adolescenten af, die met een voorfeest begonnen.

Amsterdam, die oude republikeinse stad, werd het zwaartepunt van de nationale viering. Volgens kenners werd dit pleit definitief beslecht in 1989, het jaar nadat Nederland Europees voetbalkampioen was geworden, wat tot dolenthousiast oranjevertoon had geleid tijdens een boottocht van het team door de grachten. Het Amsterdamse stadsbestuur deed er nog een schepje bovenop door naast de vrijmarkt ook openluchtconcerten te organiseren. Van heinde en verre stroomde sindsdien het publiek toe. Het aantal van een miljoen bezoekers is al eens gehaald, wat tot een totale chaos op het Centraal Station leidde. Maar geen feestneus lijkt zich hierdoor te laten weerhouden.

Sinds 1996 kent Nederland een Republikeins Genootschap, waarvan tweehonderd invloedrijke intellectuelen lid zijn; daarnaast bestaat een Nieuw Republikeins Genootschap met enige duizenden leden van geringer statuur - een feodale indeling waarvan de initiatiefnemers zich niet bewust lijken te zijn. Hiermee is de oppositie tegen de monarchie in decennia niet zo hecht georganiseerd. Toch is het Koningshuis gewilder dan ooit. Met name in linkse kring hebben zich wonderbare bekeringen voorgedaan. Een daarvan betrof Andrée van Es. Als fractievoorzitster van de PSP bleef zij tijdens de troonrede nog principieel weg uit de Ridderzaal; als ambtenaar nam zij persoonlijk de inburgering op zich van de bruid van kroonprins Willem Alexander, de Argentijnse Maximà Zorreguita, wier vader nota bene betrokken was geweest bij het verderfelijke Videla-regime.

Wat heeft linkse mensen tot deze levensbeschouwelijke ommezwaai gedreven? Moet Oranjeliefde tegenwicht bieden aan de Europese eenwording en de instroom van exotische nieuwe Nederlanders? Vreemd is ook dat in de discussies de hoge kosten van de Nederlandse monarchie zelden meer een rol spelen, al zal iedere republikein moeten erkennen dat die ruimschoots worden gecompenseerd. Immers, ook in oude republieken leeft de heimelijke verering voor koningen. Niemand kan daar makkelijker deuren voor Nederlandse bedrijven en instellingen openen dan een Oranje en dat betaalt zich fors uit. Een ander argument dat geen enkele republikein kan negeren, mits het omgekeerde niet juist aan de hand is, levert de socioloog Gabriël van den Brink: 'Een koningshuis bindt een land veel sterker dan een gekozen staatshoofd, zeker in tijden van crisis'.     

Het mag al met al niemand verbazen als na de troonsbestijging van Willem Alexander de huidige Koninginnedag gehandhaafd blijft, inclusief de naam, ditmaal ter ere van koningin Maximà, inmiddels de populairste 'royal'. Dat zij dat geworden is, zegt iets over haar, maar nog meer over het publiek. Vorige generaties Nederlanders zouden iemand als zij van veel te laag allooi hebben beschouwd en van een pijnlijke mesalliance hebben gesproken. Nu oordeelt men juist dat Willem Alexander met haar in zijn handjes mag knijpen, omdat zij mondainer oogt. De democraterisering is er dus wel, maar tot aan het hek van Noordeinde, - en waarschijnlijk daarbinnen; een ingewikkeld geheel. 

 

koninginnedag_2
Koninginnedag 2010 in Amsterdam. (foto ATCB)

Na de Apeldoornse aanslag van 2009, waarbij een verdwaasde sukkel inreed op de koninklijke stoet, ook een vorm van democratisering, zal de viering wel soberder worden. De viering begint trouwens zelf tekenen van overstretch te vertonen. Net als in het gewone verenigingsleven het geval is kampen ook de 350 Oranjeverenigingen in het land met een groeiend tekort aan vrijwilligers, en in 2011 zag een zakenman uit Lienden zich al gedwongen Poolse werknemers in te huren om de voorzieningen tijdens het feest op peil te houden. Cultuurhistoricus Herman Pleij sprak desgevraagd zijn afkeur uit over deze commercialisering, maar de vraag is interessanter: hoeveel zakenlieden zouden er bereid zijn om voor Koninginnedag hun portemonnee te trekken?

 

* Ter oriëntatie: in de eerste papieren editie van dit boek uit 1981 besteed ik geen enkele aandacht aan Koninginnedag. Waarom niet? Omdat het feest totdan een marginaal gebeuren was voor abonnees van het blad Vorsten en kleuters die onder leiding van hun juf 's ochtends bij gemeentehuizen een aubade brachten. De ommekeer naar een massaal feest begon achteraf in genoemd jaar, en wel in Amsterdam, als reactie op de in veler ogen schandalige 'kroningsrellen' door krakers rond de inhuldiging van Beatrix op 30 april 1980.   

** Naschrift 2 mei 2012: www.prinsjesdag2011.nl en www.koninklijkhuis.nl melden dat de benaming Prinsjesdag pas sinds 1930 voor de opening van de Staten-Generaal geldt. Dat is echter fout. In het dagelijks spraakgebruik was die benaming al gangbaar sinds het midden van de negentiende eeuw, zoals een bezoek aan www.kranten.kb kan leren. Ik ben benieuwd hoe lang deze verkeerde informatie op de genoemde sites blijft staan.  


terug naar boven