In de negentiende eeuw is een discussie gevoerd tussen christenen en joden over de herkomst van Luilak. Christelijke geleerden stelden dat die was gelegen in het Joodse Leilachfeest, het feest der eerstelingen, aan de vooravond waarvan offers aan Jahweh worden gebracht. Joodse geleerden daarentegen beweerden dat de christelijke eredienst rond Pinksteren, waarbij de luidruchtige uitstorting van de H. Geest wordt gevierd, de bron moest zijn.
Kortom, men gaf elkaar de schuld. Niemand wilde de verantwoordelijkheid nemen voor de wandaden die tijdens Luilak werden gepleegd. Welnu, het feit dat de oorsprong niet ondubbelzinnig valt aan te geven, zegt genoeg. Feesten als Luilak zijn heel algemeen. Tot in de eerste helft van de vorige eeuw bestonden er in Nederland diverse uitvoeringen van.
Vroeg opstaan, 's ochtends niet als laatste komen, was in Noord-Limburg geboden op de kortste dag van het jaar, 21 december: langslapers werden naar de heilige vernoemd die dan in de katholieke kerk wordt herdacht, de apostel Thomas.
De jongen die in Brabant op de laatste dag van het jaar, Sint Silvester, als laatste op school kwam, heette Paus Silvester en moest trakteren. In het Hoge Land van Groningen werd de luilak van Goede Vrijdag voor 'poaskai' (paasei) uitgescholden. In Rodeschool kreeg op die dag het 'aaskejong' van zijn medeleerlingen een zak met as op zijn rug gebonden, waarop met stokken werd geslagen. En in Loppersum, Gelderland, werd de luilak op een plank rondgedragen en een serenade van ketelmuziek gebracht.
Op 1 mei waren in het Overijsselse Genemuiden in alle vroegte horden jongens op zoek naar luie mottes, luie varkens. In het Friese Makkum was de 'pinksterbloem' op de ochtend voor Pinksteren de beklaagde. En op Pinkstermaandag was in Drenthe de koejongen die als hekkensluiter in de wei verscheen de 'nustkook', de treuzelaar; hij werd met brandnetels en bremtakken gemept.
Van al deze langslapergebruiken is alleen de Luie Motte in Genemuiden overgebleven. Dat is te zeggen: het feest heeft zijn plaats binnen de lokale folklore gekregen. Jaarlijks op 1 mei worden vier of vijf kleuters door iets oudere kinderen op versierde ladders gezet - als lichtere stand in fungeert soms een pop - en naar het huis van de burgemeester gedragen. De Stichting Vrienden van Oud-Genemuiden zorgt voor de prijzen.
Maar ook Luilak is in de loop der tijd veranderd. Allereerst is het een aangelegenheid voor kinderen geworden. Zo zijn er in de zeventiende eeuw nog meldingen van complete vechtpartijen tussen mannen. Van de negentiende eeuw zegt Ter Gouw dat de arbeider, de koopman en de dienstmaagd die als laatste op het werk verschenen slechts een borreltje of een glas lavas of anijs dienden weg te geven. Ook binnen het gezin kon een volwassene toen nog de luilak zijn: hij moest trakteren op 'luilakbollen', warme bollen met stroop.

Vervolgens verdween de individuele langslaper geleidelijk uit beeld. In Haarlem en omstreken zeulden iets meer dan een eeuw geleden jongens nog met een 'klisseboer' rond, een laatkomertje, bedekt met kleverige bloempjes, dat aan het slot in een sloot werd gesmeten. Dat laatste gebeurde vaak. 'Luilak, beddezak, staat om negen uren op , negen uren, half tien , dan kan men de luilak zien', en hup, ging het langslapertje het water in. Aan de Zaan gebruikten ze rond 1895 een korrie, een wagentje, volgeladen met brandnetels, om de luilak te vervoeren. Slapende burgers werden evenmin ontzien. Er werd op ramen gebonkt en aan de deurknoppen werden dode katten, ratten of kikkers geknoopt, vooral bij notabelen, omdat het verwijderen ervan soms een fooitje opleverde.

Al heel vroeg zijn er pogingen in het werk gesteld om deze persoonlijke Luilakviering te voorkomen. Haarlem heeft wellicht in 1890 de primeur gehad met een bloemenmarkt in de nacht van vrijdag op zaterdag. Elders regelde de overheid grote vuren, optochten en muziekuitvoeringen. Aangenaam vermaak moest de jeugd ervan weerhouden de burgerij te storen. Dit had zeker effect, want het luilakgebied werd steeds kleiner. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw werd Luilak nog gevierd in de hele kuststrook tussen Texel en Delft; na 1945 slechts in Amsterdam, de Zaanstreek en enkele dorpen rond Breda.
Maar ook binnen dat restgebied werd Luilak bestreden. Op een gegeven moment werd de politie ingezet tegen het vuurtje stoken, lawaai schoppen en tegen de schermutselingen die tussen jongeren uit verschillende buurten plaatsvonden. En zoals dat dan gaat, toen is zij het voorwerp van viering geworden. Vandalisme kreeg de overhand, en in plaats van de buurt te pesten werden agenten gepest. Snel kwam de overheid met nieuwe afleidingen tijdens de kritische uren: gratis filmvoorstellingen, popconcerten, een matineus voetbaltoernooi. En vuurtje stoken mocht wel, maar dan moest daar eerst een vergunning voor worden aangevraagd. In de Zaanstreek werd de jeugd helemaal ingepakt. Alle kinderen die in 1999 aanwezig waren bij een luilakvuur kregen een braafheidcertificaat met de tekst: 'Ik ben een echte luilakvierder'. Een jongetje van twaalf werd uitgeroepen tot de beste vierder van allemaal, omdat hij na afloop meehielp de rotzooi op te ruimen...
Hoewel er hier en daar nog steeds vernielingen en brandjes met Luilak plaatsvinden, neemt de belangstelling ervoor nu snel af. Luilak is folklore geworden, waarvan winkeliers de rudimenten exploiteren. Zo is de luilakkorting en de luilakkoffie voor vroege bezoekers van de meubelboulevards in korte tijd een begrip geworden. Het is niet alleen dat gemeenten en opbouwwerkers Luilak zijn aantrekkelijkheid hebben ontnomen, een factor is ook geweest dat de buurten waar de viering het langst stand hield inmiddels een andere etnische samenstelling hebben gekregen. Dat autochtone jongeren Luilak niet hebben meegenomen naar hun nieuwe woongebieden, heeft te maken met het feit dat zij, met instemming van hun ouders, hun lolletjes niet langer zoeken in de vroege ochtend maar in de late nacht, als er heel wat meer te beleven is.

Dezelfde ontwikkeling valt te constateren bij dauwtrappen of hemelvaren. Ooit was het een algemeen gebruik om op de eerste zondag van mei of op Hemelvaartsdag met blote voeten in de dauw te lopen; men meende dat daar een heilzame werking vanuit ging. In Amsterdam, de Zaanstreek, Friesland en Overijssel kwam dauwtrappen na de oorlog nog voor, al hield men daarbij zijn schoenen aan en ging het louter om de sportieve wandeling. Tegenwoordig wordt dauwtrappen alleen door natuurorganisaties gepropageerd, zonder dat het aan een speciale dag wordt verbonden.