Aan het begin van de twintigste eeuw was, aldus een liefhebber van folklore, de viering van Driekoningen in 's-Hertogenbosch 'gedegenereerd tot een zeurig bedelen van drenzende arme kinderen uit de sloppen en de steegjes'. Enkele notabelen ter plaatse ondernamen in 1924 een poging aan deze 'vodderige schooipartijen van bedenkelijk allooi' een einde te maken. En met succes. Op of omstreeks 6 januari trekt sindsdien jaarlijks vanaf het stadhuis een optocht met honderden 'koninkjes', begeleid door echte schapen, naar de Sint-Janskathedraal. Voor de mooiste koninkjes is er een prijs.
Ook in Tilburg is zo'n ingreep gepleegd. Ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard op 7 januari 1937 nodigde de lokale Oranjevereniging de jeugd uit om daags tevoren verkleed en wel voor een jury te verschijnen en Driekoningenliedjes ten gehore te brengen. Tilburg kent hierdoor zelfs nog het fenomeen van zangertjes die langs de deuren trekken. Samen met 's-Hertogenbosch is zij nu dé stad in Nederland voor Driekoningen, al hebben Weert en Maastricht inmiddels weer een Driekoningenstoet op het programma staan. Maar dit zijn de resten van wat ooit een groots landelijk feest is geweest.
Zuiver christelijk
Driekoningen was in Europa gedurende de Middeleeuwen belangrijker dan Sinterklaas, die immers uitsluitend voor de jeugd reed. Sterker nog, in sommige landen is het sinterklaasfeest opgegaan in Driekoningen. In Spanje bijvoorbeeld zijn de dag ervoor overal optochten met Los Reyes Magos te paard en een groot gevolg van prinsen en prinsessen. Zij werpen snoepgoed naar de kinderen, waarvoor zij mandarijnen, cognac, walnoten en water terugkrijgen. Een postwagen aan het eind haalt brieven van de kinderen op met hun cadeauwensen, die zij de volgende dag al dan niet vervuld zien in een schoen onder de kerstboom. In Italië zetten kinderen dan eveneens hun schoen, maar hier is het een lelijke heks die de geschenken rondbrengt, La Befana, van wie wordt gezegd dat zij geen tijd had gehad om de drie koningen te ontvangen en als straf zelf naar het kindje Jezus op zoek moest gaan, - wat ieder kind kan zijn, vandaar de cadeautjes. Ook in Oosteuropese landen en Frankrijk wordt Driekoningen nog volop gevierd. In Duitstalige bergstreken is het gebruik om dan het huis opnieuw te laten wijden, want geen wijwater zou krachtiger zijn dan dat van deze dag. Op de deurlijst wordt die wijding genoteerd met krijttekens: links en rechts het samengestelde jaartal en daartussen de letter CMB - Christus Mansionem Benedicat.

Hoe merkwaardig is het intussen niet, dat de drie koningen nooit hebben bestaan. De evangelist Mattheus sprak van 'wijzen uit het oosten', die naar Bethlehem kwamen om Jezus te aanbidden. Als geschenk hadden zij volgens hem goud, wierook en mirre bij zich, en daaruit is later afgeleid dat zij met z'n drieën waren. In de derde eeuw werd dit drietal tot koningen gepromoveerd, hoewel de bijbel nog steeds spreekt van 'wijzen'; vandaar ook dat de uitdrukking 'drie wijzen uit het oosten' tot in onze tijd rondgaat. Weer een eeuw later, in 325, vond de moeder van Constantijn de Grote hun veronderstelde resten in Palestina en nam die mee naar Italië. In dezelfde eeuw werd de geboorte van Christus op 25 december geplaatst en kwam Driekoningen op 6 januari te staan, op 'dertiendag', een benaming die nu nog in Vlaanderen geldt. Aanvankelijk stond op die datum de doop van Jezus centraal, of meer in het algemeen zijn verschijning als Godheid (Epiphanie) - want op 6 januari zorgde hij ook voor zijn eerste wonder, de broodvermenigvuldiging op de bruiloft van Kana.
Tijdens de kerstening werd de onderwerping van de heidense koningen aan Jezus benadrukt. In de achtste eeuw kregen zij namen, leeftijden en een herkomst toegeschreven: de grijsaard Melchoir kwam uit Europa, de jeugdige Caspar uit Afrika en de volwassen Balthasar uit Azië. Hiermee kon de missionering naar alle, toen bekende werelddelen aanvangen. Hun verering werd in Europa een rage toen Frederik Barbarossa in 1164 hun relikwieën als oorlogsbuit van Milaan naar de Dom van Keulen overbracht. In ons land viel de datum van het feest meteorologisch ook op een goed moment, zoals af te leiden valt uit de volkswijsheid: Als driekoningen is in 't land, komt de vorst in 't vaderland.
Driekoningen als spel
Rond de kerkelijke viering ontstonden al vroeg wereldse rituelen, die door de zeventiende-eeuwse schilder Jan Steen maar liefst vijftien keer zijn verbeeld, een indicatie voor hun betekenis. Het koningsspel was het vermaardst. Hierin werden bestaande maatschappelijke verhoudingen geparodieerd, net als tijdens de befaamde Saturnalia in de Romeinse tijd gebeurde, waaraan de regels waarschijnlijk ook zijn ontleend. De koning werd aangewezen middels lootjes met personages erop, die te zamen een hele hofhouding vormden: van secretaris tot zottin, van voorproever tot speelman. Al vanaf de zestiende eeuw waren hiervoor voorbedrukte exemplaren in de handel (evenals van papieren kronen). Een zang-, eet- en drinkgelag vormde het voornaamste bestanddeel van het spel. De kreet 'De koning drinkt', een rechtstreekse verwijzing naar de rex bibendi (drankenkoning) van de Saturnalia, was steeds de aanleiding voor een gezamenlijke toast. Verder had iedereen zijn rol naar behoren te vervullen, zo niet dan kreeg hij een veeg roet over zijn gezicht of verbeurde hij een pand.
Het koningsspel was bestemd voor volwassenen en voltrok zich in huiselijke kring, in kloosters en tijdens gildenbijeenkomsten. Een eenvoudige variant leverde louter een koning op en was tevens voor kinderen geschikt: het driekoningenbrood, met daarin een boon die de vinder tot koning van de dag verklaarde. Desgewenst kon de koning een koningin kiezen, die dan op haar beurt bijvoorbeeld een zottin koos en zo verder. In Nederland behelsde dat brood niet meer dan een tulbandcake of zelfs een koek; elders werd er meer weer werk van gemaakt. Frankrijk kent een heuse taart: de frangipane, gemaakt van bladerdeeg en amandelcréme. De boon is daarin op z'n minst een amandelnoot maar liever nog een wisselend stenen figuurtje, waarop verzamelaars azen.
Louter voor kinderen was er het zogenaamde kaarsjesspringen. Dit hield precies in wat het woord aangeeft: drie brandende kaarsjes op de vloer, één kon ook, en dan eroverheen huppelen zonder dat ze uitgingen of omvielen. Onschuldige kindertijden. Bij het huppelen kon een versje worden opgezegd als: Kaarsje, kaarsje, drie aaneen, Springen wij er overheen, Al wie daar niet over kan, Over dat kaarsje, over dat kaarsje, Die weet er niemandal van.
|
|
Volwassenen en kinderen gezamenlijk waren weer betrokken bij het sterrezingen. Uitgedost als Caspar, Melchior en Balthasar trokken zij met een ster van Bethlehem op een geheven stok zingend langs de huizen om een aalmoes te krijgen. Oorspronkelijk zou dit gebruik door koorknapen beoefend zijn, die een algemeen doel dienden, want Driekoningen was tevens een liefdadigheidsfeest voor armen en bedienden. Vanaf de zeventiende eeuw, aldus Ter Gouw, begon het 'gemene' volk echter de ster ten eigen bate te hanteren. De liedjes die daarbij werden gezongen lieten aan duidelijkheid niets te wensen over: Wij komen je dertienavond bezoeken, Heb je geen wafels of pannenkoeken? Een, twee, drie in 't boterpateel, Mensen, geeft ons ons aandeel.' Of: Wij zijn driekoningen, wij zoeken geen kind, Maar een teugsken Lovens, dat ons beter dient, Kaves of Lovens bier, En daarom komen wij hier.
In een protestants land
De Reformatie opende de aanval op het feest. Op de Dordtse synode van 1574 besloten calvinisten slechts Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Hemelvaart als feestdagen aan te merken, Driekoningen niet. Vanaf de kansel werden voortaan de 'dertelheyt', de 'clapperijen' en de 'overwillicheyt' bestreden, die Driekoningenvierders aan de dag legden. Deze preken hadden niet direct succes, want nog in achttiende eeuw kon de etser Cornelis Troost het wereldlijke Driekoningenfeest in Noord-Nederland op een prent vastleggen.
Een grotere bedreiging vormden de keuren die steden begonnen uit te vaardigen tegen de sterrezangers, de koningsprenten, de koningskaarsjes en zelfs het huiselijke koningsspel. In 1745 trad het protestantse stadsbestuur van 's-Hertogenbosch op tegen 'verligte machines' en 'representeerende starren' van Driekoningenlopers, met het doel om de katholieke inwoners van de stad hun plaats te wijzen. Volgens de journalisten Willem Spapens en Piet Horsten danken we aan deze gebeurtenis een variant op het slot van het beroemde lied: Driekoningen, Driekoningen, Geef mij een nieuwe hoed, Mijn oude is versleten, Mijn moeder mag het niet weten, Mijn vader heeft 't geld, Op de rooster neergeteld (oftewel verbrast). In de vrijpostige versie werden de laatste twee strofen veranderd in: Mijn vader is niet thuis, Piep, zei de muis in het voorhuis. De hoed refereerde aan het gebruik dat lagere bedienden nieuwe hoeden ontvingen van de stedelijke overheid, en Piper was de naam van de Bossche schepen die de maatregel had bedacht.
Door al deze tegenkanting werd Driekoningen gaandeweg een aangelegenheid voor katholieken, zij het dat op die dag ook protestanten hun kerstversiering zijn blijven opruimen. In Amsterdam verdwenen de sterrezangers aan het begin van de negentiende eeuw. Prenten voor het koningsspel werden in die stad nog tot aan het begin van de twintigste eeuw gedrukt, maar het spel zelf zal er eerder zijn uitgestorven. In Brabant, Gelderland, Limburg en op het platteland van Noord-Holland hield, althans onder kinderen, het animo voor het driekoningenbrood en het sterrezingen langer stand, bij welk laatste wel de brandgevaarlijke ster op een stok vervangen werd door Japanse lampionnen. In 1923 bracht nota bene de katholieke Kerk het feest een zware klap toe door het als verplichte feestdag af te schaffen. Precies een jaar later begon in 's-Hertogenbosch het bescheiden reveil...
Landelijke spreiding buiten de kerk kent het feest nu alleen nog in de antroposofische Vrije Scholen, die de ster van hun kersstal zelfs langer laten hangen: tot Maria Lichtmis op 2 februari, als Maria volgens voorschrift na veertig dagen met een lichtcelebratie gereinigd wordt van de bevalling van Jezus Christus.