Martinus, als Romeins ruitersoldaat gelegerd in het huidige Frankrijk, was weliswaar vernoemd naar de oorlogsgod Mars, maar stond bekend om zijn goedgevigheid. In Amiens had hij eens geen geld voor een halfnaakte bedelaar die bij de stadspoort zat te verkleumen en hij kliefde ten behoeve van de man spontaan zijn rode krijgsmantel in tweeën. Die mantel behoorde voor helft aan de keizer en voor de helft aan hem, en dat deel schonk hij weg. In een droom 's nachts meldde Jezus hem dat hìj die bedelaar was geweest. Martinus nam ontslag uit het leger en stichtte in het jaar 370 bij Poitiers de eerste kloostergemeenschap van het Westen. Hoewel berucht om zijn rauwe gedrag werd hij het jaar daarop door de bevolking tot bisschop van Tours gekozen, in welke rol hij krachtig maar vredelievend heidendom en ketterij bestreed: 'Milde Maarten'. Hij stierf aan koorts in 397, ongeveer tachtig jaar oud, en werd begraven op 11 november, wat sinds zijn heiligverklaring in de vijfde eeuw zijn officiële gedenkdag is.
Sint Maarten was de eerste heilige die niet tegelijk martelaar was; het soort sint dat pas opkwam nadat Keizer Constantijn de Grote een eind aan de vervolging van christenen had gemaakt. Ook was hij een echte volksheilige: een weldoener die sober leefde en tolerant was, in tegenstelling tot de praalzucht en hiërachie bij het Vaticaan. Zijn verering verspreidde zich na zijn dood snel over Europa. Hij werd uiteraard schutspatroon van bedelaars, maar ook van kinderen, herders, vee, wijnbouwers en dronkaards, mits bekeerd. In Nederland zijn enkele van de vroegste kerken aan hem gewijd, idem dito het bisdom Utrecht, lange tijd het enige van het land. De stad Utrecht heeft hem zelfs als beschermheilige en de plaatselijke Dom bezit een van zijn botten als relikwie. Het Utrechts stadswapen, waarmee zelfs de F.C. is getooid, is hierom ook rood/wit: rood vanwege de mantel van Sint Maarten en wit vanwege zijn ondergoed dat bij het klieven van de mantel werd onthuld. Het feest rondom hem, dat gedurende de Middeleeuwen populairder was dan Sinterklaas, kwam spoedig op straat terecht en zou daar in hoofdzaak blijven.

Jan ter Gouw citeert een keur uit Dordrecht waaruit blijkt hoe het feest in 1443 werd gevierd. 'Jonge boefkens' hadden op de avond ervoor 'veel onredelikheden' bedreven door op de straten Sint-Maartensvuren te stoken, waartoe zij zitbanken, deuren en uithangborden bij huizen in de omgeving hadden afgebroken en aldus 'den luden' veel schade hadden berokkend. Er werd met zware straffen gedreigd.
In Utrecht oogt in diezelfde periode de viering vreedzamer. De hele stad was verlicht met brandende fakkels en op de stadspleinen danste men rond vuren. Armen kregen van stadswege brood en penningen uitgereikt. Kinderen trokken met fakkels langs de huizen om kastanjes, amandelen, appels en mispels op te halen, die in een 'schuddekorf' boven een vuur werden geroosterd en vervolgens voor grijpgrage handjes werden uitgeschud. Aldus werd de heilige ook elders herdacht, meestal begeleid door markten of kermissen. Zelfs Sint-Maartens translatie op 4 juli, de dag dat zijn sarcofaag naar de basiliek van Tours werd overgebracht, was onderwerp van viering.
Hoewel in aanleg een zuiver religieus feest, sloeg Sint-Maarten extra aan, doordat het samenviel met de landbouwcyclus. Het vee staat tegen die tijd op stal en de meeste buitenwerkzaamheden voor boeren lopen ten einde; hun 'winterslaap' begint. Tegelijk rijpt het most tot wijn ('Sint Martijn, Sint Martijn, 't Avond most en morgen wijn'). Dit gaf aanleiding tot een Sint-Maartensdronk, die in de Lage Landen meestal gekruide bisschopswijn betrof. Ter aanvulling diende een Sint-Maartensgans. November was immers tevens slachtmaand en de gepilde ganzen waren dan op hun vetst. Ganzen speelden toch al een prominente rol in het leven van de heilige. De legende wil dat Martinus zichzelf onwaardig voor het ambt van bisschop achtte en zich daarom voor de bevolking schuil hield in een ganzenhok, waar hij onmiddellijk werd verraden door al het gesnater. In de iconografie van Sint Maarten figureren die ganzen ook herhaaldelijk, hoewel de gekliefde mantel favoriet blijft.
De katholieke kerk gaf Sint-Maarten in de Middeleeuwen nog meer gewicht door op 11 november een veertigdaagse vasten in te stellen; in de 'elfde van de elfde' van de carnavalsviering klinkt dit nog door. Sint-Maarten ging hierdoor fungeren als een Nieuwjaarsdag, die werd aangegrepen om pachten af te rekenen en personeel in te huren. Boeren vierden Sint-Maartensavond ook lange tijd uitbundiger dan Oud en Nieuw.
De Reformatie sloeg nauwelijks een bres in de populariteit van Sint-Maarten. Het feit dat zijn naamgenoot Maarten Luther, op 10 november geboren, speciaal op diens feestdag was gedoopt, droeg hiertoe bij, maar de heilige behield ook de status van volksheld. Predikanten vonden pas een klankbodem voor hun stille moraal toen in de achttiende eeuw een nieuwe burgerlijkheid kwam opzetten. De meest bevindelijke provincies, Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht, konden in korte tijd van de viering worden losgepraat. Elders werd Sint-Maarten een aangelegenheid voor jongeren, omdat de armen, voor wie het feest was opgezet, inmiddels regelmatig bijstand genoten. Tegelijk kwam er meer regulering. Vanwege het brandgevaar werden de Sint-Maartensvuren waar dat kon verboden; uit de meeste steden waren ze eind achttiende eeuw verdwenen. De brandende fakkels, waarmee rivaliserende jeugdgroepen soms hele 'fakkelgevechten' hielden, zullen voordien al zijn vervangen door uitgelepelde bieten en rapen met een kaarslichtje erin; in later tijden opgevolgd door papieren lampions uit Japan.
|
Sinter, Sinter Maarten
De kalvers dragen staarten
De koeien dragen horens
De kerken dragen torens
De torens dragen klokken
De meisjes dragen rokken
De jongens dragen broeken
Oude wijven schorteldoeken.
Langzaam gezongen en zonder een speciale boodschap gaf dit lied volwassenen ampel gelegenheid om achter in het huis snoep of een muntstuk te gaan halen. Overigens trokken de kinderen vroeger niet in kleine groepjes rond maar in hele 'lichtoptochten'. De Duitse volkskundige Moser verwijst hiervoor naar Lukas 11:33, waarover op 11 november werd gepreekt: 'Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op een standaard, opdat wie binnentreden het licht zien'.
Tegen het eind van de negentiende eeuw raakte de schwung uit het feest. Sint-Maarten ondervond geleidelijk meer concurrentie van Sinterklaas, die de giften thuis kwam afleveren. Venlo kende wel een huiselijke Sint-Maartensviering, met een verklede Sint Maarten die eenmaal binnen appels en noten rondstrooide. Verklede Sint Maartens worden uit meer plaatsen gemeld, maar in de huizen drongen zij niet door, terwijl huiselijke feesten juist steeds belangrijker werden. Rijke mensen zagen het eerst af van verdere deelname: zij vonden het gebedel niet gepast voor hun kinderen. Dat ook veel katholieken een reserve ervoeren, leert het overzichtswerk De feestvierende Katholijke Kerk in Nederland uit 1863, waarin Sint-Maarten helemaal niet voorkomt.

Zo langzamerhand beperkte het feest zich tot Holland boven het IJ, de drie noordelijke provincies en midden-Limburg. Een geheel eigen variant ontwikkelde zich op Vlieland, waar het Sint-Maartenslopen op 2 november plaatsvindt en Pierepauwen heet ('Piere, pierepauwen, Jongens en meisjes gaan trouwe, Jongens met een wit overhemd aan, Meisjes met korte mouwe'). Het is een raadsel waar de term Pierepauwen vandaan komt.
Een stimulans voor Sint-Maarten leverde de wapenstilstand op 11 november 1918 op, waarmee een eind kwam aan de Eerste Wereldoorlog. In de jaren dertig hielden ettelijke comités vredesdemonstraties met Sint-Maartenlichtjes. Eerder raakten linkse en rechtse mensen behept met het ideaal van volksheid, waarin ook het lichtjeslopen paste, al werd dat bij voorkeur in georganiseerd verband gedaan, met prijzen voor de mooiste lampions. Na de Tweede Wereldoorlog waren het katholieke organisaties als het Jongensgilde en Jong Nederland, die in Limburg een levende Sint Maarten introduceerden en voor Sint-Maartensvuren zorgden, naar analogie van het aangrenzende Rijnland.
De jaren zeventig en tachtig, toen tradities door veel mensen bijna als een ziekte werden ervaren, zorgden andermaal voor een dip. Alleen in de zogenaamde kerngebieden, die in feite restgebieden zijn, handhaafde de viering zich. Er diende zich bovendien vanuit Amerika een concurrerend feest aan, Halloween op 31 oktober, waarbij groepjes kinderen eveneens langs huizen trekken, zij het met horrorsymbolen, want Halloween is de Angelsaksische versie van de katholieke dodenherdenking Allerzielen. Nog voordat Halloweenlopers en Sint-Maartenlopers elkaar in de haren konden vliegen, werd de strijd in het voordeel van de laatsten beslist. Volgens de volkskundige John Helsloot kwam de ommekeer eind jaren negentig. Antroposofische scholen, die zich in de geest van Rudolf Steiner altijd al bezighielden met rituelen rond licht en donker, waren steeds populairder geworden en gaven Sint-Maarten in de grote steden een injectie. In nieuwbouwwijken als IJburg bleken de optochtjes van kinderen bovendien de saamhorigheid te bevorderen, al deed zich daarbij weleens het probleem voor dat Marokkaanse jongeren hun buit stalen. En in hele korte tijd verschenen weer overal Sint-Maartenzingers, ook daar waar ze allang waren uitgestorven. Inmiddels zijn de eerste allochtone deelnemers gesignaleerd en minstens zo opvallend: in meer huizen wachten mensen met snoepgoed dan er wordt aangebeld.
Aardige site met uiteenlopende informatie: http://sintmaarten.tochgevonden.nl