Americana
De Verenigde Staten hebben de gewone man en vrouw als held ontdekt, in plaats van als slachtoffer, wat in Europa eeuwenlang de heersende opvatting was. Logisch dat daar allerlei rituelen rondom het individu hun oorsprong vinden die internationaal opgang hebben gemaakt. Een van de eerste succesvolle exportproducten op dit vlak was Moederdag, al had die eerdere edities. Zo viert het Verenigd Koninkrijk al sinds de zestiende eeuw een Mothering Day, op de vierde zondag in de vasten, ook wel Laetare Sunday geheten (Halfvasten Zondag). Jongeren die als knecht of dienstmeisje elders werkten, keerden dan terug naar hun moederkerk, en dat werd aanleiding voor een bezoekje aan hun moeder; vandaar het werkwoord 'moederen' in de benaming. De huidige Moederdag heeft zelfs een directe voorganger gehad: in 1870 riep Julia Ward Howe, rechter in Philadelphia, alle moeders ter wereld op eenmaal per jaar hun stem te verheffen terwille van de wereldvrede, maar daartoe waren die moeders niet te porren.
De huidige Moederdag danken wij aan de liefde van Anna Jarvis uit Crafton, West-Virginia, voor haar eigen moeder Ann Reevers Jarvis. Deze vrouw, echtgenote van een methodistische dominee, had zeven van haar elf kinderen zien overlijden en wijdde desondanks al haar vrije tijd aan volksontwikkeling. Om 'better mothers, better homes, better men and women' te krijgen had zijzelf al de suggestie gedaan een dag voor elke levende en dode moeder in te stellen. Dochter Anna maakte hiervan haar levenswerk, waarvoor zij naar verluidt alleen al tienduizend brieven verstuurde. Als datum voor Mother's Day (uitdrukkelijk niet: Mothers' day) koos zij de tweede zondag in mei, de zondag na het overlijden van haar moeder op 9 mei 1905. Twee jaar later werd in de Episcopale Kerk van Grafton de eerste moederdag gevierd met het uitdelen van anjers, het symbool van de dag. In 1914 schaarde het Amerikaans Congres zich achter een nationaal festijn.
De internationale opmars kon beginnen. In Nederland organiseerde het Leger des Heils vanaf 1916 voor zijn leden een 'Moedersdag', die eruit bestond dat ieder kind en iedere volwassene zijn moeder 'uit liefde en dankbaarheid' een witte bloem schonk, liefst een hele ruiker. Overleden moeders werden herdacht middels een witte bloem op de revers. In 1925 propageerde de Kon. Nederlandsche Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, waar de tuiniersvereniging Groei & Bloei uit voortsproot, een eerste landelijke Moedersdag. In navolging van haar Amerikaanse evenknie was haar motto: 'Say it with flowers', toen nog vertaald als: 'Laat bloemen Uw tolk zijn'. Om de zondagrust niet te verstoren plaatste de maatschappij het feest aanvankelijk doordeweeks en zij sprak consequent van moeders-dag, dus niet van een geïndividualiseerde moeder-dag, wat Anna Jarvis had gepropageerd.
Dit laatste deed wel de Nederlandsche R.K. Bond voor Groote Gezinnen, die in 1931 het 'initiatief' tot een Dag der Moeder nam. Deze Bond had ook meer in gedachten dan louter liefdesbetoon. Het toenemend aantal pleitbezorgers van geboortebeperking dat zich in de media liet horen, diende een fiks weerwoord te krijgen. De Bond zal enigszins in verwarring zijn gebracht doordat in hetzelfde jaar paus Pius XI Maria Moederschap op 11 oktober invoerde, maar dat werd zelfs binnen de eigen Kerk geen succes. De meeste katholieke landen gebruikten voor dit doel Maria-ten-hemelopneming op 15 augustus. België, althans Antwerpen en omgeving, kent op die datum al sinds 1913 een Moederkensdag.
Intussen roerde ook de middenstand zich. Bloemisten deelden in de jaren dertig gratis tulpen uit, die in Nederland de dure anjers als Moederdagsymbool zouden verdringen en de weg vrijmaakten voor rozen; nu het meest gewild. En banketbakkers tuigden hun etalages speciaal op. Een belangrijk signaal gaf het Koninklijk Huis af: vanaf 1935 mocht jaarlijks een afvaardiging uit die branche een speciale Moederdagtaart aanbieden aan de koningin, als 'moeder der moeders' of 'Landsmoeder'. Bladen als Libelle en Margriet, in die tijd ontstaan, haakten hier weer op in en vermoedelijk zijn zij het geweest die van de eenvoudige bloemenhulde een hele dag van vertroeteling hebben gemaakt, met een tijdelijke omkering van de verhoudingen.

De Tijd, 10 mei 1935. Het begin van een traditie, de jaarlijkse aanbieding van de Moederdagtaart aan de Landsmoeder. De ceremoniële optocht eindigde overigens meestal bij de voordeur, waar een andere lakei het geschenk namens de koningin aanvaardde. (www.kranten.kb)
Bourgeoisdames met een inwonend dienstmeisje zaten niet op zo'n dag te wachten; integendeel, hun normale prinsesseleventje zou erdoor aandacht hebben getrokken. En een enkele fijngevoelige ziel zal zich ongemakkelijk hebben gevoeld bij de reductie van haar hele persoonlijkheid tot een enkele rol, zoals ook niet elke secretaresse staat te juichen op de jaarlijkse Secretaressedag (eveneens van Amerikaanse oorsprong; sinds 1989 hier). Maar de meeste huisvrouwen leidden destijds een zwaar bestaan en werden juist graag een keertje in het zonnetje gezet. Binnen twintig jaar verspreidde het fenomeen zich van de stad over het platteland; in de jaren zestig werd de provincie Zeeland veroverd. Vooral de boodschap dat moeders niet louter een sloof met een schort om hoefde te zijn, sprak aan.
Het feminisme van de jaren zeventig van de vorige eeuw leek even roet in het eten te gooien. Geëmancipeerde vrouwen zagen in de dag een complot om moeders tot hun oerfunctie te beperken. Het feit dat het huishouden vanwege de huidige kleine gezinnen en de komst van allerlei apparaten niet langer een dagtaak is, zal ook wel een factor zijn geweest in hun aversie. De beklaagden zelf lieten zich echter hun feestje niet meer afpakken. Moeders die parttime buitenshuis werken hebben het trouwens net zo druk als vroeger moeders met veel kinderen. Op basisscholen wordt daarom veel aandacht aan het feest geschonken. Traditioneel kreeg een moeder een ontbijt op bed, en dat is nu een brunch geworden. En niet alleen bloemisten maar ook handelaren in elektrische apparaten beleven tegenwoordig recordomzetten met Moederdag. Volgens De Telegraaf meldde in 2012 de helft van de volwassenen iets aan de dag te doen.
Vaderdag, ook Amerikaanse import, had een moeizamere start. Naar het voorbeeld van Moederdag wilde Sonera Dodd daarmee haar vader William Smart gedenken, een oorlogsveteraan die zijn vrouw tijdens een bevalling verloor en op een kleine farm in het oosten van de staat Washington zijn zes kinderen alleen opvoedde. Op 19 juni 1910 werd in Spokane, Washington, de eerste Father's Day gevierd. Andere steden volgden en in 1924 ondersteunde president Calvin Coolidge het voorstel om er een landelijk festijn van te maken. Maar het zou tot 1966 duren voordat president Johnson de derde zondag van juni tot Father's Day proclameerde.
De internationale viering kwam even traag op gang, en dat is niet onbegrijpelijk. In het westerse gezin bezat de vader tot in de jaren zestig een overheersende positie. Een figuur om te vrezen, niet om affectie aan te betonen. Op familiekiekjes zag hij er nog in zijn genoeglijkste bui als een opa uit. Een feest waarop hij voorrechten genoot die hem het hele jaar al ten deel vielen, had eenvoudig geen nut. Een tijdelijke omkering van de rollen, zoals op Moederdag plaatsvindt, zou op Vaderdag betekend hebben dat vader nu eens niet de baas speelde en zich dienstvaardig gedroeg.

Leeuwarder Courant, 1 oktober 1937. Aankondiging van eerste landelijke Vaderdag in Nederland. De getoonde vader zou tegenwoordig een grootvader zijn. (www.kranten.kb)
Geen wonder dat in Nederland niet idealisten het initiatief tot een Vaderdag namen, zoals bij Moederdag was gebeurd, maar winkeliers. In 1935 meldde Het Vaderland dat diverse tabakszaken in Den Haag zo'n dag in hun etalages aanprezen, en twee jaar later verkondigde de Nederlandsche Bond van Sigarenwinkeliersvereenigingen (!) daarmee landelijk aan te vangen. Om een of andere reden koos men hiervoor als datum de eerste zondag in oktober. Lang bleef het vervolgens stil, maar in 1948 liet de Nederlandsche Bond van Herenmodedetaillisten weten tot een 'normalisatie' van Vaderdag over te gaan, en dus de derde zondag van juni te kiezen. Voor zover Vaderdag überhaupt tot enige opwinding kon leiden, was dat ditmaal omdat er plotseling twee van zulke dagen bestonden, want de sigarenboeren stemden niet met deze verandering in. Het jaar daarop was het pleit ten voordele van de internationale datum beslecht. Toch leek het met Vaderdag lange tijd dezelfde kant op te gaan als met Schoonmoedersdag, een andere Amerikaanse vondst (en wel uit 1934, toen een eerste optocht van schoonmoeders plaatsvond in Amarillo, Texas), maar die zelfs in eigen land geen enthousiast onthaal vond.
Niettemin, sinds de jaren zeventig vindt er een doorbraak in eeuwenoude rolpatronen tussen man en vrouw plaats. Vaders verrichten huishoudelijke taken die voorheen als onmannelijk werden beschouwd, ze lopen achter wandelwagens en verschijnen op ouderavonden. Ook tonen ze minder streng en jeugdiger. Zelfs hun oriëntatie op het krijgen van kinderen lijkt anders te zijn geworden, getuige bijvoorbeeld het wonderlijke zinnetje: 'Wij zijn zwanger' of 'Wij zijn in verwachting', dat moderne mannen niet eens voor de grap debiteren. Ouderwetse mannen luisteren ook perplex naar hun vertederde verhalen over 'de kleine', alsof hun levensbestemming met die kleine samenvalt. In zo'n situatie krijgt Vaderdag wel zin. Een opstapje ernaartoe biedt bovendien de wekelijkse 'papa-dag' die veel gezinnen al kennen: de dag waarop vaders de kinderzorg van de werkende moeder overnemen. Los hiervan doet zich vanwege de vele echtscheidingen ook steeds vaker het fenomeen van een tweede vader voor, met wie een band moeten worden aangegaan. En dan zijn er nog de fathers4justice, gescheiden vaders zonder contact met hun kinderen, die sinds 2005 op Vaderdag van zich doen spreken, bijvoorbeeld als Batman verkleed op het dak van een rechtbank. Basisscholen prepareren zich daarom tegenwoordig terdege op de derde zondag in juni. Ook cadeauwinkels (niet: sigarenboeren) doen dan goede zaken. Vaderdag heeft ongetwijfeld toekomst, misschien nog wel meer dan Moederdag.

Het is frappant dat de opkomst van moederdag en vaderdag gelijk is opgegaan met de verdwijning van Onnozele Kinderen. Onnozele Kinderen, dat zoals bekend verwijst naar de moord op de kinderen van Bethlehem door de Romeinse koning Herodus, die wilde voorkomen dat een nieuw geboren koning hem of zijn opvolger zou kunnen verdrijven, wordt in de katholieke kerk al sinds de zesde eeuw op 28 december gevierd. In de Middeleeuwen ontstond in Frankrijk het gebruik dat kinderen op die dag een kinderbisschop kozen en in optocht langs de straten trokken. Protestanten namen direct afscheid van Onnozele Kinderen, maar bij katholieken staken op die dag de kinderen zich in de kleren van hun ouders en deelden thuis en op school de lakens uit. Ook liepen zij met eisliedjes langs de deuren ('Geeft de moerkens en de vaarkens wat'). Aldus handhaafde het feest zich in Brabant en Limburg tot na de Tweede Wereldoorlog. En waarom is het sindsdien verdwenen? Waarschijnlijk omdat de omkering die erachter zat, niet langer als een wensdroom werd ervaren. Ook wie niet, zoals Roger Vitrac, gelooft dat kinderen inmiddels het heft in handen hebben, zal het met de stelling eens zijn dat kinderen tegenwoordig in het gezin een positie bekleden die vroeger uitsluitend hun ouders was voorbehouden.
De Amerikaanse invloed heeft nog een ander ritueel opgeleverd, Valentijnsdag. De oorsprong ervan is onduidelijk, omdat er twee heiligen met die naam zijn geweest: een bisschop van Terni en een priester in Rome. Van de laatste is bekend dat hij zieken en bejaarden verzorgde en op 14 februari 270 is onthoofd, omdat hij de Romeinse stadhouder tot het christendom had bekeerd. Dit zou in elk geval de datum van het feest verklaren. Vanwege de verwarring rond zijn persoon heeft de katholieke kerk deze Valentinus echter in 1969 van de heiligenkalender afgevoerd. Als vervanger doemde toen ineens een middeleeuwse kloosterbroeder Valentinus op, die paartjes bloemen schonk; waarschijnlijk een legende. Overigens was Sint Valentijn in Nederland van oudsher Sint Felten genaamd; inmiddels allang vergeten.

De eerste berichten over de huidige Valentijnsdag komen uit Engeland, uit de vijftiende eeuw. Op die dag noemden geliefden elkaar Valentine en gaven elkaar een 'Valentine'. In het Victoriaanse tijdperk werd 14 februari een uitlaatklep voor jongeren, die elkaar althans per anonieme postkaart hun genegenheid konden betuigen. Deze traditie kwam via immigranten naar Amerika, waar zij overigens na de Tweede Wereldoorlog door propaganda van banketbakkers en bloemisten van de ondergang moest worden gered. Ook Nederland maakte met het feest kennis op deze manier. De Bloemistenbond begon vanaf 1953 met acties en stelde tevens voor mensen die zich belangeloos verdienstelijk hadden gemaakt met Valentijn een bloemenhulde te brengen. Veel navolging kreeg de bond niet. De dag werd aanvankelijk door het publiek afgedaan als specimen van de Amerikaanse I love you-cultuur, extra bedenkelijk vanwege de aanjagende rol die de commercie vervulde.
Maar in de jaren tachtig van de vorige eeuw kreeg Valentijn een nieuwe kans, mijns inziens vanwege een ander geestelijk klimaat. Onder invloed van de psychologie begonnen mensen te spreken over hun 'relaties', in plaats van hun liefdes en vriendschappen; 'relaties' kende men totdan louter in het zakenleven. Bij relaties hoort natuurlijk relatiebeheer, en Valentijnsdag paste daar goed in.
Inmiddels staat de Dag der Liefde bij velen op het programma, maar dan niet zozeer als gelegenheid tot geheime liefdesverklaringen, want daarvoor biedt internet eindeloze mogelijkheden. In plaats daarvan is het een dankdag geworden voor bestaande relaties, waarbij rozen veelvuldig dienst doen. In 2012 meldde Q&A Research & Consultancy dat 24 procent van de bevolking iets aan het feest deed, hoewel dat in 2007 nog 35 procent was. Het verschil hiertussen wordt waarschijnlijk verklaard door de vermindering van anonieme postkaarten, ooit de aanleiding tot de dag. Liefst 84 procent van de deelnemers verklaarde namelijk hun partner dan een cadeautje te schenken, niet anoniem doch vis à vis, met begeleidende zoentjes. Velen prefereerden zelfs Valentijn boven Moeder- en Vaderdag en dat is begrijpelijk: bij Valentijn gaat het om een persoon en niet om een personage.
Hoe een traditie aan de wandel kan gaan! Een laatste ontwikkeling is dat christenen Valentijnsdag hebben opgepakt om aan het huwelijk te werken. In de week daaraan voorafgaand vindt inmiddels in allerlei lokalen een Marriageweek of relatieweek plaats, met praatsessies en cursussen. De bedenker ervan is de Engelsman Richard Kane, die eens in een drukke bouwmarkt stond en zich realiseerde dat mensen wel veelvuldig aan hun huis sleutelen maar niet aan de relatie die daar onderdak vindt. Vanaf 1996 in Engeland en vanaf 2009 in Nederland kennen nu alle westerse landen daarvan een eigen uitgave.
Liefdadigheidsfolklore
Liefdadigheid richtte zich vroeger op gebrekkigen, wezen, bedelaars en ouden van dagen in de eigen omgeving; acties ten behoeve van de Derde Wereld zijn pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in zwang gekomen. Van de oude liefdadigheid, die door de welvaartsstijging, sociale voorzieningen en het beurzenstelsel grotendeels overbodig is geworden, bestaan nog honderden overblijfselen die het gevolg zijn van eenmaal vastgelegde beschikkingen. De meeste ervan functioneren in beslotenheid, maar in het Groningse Faan wordt jaarlijks een ton haringen onder het publiek uitgereikt. Dat is begonnen in 1476, toen een zekere Menzo Fockema aan het Geertruidsgasthuis in Groningen zestien grazen land vermaakte, onder beding dat tijdens elke vasten de armen van Faan een haring zouden krijgen. De vasten werd door de Hervorming afgeschaft, de armen zijn inmiddels verdwenen en het dorpje Faan ressorteert nu onder Niekerk, maar de voogdij van het Groninger gasthuis vervult (op of omstreeks 10 april) nog steeds haar plichten, waarvoor genoeg belangstellenden beschikbaar zijn.

Bij Hengelo-Zelhem in de Achterhoek vindt op Hemelvaartsdag een traditionele brooduitdeling plaats. Op die dag brachten boeren die het privilege hadden op bepaalde markegronden plaggen te steken als tegenprestatie grote roggebroden naar de boerderij De Muldersfluit. Voordat die broden onder de armen werden verdeeld, werden ze gewogen, waarbij de eigenaar van het zwaarste brood (er zijn gewichten van zestig kilo gemeld) twee flessen wijn won. Van dit gebruik is al in 1559 melding gemaakt en het is blijven bestaan toen in 1834 de desbetreffende marke werd ontbonden. Inmiddels biedt een organisatiecomité toeristen handzame broodjes te koop aan, waarvan de opbrengst ten goede komt aan de kerken; en is de attractiviteit van het geheel vergroot met vendelzwaaien en volksdansen.
Ook bij het krombroodjesrapen in Sittard speelt brood een rol. Op halfvasten worden vanaf de Kollenberg enkele duizenden halvemaanvormige witte broodjes naar beneden gegooid, die geraapt worden door aanstormende kinderen. De wonderbare broodvermenigvuldiging is op die dag het onderwerp van de preek. Wanneer het gebruik van start is gegaan, is onbekend, maar in 1891 beweerde de eerste schriftelijke getuige dat kinderen al meer dan een eeuw broodjes zochten in de Sittardse tuinen en op de Kollenberg. De huidige spectaculaire vormgeving stamt uit 1923 toen een Commissie van Drie zich over het op dat moment tanende gebruik ontfermde.
Boerenfolklore
De landbouwmechanisatie heeft binnen enkele decennia aan een ongelooflijk rijke boerencultuur een eind gemaakt. De oogstfeesten vormden daarvan het hoogtepunt. Voor een oogst trok de hele buurt in optocht naar de akkers, soms met versierde wagens en in speciale kledij, zoals in Twente de witte Sint-Japiksdracht, genoemd naar de heilige wier naamdag, 25 juli, met het begin van de oogsttijd samenvalt. Onder het zingen van oogstliedjes (De wumpel de strumpel de kanne met bier, Die hebben we hier op ons plezier - Noord-Holland) toog men aan het werk. De laatste schoof werd met zorg binnengehaald. Zij werd versierd met linten en bloemen en hier en daar gebonden in de vorm van een pop, het Olde Wief. Ook plantte men wel een tak op het laatste koren of hooi. Bij het koolzaadoogsten in Groningen verstopte zich weer een jongen in het gewas: de 'koolhaas', die met een zeil vol stro moest worden opgebracht. Elders gebruikte men juist een koolhaas van stro of werd het koolzaad met een pijp en kroon uitgedost. Was de oogst binnen en droog genoeg, dan kon het dorsen beginnen (Het klitst en klatst, het gaat vanavond te gast - Friesland). En de laatste slag met z'n allen tegelijk.

In Angelsaksische landen is als oogstfeest Thanksgiving overgebleven; joden kennen het Wekenfeest en Duitsers de Oktoberfeste. In Nederland worden oogstfeesten alleen nog nagespeeld in folkloristisch verband. Zo houdt men sinds 1946 in Berg aan de Maas jaarlijks een oogstdankfeest, sinds 1951 in Raalte het 'Stöppelhaene', sinds 1952 in Bolsward de Heamieldagen (hooimaaldagen) en sinds 1958 in Bocholtz de 'Hoakebuuet'. Dat is het zo'n beetje. Waarschijnlijk kunnen we hierin andermaal de burgerlijke basis van de Nederlandse natie ontwaren: boeren werden beschouwd als buitenlui en konden blijkbaar niet tot een algehele Thanksgiving inspireren. Wel kennen protestants-orthodoxe kerken een Bid- en Dankdag voor Gewas en arbeid, en heeft de katholieke kerk onlangs de Quatertemperdagen in ere hersteld.
Folkloristische groepen hebben zich eveneens ontfermd over de traditionele boerenbruiloften, compleet met onderhandelingen over de uitzet, de opeising van de bruid en de luidruchtige begeleiding van het bruidspaar naar de bedstee. Onder andere in Markelo, Aalten, Joure en Emmen zijn dergelijke bruiloften te aanschouwen. Folkloristische dansgroepen, die zich onder meer over de Driekusman ontfermen, hebben het daarentegen zwaar. Volgens de volkskundige Ineke Strouken, bestaat er in het buitenland meer belangstelling voor het Nederlandse erfgoed op dit vlak dan hier. En die belangstelling zal ook al niet overweldigend zijn. Het is typisch dat als het om oude zang en dans gaat, Nederlanders wel graag uit andere landen importeren, zie de Shanty-zangers, de tango-danslessen en wat dies meer zij, alsof traditionalisme een kosmopolitisch tintje vergt.
Oude boerengebruiken rond het paard zijn niet bij folkloristen terechtgekomen, maar bij de maneges, die vijftig jaar geleden nog zeldzaam waren maar nu tot elk dorp zijn doorgedrongen, evenals de sauna en beautyshop. Op het voormalige Zeeuwse eiland Schouwen kent men zodoende nog het Strarijden. Vroeger reden elk jaar in de vastentijd boerenjongens uit Haamstede, Burgh en Westenschouwen met hun paarden naar het strand ('strao') om na een lange stalperiode hun sokken te laten schoonspoelen, wat nu wordt nagespeeld door ruiterverenigingen.
De opkomst van maneges heeft ook de belangstelling voor de Hubertusjacht op Engelse leest gewekt. Hubertus is de patroon van de jagers: als ongelovige ging hij op Goede Vrijdag op jacht, maar hij kwam een hert met een lichtend kruis tussen het gewei tegen en bekeerde zich. Onder andere in Udenhout, Havelte, Gulpen en de Wouwse Plantage houdt men op of rond 3 november zo'n jacht. In de laatste twee plaatsen worden dan ook krentenbroodjes, 'hubkes', in de kerk gewijd en onder de deelnemers uitgedeeld.
Als om dit tekort aan boerenfolklore op te vullen is misschien Halloween sinds kort een bescheiden succes geworden. Een boerenherkomst heeft dit feest weliswaar niet, maar de omgangsvormen doen er wel aan denken. All Hallows' evening op 31 oktober is het Angelsaksische restant van het katholieke Allerheiligen en Allerzielen op 1 en 2 november, die voor protestanten al sinds de Reformatie zijn afgeschaft. Magie en horror, waarmee kwade geesten moeten worden verdreven, spelen van oudsher de hoofdrol. In Amerika kreeg het feest zijn definitieve vorm met de verlichte pompoenen en het 'trick or treat' ('kattenkwaad of een gift') waarmee verklede kinderen langs de deuren trekken. Halloween raakte in Nederland in de jaren tachtig bekend door bioscoophits als Nightmare on Elmstreet en Halloween ('let me scàààre you'). Sindsdien worden in scholen, buurthuizen, discotheken en studentenverenigingen steeds vaker besloten Halloween-parties georganiseerd, tot in de voormalige hippietempel De Melkweg aan toe. Ook het Halloween-lopen is hier reeds gesignaleerd, zij het vooralsnog onder Amerikaanse expats. Het lijkt erop dat de suikerzoete Valentijnsdag definitief een enge tegenhanger heeft gekregen.
Regionale sporten
Tot in de negentiende eeuw werd in heel Holland het ringrijden beoefend, een vreedzame boerenversie van het ridderlijke ringsteken, waarbij ruiters op ongezadelde paarden en in galop een ring van een draad met een lans moeten afsteken. Alleen op Walcheren heeft dit gebruik zich gehandhaafd, mogelijk vanwege de speciale belangstelling die de Oranjes ervoor aan de dag hebben gelegd. Al in 1786 schonk stadhouder Willem V twee gouden medailles aan de winnaars in Domburg en koningin Wilhelmina stelde in 1913 een wisselbeker aan de gemeente Middelburg beschikbaar, waar nog steeds om wordt gestreden. In de jaren daarna nam vanwege de landbouwmechanisatie het aantal boerenpaarden (en boerenknechten) drastisch af, maar de Zeeuwse Ringrijders Vereniging, in 1950 opgericht, liet uiteindelijk ook burgerpaarden en -ruiters toe, die nu de helft van het bestand uitmaken. Op Pinksterdrie in tal van dorpen en tijdens de augustuskermis in Middelburg worden door ongeveer zeshonderd deelnemers uitgebreide competities afgewerkt, compleet met het kenmerkende indianengejoel en de winnaars die na afloop de lucht ingaan. Ringrijden is een sport geworden. De deelnemers zijn niet meer in streekdracht maar in tenue gestoken: een witte broek en wit overhemd, met om de rechterschouder een Oranjesjerp als eerbetoon aan het koningshuis. Overigens mag het ringrijden niet verward worden met ringsteken voor paartjes. Bij dat laatste zitten paartjes in een sjees en steekt de vrouw met een dunne stok naar een ring in een beweegbare hand. In tegenstelling tot het ringrijden is ringsteken, dat nog in Friesland en op Zuid-Beveland wordt beoefend, een museaal gebeuren.

Klootschieten was in de zeventiende eeuw landelijk bekend, maar is sinds de negentiende eeuw 'typisch' Twents en Achterhoeks. Wellicht is het in het westen door de verpreutsing in onbruik geraakt, want het is pas sinds kort dat het woord klootschieten onder westerlingen geen gegrinnik veroorzaakt. Bij het spel moet een houten, met lood verzwaard balletje, de kloot, in zo weinig mogelijk beurten over een parcours van honderden meters worden geworpen. Dit 'schieten' mag onderarms of met een slingerbeweging. De hei is een geliefkoosd speelterrein, maar binnenwegen zijn ook goed. Klootschieten zou in een volkomen stilte kunnen worden bedreven, maar de geschreeuwde aanwijzingen van de supporters zijn legendarisch. De populariteit van klootschieten neemt toe sinds in 1977 de Nederlandse Klootschieters Bond is ontstaan. Deze Bond, die ruim tweeduizend leden telt, organiseert een 'landelijke' competitie en is op zijn beurt aangesloten bij de International Ball Play Organisation, want het klootschieten wordt ook, en zelfs op vrij grote schaal, beoefend in Ierland en Duitsland.
Eind achttiende eeuw telde Amsterdam 212 kolfbanen, die werden beheerd door herbergiers. Kolven was even geliefd als voetballen nu, maar werd verdrongen door het biljarten, waarvan het trouwens iets weg heeft. Het wordt gespeeld op een baan van 17,52 meter lang en 5 meter breed en de bedoeling is een gummibal met een stick, de kliek, via de zijkant naar genummerde vakken achter in de baan te spelen, nadat men eerst twee keer de scheefstaande achterpaal heeft geraakt. Om het spel voor de ondergang te behoeden werd in 1885 de Nederlandsche Kolf Bond opgericht. Momenteel telt Nederland nog vijfhonderd actieve kolvers en zestien officiële kolfbanen: één in Utrecht en de rest in Noord-Holland, boven het IJ.
Beugelen, in de Middeleeuwen geliefd in heel Nederland, zowel bij mannen als bij vrouwen, wordt nog beoefend in het midden en noorden van Limburg. Bij het spel moet men op een baan van ongeveer tien bij zes meter een zware bal met een slaghout door een beugel slaan, die voor een kwart in de grond is bevestigd. Een bal van de tegenstander die in de goot wordt gedreven, levert voordeel op. De redding van het spel is verzorgd door de Limburgse Beugelbond, die teruggaat tot 1935.

Kaatsen is de beroemdste regionale sport, maar ook daarvoor geldt dat het ooit een veel ruimer verspreidingsgebied heeft gehad: heel West-Europa. De Romeinen speelden het al, in Noord-Frankrijk en België wordt het nog steeds gespeeld als 'jeu de pelote', en in Engeland is lawntennis eruit ontwikkeld. Twee partijen van drie spelers staan op een veld van ongeveer 62 bij 30 meter en drijven met de vlakke hand een kleine leren bal over en weer, althans als het goed gaat. Voor als het niet goed gaat zijn er ettelijke regels, die voor een buitenstaander nauwelijks te volgen zijn. 'Kaats' is als de bal in een bepaald gedeelte terechtkomt; iemand anders mag dan de opslag doen. Maar 'kaats' heten ook de blokjes die de plaats markeren waar een bal is geëindigd. Het spel is de eerste georganiseerde sport in Nederland geweest: al in 1853 werd in Franeker een officiële wedstrijd belegd en in 1897 werd de Koninklijke Nederlandse Kaatsbond gevormd. De Bond telt momenteel 11.000 leden en ruim honderd verenigingen, waarvan de meerderheid in het noorden en westen van Friesland zetelt. Kaatsen is een stadssport; men doet het nog vaak op pleinen, zoals in de tijd dat er geen sportvelden bestonden. Duizenden toeschouwers zijn in Franeker, de onbetwiste hoofdstad van het kaatsen, als de Bond met Pinksteren en de Permanente Commissie in augustus op het Sjûkelân hun dagwedstrijden houden.

Fierljeppen is als sport een recent verschijnsel. Boeren en eierenzoekers plachten in de waterrijke streken van Noordwest-Europa al sinds mensenheugenis hun weg te bekorten met een polsstok, maar in wedstrijdverband werd zelden gesprongen. It Frysk Ljeppersboun dateert uit 1957. In de zomermaanden begon deze bond in de eigen provincie wedstrijden uit te schrijven, waarin zij spoedig gezelschap kreeg van de Hollandse Polsstok Bond, die zich tot Utrecht en Zuid-Holland bepalen. De herhaaldelijk voorkomende slapstick bij het polsstokvér, zoals Hollanders zeggen, bleek uiterst televisiegeniek te zijn, waardoor de bekendheid snel toenam. Inmiddels halen goede springers met aluminiumstokken en een steeds verbeterende klimtechniek al bijna achttien meter en kandideert de sport voor de Olympische Spelen.

Skûtsjesilen is eveneens een naoorlogs fenomeen. Skûtsjes dreigden al in de negentiende eeuw het slachtoffer van de vooruitgang te worden. Door over te stappen van hout op staal en steeds grotere schepen te bouwen kon de zeilvrachtvaart in de eerste decennia van de twintigste eeuw nog een bloeiperiode beleven, maar daarna was het voorbij. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd echter menig skûtsje weer vaarklaar gemaakt, vanwege de brandstofschaarste, en nadien werd onmiddellijk een Sintrale Kommisje Skûtsjesilen geformeerd om een nieuwe traditie in het leven te roepen. Tijdens twee weken in de bouwvak werken nu in en bij Friesland in totaal veertien skûtsjes een serie van elf wedstrijden af, die eindigt in Sneek. Schippers en schepen zijn door de televisie bekend geworden; het evenement wordt vanaf de wal door tienduizenden mensen gevolgd. Het succes van het skûtsjesilen inspireerde overigens ook andere historische watersportverenigingen, zodat het admiraalzeilen weer in ere is hersteld en in diverse wateren klippers, tjalken, botters en Staverse jollen jaarlijks een spiegel houden. Sail Amsterdam, om de twee jaar, is een vrucht van dezelfde ontwikkeling, maar is met 2,5 miljoen bezoekers in 2000 een festijn geworden, dat vroeger alleen al om logistieke redenen niet mogelijk was.


De Friese elfstedentocht is zonder enige twijfel het grootste festijn van Nederland, maar vertel Friezen niet dat het een Nederlands festijn is. De geschiedenis ervan gaat minstens terug tot de zeventiende eeuw, en de eerste schaatsers van wie vaststaat dat zij de bijna tweehonderd kilometer langs de elf Friese steden (Leeuwarden, Sneek, IJlst, Sloten, Staveren, Hindelopen, Workum, Bolsward, Harlingen, Franeker en Dokkum) over ijs hebben afgelegd waren de broers Atze en Eelke Jans Jager uit Oldeboorn in 1848.
In de strenge winter van 1890/1891 ondernamen diverse mensen de tocht, onder wie de beroemde Pim Mulier, de aartsvader van de sportbeoefening in Nederland. Hij was het die de suggestie deed de rit via een vereniging bekend te maken. In 1909 schreef de Friesche IJsbond de eerste officiële editie uit. Op 15 januari van dat jaar presenteerde de Vereniging De Friesche Steden zich, die momenteel bijna 33.000 leden telt, waarvan een klein aantal startrecht heeft en de rest door loting een startkans.
Waarom Nederland eigenlijk de enige schaatsende natie ter wereld is geworden, legt cultuurhistoricus Herman Pleij uit. Schaatsen is volgens hem de overwinning op het water, dat zo vaak voor dreiging zorgt. Vanaf de bevroren sloten en meren kunnen Nederlanders bovendien kijken naar het land dat zijzelf hebben aangelegd. Dit gevoegd bij het feit dat eenmaal op dunne ijzers iedereen je en jij is, moet de hele bevolking wel naar de ijsvlakten lokken. Als het begint te vriezen, zo formuleerde iemand, dan ontdooit iedere Nederlander.
Zeker is dat het schaatsen sinds mensenheugenis bij Nederland hoort, ook qua beeldtaal. Iedere bevroren vijver met schaatsers erop doet onmiddellijk aan de schilderijen van Hendrick Avercamp denken, alsof de zeventiende eeuw herleeft. Zelfs Rembrandts blijven qua sfeer in de geschiedenis hangen. Intussen zou je bijna vergeten dat er hier ook nog echte landrotten wonen, voor wie ijs iets is om doorheen te zakken of om de enkels op te verzwikken en die de neiging vertonen er juist vanaf te gaan. Ook bestaat er een aanzienlijk verschil tussen het gezellige gekrioel rondom een Koek& Zopie op een onder water gezet weilandje en het processie-achtige stayeren in buitengebieden. Waarom die ellenlange tochten en het vermoeiende beklimmen van dijken om aan gene zijde verder te kunnen racen? Het lijkt me dat dit te maken heeft met de hemel boven de polders, die als een stolp op het landschap leunt, waardoor bij schaatsers de onrust toeslaat. Ter vergelijking: ook honden beginnen direct te hollen zodra ze op een strand komen.
Vanwege ettelijke kwakkelwinters zijn er tot nu toe slechts vijftien edities gehouden, maar dat waren wel nationale gebeurtenissen. Het werkt als een soort tweetrapsraket: omdat het in eerste instantie een Friese aangelegenheid lijkt, krijgt het Hollandse chauvinisme als het ware vakantie, waardoor dat niet gematigd wordt door kritische geluiden en tot ongekende proporties kan uitgroeien. Sterk is natuurlijk ook de afwezigheid van iedere commercie en het vele vrijwilligerswerk dat anoniem wordt verricht. Een extra aantrekkelijkheid biedt het volgehouden democratisch ideaal. Heel wat tochten zijn afgeblazen om wedstrijdrijders en tourrijders, in totaal 16.000 mannen en vrouwen, op één dag te kunnen laten starten.
En dan is er het nostalgische aspect. De provincie Friesland vormt natuurlijk het concentraat van alles wat typisch Hollands was. Makummer aardewerk, Hindelooper meubels, Beerenburger, warme chocolademelk en dikke erwtensnoep die 'snert' heet, wat tevens een aanduiding is voor 'waardeloos' en 'smerig' - protestantser kan het bijna niet. Ook herbergt de provincie blijkbaar nog burgermannen, die zich als ijsmeester of rayonhoofd aan strikte conventies moeten houden en desondanks een heldenrol toegeschreven krijgen. Als je hun gedrag relateert aan wat een gemiddelde televisieavond aan non-conformisme biedt, dan lijkt de Elfstedentocht wel een omkeringsritueel. IJspret blijft ook altijd ijspret, zonder vechtpartijen en vernielingen. Vooral voetballiefhebbers moeten hierover verbaasd staan. Volgens de oud-Surinaamse columnist Prem Radhakishun zijn Nederlanders eigenlijk nooit beter te genieten dan tijdens een Elfstedentocht.
Maar zelf als de Tocht der Tochten niet doorgaat, valt er veel te beleven. De ban op iedere scheepvaart, de gemalen die stilvallen. Het peilen der ijsdikte, het verschil tussen zwart ijs en fondant ijs en tussen vorst die voor ijsgroei zorgt of voor 'technische dooi'. En dan de tweeëntwintig rayonhoofden die onder grote belangstelling samenkomen. Compromissen zijn niet mogelijk, de Statenbijbel heerst. 'It sel heve' of 'it giet oan'... In 2012, na vijftien jaar snakken, duurde de Elfstedenkoorts drie overweldigende maar vergeefse dagen, die leerden dat voorpret net zo teleurstellend kan eindigen als een verloren wedstrijd.
Historische folklore
In het rampjaar 1672 werd de Republiek door vier landen (Frankrijk, Engeland, Keulen en Munster) aangevallen, waardoor het land reddeloos scheen, de regering radeloos en het volk redeloos. Maar op 28 augustus van dat jaar brak de bisschop van Munster, Bommen Berend, zijn beleg op de stad Groningen op en trok zich met zijn troepen terug. Dit was de eerste belangrijke overwinning van de Republiek in dat jaar. Afgezien van een minder chauvinistische periode tussen 1795 en 1838 (en uiteraard tijdens de Duitse bezetting) is dit feit steeds grootscheeps gevierd. Het huidige feestprogramma bestaat uit een concours hippique, een kermis met vuurwerk en een rijtocht door de stad van de Commissaris van de Koningin, de burgemeester en het bestuur van de Vereniging voor Volksvermaken, die sinds de negentiende eeuw de organisatie in handen heeft.
Nog ouder is het Leids Ontzet. Op 26 mei 1574 begonnen Spaanse troepen met de blokkade van de stad. Het voedsel raakte op, de pest brak uit; uiteindelijk zou meer dan een derde van de bevolking aan de ontberingen sterven. De katholieke minderheid drong op onderhandelingen aan, maar burgemeester Van der Werf overhandigde zijn zwaard en zei: 'Spijs heb ik niet, doch doodt mij, snijdt mijn lichaam aan stukken en deelt het uit zover het strekken mag'. Toen de nood bijna niet meer te dragen was, kwam het lang verbeide water, dat op bevel van de Prins van Oranje bij Rotterdam in de polder was ingelaten maar door een noordelijke stormwind dagenlang werd opgehouden. Op 3 oktober 1574 sloegen de Spanjaarden voor het water op de vlucht. Watergeuzen konden op platboomde schuiten voedsel naar de stad brengen, waaraan nog menige inwoner zich zou overeten. Ter herinnering aan dit alles vindt jaarlijks een uitdeling van haring en wittebrood plaats, wat het eerst aangedragen voedsel was, en eten echte Leidenaren de befaamde Leidse hutspot, die bestaat uit klapstuk, rode en witte wortels, uien en aardappelen. Het schijnt dat het ontzet al voor de Franse tijd met kerkdiensten werd gevierd, maar de eerste melding over een haring-en-brood uitdeling aan arme mensen, destijds de doelgroep, is uit 1823. Ook de hutspot, die door Spanjaarden in hun kampement zou zijn achtergelaten, doet vermoeden dat het feest pas later zijn vorm heeft gekregen, want aardappelen zijn in Nederland pas in de achttiende eeuw volksvoedsel geworden. In elk geval heeft sinds 1876 de 3 October Vereeniging de regie van het feest in handen.

Een andere herdenking is die in Alkmaar, waar, zoals bekend, op 8 oktober 1573 de victorie begon. Tevoren hadden alle belangrijke steden het onderspit tegen de Spanjaarden gedolven en het zag ernaar uit dat ook Alkmaar zou vallen, want op 21 augustus van dat jaar legde een troepenmacht van zestienduizend man een ring rond de stad. Maar de paar honderd aanwezige Geuzen, onder leiding van Cabeljauw, wisten enkele bestormingen af te slaan; daarna brak er wegens wanbetaling muiterij onder de Spaanse troepen uit en inundatie deed de rest: het beleg werd opgeheven. Deze overwinning werd van meet af aan herdacht, tot ongeveer 1785; in 1860 werd zij weer opgerakeld. Het feest kenmerkt zich tegenwoordig door een programma met meer dan veertig onderdelen, van Victoriewandeltochten tot een Victoriereceptie in het stadhuis.
Alkmaar is de eerste stad die met succes tegen de Spanjaarden en hun landvoogd Alva werd verdedigd, Den Briel is de eerste stad die op hen werd veroverd. Dat gebeurde op 1 april 1572 door de geuzenadmiraal Lumey. Dit feit is onderwerp van enkele eeuwfeesten geweest, maar sinds 1966 wordt de inname jaarlijks nagespeeld, in middeleeuwse kostuums en met Geuzen die de stadspoort rammeien.
Overigens is Den Briel landelijk vooral bekend door de associatie met 1 april, volgens het gezegde: Op 1 april stuur je de gekken waar je wil en verloor Alva zijn bril (Briel). Maar aprilgekken zijn aanmerkelijk ouder en bovendien niet tot Nederland beperkt. De Romeinen kenden al een vergelijkbare dag met de aanstekelijke naam Hilaria; de Engelsen kennen hun april-fools en de Fransen hun poisson d'avril - naar de gewoonte om een tekening van een jong visje (makkelijk te verschalken) op iemands rug te plakken. Het is met dit vermaak hetzelfde gegaan als met andere vermaken. Was 1 april oorspronkelijk iets waar volwassenen van hoog tot laag aan deelnamen, in de negentiende eeuw deden dat volgens Ter Gouw alleen nog kinderen en 'hogereburgerschoolsjongeheren'. Eenvoudige misleidingen - 'je schoenveter zit los' - waren de essentie, met ter afsluiting de kreet: '1 april, kikker in je bil'. Ook malle opdrachten behoorden tot het repertoire, zoals het laten halen van een doosje stippellijntjes of het dossier van het vijfde kwartaal, welke voorbeelden op een kantooromgeving duiden, waarbinnen de 1-aprilgrap altijd is blijven floreren. Vlamingen spreken hierom letterlijk van Verzendekensdag en Duitsers van Aprilschicken. Grappig genoeg hebben de moderne massamedia het gebruik voor volwassenen nieuw leven ingeblazen. De BBC zette in 1957 de toon met een reportage over de jaarlijkse oogst van spaghetti in een Zwitserse boomgaard. Sindsdien wedijveren vooral kranten met elkaar in het leukste nepnieuws, dat anders dan bij het originele 1 april vaak dagen van te voren wordt aangekondigd om mensen er makkelijker in te laten trappen. De bekendste Nederlandse gangmaker in dezen was beeldhouwer Benno van Tetterode, die in 1962 op het strand van Zandvoort een door hemzelf vervaardigd beeld van de Paaseilanden liet aanspoelen, wat tot internationale opwinding leidde, en met het 1 april Genootschap tot aan zijn dood in 1996 ieder jaar de beste grap beloonde met een Loeres, een kleine replica van zijn Paaseilandenbeeld. Sinds You Tube bestaat is nepnieuws overigens aan de orde van de dag; men spreekt dan naar het Engels van een hoax, wat op hocuspocus zou teruggaan.
Een laatste vorm van historische folklore, of eigenlijk: heringevoerde folklore, betreft de processiereuzen. In Vlaanderen zijn dergelijke reuzen, die meestal op Goliath, Simson en Sint Christoffel zijn geïnspireerd, vanaf de Middeleeuwen populair gebleven, maar in Nederland maakte de Hervorming een eind aan hun bestaan, net als aan de processies trouwens waarin ze figureerden. Volgens de onderzoeker S.J. van der Molen zijn naar oude voorbeelden de eerste reuzen in 1871 in Venlo herrezen, Valias en zijn gade Guntrud, die als grondleggers van de stad worden beschouwd. In 1932 volgden Janneken en Mieke in Tilburg, het jaar daarop de Reuskens van Oisterwijk, in 1949 Jan de Keienstamper in Boxtel. Een van de laatste is de Maastrichtse Gigantius uit 1969. De reuzen worden meestal gedoopt en staan ook ingeschreven bij de burgerlijke stand, wat hen onderscheidt van de carnavalsreuzen, die eendagsvliegen zijn. Bij tijd en wijle draven ze gezamenlijk op tijdens optochten.
Het schutterswezen
Er zijn schuttersgilden en schutterijen. De verdediging van steden was aanvankelijk toevertrouwd aan de ambachtsgilden, die ieder een deel van de stadsmuur moesten bewaken. Geleidelijk groeide de behoefte aan gespecialiseerde en getrainde manschappen en zo ontstonden in de veertiende en vijftiende eeuw de schuttersgilden. Hun taak was de externe en interne vrede en veiligheid te be-schutten en de opdracht daartoe werd verstrekt door feodale heren, aan wie zij in geval van oorlog ter beschikking stonden. Met het oog hierop legden de meeste gilden zich toe op een wapen, zoals hand-, voet- en kruisbogen, pieken en zwaarden; later het 'vuurroer'. Met de komst van de staande legers in de vijftiende en zestiende eeuw verminderde het belang van de gilden; zij werden in het leger geïntegreerd of leefden voort als 'private verenigingen van sport en vermaak', die aan een parochiekerk waren gelieerd.


De schutterijen zijn niet ouder dan 1567. In dat jaar namen zij de politietaken over die de gilden tot dan hadden vervuld. De schutterijen waren onderhorig aan het stadsbestuur en bestonden voornamelijk uit gegoede burgers met een voorliefde voor groepsportretten. Vanaf 1795 ging de eenheidsstaat die Nederland geworden was, zich echter zelf met de ordehandhaving bemoeien. De schutterijen werden omgezet in semi-militaire organisaties, die indien nodig het leger konden bijstaan. Als zodanig zijn zij een keer daadwerkelijk ingezet, tijdens de Tiendaagse Veldtocht in 1831, maar dat was geen succes. Tot hun afschaffing als legeronderdeel in 1901 bleven zij voortdurend onderwerp van spot, al werd hun vaandel nimmer gestreken. In de zeeprovincies (op Noordwijk en Soest na) verdwenen de schuttersgilden al in de zeventiende eeuw, omdat de calvinisten de binding met de kerk die de gilden hadden in een keer verbraken. Ook de schutterijen verloren in die provincies onmiddellijk terrein, toen ze als legeronderdeel waren afgeschaft. In de meer katholieke provincies vond er eveneens een kaalslag plaats, vooral toen tijdens de Franse overheersing veel bezittingen van de gilden werden geconfisqueerd. Toch overleefde daar een flink aantal verenigingen. Brabant telt momenteel 170 van zulke verenigingen, Limburg 120, Gelderland 70 en Overijssel 8, die bij elkaar goed zijn voor ongeveer tienduizend manschappen.
In Brabant, Gelderland en Overijssel overheersen de aloude gilden, in Limburg, dat in zijn huidige vorm pas sinds 1839 bij Nederland hoort, de schutterijen. Zowel de gilden als de schutterijen zijn dikwijls vernoemd naar een heilige met een soldateske achtergrond, zoals Sint Joris, Sint Sebastiaan en Sint Hubertus. Ook beoefenen beide het koningschieten: een houten vogel of een serie blokjes boven op een hoge paal, waarop bij toerbuurt wordt geschoten. Degene die het laatste restje ervan afschiet mag zich een jaarlang koning noemen, en levenslang keizer als hem dat driemaal achtereen lukt. De koning is het ceremoniële hoofd van de gilde of schutterij, hij gaat vergezeld van een door hem uitgekozen koningin en draagt op zijn borst de schutsjuwelen: een zilveren vogel en zilveren wapenschilden van zijn voorgangers. Het koningschieten, waaraan uiteraard een teerdag is verbonden, vindt meestal op Pinkstermaandag plaats; elk jaar dan wel om de twee of drie jaar.
Maar de gilden en de schutterijen tonen ook aanzienlijke verschillen. De gilden hebben hun Bourgondisch-feodale traditie bewaard. De gildenbroeders dragen op de Middeleeuwen geïnspireerde kledij, maken veelal gebruik van pijl en boog en bezitten vaak een nar en een standaardruiter die bij een plechtige inkomst zigzaggend over straat rijdt, terwijl achter hem de trommels roffelen. Een onderdanige vaandelgroet hoort hier bij. Bij koninklijk bezoek wordt in Brabant het vaandel op de grond gelegd, opdat majesteit erover heen kan schrijden, wat verder alleen de schutterskoning mag. Overigens is dit gebruik volgens Alfons Ising pas in 1949, toen koningin Juliana en Prins Bernhard 's-Hertogenbosch officieel bezochten, voor het eerst opgetekend.
De Limburgse schutterijen dragen nog hun militante verleden uit. Hun hiërarchie is in legertermen vervat, de schutters hebben negentiende-eeuwse legeruniformen aan en schieten bij voorkeur met geweren. Bij een intocht worden zij regelmatig voorafgegaan door 'bielemannen', heren met aangeplakte baarden en een bijl in de hand, in wie de militaire historicus de sappeurs herkent die vroeger voor oprukkende legers de weg vrijmaakten. En wanneer de Limburgse schutters een hoogwaardigheidsbekleder groeten, geschiedt dat militairement. Het moderne schutterswezen heeft zijn grootste bloei gekend tijdens de katholieke emancipatie in de tweede helft van de negentiende eeuw. De broedergemeenschappen beschouwden zichzelf als 'de verdedigers bij uitstek van altaar en haard, van God en de Koning' en draafden bij allerlei manifestaties op om hun aanhankelijkheid aan het wereldlijk en kerkelijk gezag te betuigen. Ook in het dagelijks leven hadden zij een enorme betekenis. Niet alleen waren het vaak de enige lekenorganisaties binnen een dorp, ze bezaten geld en grond en boden de leden macht, aanzien en bescherming bij ziekte en dood. Vooral dat laatste was van belang. Van de 23 artikelen die bijvoorbeeld het reglement van het Sint-Annagilde in Westerhoven telde, gingen er zeven over de verplichtingen van de gildenbroeders wanneer een van hen kwam te overlijden. Hier zit dan ook de verklaring waarom het met het schutterswezen een tijd slecht is gegaan: andere instanties namen die bescherming over en er kwamen concurrerende circuits op waarin mensen zich konden profileren. Tientallen gilden en schutterijen hebben hierdoor in de twintigste eeuw alsnog het loodje gelegd.
Maar na de Tweede Wereldoorlog ging het ineens weer opwaarts. Een aangezet nationaliteitsbesef zorgde voor een gunstiger klimaat, maar het definitieve keerpunt werd in 1948 verzorgd door de Brabantse gilden, tijdens de viering van het vijftigjarig jubileum van koningin Wilhelmina in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Elke provincie moest daar haar eigen folklore demonstreren en de Brabantse officials kopieerden uit een soort armoede het groepsgewijze vendelzwaaien dat in België was ontstaan. Men kent wellicht het tafereel. Op een veld staan enkele vendeliers opgesteld, die gelijkmatig hun kleurige vlaggen door de lucht bewegen. Dat gebeurt met gymnastische toeren, het acrobatiek vendelen, óf statig: het klassiek vendelen. Bij dat laatste wordt een heel vendelgebed afgewerkt dat gewoonlijk de strijd van Sint Joris met de Draak verbeeldt. Ter illustratie: een vendelier op zijn knieën betekent: 'Mijn God, de vijand heeft mij op mijn knieën gekregen, maar overwonnen heeft hij mij nog niet. Nog is de vlag smetteloos en rein. Maar als Gij mij wilt helpen, help mij dan'. En God helpt, en van vreugde geven de vendeliers een staaltje acrobatiek vendelen weg.

Na deze glorieuze presentatie werd in heel Brabant en ook in Gelderland het vendelzwaaien opgepikt. Slapende gilden ontwaakten. Ook de schutterijen leefden weer op. Er ontstonden overkoepelende organisaties en er kwam een toeloop van jongeren op gang. Oude tradities als het jaarlijkse spiegelgevecht tussen de Geldersen en de Kleefsen op Sint Jan (24 juni) in Huissen en het zevenjaarlijkse openluchtspel van Sint Joris en de draak in Beesel, trokken ineens weer horden toeschouwers. Het Oud-Limburgs Schuttersfeest en het Brabants Landjuweel, die om de paar jaar worden gehouden, weten zelfs tienduizenden bezoekers te lokken. De laatste stand van zaken is dat ook vrouwen zich aanmelden, al staat nog niet elke vereniging daarvoor open. De onderlinge sfeer van zorg en aardigheid bij het schutterswezen lijkt al met al het belangrijkste argument te zijn, naast de ontkerkelijking, waarover de schutters als het ware collectief hun spijt betuigen.