Een nieuwe lente betekende vroeger inderdaad een nieuw geluid, zoals Herman Gorter in het gedicht Mei verzuchtte. Met Pasen werd dat al in een gewijde sfeer herdacht, maar omdat dat op een wisselende datum valt, bleef lange tijd 1 mei de dag van de wereldse viering. Alles staat dan in bloei en in de landbouw breekt een periode van betrekkelijke rust aan. Die periode werd gebruikt voor allerlei regelingen. Zo deden op of rond 'meidag' nieuwe knechten en dienstboden hun intrede, werden landerijen in pacht genomen, huurwoningen betrokken en jaarrekeningen opgemaakt. In Amerika spreekt men tot vandaag van Moving Day en sluiten nog veel bedrijven hun boeken af.
Tegen deze opwindende achtergrond voltrok zich het meifeest, met zijn overdadige vruchtbaarheidssymboliek, niet alleen ten aanzien van land, gewas en vee, maar ook ten aanzien van huwbare jongens en meisjes, want veel meer dan vandaag hadden die echt de lente in hun kop.
Hoewel het meifeest grote regionale verschillen kende, begon het in de nacht ervoor, in wat in Duitsland Walpurgisnacht heet, - tijdens welke de heksen hun sabbat hielden, volgens de een, Wodan met zijn Walküren trouwde volgens de ander, maar die in elk geval vernoemd is naar de heilige Walburga, beschermster tegen hekserij en tovenarij, zodat ook van christelijke zijde claims op het feest worden gelegd.

In die nacht werden de meibomen geplant, meitakken ('meien') geplaatst op huizen, gebouwen en voor paarden en runderen, en brandstapels opgericht voor de traditionele meivuren. Dergelijke gebruiken waren over grote delen van Europa verbreid, maar zijn toch niet specifiek Europees, ze komen over de hele wereld voor.
In de Middeleeuwen moeten aldus hele steden in het groen zijn gezet. Elk huis had zijn meiboom, elk venster zijn meitak; tot in de kerk hingen die takken. Omdat het materiaal door de ontbossing van steeds verder weg moest worden gehaald, begonnen mannengroepen het werk te doen. Voor schuttersgilden was dit een gelegenheid voor aanhankelijkheidsbetoon aan hoge heren. Gedurende de hele Republiek bestond in Den Haag de gewoonte meybomen van staat voor het hof van de Hollandse graven te planten. Op wimpels die aan de nok hingen, waren Latijnse spreuken geschreven met opwekkend commentaar. Een echt volksfeest was dit niet. Dat werd verzorgd door de meigilden.
In Vrijen en trouwen is al gewezen op de rituele, openbare en uiteindelijk weinig romantische trekken van de traditionele vrijage. Het meifeest kan hiervoor als illustratie dienen. De meigilden bestonden uit de huwbare jongens van de buurt of het dorp. Zij haalden in optocht een boom, ontdeden hem van de takken en versierden de top met kleurige linten, kransen, eieren, koeken en vruchten. Zo werd hij op het plein voor de kerk opgericht. In de nacht van de dertigste april werden meestal de meivuren aangestoken. Daar dansten de jongens en meisjes roesmatig omheen; ze zongen, ze maakten elkaars gezichten zwart en de jongens toonden hun durf door over de vlammen heen te springen.

In het holst van de nacht gingen de jongens de meitakken bij de huizen van de meisjes aanbrengen. Ieder meisje kreeg met zo'n tak een beoordeling, want het was niet alleen de liefde die met dit gebruik werd gediend. De takken spraken een duidelijke taal. Een fijne dennemast gaf aan dat het om een goed meisje ging, een berketak betekende dat ze aardig en vlijtig was. Daarentegen stond een kersetak voor een allemansliefje, een hagendoorn voor een stekelig wicht en een biesbosje voor hoerigheid. Bij het krieken van de dag kwamen de meisjes naar buiten om hun beoordeling te bekijken. Was die gunstig, dan liet het meisje de tak trots hangen, was die ongunstig, dan verwijderde ze hem onmiddellijk.
Aansluitend begon het dansen rond de meiboom, dat tot laat in de avond duurde. De 'koning' of 'graaf' van het meigilde ging met een krans in zijn hand onder de boom staan en de meisjes bewogen ter keuring om hem heen. Op een gegeven moment gooide de graaf zijn krans naar een van de meisjes, die dan de meikoningin of meigravin werd en later niet zelden zijn echtgenote. Ook de andere jongens maakten hun voorkeur bekend en tijdens het urenlange zingen en hossen werd menige vaste relatie aangeknoopt. Volgens de volkskundige Catharina van de Graft werd in die nacht meer dan een derde van alle meisjes vrouw!
In de zeventiende eeuw stond de meiboom nog in elke stad en elk gehucht. Uiteraard maakten calvinistische dominees bezwaren tegen het begeleidende ravotten en bestonden er allerlei keuren die de feestelijkheden aan banden moesten leggen: in plantsoenen en bossen mochten geen vernielingen worden aangericht en 'kijvagiën, gevechten, verwondingen, doodslagen en andere moedwilligheden' werden uitdrukkelijk verboden. Hier en daar was het zelfs niet toegestaan een meiboom te plaatsen, maar dat haalde weinig uit. Het meifeest was een algemeen feest. In de steden werd het ook gebruikt voor een meer persoonlijke en romantische hofmakerij. Stadse jongeren plantten liefdesmeien en brachten onder het raam van hun geliefde serenades, waarbij ook gedichten werden opgezegd, die door een bevriende poëet waren geschreven of ontleend waren aan het repertoire van de Rederijkers. Bijvoorbeeld:
Ik wil den mei gaan houwen
Voor mijn liefs' vensterkijn
Ende schenken mijn lief trouwe
Die allerliefste mijn
Ende zeggen: Lief wilt komen
Voor u klein vensterken staan
Ontvangt den mei met bloemen
Hij is zo wel gedaan
In de loop van de achttiende eeuw verdwenen de meibomen uit de steden en in de negentiende eeuw uit de meeste dorpen en gehuchten. Het heette dat de feestelijkheden zozeer waren ontaard dat nette mensen er niet langer aan mee wilden doen. Maar het is niet waarschijnlijk dat het feest van karakter was veranderd; eerder waren die nette mensen 'netter' geworden. Vrijage werd namelijk voor steeds meer paartjes een privé-aangelegenheid.
Het animo voor de meiboom verminderde andermaal dankzij religieuze interventie. Nadat calvinisten hun afkeur hadden uitgesproken, propageerde de katholieke Kerk vanaf de achttiende eeuw de meimaand als Mariamaand, waardoor alle wereldse vieringen binnen haar bestek vielen. In 1815 werd deze interpretatie door Pius VII bekrachtigd met een ruim aflaatbeleid.
In de landen om ons heen kon de meiboom tot in onze tijd blijven bestaan, overigens met slechts een zweem van zijn oorspronkelijke betekenis, maar in Nederland verdween hij op een enkele uitzondering na vrij vroeg. Wellicht is hier voor het laatst massaal rond de meiboom gedanst tijdens de inval van de Fransen, die hem inzetten bij de verbreiding van hun idealen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. De gewoonte meitakken bij meisjes te plaatsen heeft in het zuidoosten nog voortgeduurd tot 1900, volgens de volkskundige Gerard Rooijakkers, maar was toen ook voorbij.
De meivuren hebben langer gebrand, vooral in de periferie, waar ze, eenmaal residu, als teken van eigenheid kunnen gaan fungeren, zoals dat in Schotland met de doedelzak is gebeurd. Zo kent Texel van oudsher de Meierblis (blis=vuur) op de avond voor 1 mei, toevallig tevens Koninginnedag. In de jaren zeventig was dit gebruik op sterven na dood, maar in 2003 waren er weer 110 meierblissen. Inmiddels heeft slechts elk dorp er een. Ook Vlieland en Terschelling rakelen sinds kort hun Meibrand , die wel op 1 mei plaatsvindt, weer op.
Maar in grote delen van het land werd het meifeest eenvoudig van de kalender geschrapt, zonder dat er iets voor terugkwam. Zelfs bloesemfeesten bleven achterwege, hoewel nog niet zo lang geleden de hele Betuwe aan het begin van de lente in bloesem was gehuld. Ter vergelijking: Japanners vieren tot in het buitenland hun kersenbloesemfestival Sakura.
Calvinisme is de hoofdoorzaak van deze afwezigheid, maar Nederland kent sowieso geen bloeiend countrylife, zoals in Engeland en ook in Italië bestaat. In de meeste gebieden ontbrak een adel die voor tradities en een zekere graad van ontwikkeling zorgdroeg, zodat natuurliefhebbers die de stad wilden ontvluchten niet verder gingen dan de grenzen van hun villadorp. Het Nederlandse platteland bleef daardoor boerenland, werkland, waar naast lentefeesten bijvoorbeeld ook oogstfeesten vervielen. Alleen mèt de oogst wordt nog gepronkt, getuige het jaarlijkse Fruitcorso in Tiel sinds 1961, maar dat is om zakelijke redenen.

Het meifeest zou inmiddels al uit het Nederlandse collectieve geheugen zijn gewist, als niet twee groepen mensen er een speciale band mee hadden gekregen. Socialisten zagen de ondergang van het kapitalisme als onafwendbaar en koppelden de belofte van een rechtvaardige samenleving aan de lente. Op de Socialistische Internationale van 1899 in Parijs werd 1 mei uitgeroepen tot Dag van de Arbeid en sindsdien kwam ook het dansen rond de meiboom weer op. We lezen bij André van der Louw (in: Rood als je hart) hoe dat zestig jaar geleden in Den Haag plaatsgreep. Hij en zijn kameraden van de AJC droegen een loodzware paal met stalen krans naar het huis van toenmalig premier Willem Drees. Ze richtten de paal op, grepen de gekleurde linten vast die aan de krans hingen en paradeerden sierlijk in het rond... 'als eerbetoon onder het goedkeurend oog van onze grijze en geëerde voorman'.
Maar dit dansen was natuurlijk niet alleen eerbetoon, het beantwoordde tevens aan een verlangen naar aardsheid en vitalisme, naar broederschap en 'oude, heilige tradities' als de 'Germaanse winterzonnewende' (Van der Louw). Dit verlangen werd tot in de Tweede Wereldoorlog gedeeld door nationaal-socialisten, die in hun jeugdkampen eveneens rond de meiboom dansten. Juist de laatsten hebben de moderne meiboomviering weer de das om gedaan, althans in Nederland. De Dag van de Arbeid wordt momenteel in alle belangrijke Europese, Aziatische en Zuidamerikaanse landen gevierd, behalve hier. Moeten we daaruit concluderen dat Nederlanders zichzelf niet graag als arbeiders zien, zoals ze ook al geen boeren met lentefeesten waren?

Desalniettemin herinneren aan de oude meiboom nog de paasstaak van Denekamp, de pinksterkroon van Deventer en de kallemooi van Schiermonnikoog, en ook de traditionele boomtak op het hoogste punt van een bouw. Verder resteren er enkele echte meibomen in Zuid-Limburg. Aantoonbaar de oudste is de Sint Brigida-den van Noorbeek, die naar verluidt bijna 380 keer is geplaatst, hoewel de oudste schriftelijke vermelding dateert uit 1787. De jonkheid, waar vroeger iedere ongehuwde jongeman deel van uitmaakte, maar die nu slechts een beperkt aantal leden telt, haalt de boom op de zaterdag voor de tweede zondag na Pasen uit een bos even over de Belgische grens. Hij wordt door getrouwde mannen op het kerkplein opgezet en blijft daar tot de volgende Paasmaandag, dus bijna een heel jaar, staan. Ook Banholt kent een dergelijke meiboom, de Sint Gerlachus-den, die op de zaterdag voor Pinksteren wordt opgericht. Plaatsen als Valkenburg, Schinveld, Nieuwenhagen en Groenstaart hebben een meer reguliere mei-den.