Nieuwjaar wordt in Nederland sinds 1575 op 1 januari gevierd...
Het schijnt dat de oudste bewoners van onze streken, die geen echte kalender bezaten, tussen eind december en begin januari een midwinterfeest van twaalf nachten hielden. De Romeinen op hun beurt lieten aanvankelijk het nieuwe jaar op 1 maart beginnen, maar vanaf 44 v. Chr, toen Julius Ceasar de naar hem vernoemde Juliaanse kalender invoerde, werd dat 1 januari, de dag dat de nieuwe senaat werd geïnstalleerd. Met de verbreiding van de Romaanse cultuur ging die datum voor steeds meer mensen gelden, al probeerde de katholieke Kerk andere data ingang te doen vinden. Eerst stelde zij Pasen voor, daarna Driekoningen, vervolgens Kerstmis en ten slotte Sint Maarten; ook Maria Boodschap op 25 maart is nog in de aanbieding geweest.
Voor Nederland heeft de Spaanse landvoogd Requesens in genoemd jaar, 1575, de knoop doorgehakt ten gunste van het Romeinse nieuwjaar, wat ook de internationale standaard is geworden. Hiermee viel 1 januari overigens nog niet op de huidige datum, want de kalenderhervorming van paus Gregorius in 1582, die het hele jaar tien dagen naar voren haalde, werd in Nederland slechts aarzelend overgenomen, omdat calvinisten niet graag van een paus wilden leren hoe zij een kalender moesten inrichten. Als laatste provincie ging in 1701 Drenthe overstag en sindsdien bestaat er dus een landelijk Oud en Nieuw.
Buitenshuis en binnenskamers
Over de vroegste viering bericht de Kerk. Het heet dat in heidense tijden de mensen vuren stookten, lawaai maakten, maskers droegen en offers brachten, teneinde de geesten die door het zwerk raasden, te verjagen danwel mild te stemmen. De Kerk zou dit soort 'onnutte superstitiën' hebben proberen te bestrijden door Kerstmis en Driekoningen aan het begin en het eind van het midwinterfeest te plaatsen, waardoor de heidense feestvreugde als het ware naar die dagen werd toegezogen. In de zesde eeuw schreef zij zelfs rond nieuwjaarsdag een driedaagse vasten uit en toen dat zonder resultaat bleef, werd 1 januari tot Dag der Besnijdenis van Jezus verklaard. In een cultuur waarin niet besneden wordt, was dit natuurlijk geen gelukkige greep: het 'eerst vergoten bloed van het Lam Gods' is in het Westen nooit uitgebreid herdacht, ook al hebben zowel katholieken als protestanten daarvoor gepleit. Oud en Nieuw bleef hierdoor een zuiver werelds festijn, met dien verstande dat de katholieke Kerk 31 december wel heeft gewijd aan St. Silvester, paus tijdens het bewind van keizer Constantijn de Grote, die de vervolging van de christenen staakte. Oudejaarsavond staat in diverse landen ook wel bekend als Silvesteravond, waarin men de laatste poging van Rome mag zien om het feest een religieus tintje te geven.

In de zeventiende eeuw, zo meldt de geschiedschrijver Jan ter Gouw in De Volksvermaken, ging Oudjaar gepaard met volle bekers en luide gezangen. Er werd druk met carbid geschoten. 'Langs de straten trokken hele troepen jongelingen rond om te schieten: schot op schot knalde uit de koffij- en wijnhuizen, en de burgers schoten uit hunne stoepen'. Veel Amsterdammers bewaarden hiervoor een apart kanonnetje op zolder.
Daarnaast grepen zogeheten nieuwjaarszangers hun kans. Met een liedtekst als: 'Boven aan de hemel, Hangt een zak met zemel, Iedere zemel kost een duit, Hang den gierigen bliksem uit' gingen veelal arme mensen van huis tot huis om, blijkens een keur uit 1785, 'den luiden iets af te nemen of te eisen'. Dit dient letterlijk te worden genomen. Er bestaan getuigenissen van nieuwjaarszangers die huizen binnendrongen en zich ongevraagd te goed deden aan wat daar voor eetbaars aanwezig was. Voor een lieflijker accent zorgden schoolkinderen, die voor hun ouders nieuwjaarsbrieven schreven, om te laten zien hoe ver zij met schrijven gevorderd waren. De school kon op die manier tevens onder de aandacht brengen dat het schoolgeld nog moest worden betaald.

Ten tijde van de Verlichting groeide onder de burgerij een hang naar een meer intieme viering. De pendule die in welgestelde huizen op schoorsteenmantels kwam te prijken, gaf de preciese minuut aan en het moderne gevoel voor planning en regulering ontwaakte. Oud en Nieuw diende niet om Germaanse geesten te verdrijven maar om goede voornemens te formuleren, hoewel zulke voornemens gewoonlijk in verband worden gebracht met de Romeinse god Janus, naar wie Januari is vernoemd. Janus, afgebeeld met twee gezichten, stond bekend als de stichter van het maatschappelijk leven: met het ene gezicht keek hij vooruit, met het andere achteruit; vandaar dat hij symbool werd voor vernieuwing. Toch is het verleidelijk de geschiedenis van de goede voornemens pas in de achttiende eeuw te laten aanvangen, toen mensen ook naar hun eigen idee steeds meer te kiezen kregen.
Zo'n voornemen kon zijn: de voordeur op slot. Buren en vrienden bracht men eerst middels visitekaartjes en later middels een postkaart de beste wensen over, en verder bleef men en famille. Wie een aalmoes verlangde moest voortaan aanbellen en liefst ook iets te offreren hebben. In de negentiende eeuw leidde dit tot een hausse aan gedrukte nieuwjaarswensen. Lantaarnopstekers, askarrenmannen, doodgravers, nachtwachten, porders, klokkenluiders, torenwachters, straatvegers en omroepers, allemaal kwamen ze langs met een prent om het fooitje te ontvangen dat tegenwoordig alleen de krantenjongen nog ontvangt.

Tegelijkertijd werden de uitwassen op straat bestreden. De politie trad op tegen openbare dronkenschap en vuurwapenbezit. Ter Gouw schrijft dat aan het begin van de negentiende eeuw de Kalverstraat door het schieten nog op haar grondvesten schudde en dat iedere huisvrouw uit voorzorg schrikpoeder had klaarliggen. Maar in 1870 kon hij over Amsterdam constateren: 'van de huidige tijd niets dan lof'. Door eendrachtige samenwerking van politie, onderwijzers en kerkleiders was 'de lust tot uitspattingen evenzeer verminderd als de beschaving toegenomen'.
Voorlopig kon de burgerij in Nederland zich alleen verbazen over wat er in de Nederlandse koloniën gebeurde. In 1864 meldde een Indische krant dat Chinezen de gewoonte hadden aangenomen om naast hun eigen Nieuwjaar ook het 'Europeesche Nieuwjaar' in te luiden met vuurwerk. Een decennium later staken Nederlandse kolonialen al zelf vuurwerk af:... 'Zelfs ouden van dagen onzer Europeesche maatschappij gaven er zich met ware verrukking aan over'. In het vaderland kende men al sinds eeuwen grootse vuurwerken van overheidswege en daarnaast vermaakte de straatjeugd zich met rotjes, voetzoekers, slangetjes en muisjes, bijvoorbeeld op Hartjesdag in Amsterdam. Maar dat gezeten burgers om middernacht naar vuurpijlen en Bengaals Vuur grepen, met alle risico's vandien, kwam uiterst merkwaardig over, ook bij menig journalist ter plaatse, getuige een terugblik op de viering van 1904 met de kop: 'Eén groot gekkenhuis!'
Spelletjes en oliebollen
Oud en Nieuw in Nederlandse steden was en bleef een feest voor de huiskamer. Twee elementen speelden daarbij de hoofdrol. Ganzenborden was al in de vijftiende eeuw aan Zuideuropese hoven bekend en kwam twee eeuwen later naar Nederland, waar het aanvankelijk op argwaan stuitte, vanwege de bijbehorende dobbelstenen die in de bijbel worden verfoeid. In de negentiende eeuw was die argwaan in verband met ganzen en kleurige pionnetjes wel overwonnen. De speelgoedindustrie die in diezelfde eeuw ontstond zou voor steeds nieuwe spellen zorgdragen, tot aan Trivial Pursuit en de Kolonisten van Catan toe. Maar ook wie tegenwoordig met Oudjaar virtueel een tenniswedstrijd op een beeldscherm speelt, bevindt zich in de traditie van het aloude ganzenborden.
Het andere element was de oliebol. Over de herkomst daarvan doen allerlei theorieën de ronde. De wildste refereert aan de Germaanse godin Perchta. Zij en haar volgelingen plachten gedurende het midwinterfeest door de lucht te klieven en daarbij met zwaarden gewone stervelingen open te rijten. De laatsten konden echter zorgen dat de zwaarden van hun lichaam afgleden door zich vol te proppen met gefrituurd deeg. Het bezwaar van deze theorie is dat frituren als bereidingswijze pas in de achttiende eeuw opkomt. Een bijzondere consequentie van deze theorie is ook dat er dan in onze contreien blijkbaar onbekende Germanenstammen moeten hebben geleefd, want elders in Groot-Germania bestaat de oliebol niet (Engelsen spreken ook expliciet van een Dutch donut).
Aardiger is de theorie dat oliebollen zijn ontstaan tijdens de Spaanse belegeringen in de Tachtigjarige Oorlog: mensen hadden toen eenvoudig geen tijd om eten te bereiden en wierpen hun deeg in dezelfde ketel als waarin de olie kookte die vanaf de stadsmuren over de aanstormende vijand werd heengegoten.
De meest waarschijnlijke theorie is dat Portugese Joden de voorganger van de oliebol, de oliekoek, hier hebben geïntroduceerd nadat ze tijdens de Inquisitie van het Iberisch schiereiland waren verdreven. Het onderscheidende ingrediënt, de krent, is immers van mediterrane oorsprong en Portugese oliekoeken zijn verwant aan de Afrikaanse vetkoek. Het oudste recept voor een dergelijke koek staat ook in het allereerste Nederlandse kookboek De Verstandige Kock uit 1667. De huidige oliebol kon daaruit eerst ontstaan na de genoemde opkomst van het frituren, al bleef 'oliekoek' tot ver in de negentiende eeuw de gangbare benaming, want het duurde even voordat men de visuele verandering in het product in de woordkeus liet doorklinken. Waarschijnlijk werd de oliebol pas een huiselijke rage dankzij de moderne industrie. Fabrikanten brachten gebruiksklare bakolie op de markt en stapten halverwege de negentiende eeuw over van dure rietsuiker op goedkope bietsuiker, waarmee poedersuiker binnen ieders bereik kwam, die de oliebol in veler ogen completeert.
Een Oudejaarsavond met spelletjes en oliebollen stemde stedelingen tot in de tweede helft van de twintigste eeuw volkomen tevreden. Kinderen moesten tot even voor twaalven in bed blijven en veel gezinnen gingen zelfs 'biddend het jaar uit'. Nadien wensten katholieken elkaar een zalig nieuwjaar en protestanten een gelukkig nieuwjaar (doopsgezinden koesteren de combinatie 'gelukzalig nieuwjaar'). Een drankje of nog een gebed volgde, en dat was het; van uitbundigheid was geen sprake. Wel zorgde gaandeweg de levensmiddelenbranche voor een ruimer assortiment versnaperingen op de avond, zoals nootjes en na de oorlog flesjes bier. Ten koste van de spelletjes kregen ook de radio en televisie een steeds prominentere rol, zeker toen cabaretier Wim Kan in 1954 de allereerste oudejaarsconference hield, inmiddels een niet meer weg te denken ritueel. Waar vroeger de dominee of pastoor het jaar geestelijk uitluidde, doet dat nu de cabaretier.
Platteland verovert de stad
Buiten de steden in Nederland daarentegen bleef Oud en Nieuw een luidruchtig gebeuren, - wel frappant aangezien in grote delen van Europa dit feest tot in onze tijd ongemerkt voorbijging. Het carbidschieten in melkbussen was onder Brabantse boeren tot aan de Tweede Wereldoorlog normaal en heeft stand gehouden in de oostelijke provincies. Potdeksels, sirenes en kerkklokken zorgden elders voor vervangend lawaai.
In Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Flevoland en op de Waddeneilanden handhaafde vooral protestantse de jeugd de traditie om uit pesterij op oudejaarsavond alles wat los en niet té vast zit van omliggende erven naar een centraal punt te brengen: het nieuwjaarsslepen of nieuwjaarstogen. Mikpunt hiervan waren meestal mensen die ergernis hadden gewekt, bijvoorbeeld omdat ze geklaagd hadden over voetballawaai. Ook in de Black Belt kwam dit voor, al kregen zulke klagers daar bij voorkeur een emmer verf tegen hun gevel gekwakt. In het gebied van het nieuwjaarsslepen zijn na de oorlog nog complete oudejaarsverenigingen in leven geroepen, wier actieradius inmiddels niet langer beperkt is tot de directe omgeving. In plaats van slepen spreekt men nu van oudejaarsstunts, die geregeld het landelijke nieuws halen. In 2011 bijvoorbeeld stal de oudste vereniging van het land, De Geitefok uit het Friese Oldeberkoop, de olympische ringen van het Olympisch Stadion in Amsterdam om ze in het nieuwe jaar onder excuses te retourneren.
De laatste volwassen nieuwjaarszangers stierven op het platteland in de eerste helft van de twintigste eeuw uit, maar in het zuiden en het oosten van het land gingen kinderen er langer mee door. In het Overijsselse Goor, waar de kinderen met foekepotten (rommelpotten) liepen, wist men dit gebruik van de ondergang te redden door er een organisatie onder te zetten en in de plaatselijke feestkalender op te nemen.
In Ootmarsum kon nog een heuse nieuwjaarsoptocht ontstaan, doordat de gemeente de laatste nachtwaker bij zijn pensionering in 1921 een toelage beloofde als hij jaarlijks na twaalven zijn zegenwens bleef uitdragen. De rondgang van de nachtwacht begint om twaalf uur en de nachtwaker die voorgaat hanteert een ratel. Op twaalf plekken roept hij: 'Twaalf uren heeft de klok' en het publiek antwoordt: 'De klok heeft twaalf', en ze zingen: 'Komt burgers, komt nu allen terstond, Het nieuwe jaar is ingetreden'.
Ten slotte zou in Friese dorpen en buurtschappen als Tietjerk, Gorredijk en De Folgeren in Drachten in de jaren zestig van de vorige eeuw een nieuw gebruik opkomen: het plaatsen van borden met satirische teksten over buurtbewoners. Zoals: 'Het komt voor mekaar met Tjepkje de V. als callgirl van het jaar', of 'S.V. stuurde de Renault in de muur, deze grap was wel wat duur'. Soms ook verschijnen borden met politiek commentaar. De attributen van een oud volksgericht en van de protestgeneratie zijn hier als het ware samengebracht; het lijkt folklore uit het democratiseringstijdperk. De wijk De Folgeren in Drachten noemt zichzelf dan ook 'De Vrijstaat'.

De luidruchtige viering op het platteland diende lang als verlokking voor stadse jeugd. In 1930 had Apeldoorn ineens een 'rumoerige jaarwisseling', een begrip dat later algemeen ingeburgerd zou raken. In 1938 volgde Den Haag met een verbranding van kerstbomen en afval door opgeschoten jongens, die interveniërende politieagenten met stenen bekogelden. De oorlogsjaren maakten een einde aan deze ontluikende stadse gewoonte, al zou de Amsterdamse bevolking op Oudjaar 1940 uit protest tegen de Duitse bezetting vanaf balkons en vanuit open ramen een concert geven met pannen en deksels, en wel om tien voor half twee 's nachts, in overeenstemming met de vooroorlogse tijd.
Van vreugdevuren tot nieuwjaarsrecepties
Na de oorlog werd Den Haag de kraamkamer van de huidige oudejaarsviering. Eind jaren veertig was daar het verbranden van kerstbomen weer opgepakt, maar ditmaal in de hele stad. Groepjes jongens gingen hiervoor op strooptocht naar bomen, een activiteit die zelfs een apart werkwoord in leven riep: rausen, en zij lieten de vlammen huizenhoog oplaaien met behulp van autobanden. De politie trad onmiddellijk op om een en ander te civiliseren. In 1952 wees zij zes plekken in de residentie aan voor zogeheten vreugdevuren, een nieuwe term in dit verband die bij voorbaat een bedaarde stemming moest teweegbrengen. Bij een ervan zorgde de eigen Politiekapel zelfs voor een muzikale omlijsting, alsof het reeds om een fijnzinnig feestje ging. Haagse nozems lieten zich echter voorlopig niet dresseren en er zouden jaren van rellen volgen, wat oversloeg op leeftijdgenoten in andere steden.
Intussen deden ook bedaagde Hagenaars van zich spreken. Van oudsher herbergde de stad veel gepensioneerde kolonialen uit Nederlands-Indië, die de gewoonte om Chinees Vuurwerk af te steken mee naar huis hadden genomen. Nadat in 1949 Indonesië een souvereine staat was geworden, kregen zij een nostalgische reden om dat te doen. Aldus werden op middernacht in deftige Haagse wijken vuurpijlen de lucht in geschoten en vlogen in volkswijken kerstbomen in de hens. Omtrent dit laatste hielden de confrontaties met de politie maar aan; in 1961 viel daarbij zelfs een dode. Pas halverwege de jaren tachtig had de overheid een antwoord op de onrust: zij verbrak de nachtelijke 'monocultuur' van dronken jongemannen door feesttenten neer te zetten, waardoor meisjes hun aandacht konden afleiden. Als alternatief voor de autobanden droeg de politie zelf houten kratten aan, en voordat de relschoppers het wisten zaten zij in een woud van voorschriften gevangen. Ook andere gemeenten zorgen sindsdien voor afleidende feesten en gereguleerde vreugdevuren.
De stadse burgerij elders bleef in de jaren zestig nog braaf thuis, maar er groeide toch enig onbehagen omtrent de eigen viering. De televisie bracht steeds grotere shows en maakte van oudjaar een wereldwijd spektakel, beginnend in Samoa (sinds 2011) en eindigend op Hawaï, met als tussentijds hoogtepunt de vallende lichtbol op Times Square in New York. Maar voor wie zich geen wintersport kon veroorloven bleef Oudjaar een lange zit, die de volgende ochtend gedachteloos kon worden hernomen met het concert van de Wiener Philharmoniker en het schansspringen in Garmisch-Partenkirchen
Voorlopig kon de stadse burgerij pas naar buiten op nieuwjaarsdag. Zo organiseerde in 1960 Ok van Batenburg van de zwemclub Njord '59 in Zandvoort een eerste nieuwjaarsduik. Het voorbeeld daartoe ontleende hij uit Canada, dat zo'n duik sinds veertig jaar op kleine schaal kende. Vijf jaar na Zandvoort volgde Scheveningen, dat de zaak grootser aanpakte en daardoor het nationale en zelfs het internationale model werd. Aangemoedigd door soep- en worstfabrikant Unox, die naast voeding ook mutsen en sjalen verstrekt, vindt het nieuwjaarsduiken in Nederland inmiddels op bijna negentig plekken plaats, zelfs in landprovincies. In 2012 waren er 36.000 waaghalzen bij betrokken.
Ook het fenomeen nieuwjaarsreceptie beleefde een opmars. De Romeinen hielden zulke recepties al, maar in Nederland bleven ze tot in de negentiende eeuw een besloten aangelegenheid voor diplomaten en hofdignitarissen. Op een gegeven moment moet er een meer democratische variant zijn ontstaan. Zo meldde Het Nieuws van de Dag in 1904 dat de Amerikaanse president Theodore Roosevelt tijdens de afgelopen nieuwjaarsreceptie in amper drie uur 6711 personen de hand had geschud, wat impliceert dat hij gemiddeld twee seconden per persoon had; lopende bandwerk, waarvoor de Nederlandse elite zich nog niet leende. Wel waren hier inmiddels de nieuwjaarsrecepties afgezakt tot het niveau van burgemeesters, zij het uitsluitend voor notabele gasten. Maar na de oorlog begon ook het bedrijfsleven ermee, evenals allerlei vrijetijdsverenigingen. Favoriete drankje hierbij: champagne of andere bubbelwijn, die na deze kennismaking ook hun weg naar de huiskamer vonden. Tegenwoordig is het aantal nieuwjaarsrecepties zo groot dat mensen die middenin de maatschappij staan er wel twee weken mee zoet zijn.

In de jaren zeventig lieten burgers zich massaal tot middernachtelijk vuurwerk verleiden. Met een stabiele omzet van 70 miljoen euro, opgebracht door een kwart van de bevolking, werd Nederland na China en de Verenigde Staten de derde consument van Chinees vuurwerk. Nederland is met Duitsland, dat vermoedelijk deze folklore van ons heeft overgenomen, zelfs het enige land in Europa waar particulieren vuurwerk afsteken; elders is dat verboden maar ook nooit gebruikelijk geweest.
Eenmaal buitenshuis kwam de burgerij erachter dat de avond ook anders ingericht kon worden. Het thuisvierende gezinnetje is inmiddels al bijna een anachronisme geworden. Kinderen zoeken elkaar op in uitgaanscentra, bevriende echtparen huren een vakantiebungalow of beleggen een gezamenlijk avondje. Menigeen houdt openhuis. En de gelukwensen tussen ouders en kinderen worden 's nachts per mobieltje uitgewisseld, of per sms en apps.
Hedendaagse perikelen
Als laatste trend met Oud en Nieuw mag gelden dat de stedelijke viering weer geweldadiger wordt, alsof oude tijden herleven. Zowel autochtone als allochtone jongeren laten in woonwijken vuurwerkbommen ontploffen, steken auto's van particulieren in brand, brengen allerlei vernielingen aan en bedreigen, zo niet molestreren, toegesnelde hulpverleners als brandweerlieden en ambulancemedewerkers. In geïsoleerde boerendorpen en in woonwagenkampen konden politieagenten van oudsher op zo'n houding stuiten, maar hulpverleners toch niet.
Het ongenoegen van de eerste algemeen erkende rassenrel in Nederland, tussen Molukkers en Marokkanen, mocht Culemborg smaken in 2009.
En in wat ooit tuinsteden heette, voltrekken zich steevast botsingen tussen de politie en moslimjongeren. Volgens de PvdA-politicus Ahmed Marcouch is voor laatstgenoemden de aangewezen oplossing: op grote schaal preventief opsluiten, maar dat zou wel een heel merkwaardig oudejaarsritueel opleveren. Voor zover die jongeren echter een apart probleem vormen dan is dat gelegen in hun religie. Moslims erkennen de mondiale kalender niet en krijgen van hun geestelijke leiders uitdrukkelijk te horen onze nieuwjaarsviering te negeren, omdat Allah daarin niet centraal staat. Wat kunnen jongeren die elkaar niet eens gelukkig nieuwjaar mogen wensen, anders doen dan gezamenlijk trammelant schoppen?
De Nederlandse viering roept al met al wel vragen op. Bijna overal ter wereld is Oud en Nieuw een vrolijk en optimistisch gebeuren, waarbij zelden een wanklank valt, ook al staan honderdduizenden mensen op pleinen bijeengepakt. Een deel van de verklaring zal zijn dat in de meeste landen de viering vrij laat is begonnen, omdat hun kerken aandacht vroegen voor Kertsmis en Driekoningen en een wereldse aangelegenheid als Nieuwjaar negeerden. De massa in die landen viel pas voor het feest toen de televisie er een internationale manifestatie van lotsverbondenheid en hoop van had gemaakt. Een ander deel van de verklaring moet zijn dat Nederland behoort tot een smalle strook in Europa waar ook hooliganism en comazuipen op flinke schaal voorkomen - jongeren uit de voormalige protestantse levenssfeer die zich verzetten tegen hun eigen kleinburgerlijkheid. In elk geval kan vuurwerk alleen, zoals wel wordt geopperd, nooit een bepalende factor zijn, want Chinezen zijn daarmee al eeuwen vredig in de weer tijdens hun jaarwisselingen.
De opmars van het Chinees Vuurwerk in Nederlands-Indië valt na te gaan op www.kranten.kb , www.anderetijden.nl biedt een reportage over de Haagse kerstbomenjacht.