Adel

 

Adel verplicht (tot niets)

 

Het gaat uitstekend met de adel in Nederland, lees ik tot mijn genoegen. In de rancuneuze jaren zeventig durfden edellieden bij sollicitaties niet eens hun titel te vermelden; een enkele ziel heeft toen zelfs via de rechter zijn jonkheerschap laten schrappen. Inmiddels bewegen zij zich weer soepel door de samenleving, - met een zelfvertouwen, heb ik gemerkt, dat als het ware aan het zelfvertrouwen voorafgaat. Voor wie nooit in de gelegenheid is geweest deze bijna landerige vanzelfsprekendheid omtrent het eigen ik te bestuderen: ook kinderen van Bekende Nederlanders zijn er dikwijls mee behept.

 

baronvanhellenberg

Silhouet van Godefridus Domenicus baron van Hellenberg (1761 - 1817). Ooit telde Nederland zeshonderd adellijke families, inmiddels 285

 

Hoezeer het nobele aanzien is verbeterd toont Jort Kelder met zijn tv-serie Hoe heurt het eigenlijk? In elke aflevering mag een kleurrijke edelman opdraven, al heb ik nooit goed begrepen waarom dat gebeurt. Het betreft steevast aangename lieden met stijl, die op hun slechtverwarmde kasteeltje de eindjes aan elkaar knopen en toch veel liefdadigheid bedrijven. Prima, maar wie moeten zij tot voorbeeld strekken? Ik kan slechts één doelgroep bedenken: de Oranjes, die inderdaad wat meer ingetogenheid aan de dag zouden mogen leggen (al betwijfel ik of de massa dat wil).

Mij verraste het wel dat de adel er weer bovenop is. Natuurlijk, het grote voordeel van de adel boven iedereen is dat historische prestaties voor altijd worden vastgelegd, althans dat geldt vandaag de dag. In het verleden is het heus wel voorgekomen dat edellieden in de anonimiteit wegzonken. Zo is er het verhaal van jonkheer Frits van Coeverden, lid van een van de oudste families van het land, die zichzelf in de jaren twintig terugvond als apprêteerder, nogal een smerig beroep, in de Twentsche Stoombleekerij te Goor. Op een dag stapte hij verbaasd naar de burgemeester met de vraag: 'Hoe kom ik eigenlijk aan die titel jonkheer?'   

De industriële bourgeoisie daarentegen, die ons land welvarend heeft gemaakt, is over twee, drie generaties grotendeels uit zicht verdwenen. Menig fabrikantenfamilie is ook voortijdig gestruikeld over zwarte schapen, die de adel juist jeu bezorgen. Niettemin. mogen we stellen, dat het met de adelstand hier maatschappelijk bekeken de laatste vijfhonderd jaar voornamelijk bergafwaarts gegaan. 

Bij de vorming van de natie vervulden diverse edelen een actieve rol, zoals de helaas vroeg overleden Hendrik van Brederode, de Grote Geus die als eerste tegen Spanje ten strijde trok en een verlicht man was. Hij pleitte voor echte godsdienstvrijheid, wat tevens inhield dat hij in zijn woonplaats Vianen de Beeldenstormers aftroefde door tijdig alle kerkschatten naar zijn kasteel te laten overbrengen. Zijn neef Lumey daarentegen was persoonlijk verantwoordelijk voor de walgelijke moord op de negentien Martelaren van Gorcum, eenvoudige geestelijken die alleen aan de strop hadden kunnen ontkomen als zij hun geloof afzwoeren. Eveneens minder fraai: Floris I van Pallandt, graaf van Culemborg, die zelf aan de vernielingen in de Barbarakerk deelnam en tijdens een bacchantisch Laatste Avondmaal zijn papagaai de hostie voerde.

Na de Alteratie van 1578 echter was een groot deel van de adel aan de verkeerde kant van onze geschiedenis terechtgekomen: de katholieke kant. In haar mooie boek Hoog geboren besteedt Ileen Montijn weinig aandacht aan het onderscheid binnen de adel tussen katholieken en protestanten, wat mij bevreemdt, want in een protestants land mag je verwachten dat de meerderheid ervan die religie is toegedaan. Dat was aanvankelijk echter beslist niet het geval.

Ooit heb ik de archieven van het R.C. Maagdenhuis en het R.C. Jongensweeshuis in Amsterdam bestudeerd en onder de regenten daarvan vond ik de fraaiste titels: de burggraven Roest van Alkemade, de graven van Sluipwijk Moens, de baronnen van Wijkerslooth van Grevenmachern - allemaal geslachten die niet waren gevallen voor de nieuwe leer. Als ik het moet zeggen dan hoort adel ook bij een katholieke standenmaatschappij. Protestantse adel, zeker in Nederland, heeft iets hypocriets, want de leden ervan hebben ooit ingestemd met calvinistische heethoofden die qua levensstijl hun spiegelbeeld vormen.

De trouw aan Rome eiste intussen een zware tol, ook van gewone burgers. Katholieken hadden in Nederland tot 1795 een Berufsverbot met betrekking tot openbare ambten en werden daardoor tot een bestaan in de marge gedwongen. In de genoemde archieven stuitte ik op enkele uiterst ontwikkelde en kapitaalkrachtige regenten, die in Brugmans' Geschiedenis van Amsterdam niet eens als schaduw voorbijkomen. Wat een ongelofelijke verspilling van talent!

De waarheid gebiedt te erkennen dat tijdens de Republiek ook de protestantse adel niet echt de wind mee had. Volgens Montijn behielden individuele edelen wel degelijk functies in de Haagse hofhouding en in de provincies, maar omdat er nimmer Blauw Bloed bijkwam begon het lange uitsterven. In 1795 leek de genadeklap te volgen. De Patriotten schaften de standen af, waarmee de adelstand verwerd tot adeldom, titulaire franje. 

 

wapen.jpg

Familiewapens zijn een rechtstreekse erfenis van de adel. Ooit ontmoette ik een De Jager met zo'n wapen, waarop ik vroeg: 'Hoe kom jij daar nou aan?' Hij had het gehaald uit een Frans boek en beweerde bij hoog en bij laag dat iedereen daaruit een keuze mocht maken, want alleen adellijke wapens zijn beschermd. Sindsdien komt mijn familie uit Gand (Gent). 

 

Het tij keerde toen Nederland de nog altijd bizarre omslag van een republiek naar een koninkrijk maakte. Volgens het idee dat een koning uit de adel dient voort te komen schonk Willem I de leden ervan het exclusieve recht om de Eerste Kamer te bemannen, wat tot 1848 heeft geduurd. Tegelijkertijd verstrekte hij ruim vierhonderd families adelsdiploma's; later zouden er nog eens honderd volgen. Nota bene: de adel van voor die tijd bestond uit amper honderd families.

Er hadden beduidend meer edelen kunnen zijn als niet diverse kandidaten voor die eer hadden bedankt. Ik ken uit Nederland geen voorbeeld van de overtuigde bourgeois, zoals Alfred Krupp uit Duitsland, die liever 'de eerste onder de industriëlen' was dan 'de laatste onder de ridders'. Maar naar verluidt zijn er wel families geweest die hun nobele kandidatuur afwezen vanwege een republikeinse overtuiging. Toch kan ik mij voorstellen dat menigeen alsnog had toegehapt als de Hoge Raad van Adel scheutiger was geweest met echte titels in plaats van met het predicaat jonkheer. Die term stemt buitenstaanders al ongewenst vrolijk, zeker als het in de praktijk om een oude heer blijkt te gaan. Bovendien valt nauwelijks uit te leggen dat wat officieel geen titel is toch voortdurend als zodanig wordt gebruikt. Van generaal Van Heutz is bekend dat hij het jonkheerschap te gering voor zijn statuur achtte en daarom weigerde. Over de familie Van Hall gaat alleen dit gerucht.

Trouwens, ook de kosten om, zoals dat heet, een adelsdiploma te lichten, waren niet gering, tot wel vijfhonderd gulden per persoon. Ongetwijfeld zullen sommige families hierom een titel hebben laten schieten. Een grappige reden voor afwijzing heb ik leren kennen via mijn schoonfamilie Van Hellenberg Hubar. Zij kon aanspraak maken op verheffing omdat de omstreeks 1850 uitgestorven Van Hellenbergs de barontitel hadden gevoerd, maar wees in de jaren dertig van de vorige eeuw een jonkheerlijk aanbod af, immers, zij zou dan de jongste adel van dat moment zijn geweest. Dat dit wel degelijk telde blijkt uit een anekdote die er werd bijverteld. De Eindhovense familie Smits van Oyen ontving eerder het jonkheerschap en vierde dat met een ontvangst. Een van de gasten was jonkheer De Kuyper, wiens familie blijkens zijn naam ook ooit een fikse lift moet hebben gekregen. De man zat tijdens het diner voortdurend op zijn horloge te kijken, waarop zijn tafeldame vroeg waarom hij dat deed. Zijn antwoord luidde: 'Ik wil weten hoe lang onze gastheren al van adel zijn.'

Wat mij zou interesseren is of bepaalde categorieën bij de nobilitatie zijn voorgetrokken. De 'Willem-I adel' ontlokte in salons en sociëteiten veel schampere opmerkingen, vanwege begane slordigheden bij de uitverkiezing. Feit is natuurlijk dat de meeste jonkers uit een vijver waren gehengeld waarin een hele school van ebenbürtige vissen rondzwom, te weten de vroegere regentenklasse. Nederland kennende neem ik intussen aan dat katholieken en joden vaak minder in aanmerking kwamen voor benoeming, erkenning, inlijving of verheffing. Ook fabrikanten zijn stiefmoederlijk bedeeld, zeker als zij tot een minderheid behoorden, wat vaak het geval was. De familie Regout uit Maastricht heeft nooit een titel gekregen, terwijl in Engeland een kruidenier als lord Sainsbury dat al overkwam.

In plaats hiervan: oude kooplui, want Nederland is godlof een handelsnatie. Verder: diplomaten, legergeneraals en rechters. Mijn persoonlijke indruk is dat onevenredig veel verzekeraars zijn uitverkoren. Ik heb een tijdje nabij de Utrechtse Heuvelrug gewoond en daar barstte het van zulke formulierenschuivers: zeer deftig, met namen die klonken als kerkklokken, al had niemand die ooit horen beieren.

 

zegelring.jpg

Adellijke bijdrage aan de mode: zegelringen. Deze exemplaren staan onder ingewijden bekend als tegelringen en de dragers ervan als Lord of Lady Gladstone. www.zegelringen.com   

 

Zoals bekend is onder de socialistische premier Willem Drees in 1953 de mogelijkheid tot verheffing geblokkeerd en hebben we sindsdien andermaal een adel die ten dode is opgeschreven. Of: zoals bekend? Het ging aanvankelijk om een geheime afspraak met koningin Juliana, waarvan de adel zelf geen weet had. Een schizofrene discussie moet dit wel hebben opgeleverd.

Montijn beschrijft hoe de Nederlandse high society tot een einde kwam: Wilhelmina schafte de hofbals af, stond niet meer toe dat jeugdige edelen zich ten paleize kwamen voorstellen en zette oude hoffamilies aan de dijk. Omdat Wilhelmina bepaald geen democrate was (ze vertoonde zich niet eens op haar eigen Koninginnedag), begrijp ik dat zij zich te goed voor de adel voelde, op grond waarvan mag overigens schoonzoon prins Bernhard weten. Hier past wederom een nota bene: de Oranjes zijn zelfs tegenover de adel bevoorrecht, want alleen bij hen mogen de titels via de vrouwelijke lijn vererven. Waren zij normale edellieden geweest dan was de familie inmiddels volledig Duits geworden en afgezakt tot de jonkherenstatus, wat ook al geflatteerd is, want de vader van onze huidige koning, Claus von Amsberg, behoorde in zijn geboorteland tot de 'niedrige Adel', die niet eens met een predicaat wordt aangeduid. 

Maar Juliana was zogenaamd een democrate in hart en nieren, zij wilde een relatie met het volk zonder interfererende aristocratie. Drees van zijn kant trachtte de gelijkheid van mensen te bevorderen. Hij had dat kunnen doen door verdienstelijke landgenoten eveneens een titel toe te kennen en aldus een interne democratisering van de adel te bewerkstelligen, een route waarvoor onze zuiderburen hebben gekozen. Hij koos de confrontatie.

Nu wilde het geval dat lijfeigenschap hier zelfs niet in het verre verleden heeft bestaan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Denemarken en Oost-Europa. Ook was de Nederlandse adel niet exorbitant rijk, zoals elders wel het geval was. In Engeland bezaten sommige families tientallen kastelen. Zoals te zien in Downton Abbey stonden daar tot in kleine gangen lakeien in livrei - denigrerend aangeduid als footmen - te pronk. In Nederland daarentegen waren lakeien achter een stoel tijdens een diner al zeldzaam; het verhaal wil dat de zilveren tafelbel hier niet voor niets hier is uitgevonden.

In de twintigste eeuw kwam bovendien de vermogenspositie van de adel zwaar onder druk te liggen door successierechten en andere belastingen. De enige echte ongelijkheid die in Nederland resteerde was die tussen het feodale staatshoofd, dat zelfs van iedere belasting was vrijgesteld, en ons onderdanen. Mijn prioriteit zou het zijn geweest om die situatie te wijzigen; in plaats daarvan pakte Drees een al bijna folkloristisch instituut aan, waarbij hij de directie van dat instituut ongemoeid liet. Helemaal idioot is dat sindsdien alleen die directie nog voor adellijke aanwas mag zorgdragen, wat de 'linkse' Beatrix ook ruimschoots heeft gedaan: nooit eerder telde Nederland zoveel prinsen en prinsessen en graven en gravinnen als nu!  

Wel, wat heeft de adel ons al met al gebracht?

Voor een antwoord op die vraag moeten we ons allereerst realiseren dat er weinig Nederlandse adel is geweest. Officieel zijn er nu nog 285 van zulke families zijn, waarvan er overigens twintig op uitsterven staan omdat zij alleen nog vrouwelijke telgen kennen. Samen tellen zij ongeveer 8500 personen, van wie maar liefst een kwart in het buitenland woont. Ter vergelijking: Belgie heeft 1200 van zulke families, met in totaal 32.500 leden. Voor een zelfde adellijke dichtheid als dat land zou Nederland eigenlijk 1800 adellijke families met bijna 50.000 leden moeten hebben.

Visueel is deze geringheid al op te merken. Dat wij geen Wentworth Woodhouse met 365 kamers kennen laat zich raden, maar in andere Europese landen tref je in bijna elk dorp wel een breedgevelige manor aan, vlakbij of aan het dorpsplein. In Nederland zijn er hele gebieden, vooral in het Westen, waar zulke bouwsels ontbreken omdat er nooit adel heeft gezeten. In het Westen staan wel ettelijke buitens van rijke stedelingen maar dat lijken grachtenhuizen die naar het platteland zijn verplaatst. Hoe wezensvreemd nobele architectuur hier is blijkt ook uit het feit dat er geen adequate vertalingen bestaan voor het Franse palais en chateau, die in Frankrijk gek genoeg kleiner kunnen zijn dan bij ons een paleis en een kasteel.

 

peapark2

Ook buitenlandse adel zorgde voor inspiratie, zoals hier in het Peapark (1914 - 1928) van textielfabrikant Piet de Wit in Helmond, een ontwerp van de Amsterdamse architect August van Spaendonck op basis van Le Petit Trianon in Versailles.  

 

Goed, weinig kastelen en paleizen, maar daar hoort bij een geringere verspreiding van serviliteit. Je kunt veel van Nederlanders zeggen, maar talent voor onderdanigheid hebben ze niet. Dat biedt ook geen prettige aanblik. In de boeken van Stendhal en Flaubert lees je beschrijvingen van arme dorpelingen die in de nachtelijke kou bewonderend hun neus tegen kasteelramen drukken, waarachter edellieden copieus dineren en dansen. Of beschrijvingen van lakeien die tegen elkaar opscheppen over hun broodheren. Bij ons kom je alleen in de Indische literatuur lieden tegen die zich letterlijk in het stof werpen om een gunst van hun patroon te verkrijgen.

Anderzijds waren we met meer adel misschien geen natie van mopperaars geworden. Mopperen - een graadje erger: kankeren - is een neiging van boeren en kruideniers die tegen onbeheersbare factoren vechten, en van arbeiders met weinig hart voor hun bedrijf. Het Nederlandse volk moet wel bestaan uit boeren, kruideniers en arbeiders, want onze televisiehistoricus Maarten van Rossem moppert altijd dat wij zo mopperen. De adel verlaagt zich hier nimmer toe, vooral het vrouwelijke deel niet. Nadine de Rothschild citeert in Savoir vivre een hedendaagse hertogin van Sabran: 'Een vrouw van de wereld heeft het nooit warm, nooit koud, heeft nooit honger en is nooit moe. Welke beproeving zij ook doorstaat, zij klaagt nooit en toont zich nooit geschokt... Een béétje manieren, voor de duivel!' 

Met meer adel was er mogelijk ook een Nederlandse graaf opgestaan die een Oorlog en vrede had geschreven, of nóg een Belle van Zuylen. Romanstof was er in elk geval te over geweest. Hier doemt meteen een begeleidend nadeel op. In Annejet van der Zijl's biografie van Bernhard valt te lezen wat het voor een land inhoudt een konkelende en lanterfantende klasse van edelen te hebben. De paar exemplaren dat wij mochten importeren, zijn eigenlijk wel genoeg geweest. 

En toch: een vermakelijk nevenproduct van de adel vormen de upper class twits. Ortega y Gasset beschrijft hen als telgen van oude geslachten met een specifieke onnozelheid en vervagende persoonlijkheidstrekken, doordat zij louter hun voorgeslacht representeren en nooit zichzelf zijn. In Engeland moet dit menstype veelvuldig voorkomen, want Monty Python schreef er jaarlijks een competitie voor uit, maar wij kennen als zodanig alleen baron Taets van Aevezaethe van Paul van Vliet, die eerder Brits dan Hollands aandoet.

 

montypython

Bewegende beelden zijn te vinden op youtube en imgur. www.deviantart.com

 

Ook hebben wij weinig goede snobs, vind ik. Uiteraard heb ik het niet over culturele snobs, want daar barst het van, met name onder neerlandici die bij kennismaking binnen vijf minuten boven jou proberen uit te torenen met artistieke weetjes. Mij gaat het om de erven van de sine nobilitate, de bourgeois gentilhommes van Molière. Zouden er elders mensen rondlopen met een tegelring aan hun vinger? Of lui die zich daarover geringschattend uiten maar jou graag voordoen hoe je een wijnglas beetpakt? Omdat een krachtig binnenlands voorbeeld ontbreekt zijn Nederlandse snobs in de regel anglofiele of francofiele na-apers die in hun vrije tijd etiquetteboekjes lezen. Het treurigst vind ik onze nationale snob Jort Kelder, al weet ik nooit wat het treurige aan hem is. Dat hij, afkomstig uit een rijtjeshuis in een zwarte kousengebied (Oud-Beijerland) zich uitsluitend richt op dure dingetjes en malle omgangsvormen, of dat zijn omroep via hem het publiek aan een beetje 'beschaving' wil laten ruiken? Misschien toch het laatste.  

Netzomin als goede snobs, hebben wij aantrekkelijke non-conformisten. Bij gebrek aan een zelfverzekerde elite zetten dwarse mensen zich bij ons bij voorkeur af tegen spitsburgers, wat in de regel betekent dat zij tot in hun nek onder de tattoos zitten en hun p.h. verwaarlozen. Een paradoxaal beeld levert dit wel op. Als een van de rijkste landen ter wereld behoort de overgrote meerderheid van onze bevolking tot de middenklasse. Zonder veel moeite zou iedere landgenoot er tiptop kunnen uitzien, desnoods met behulp van kringloopwinkels, waar mantelpakjes en mannenpakken (vintage!) voor een habbekrats te koop zijn. Maar als je op straat rondkijkt overheersen de kampers en de Tokkies. 

Het effect van weinig adel laat zich ook voelen op het platteland: wij bezitten geen bloeiend country life. Een serie als Midsummer murders zou bij ons nooit kunnen spelen. Misschien met uitzondering van Friesland en langs de oostgrens is een plattelandskroeg in Nederland ook nimmer een pub. En de meeste inboorlingen groeten als koeien ('mwoih'). Uiteraard valt dit de adel niet aan te rekenen, maar in Engeland is het zo gegaan dat stadse fabrikanten en bankiers die van de natuur hielden overal tussen de adel konden gaan zitten en aldus hele regio's tot civilisatie hebben gebracht. In Nederland verschansten zij zich gezamenlijk in villadorpen.

Ik ontmoette eens een baron in de Betuwe die zijn streek zo karakteriseerde: 'Je had hier vroeger grootgrondbezitters en knechten, en iedereen die iets in zijn mars had nam zo snel mogelijk de benen'. Hoewel hij een 'ouderwetse rechtopheid' vertoonde, zoals G.L. van Lennep dat zou noemen, verwonderde mij zijn lethargie, alsof hij het best vond dat capabele lieden wegtrokken. Maar is enige mate van lethargie niet de overlevingstactiek van de adel in de hele wereld geweest?

Intussen heeft de Nederlandse adel wel degelijk sporen nagelaten. Veel industriëlen hebben zich erdoor laten inspireren, tot mijn teleurstelling moet ik zeggen. Industriëlen zijn immers kinderen van de Franse Revolutie maar de meesten hebben die herkomst totaal verloochend. Dat is volgens mij een historische blunder geweest. Als zij zich consequent hadden opgesteld als mannen van eigen verdienste, dan waren zij voor iedereen de helden gebleven die Nederland welvarend hebben gemaakt. De associatie met de adel heeft hen louter nadelen gebracht, want daardoor kregen zij vanuit het volk allerlei kritiek te verduren die bij de adel op een juister adres was geweest.

Hoe die associatie zich heeft voltrokken is vooralsnog onduidelijk. Het handelspatriciaat zal een bemiddelende rol hebben gespeeld en kerkleiders zagen graag dat industriëlen de rol van pseudo-aristocratie aannamen. Bij aristocratie hoort immers liefdadigheid, en dat hebben industriëlen ook bedreven, zelfs op veel groter schaal dan echte aristocraten, zij het zonder er waardering voor te oogsten.

Hoe noodlottig de associatie met de adel kon uitpakken mag blijken uit het verhaal van Jan van Heek. In Twente waren textielfabrikanten als Ten Cate en Van Heek tegen landjonkers aan het opboksen met breedgevelige landhuizen. Omdat de landjonkers op homines novi als zij bleven neerkijken, deed Jan van Heek iets drastisch. Hij verliet het strijdperk van luttele centimeters en kocht een middeleeuwse burcht, Huis Bergh, alsof hij wilde zeggen: 'Jullie landjonkers zijn slechts veredelde boeren, ik ben van nu af aan een ridder'. Had hij die stap maar niet gezet. Vóór de Tweede Wereldoorlog bezat zijn familie het grootste industriële imperium van Nederland, in de jaren zestig, tien jaar na Jans dood, ging het volkomen roemloos ten onder.

Zo maar een idee: als Jan een trotse burger was gebleven of de satisfactie van een ridderschap zónder burcht had mogen smaken, was het anders met zijn bedrijf afgelopen.  

 

-----------------------

* Jaap Moes betitelt in zijn boek Onder aristrocraten (2012) als derzulken: de adel, het patriciaat en 'andere notabelen'. Zelf had ik dat nooit gedaan. Aristocratie vind ik al een term die slecht past bij Nederland. Bij aristocratie denk je direct aan adel en wat dat betreft zijn we altijd een ministaatje gebleven. De exorbitante adellijke rijkdom van elders ontbreekt en zelfs het titulaire palet vertoont omissies (géén hertog, slechts één markies en één burggraaf, die in het buitenland wonen). Hét kenmerk van onze geschiedenis is juist dat de adel nauwelijks een rol van betekenis heeft vervuld. De patriciërs hebben dat zeker wel gedaan en hun bewind lijkt het meest op de aristocratie in de Griekse zin van het woord, zij het met de aantekening dat buitenlandse aristocraten hen eerder beschouwden als pummels dan als gelijken. Met 'andere notabelen' bedoelt Moes vooral industriële bourgeoisie uit de 19de en 20ste eeuw. Inderdaad, zij was extreem belangrijk maar opereerde beduidend minder aristocratisch dan het patriciaat, dat overigens op zijn beurt industriëlen lange tijd als pummels beschouwde. Om dan al deze groepen onder één en ook nog verkeerde noemer te scharen...        

* De Hoge Raad van Adel mag geen titels meer uitdelen, het zou een daad van rechtvaardigheid zijn als Jort Kelder van de Raad althans een adelsbrief ontving. Met zijn programma Hoe heurt het eigenlijk? heeft hij de laatste tijd meer voor de adel gedaan dan de adel zelf. Tegelijk moeten we vaststellen dat edellieden bij hem ook hun beste beentje voorzetten. Komisch toch. Eeuwenlang keurden zij het volk geen blik waardig, en inmiddels maken zij er desgevraagd een huppeldansje voor. De afhankelijkheid van overheidssubsidies en van vrijwilligers op de landgoederen zal hierin een rol spelen, evenals het al dan niet bewuste inzicht dat het volk inmiddels massa is geworden. Het volk wilde nog weleens kritisch zijn, de massa daarentegen zwijmelt met alles wat boven de massa uitsteekt.

* Snobisme kent eveneens rangen en standen. Jan van Heek toont de meest verheven variant ervan maar wijdverbreider is de jongen uit de upper lower of lower middle class die haasje-over met zijn ouderlijk milieu speelt teneinde bij rijke vriendjes te horen. Of bij culturele vriendjes, want artistiek snobisme komt veel vaker voor. Mijn indruk: noorderlingen zijn meer tot snobisme genegen dan zuiderlingen. In het zuiden kenden wij wel de fat, niet de snob, die met zijn kapsones de hang naar gemoedelijkheid verstoorde. Hier lag een organische maatschappijvisie aan ten grondslag maar ook de opvatting: wij zijn allemaal verbonden in Onze Lieve Heer die iedereen troost biedt. Tegenwoordig geldt ook in het zuiden iedereen als bijzonder en luidt de boodschap aan anderen zoals in heel Nederland: jij moet niet denken dat je bijzonderder bent dan ik. In de praktijk leidt dit geregeld tot een geïnverteerd snobisme: dat het oninteressantste lid van een gezelschap een hele avond oreert en dat de rest speelt alsof dat volkomen terecht is.

* Het bloed kruipt natuurlijk waar het niet gaan kan. De figuur van de verkapte snob komt onder zuiderlingen wel voor. Ik denk aan Eurocommissaris Frans Timmermans. Zijn vader was een ambassadebode, dus Frans kreeg het maintien zogezegd met de paplepel ingegoten. Als PvdA-politicus bleef hij een man van het volk: in een glimmend leren jekkie zit hij 's zondags het liefst in het stadion van Roda JC, een frietje in de hand. Hij zweert ook bij een Limburgs accent, al spreekt hij met het grootste gemak zes vreemde talen. In die vaardigheid onthult hij pas zijn ware ik... Het schijnt dat het personeel van Buckingham Palace gezamenlijk naar zijn VN-toespraken luistert om zich in het Queen's English te bekwamen.

* Ik had graag Lodewijk van Deyssel, katholiek maar van boven de Grote Rivieren, gekend, en wel om te zien hoe vaak hij op een dag zijn snobisme tentoonspreidde en tot welke leeftijd hij daarmee doorging; omgekeerd, hoe lang ik van zijn snobisme gecharmeerd zou blijven en wanneer ik hem erom zou zijn gaan pesten.

* Als ik aan de adel denk, komt altijd een uitspraak van mijn overleden vader boven drijven: 'Ja, wij Jagertjes zijn ook van adel, want wij hebben gespleten billetjes'. Zo plastisch drukte hij, een devoot katholiek, zich normaal gesproken niet uit, dus ik neem aan dat hij een fikse hekel had aan standsverschillen. Ook de Oranjes genoten bij hem weinig sympathie, maar verder was hij zo gezagsgetrouw als wat. Moeilijk te rijmen eigenliijk. Burgertrots misschien?

 


terug naar boven