Lijnen & breuken

 

 

'Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed hebben in de kindergeest...'

Met zijn Herfsttij der Middeleeuwen uit 1919 biedt de grote historicus Johan Huizinga ons nog steeds een spiegel in de tijd. Tot in de vijftiende eeuw, meldt hij, konden mensen in hysterie vervallen bij het zien van een rouwstoet, een vloed van tranen storten bij een afscheid en in teugelloze woede uitbarsten bij een spelletje. Ook wraak kende nauwelijks grenzen. Bij terechtstellingen bezwoer het publiek de beul het karwei zo traag mogelijk te klaren en soms werd elders een boef gekocht om hem voor het genoegen in eigen stad te kunnen vierendelen.

'En al de dingen des levens hadden een pronkende en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel en hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er hun wanstaltigheid uit...'

Deze openlijke hartstocht verhinderde intussen niet dat het leven werd beheerst door een 'gewichtige stijfheid van de grote stijl'. Iedere stand, iedere orde en ieder bedrijf was kenbaar aan aparte kledij. Belangrijke gebeurtenissen als geboorte, huwelijk en begrafenis stonden door sacramenten 'in de glans van het goddelijk mysterie', maar ook iets eenvoudigs als een bezoekje of werk werd begeleid door 'duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.'

 

leprozen2

Leprozenoptocht, zoals traditioneel gehouden op Koppertjesmaandag, de maandag na Driekoningen. Vanaf 1604 in Amsterdam verboden: een vroege vorm van beschavingsarbeid. Gravure door Charles Rochussen. (UB Amsterdam)

 

De gewichtige stijl voorkwam ook dat men voor kinderen nauwelijks oog had. De verhouding tussen man en vrouw was zelfs 'bijster ruw', ondanks het ridderlijke ideaal van de hoofse liefde. In het huwelijk was zelfs geen plaats voor 'individueel sentiment', wat volgens Huizinga vooral tot uitdrukking kwam tijdens de eerste huwelijksnacht, die met een 'schaamteloze publiciteit' werd omgeven. De vrouw was geen volwaardige partner voor de man. Zij stond voor zinnelijkheid, niet voor liefde, moederschap of vroomheid. Zo trad zij ook vaak op bij de naakte tableaux vivants die bij intochten van hoogwaardigheidsbekleders gebruikelijk waren. De monnik Odo van Cluny betoogde intussen dat vrouwelijke schoonheid slechts in de huid zit, om, na een opsomming van alle ongerechtigheden daaronder, uit te roepen: 'Hoe kunnen wij begeren de drekbuidel zelf te omhelzen?'


Het civilisatieproces

 

Het valt niet te ontkennen dat vandaag het leven in West-Europa minder fel, minder openbaar en minder ceremonieel is dan in de Middeleeuwen. De grote lijnen van de ontwikkelingen sindsdien zijn uit en te na geboekstaafd. Door de politieke democratisering zijn steeds meer mensen aan de maatschappelijke besluitvorming gaan deelnemen. De welvaart heeft zich aanmerkelijk verbreid, zodanig dat de oude wetmatigheid is doorbroken dat rijken steeds rijker worden en armen steeds armer. De arbeidsverhoudingen hebben zich ontwikkeld van de totale ondergeschiktheid van de knecht tot aan de inspraak van de medewerker. Ook de zorg voor hulpbehoevenden is verbeterd: van bédelen, via bedélen, naar recht op bijstand. En delinquenten hoeven geen lijfstraffen meer te vrezen, hooguit een vrijheidsstraf of verplichte dienstverlening.

 

centsprent

Het geweldsmonopolie is aan de staat, zoals deze centsprent met de titel Kindere wilt dees Printe leesen, En leert van Jongs op kwaad doen vreezen, laat zien. Utrecht, eind 18de eeuw. Marteling werd, met dank aan de Franse Revolutie, in 1798 afgeschaft, maar een lijfstraf als geselen mocht doorgaan tot 1854. (Atlas van Stolk)

 

Op individueel vlak zijn de veranderingen even ingrijpend geweest. Het privédomein van mensen is steeds groter geworden. Volgens de Franse historicus Philippe Ariés was - huiveringwekkend idee - in Europa tot aan het eind van de zeventiende eeuw niemand ooit helemaal alleen. In huis verbleef men in een grote woonruimte, waar werd geslapen, gewassen en gekookt en buitenstaanders zonder plichtplegingen binnen konden vallen. Tegenwoordig worden mensen beschermd door een deurbel, maar ook door loze ruimtes als een gang en een overloop, die bedoeld zijn om geen last van huisgenoten te ondervinden. Dat het hier om een keuze gaat tonen middeleeuwse kastelen die, hoe immens ook, meestal gangen ontberen.

Privacy kon meer intimiteit tussen mensen bewerkstelligen, en ook dat is een lange lijn in de westerse geschiedenis. Eerst ontsnapte de familie aan de gemeenschap, toen het gezin aan de familie en ten slotte het individu aan het gezin. Als gevolg hiervan is de Middeleeuwse 'gewichtige stijfheid van de grote stijl' vervangen door persoonlijk getinte rituelen. Het huwelijk is een aangelegenheid geworden waarbij de ouders van de huwelijkskandidaten niet meer het eerste en het laatste woord krijgen, maar de kandidaten zelf. Man en vrouw gaan, als het goed is, gelijkwaardig en kameraadschappelijk met elkaar om. En ook hun kinderen hebben een andere positie: van 'volwassenen in zakformaat' zijn zij 'eeuwige jongeren' geworden. Kinderen zijn er ook niet meer voor de ouders, maar de ouders zijn er voor hen.

De socioloog Norbert Elias betoogt dat de toenemende privatisering en intimisering het gevolg zijn geweest van meer zelfbeheersing die mensen aan de dag moesten leggen. Aan de hand van etiquetteboeken uit het verleden heeft hij laten zien dat mensen in Europa pas enkele eeuwen als fatsoensnorm hebben niet te slurpen en te smakken en met de handen van eten af te blijven; geen boeren en winden in het openbaar te laten; de neus niet te snuiten met de vingers maar in een zakdoek; niet te spugen en te rochelen, en seks in afzondering te bedrijven.

 

executies1?

Executie van lokale vrijheidsstrijders door Nederlandse soldaten tijdens de 'politionele acties' in Nederlands-Indië, omstreeks 1947. De moraal voor de ander kan verschillen van die voor zichzelf. Kort daarvoor hadden Nederlanders in eigen land zwaar geleden onder hetzelfde fenomeen. www.devolkskrant.nl, Stadsarchief Enschede.

 

Al deze veranderingen maken volgens Elias deel uit van een omvangrijk proces. Door de vorming van staten, door bureaucratisering, commercialisering en industrialisering wordt een groeiend aantal mensen van elkaar afhankelijk. Zij moeten steeds meer rekening met elkaar houden en hun gedragingen intomen. Alles wat aan het dierlijke in de mens herinnert, dient daarom achter de coulissen van het maatschappelijke leven te verdwijnen. Dit gebeurt in het begin onder druk, maar na verloop van tijd vrijwillig, want: 'De wijze waarop mensen gehouden zijn met elkaar te leven verandert, daarom verandert hun gedrag, daarom verandert hun bewustzijn en hun hele drifthuishouding.'

De strijd om de macht is hierbij de allesbepalende factor. In die strijd raken steeds meer mensen betrokken, waardoor hun onderlinge machtsverschillen weer kleiner worden. Enerzijds is er namelijk sprake van integratie, anderzijds van differentiatie: macht raakt geconcentreerd maar tegelijkertijd over meer mensen verdeeld, vanwege de voortgaande arbeidsdeling. Aan deze ontwikkeling ligt geen plan, geen idee ten grondslag, en zij is evenmin absoluut en onomkeerbaar. In tijden van crises immers vergeten mensen in een oogwenk wat in honderden jaren aan beschaving is opgebouwd. Ook blijken mensen makkelijk tot inconsequent gedrag in staat, door anderen te onthouden waarop zijzelf recht menen te hebben. Zo bewilligde Nederland in Suriname en op de Antillen tot 1863 de slavernij, die in Nederland zelf verboden was, en bezat zij met een volledig functionerende parlementaire democratie tot maar liefst 1949 een heuse kolonie, het huidige Indonesië

 

anguinehodge

Voormalig slavenhuisje in de kunuku van Curaçao, Anguine Hodge, 1999. Caraïbisch Nederland is nooit een kolonie geweest, maar werd gelet op de heersende levensstandaard wel als zodanig behandeld. www.sbk.nl/kunstuitleentilburg.nl

 

Een belangrijke versnelling in het 'civilisatieproces' van Europa valt te signaleren bij het ontstaan van centrale hoven aan het eind van de Middeleeuwen. Grote gebieden?werden daardoor gepacificeerd en lokale heersers, die voordien tegenover niemand verantwoording hoefden af te leggen, moesten zich nu in de bestuurscentra zien te handhaven. Vechtkunst werd voor hen minder belangrijk, 'hoffelijkheid' des te meer. De hoven werden aldus ateliers voor nieuwe omgangsvormen. Allerlei gebruiksvoorwerpen, zoals borden, lepels, vorken, servetten en pyjama's komen ook daaruit voort en zijn pas in de negentiende eeuw in brede lagen van de bevolking doorgedrongen.

Een andere belangrijke versnelling vond plaats toen een handeldrijvende en neringdoende burgerij opkwam en zich naast Kerk en adel tot de derde stand ontwikkelde. Deze burgerij diende zich in de Lage Landen al in de veertiende eeuw aan, maar bereikte in Europees opzicht haar hoogtepunt in de achttiende eeuw. De burgerij kon haar omgangsvormen deels ontlenen aan de adel; tegelijkertijd moest zij nieuwe normen ontwikkelen, die samenhingen met de hevige onderlinge concurrentie waarin zij was gestort. Het werd voor de burgers noodzakelijk hun bedrijfsvoering te perfectioneren en lange werkdagen te maken. Waarden die hieruit voortvloeiden, waren prestatiedrang, individuele ontplooiing, spaarzaamheid, ingetogenheid en ook familiezin, om alle aanwezige krachten economisch te kunnen bundelen.

 

Burgers en regenten

 

Nederland wijkt van dit patroon af, doordat het is ontstaan uit een burgerlijke opstand tegen de Spaanse koning en nadien nooit meer een 'drukkende ongelijkheid' kende die in andere Europese landen herhaaldelijk voor geweldsuitbarstingen zorgde. Massahysterie was er eigenlijk alleen aan het begin van die opstand, tijdens de Beeldenstorm van 1566, toen woedende menigten in honderden kerken religieuze kunst vernielden.

 

beeldenstorm

Noordnederlandse voorstellingen van de Beeldenstorm in 1566 geven een tamelijk rustig gebeuren weer, zo niet deze ets van Gaspar Bouttats over de destructie in de O.L. Vrouwekathedraal van Antwerpen. www.geheugenvannederland

 

De Republiek die nadien ontstond ontwikkelde uiteraard geen uitgebreid hofleven, en een sterke landadel ontbrak al in de Spaanse tijd. Zelfs de Kerk vormde geen onoverkomelijk machtsblok, want nadat de protestanten zich hadden losgemaakt van Rome gingen zij onderling door met schisma's. Historisch gezien zijn de regenten uit de zeventiende en achttiende eeuw de machtigste groepering van het land geweest, maar zij bleven burgers. In Neerlands Geestesmerk (1934) becommentarieerde Johan Huizinga dan ook: 'Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër'. Hier komt enerzijds de beruchte directheid van Nederlanders in de omgang vandaan, maar anderzijds een nationaal leven dat slechts 'licht rimpelde onder den wind der grote geestesberoeringen'.

Voor grote geestesberoeringen was ook minder aanleiding, doordat de regenten hier al ver voor de Verlichting zaken realiseerden die meestal als een vrucht daarvan worden beschouwd. De dol-, spin- en rasphuizen stonden in Nederland honderd jaar eerder dan elders, zo ook inrichtingen voor wezen, zieken en bejaarden. De terreur van de heksenvervolging, die in Europa tussen de zestiende en de achttiende eeuw meer dan een miljoen mensenlevens kostte, is aan Nederland vrijwel ongemerkt voorbijgegaan; de laatste executie van een heks vond plaats in 1595 in Utrecht. Ook lynchpartijen zijn, op die ene uitzondering van de gebroeders De Witt na, achterwege gebleven. Waar andere landen schoksgewijs met de moderne tijd in aanraking kwamen, werd Nederland in de woorden van de socioloog Johan Goudsblom 'modern geboren'.

 

beeldenstormculemborg

Verwoest tijdens de Beeldenstorm van 1566: votiefsteen (dankzeggingssteen) met Maria op de Troon in de Barbarakerk te Culemborg. De graaf van Culemborg, Floris van Pallandt, had waardevolle kunstschatten tijdig uit de kerk laten verwijderen, maar ingemetselde stenen vielen ten offer. (foto Cobie Eigenraam)

 

Het calvinisme was zowel bondgenoot als tegenstrever van de regenten. Calvinistische dominees schonken hun volgelingen een bijbel om daadwerkelijk te lezen, de Statenbijbel, maar pakten hen ook veel af: de engelbewaarder die een ieder bij zich had, de heiligen die middels schietgebedjes en brandende kaarsjes tot bemiddeling waren te prikkelen, de doop die de erfzonde wegnam en de biecht die dat met menselijke zonden deed, de zegeningen, de aflaten waarmee het verblijf in het vagevuur kon worden bekort, - net als het hele vagevuur trouwens. Ondanks hun hang naar wereldverzaking pleitten zij echter nooit voor het puritanisme dat in Engeland, Schotland en Zwitserland wortel schoot. Gedogen kon hierom al in de zeventiende eeuw een beproefde praktijk worden. Menig dominee wist lokale regenten nog keuren tegen allerlei festiviteiten te ontlokken, maar op naleving daarvan zagen de laatsten nauwelijks toe.

Waarschijnlijk sloegen dominees en regenten wel de handen ineen bij het Amsterdamse verbod uit 1604 op de uit de Middeleeuwen overgebleven leprozenoptocht, die plaatsvond op Koppertjesmaandag, de maandag na Driekoningen. Koppertjesmaandag (van 'kopperen', feestvieren) is nu alleen nog een dag waarop boekdrukkers en letterzetters hun klanten prenten of kalenders schenken.

Ook ten aanzien van andere gebruiken hadden dominees veel invloed. Nadat eerder de heiligenverering - preciezer: de leer van de schat der verdiensten van heiligen - in de ban was gedaan, verordonneerde de Synode van Dordrecht in 1618 dat alle heiligendagen moesten verdwijnen: slechts feesten gewijd aan Jezus Christus mochten gevierd worden. Tegelijk dienden de acht feestdagen, de zogenaamde octaven, die de katholieke Kerk rond Kerstmis, Pasen en Pinksteren hanteerde, te worden verminderd tot twee. Met betrekking tot dit laatste kreeg de Synode haar zin; de Zondagswet van 1815 zou die twee dagen definitief vastleggen. Welbeschouwd was dat indertijd voor iedereen een verlies maar later een luxe, want toen katholieke landen op hun beurt hun feestkalender moesten saneren gingen die met Kerstmis, Pasen en Pinksteren in een keer terug van acht dagen naar één. In dat opzicht hebben calvinisten met hun vroege streven naar versobering nog bijgedragen aan onze feestcultuur.

Ten aanzien van andere heiligendagen echter leden zij een nederlaag. Inmiddels waren daaromheen ook wereldse uitingen ontstaan, waarover zij geen directe zeggenschap hadden. En hierdoor kon het gebeuren dat in een protestants land roomse feesten als Driekoningen, vastenavond, palmpasen, Sinterklaas en Sint Maarten bleven gedijen, - de laatste drie zelfs langer dan in de meeste katholieke landen!

 

buys

Ondanks de protestantse omwenteling was het katholieke Vastenavond tijdens de 18de eeuw in het noorden nog steeds een straatfeest, blijkens Februari uit de reeks Twaalf maanden van Jacob Buys. (KOG)

 

Misschien is hierin een factor geweest dat de regenten en dominees nooit voor vervangende feesten hebben gezorgd. Bijvoorbeeld: een dag die de vestiging van de Nederlandse staat herdacht, hoe schimmig die ook is verlopen. Zelfs het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, dat het recht op volkssouvereiniteit vastlegt, bereikte hier nooit de status van de Amerikaanse versie ervan, The Declaration of Independence uit 1776. Dit kan natuurlijk te maken hebben met de fikse breuk in de vaderlandse geschiedenis die in 1813 zou plaatsvinden, toen Nederland alsnog een monarchie werd. Maar waarschijnlijker is dat de regenten en dominees iedere borstklopperij en feestelijkheid wilden vermijden. Ook het huidige Huis van Oranje zou zich immers onderscheiden van andere vorstenhuizen door gering publiek vertoon.

 

Beschavingsarbeid

 

Gedurende de achttiende eeuw maakte Nederland vanuit het buitenland kennis met een nieuwe moraal, bestemd voor mensen die elders 'burgers' werden genoemd en hier 'middenburgers', ter onderscheiding van de burger-regenten die pas later tot patriciërs zijn gepromoveerd.

De schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken waren met hun brievenroman Sara Burgerhart uit 1782 de vroegste representanten van deze middenburgers. In het machtsveld tussen regenten en het gewone volk koos deze groepering voor preutsheid als middel om zich te profileren. Het begon ermee dat geslachtsdelen tot schaamdelen werden bestempeld en het eindigde ermee dat 'vrijen' werd gelijkgesteld aan zoenen, terwijl vrijen oorspronkelijk slechts 'vrije omgang' betekende. Gaandeweg zouden extremiteiten als het gekleed baden en de verplichting om met de handen boven de dekens te slapen hun intrede doen. Bij deze omgekeerde fascinatie voor seksualiteit hoorde een cultus rond huwelijkstrouw, huiselijkheid en moederlijke toewijding aan de kinderen. Het arbeidsethos werd andermaal aangescherpt.

 

bekkensnijden

Anonieme afbeelding uit 1681 van het bekkesnijden in een met stippellijn aangegeven strijdperk. Op het platteland kwamen zulke duels begin 20ste eeuw nog voor, meestal met gekartelde muntjes. (Atlas van Stolk)


De middenburgers kwamen gelijk op de met de industriële revolutie, waarvan zij de voornaamste dragers werden. De parlementaire democratrie is de vertaling van hun politieke macht. Hun benadering van lagere standen verschilde al wezenlijk van die van de regenten. Bedeling maakte bij hen plaats voor zendingswerk. Om het gewone volk de discipline en vorming bij te brengen die noodzakelijk waren in een complexer wordende samenleving, riepen zij organisaties in leven met welsprekende namen als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (1784) en de Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak (1872), die in iedere stad een afdeling kregen. Tegelijk werden gemeentelijke geboden uitgevaardigd tegen allerlei uitspattingen op straat, waarover een steeds beter uigeruste politiemacht ging heersen. De middenburgers kregen het tij mee, want in 1798 kwam het middeleeuwse systeem van beroepsgilden aan zijn einde, die berucht waren om hun woeste feesten.

Aldus werd in de negentiende en begin twintigste eeuw het publieke domein duchtig geschoond. De makkelijkste prooi vormden de wrede spelletjes, zoals het duel. In Nederland bestond onder studenten geen traditie van de mensuur, die teruggaat op ridderlijke sabelgevechten en in Duitsland nog steeds niet helemaal is uitgestorven. Wel was in het hele land een volkse variant hiervan bekend, het zogenaamde bekkesnijden ('bekkensnijden', volgens de hedendaagse spelling). Jacob van Lennep beschrijft het fenomeen in Soest in zijn roman De avonturen van Ferdinand Huyck (1840). Kermissen en zaterdagse drinkgelagen boden meestal de setting ervoor. De bedoeling was net als bij de mensuur een tegenstander met een mes een jaap in de wang te geven; het aldus ontstane litteken (in het Duits: Schmiß) gold als blijk van dapperheid. De gevechten waren tot op zekere hoogte gereguleerd, want zodra een van de deelnemers zijn zelfbeheersing verloor, wat nogal eens gebeurde, werden omstanders geacht in te grijpen, aldus August Sassen. Niettemin stelde de overheid zware straffen op dit messengekletter, zodat varianten ontstonden met puntloze messen en gekartelde muntstukken, die justitie moeilijk kon opsporen. Gaandeweg verkozen echter ook veel ruziezoekers een eerlijke knokpartij. Van begin twintigste eeuw dateren de laatste meldingen over bekkesnijden uit Drenthe en Brabant; vooral uit Oss, waar een kruisvormig litteken het Wapen van Oss heette.

 

ganstrekken

 

Ganstrekken, net als palingtrekken een populair vermaak tot in de 19de eeuw. Een moderne variant, met een dode gans, kent het dorp Grevenbricht als onderdeel van de carnavalsviering. Gravure van G. Hechler. (GA Amsterdam)

 

De wrede spelletjes met dieren waren lastiger te bestrijden. Hierin bestond een lange traditie. Toen bijvoorbeeld Willem van Oranje in 1582 de hertog van Anjou in Brugge ontmoette, werd te hunner ere een heus kattenvuurwerk gegeven: een platform met daarop vastgeketende katten die de lucht in werden geschoten. Een eeuw later kende men nog steeds hanengevechten, ganstrekken, haanslaan of haankappen, berebijten, hondwippen en katknuppelen. In de negentiende eeuw waren de mores in zoverre verzacht dat daarbij meestal dode dieren werden gebruikt, maar de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren (1864) wist de overheid te bewegen tot een algeheel verbod op dergelijke spelletjes. In 1886 kon hierdoor het beruchte Palingoproer in de Amsterdamse Jordaan ontstaan: een agent knoopte op de Lindengracht een touw los, waaraan een paling hing die door de deelnemers, varend in een bootje, er vanaf moest worden getrokken. Na twee dagen van onlusten was de ongelooflijke balans: 26 doden en 136 gewonden.

De strijd voor verbetering van het dierenlot was hiermee nog nauwelijks begonnen, want in 1929 werd tijdens een congres in Wenen een jaarlijkse Dierendag ingesteld op 4 oktober, de sterfdag van dierenprediker Fransiscus van Assisi. (En de Partij voor de Dieren uit 2002 is er niet voor niets).

 

palingoproer

Palingoproer 1886. Een wreed spelletje dat tot nog wreder overheidsingrijpen leidde: 26 doden en 136 gewonden, van wie de helft in de rug was geschoten. (GA Amsterdam)

 

Tegelijk met het verdwijnen van de wrede spelletjes namen huiselijke feesten als Sinterklaas en Kerstmis in belang toe en verdwenen straatfeesten als carnaval naar de balzaal, of hielden helemaal op te bestaan. De straat verloor ook oude sportieve bezigheden als kolven en kaatsen, al werden die hier en daar van de ondergang gered doordat enthousiastelingen er een regionaal gebeuren van wisten te maken. In hun plaats kwamen de gereguleerde sporten opzetten, die een sportief antwoord boden op een ingewikkeldere maatschappij. De introductie daarvan werd eind negentiende eeuw verzorgd door aristocratische anglofielen met tijd te over. De hardwerkende middenburgers moesten aanvankelijk weinig hebben van sport en betitelden tot in de twintigste eeuw iedere belangstelling ervoor als sportverdwazing. En de lagere inkomensgroepen werden jarenlang van beoefening afgehouden wegens geld- en tijdgebrek. Maar het ging bij sport niet alleen om de deelnemers: zo'n duizendkoppige menigte die zich als vanzelf bij een wedstrijd opstelt en niet in het verloop ervan ingrijpt, is pas sinds het begin van de vorige eeuw een vertrouwd beeld.

 

katknuppelen

Tegelijk met het palingtrekken werd het katknuppelen verboden, maar in Noord-Holland bestaat op enkele kermissen nog een geciviliseerde vorm, met in de ton een stuk hout i.p.v. een krijsende kat. Op de foto gooit burgemeester Breebaart van Hoogwoud (NH) na W.O. II een eerste knuppel. Overigens ontwikkelde Denemarken de meest levensvatbare variant: met carnaval slaan daar kinderen een ton gevuld met snoep stuk. www.westfriesgenootschap.nl

 

Mettertijd begonnen ook allerlei gebruiken te verdwijnen vanwege de economische en technologische veranderingen die de middenburgers in gang zetten. Een boer die een combine kon huren, hoefde geen oogstfeesten meer te organiseren. Vanaf het moment dat hij met een tractor werkte, kon hij zijn paard van de hand doen en daarmee afscheid nemen van de folklore rond het paard. Personeel had hij ook minder nodig; dus verdween een inwijdingsritueel als het haalleiden, waarbij knechten en meiden op de dag van hun indiensttreding enkele malen rond de ketelhaak werden geleid. Tegelijkertijd namen tientallen specialisten de plaats in van dorpsgenoten, tot en met de bouw van schuren toe, wat eeuwenlang een dorpsgebeuren was. En verhuisde de boer naar elders dan schakelde hij een verhuisbedrijf in en hoefde hij niet meer in een optocht met nasleep door zijn buren naar zijn nieuwe adres te worden gebracht, waar zijn toekomstige buren hem al op stonden te wachten. Deze stille revolutie bereikte ten slotte ook gewone burgers. Nog tot halverwege de twintigste eeuw stond voor elke huisvrouw in het voorjaar de Grote Schoonmaak op het programma, nu overbodig geworden dankzij de centrale verwarming en de elektrische stofzuiger.

 

Algeheel fatsoen

 

In hun pogingen tot verheffing kregen de middenburgers gaandeweg gezelschap van mensen die op eigen kracht uit de lagere klassen ontsnapten. Eerst legden allerlei soorten socialisten ideologische claims op arbeiders en kleine luiden, vervolgens allerlei soorten religieuzen. De verzuiling nam een aanvang, waardoor een web van toneelverenigingen, zangkoren, sportclubs en jeugdhonken over het land werd uitgespannen. Voor de bestuurders ervan was dit vaak het eerste zetje om de maatschappelijke ladder te gaan beklimmen, iets wat voordien zelden voorkwam.

 

Dulmen

De gouden koets, een geschenk uit 1903 van de Amsterdamse bevolking. Afgezien van Prinsjesdag kent het Koninkrijk net als de Republiek weinig ceremonieel: geen Changing the guards, geen Trooping the Colour, geen jaarlijkse ontvangsten ten paleize voor gedecoreerden, geen hofbals. Aquarel van E.B. van Dulmen Krumpelman, http://ronvandriel.blogspot.nl

 

Voorlopig werd het beschavingsregime almaar strakker, getuige bijvoorbeeld het lot van Hartjesdag, dat in etappes van de feestkalender verdween. Dit volksfeest op de derde maandag in augustus herinnerde aan het recht op vrije jacht ('hertjesdag') dat Haarlemmers en Amsterdammers vroeger in de Noord-Hollandse duinen hadden. Haarlemmers plachten op die dag bij Kraantje Lek van de duinen af te rollen; Amsterdammers dansten, veelal in travestie, op de kermis op het Haarlemmerplein, in De Jordaan en elders. In de negentiende eeuw werd hiertegen de politie in stelling gebracht. Steeds meer volwassenen bleven daardoor weg en voor kinderen groeide Hartjesdag uit tot 'agentje pesten', maar dat namen die agenten niet. Eind jaren twintig van de vorige eeuw stond in Amsterdam-Oost om de paar meter een agent met blanke sabel opgesteld om de feestvierders van de straat te weren. Dit dunde andermaal de gelederen uit. En toen ook daarna het animo nog niet was verdwenen, lanceerden onderwijzers en gemeenteambtenaren een alternatieve viering: met begeleid zaklopen, touwtrekken en bellenblazen werd het feest definitief gesmoord.

 

hartjesdaghem.jpg

Hartjesdag in De Jordaan, door Piet van der Hem, ca 1909. www.christies.com. Overigens heeft Hartjesdag tussen 1997 en 2011 een reprise gekend op de Zeedijk, waar travestieten de buitenwereld toonden dat die straat meer biedt dan horeca, drugs en prostitutie...

 

Het lijkt een contradictie, maar tegelijk met dit strakkere beschavingsregime vond er een versoepeling plaats. Creatieve geesten uit de middenklasse zorgden voor aantrekkelijke alternatieven op het gebied van kleding, architectuur en meubels, die lossere omgangsvormen beloofden en ook nagenoeg klasseloos waren. De modernistische beweging in de beeldende kunst lapte de hele burgermansmoraal aan haar laars. Dansen als de foxtrot en de charleston, tijdens de Eerste Wereldoorlog in Europa gelanceerd door Amerikaanse troepen, gaven burgerkinderen de lijfelijkheid terug tijdens de kennismaking (alhoewel de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervoming pas succes zou boeken toen de bourgeoisie haar oude kieskeurigheid had verloren). En minstens zo frappant: heren en dames die nog nooit hun handen vuil hadden gemaakt, begonnen in diezelfde periode plezier te beleven aan tuinieren, kamperen en klussen. Ook mochten in nette kringen kinderen hun ouders voortaan tutoyeren en begon de herenhoed, onmisbaar geacht statussymbool voor generaties mannen, aan een langzame terugtocht. De socioloog Cas Wouters bedacht voor deze ontwikkelingen de term informalisering, een soort gecontroleerde decontrole, in feite een hogere graad van zelfbeheersing.

 

De ontvoogding van het individu

 

Vanaf de jaren vijftig raakte de oude standenmaatschappij definitief in verval. Motor hierin was de algehele welvaartsstijging, maar nog specifieker: het gulle naoorlogse beurzenstelsel, iets wat vreemd genoeg in terugblikken op die periode zelden wordt gememoreerd, alsof dit dient te worden verzwegen. Door dat stelsel konden in de jaren nadien tienduizenden kinderen van arbeiders, boeren en winkeliers nagenoeg gratis een universitaire studie volgen. Navenant namen ook het middelbaar onderwijs en het hoger beroepsonderwijs explosief in omvang toe, hoewel 'doorleren' tot die tijd uitsluitend voor notabelen was bestemd.

 

tribune1941

Tribune op 22 juni 1941 bij de kampioenswedstrijd Heracles - PSV (6-1). Voetbal bleef tot ver in de jaren vijftig een mannenzaak. Op de foto dragen alle mannen een regenjas, hoewel het die dag volgens www.weerverleden.nl 24,1 graden was! Veel gleufhoeden en weinig petten, wat betekent dat er weinig arbeiders aanwezig waren, of dat zij vanwege het schitterende weer hun pet thuis hadden gelaten. Een gleufhoed in combinatie met een regenjas beperkt uiteraard iemands bewegingen, maar ook degenen zonder hoofddeksel staan er stram bij. (ANP, Co Zeylemaker)

 

Met zoveel nieuwelingen op weg naar de rangen kon een andere strategie worden gekozen. Eerdere upstarts moesten nog met veel persoonlijke opoffering en gedragskundige fine-tuning een plek binnen de elite veroveren. De 'beursstudenten', zoals ze werden genoemd, hoefden slechts hun massaliteit te gebruiken.

Omdat voor hen persoonlijke ontplooiing de leidraad in hun leven werd, braken zij om te beginnen met de Kerk en de zuil van hun ouders. Rock & Roll begeleidde deze transitie, waarbij tevens seksualiteit uit de taboesfeer werd gehaald en een fijnzinnige etiquette die voorschreef hoe je moest zitten, lopen, eten en gesticuleren als overbodig werd aangemerkt. In de jaren die volgden zou zich voor het eerst op grote schaal het fenomeen van stijgende cultuurgoederen voordoen. Het 'hoi' en 'doei' zijn daarvan voorbeelden, maar het ging van truien tot gympen en van spijkerbroeken tot tatoeages.

Vooral de laatste twee waren veelzeggend. Een spijkerbroek is van zeer stugge stof, die tijdens het lopen diepe inkepingen onder de billen teweegbrengt en bij het zitten zelfs de bloedsomloop kan hinderen. Zij dient tevens als een echte werkmansbroek te tonen. Daartoe wordt zij gezandstraald, gebleekt en desnoods ingescheurd vooraleer zij als nieuw in de winkel kwam te hangen. Tegenwoordig loopt zelfs de koninklijke familie er al mee, maar in de geschiedenis van de mode vormt zij toch wel een 'Ümwertung aller Werte'. Het kan bijna niet anders of de voorgescheurde, gezandstraalde variant, waarop arme drommels in de Derde Wereld hun longen verpesten, zal ooit in de annalen belanden bij andere modieuze extremiteiten als de crinolinejurk en het vrouwelijk torsocorset.

 

paaskerels

Nederland kent weinig excentrieke tradities, vergelijkbaar met de Potato Caper in het Amerikaans honkbal, La Tomatina in het Spaanse Buñol of Blackening the bride in Schotland. Excentriek, althans qua dracht, zijn wel de Paaskerels van Ootmarsum, maar zij vertolken eigenlijk het ideaalbeeld van alle burgerlijke mannen in de jaren vijftig. (ANP)

 

Mensen met tatoeages schijnen zelfs compleet anders in het leven te staan. Traditonele gelovigen kregen hun lichaam van God en zouden dat nooit met profane afbeeldingen bezoedelen. Humanisten volgen veelal de filosoof Descartes, dieeen onderscheid maakt tussen lichaam en geest, waarbij het lichaam een onberekenbare gastheer is van een zuivere geest die je niet met banaliteiten moet lastigvallen. Volgens deze visie hebben mensen een lichaam. Mensen met tatoeages daarentegen zijn hun lichaam, althans ze proberen die toestand te bereiken. In dat opzicht verschillen ze niet van de eveneens recente fitnessadepten en vrijwillige patiénten van cosmetische chirurgie, maar die streven klassieke schoonheidsidealen na. Tatoeages vormen samen met piercings en oorringen een erfenis van achttiende-eeuwse Europese zeepiraten, die door woonwagenbewoners en Hells Angels in ere werd gehouden. Dus niet de solide werkende klasse fungeerde hierbij als inspiratiebron, maar anarchistische vrijbuiters.

Terwijl John Lennon zong 'A working class-hero is something to be' begon in de gewone burgermaatschappij het oude systeem van afzakkende deftigheid sleets te raken, tot in kleinigheden als aanspreekvormen toe. 'Meneer' en 'mevrouw' waren ooit adellijke titels geweest, die slechts langzaam op gewone mensen neerdaalden. Vooral het 'mevrouw' dat in rangorde na 'juffrouw' en 'mejuffrouw' kwam, was steeds een stille verrukking geweest voor degene die voor het eerst als zodanig werd aangesproken. Toen na de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk iedereen 'meneer' en 'mevrouw' ging heten en in brieven van de overheid zelfs als 'weledelgeboren' werd aangemerkt, raakte het onderscheidend karakter van die titels verloren.

 

oranjelegioen

Opname van het Oranjelegioen in 2012. In de jaren zeventig van de vorige eeuw is één Nederlander begonnen met de Oranjedracht... www.studenten.net

 

Jongeren uit de gezeten burgerij sloegen de verrichtingen van de beursstudenten in eerste instantie met verbazing gade, maar werden uiteindelijk meegesleept door de popmuziek, die een hogere graad van sophistication bezat dan Rock & Roll. Wel moesten zij hiervoor hun weerzin tegen Top Tiens overwinnen, of beter: tegen de nieuwe massacultuur, een tot dan onbekend amalgaam van volkse dweepzucht, socialisme én hyperkapitalisme. Als intermediair dienden de provo's met hun provotariaat. In wezen nogal bourgeois namen de provo's het 'klootjesvolk' op de korrel, al konden zij daarmee niemand anders bedoelen dan hun eigen ouders, die zij nog vaak met 'u' aanpraken. Ook de Kabouters en de hippies probeerden het eigen milieu te ontstijgen. De radicale studentenbeweging en de krakers zochten daarentegen de directe confrontatie met het establishment. Achteraf moeten we vaststellen dat er van hun ideologisch gekrakeel verbluffend weinig over is gebleven. Het lijkt wel alsof het een soort schuttersfeesten voor beursstudenten zijn geweest, waarop zij al exercerend hun maatschappelijke aspiraties bekend maakten.

Tijdens deze excaltatie zagen ook anderen kans uit de schaduw te treden: middenklassenvrouwen (met dank aan de pil). De Eerste Feministische Golf van de jaren twintig had slechts het kiesrecht voor vrouwen gerealiseerd, de Tweede Feministische Golf van de jaren zeventig realiseerde abortus, dus het principe: baas in eigen buik, en maakte de geesten rijp voor verdere vrouwenemancipatie, vooral met betrekking tot carrièremogelijkheden.

Aan het begin van de jaren tachtig waren de voormalige contestanten aan een stille mars door de instituties begonnen. De vroegere beursstudenten bleken behendig in het verwerven van posities; hele sectoren werden door hen ingepalmd. Als om dit opvallende succes te verdoezelen bedacht de politiek een verdwijntruc. Halverwege de jaren tachtig kreeg iedereen een beurs, waardoor in een klap alle studenten 'beursstudenten' waren en dat historisch onderscheid geen zin meer had.

 

zeemandestroy

Destroyed, ook wel ripped jeans; in het Nederlands: gescheurde spijkerbroek. Wie had kunnen bedenken dat de mode aan het eind van de 20ste eeuw proletarische decadentie zou uitstralen? In deze reclame speelt een discounter hier handig op in. Door een nieuwe spijkerbroek bij hem te kopen en vervolgens zelf te maltraiteren is een klant veel voordeliger uit.www.zeeman.com

 

Bij zoveel carrièredrang was het begrijpelijk dat rituelen nauwelijks aantrekkingskracht bezaten. Trendwatchers spraken zelfs van cocooning: de neiging van individuen om hun huis als een cocon te betrekken en verder lak aan de wereld hebben. Als illustratie hiervoor kan in elk geval het merkwaardige gebruik van sommigen dienen om zich slechts met een voornaam voor te stellen. Zelfs op naamplaatjes bij voordeuren komt dit voor, waarbij ook de rest van het gezin met de voornaam kan zijn vermeld, - en eventueel zelfs de hond en de kat, maar niet de achternaam die een ieder verbindt. Nota bene, hun eigen ouders werden vaak nog louter met de achternaam aangesproken ('Goedemorgen, Jansen').

 

Kringen in een massa

 

Het Wereldkampioenschap Voetbal van 1974 in Duitsland bracht een onvermoede zaak aan het licht. Sinds de jaren zestig probeerden opinieleiders uitingen van vaderlandsliefde te sussen. De Tweede Wereldoorlog en de aansluitende dekolonisatie hadden laten zien hoe zulke liefde kon ontsporen en bij het lopende project 'Europa' fungeerde zij als een kwelgeest. Menig fijnzinnig individu kon destijds met een uitgestreken gezicht verklaren dat hij bij wedstrijden van het Nederlands elftal niet speciaal voor Nederland was maar alleen van het spel genoot.

De reactie op deze vroege uiting van politieke correctheid was nogal tegengesteld. Tijdens genoemd toernooi ontstond voor het eerst een 'Oranjekoorts'. Groepjes supporters droegen oranje petjes en dassen, en Oranje werd synoniem aan het Nederlands elftal. Aldus uitgedoste supporters presenteerden zich voor het eerst in 1968 als meereizend gezelschap van de schaatsers Ard Schenk en Kees Verkerk, maar nu was er pas echt sprake van een Oranjelegioen. Toen het Nederlands elftal de finale nipt van Duitsland verloor, bleef de natie dagenlang verdoofd van rouw. De revanche kwam pas in 1988 bij het Europese kampioenschap. Na deze historische overwinning waren het niet groepjes supporters die van zich deden spreken, maar hosten drie miljoen landgenoten urenlang op straat. Een nieuwigheid hierbij was dat veel mensen hun hele gezicht schminkten, wat een originele Nederlandse bijdrage aan de internationale supportersfolklore zou worden (Mexico leverde The Wave). Bij latere toernooien zouden al hele huizen en buurten in het oranje worden gezet en trokken tienduizenden fans zonder kaartje door Europa, louter om in de nabijheid van wedstrijden te verkeren, als pelgrims in een bedevaartsoord.

 

skate

Friday Nite Skate sinds eind jaren negentig tijdens de zomermaanden in Rotterdam.(Sunshine)

 

Het is verleidelijk te denken dat de aanjagers van deze ontwikkeling de vaders van de beursstudenten zijn geweest, die hun eigen moment van ontvoogding wilden hebben. De verrassing voor waarnemers was niet dat mensen nog steeds chauvinistisch waren, want dat zullen zij altijd blijven; de verrassing was dat mensen die werden verondersteld individualistisch te zijn blijkbaar zo graag in een massa verkeerden en daarmee zelfs begonnen te spelen. Er bestaat een wereld van verschil tussen de stramme rijen toeschouwers uit de jaren vijftig, die niet eens dranghekken nodig hadden om van het veld weg te blijven, en de yellende fans van tegenwoordig achter stalen constructies en valgoten.

Achteraf bestonden er al signalen van deze onderstroom. De protestgeneratie kwam vaak grootscheeps bijeen en bracht in 1968 de Drive-in Show voort en in 1970 het Pinkpopfestival in Limburg. Ook hierbij gedroeg het publiek zich anders. In plaats van stilzwijgend te genieten van de artiesten zong het met hen mee, het begin van een steeds actievere deelname, getuige latere verschijnselen als crowdsurfing en stagediving. Het festivalwezen gaf zelfs aanleiding tot een nieuwe motoriek:springdansen, een verticale dans die antropologen alleen uit Oost-Afrika kenden. De beperkte ruimte in een opeen gepakte massa liet westerse jongeren blijkbaar geen andere keus dan zo te bewegen. Voor situaties die zelfs die ruimte niet boden ontwikkelde zich een alternatief: headbangen.


 

Boerennostalgie. Links: Zwijntjetikken op het Dicky Woodstockfestival in Steenwijk. Rechts: Land-over-Zand Race tijdens de 'Broeker Week'. (ANP 1997)

 

Minder exuberante lieden uit de protestgeneratie bestreden vanaf de jaren zeventig de ontbinding van het buurtleven met de braderie, - een woord dat ooit als 'braderij' was uitgeleend aan het Frans maar met een nieuwe uitspraak in het Nederlands terugkeerde.

Ook de evenementenkalender kreeg een flinke injectie. Die kalender is een vrucht van de negentiende-eeuwse organisatiezin en de twintigste-eeuwse promotiegedachte, met de oprukkende vrijetijdscultuur als beschermheer - want ieder evenement vergt tientallen vrijwilligers. Afgezien van fancy fairs en loterijen prijkten op die kalender tot dusver slechts een twintigtal corso's (met dat van Winterswijk uit 1906 als eerste). Ook de Vierdaagse van Nijmegen uit 1909, 's werelds grootste wandelparade, kan in dit verband worden genoemd. Tegenwoordig heeft elke stad, elk dorp en elke wijk wel een evenement, vaak zelfs meerdere per jaar.

Gaat het hier meestal om rustig toeristisch vermaak, voor competitie is eveneens plaats. Uit de jaren zeventig stammen de eerste gezamenlijke pogingen om in het Guiness Book of Records te komen, voor langschommelen, paalzitten, dominolawines en wat dies meer zij, waarmee gewone mensen de vijftien minuten roem van Andy Warhol vergaren. Voor iets meer opwinding zorgden verschijnselen als 'dance valleys' of het Friday Nite Skate in Amsterdam en Rotterdam. De blues van de krimpende boerenstand viel te beluisteren in nieuwe modderige spelletjes als zwijntjestikken, kwalleballen en hooibaalsurfen.

 

darten

Premiers League Darts in de Rotterdamse Ahoy, mei 2016. Bijna 10.000 kaarten binnen één uur uitverkocht! Enkele decennia geleden was darten nog een cafébezigheid voor eenzame zielen. RTL7Darts, Instagram

 

Nederlandse homoseksuelen hadden een eigen reden om zich te manifesteren. Naar Amerikaans voorbeeld hielden zij vanaf 1979 in wisselende steden jaarlijks op de laatste zaterdag van juni de parade Gay Pride, die sinds tien jaar in New York bestond als herdenking van een politieinval in een beroemde homobar, Stonewall Inn. Gay Pride is inmiddels een internationale aangelegenheid geworden, maar de meest gebruikte Nederlandse benaming ervoor was Roze Zaterdag, een pesterijtje van Limburgse homo's die de aartsconservatieve bisschop Gijsen na een Witte Donderdag en een Goede Vrijdag een 'Roze' Zaterdag gunden.

Amsterdam kent sinds 1996 hiervan een eigen en zeer bloeiende variant in de Canal Pride Parade , tijdens het eerste weekend van augustus, waarbij een flottielje van tachtig boten door de grachten trekt. Honderdduizenden bezoekers komen erop af, onder wie veel politici en artiesten, en het aantal boten zou makkelijk kunnen worden verdrievoudigd als dat logistiek mogelijk was. Zowel op de Canal Pride als op Roze Zaterdag dragen de deelnemers de hun toegeschreven hyperseksualiteit zonder enige terughoudendheid uit, eigenlijk alsof ze nog steeds om toestemming voor hun levensstijl vragen, - een reactie op de potenrammers onder islamitische jongeren? Desondanks zijn er ook homo's die een dergelijk vertoon onnodig vinden en juist als uiting van een onvoltooide persoonlijke emancipatie beschouwen. De aantrekkingskracht van de botentocht blijft onverminderd groot, getuige de zwaan-kleef-aan werking. Oorspronkelijk bedoeld voor holebi's, zoals de originele Vlaamse afkorting voor homo's, lesbiennes en biseksuelen luidde, verwelkomt de Canal Pride inmiddels alle LHBTQIAA' s: lesbiennes, homo's, biseksuelen, transgenders, queers, interseksuelen, aseksuelen en autoseksuelen, al is de vraag of de laatste twee groepen daadwerkelijk verschijnen.

 

sensation?

Nederland is een opvallende producent van internationale massacultuur geworden met televisiesformats als Big Brother, Boer zoekt vrouw, The Voice en Ik hou van Holland. En de zogeheten Dance Scene kent 'wereldberoemde' Nederlandse dj's. Als het nec plus ultra van deze scene geldt: Sensation. Dit dansfeest met tienduizenden witgeklede mensen - massagedrag binnen een massa - beleeft sinds 2000 een mondiale zegetocht. www.sensation.com

 

Andere minderheden grepen op hun beurt rituelen aan om zich te profileren. Indische Nederlanders kenden sinds 1958 hun beurs Pasar Malam in Den Haag. Surinamers, net hier, kwamen met het Amsterdamse Kwakoe Festival en Antillianen met het Rotterdamse Zomercarnaval. Aansluitend verschenen her en der Chinezen met draken op straat bij hun nieuwjaarsviering. Zelfs joden, die zich zelden publiek hadden geuit, richtten tijdens hun inwijdingsfeest immense menora's op. Voor een samenvatting van alle onderliggende onrust zorgt sinds 1992 het Racism Beat it Festival in Spaarnwoude.

Ook in het persoonlijk leven scheen exuberantie het streven te worden. Try before you die: een huwelijksaanzoek tijdens het bungeejumpen, een bachelorsparty waarbij de genodigden in luiers op straat lopen, een crematie in een kano.

Bij dit alles was, niet verwonderlijk bij een nieuwe elite die uit een revolte was voortgekomen, sprake van steeds verdere informalisering, of beter: opwaartse nivellering, want mensen die van huis uit al informeel waren konden uiteraard niet nog informeler worden. Het civilisatieproces is in die zin op zijn kop gezet: waar vroeger onpersoonlijke distinctie en zelfbeheersing tot voorbeeld strekten, is dat nu gewoonheid in combinatie met hedonistisch individualisme. Om hedendaagse mensen in situaties niet helemaal onthand te laten zijn, reikten vertegenwoordigers van de nieuwe elite hen eenvoudige leefregels aan. Het genre etiquetteboek, dat volledig leek uitgestorven, beleefde een revival,al is frappant dat daarbij nog steeds wordt geput uit vroegere edities, zodat er opnieuw te lezen valt dat je geen 'smakelijk eten' hoort te zeggen en 'aangenaam'. Het zal daarom nog wel even duren voordat de totale klasseloosheid in de etiquette is bereikt.

 

pasarmalam

Nagespeelde huwelijksceremonie uit Djokja op de Pasar Malam 1996, het jaarlijkse festival van Indische Nederlanders in Den Haag sinds 1958. (ANP)

 

De kaalslag in regels heeft intussen de persoonlijke omgang niet onpersoonlijker gemaakt; integendeel. Dit leert de Brabantse Drieklapper, oftewel de wisseling van drie zoenen tussen mannen en vrouwen en tussen vrouwen onderling, waarvoor zij elkaar slechts vagelijk hoeven te kennen. De psycholoog Dolf Kohnstamm dateert de opkomst van dit tijdrovende ritueel in de jaren tachtig. Dat Brabant de bron ervan is, is echter hoogst onwaarschijnlijk, want traditioneel werd daar nauwelijks gezoend; zelfs niet tussen ouders en kinderen en zo wel dan vaak eenzijdig: dat de een 'n zoentje gaf aan de ander. Indicatief voor de herkomst is misschien dat Engelsen deze begroetingswijze Frans noemen, al zijn er ook streken in Frankrijk, ten oosten en westen van Parijs, waar vier zoenen normaal zijn. Uit eigen waarneming kan ik melden dat de drieklapper in Nederland debuteerde in het Amsterdamse hippiemilieu van begin jaren zeventig. Hippies plachten elkaar aanvankelijk vol op de mond te zoenen en hielden van zeer lange omhelzingen - de drieklapper was een verkorte versie hiervan! De verspreiding is vervolgens verzorgd door zelfbewuste huisvrouwen, feministen dikwijls, die aldus meer aandacht van mannen opeisten. 

In elk geval niet Brabants is het mannelijke antwoord op de drieklapper: wat ik maar noem de halve knuffel, op z'n Engels de hug, die na de milleniumwende een vlucht heeft genomen zonder dat er openlijk over wordt gesproken, alsof er toch schaamte in het spel is. Wellicht werd het simpel handenschudden door mannen in vergelijking met de uitvoerige drieklapper voor vrouwen als te futiel ervaren en is het daarom dat vooral jonge mannen bij het handschudden tevens de rechterschouder tegen elkaar gingen vleien. Iets intiemer en daardoor zeldzamer is de linkerschouders tegen elkaar, zodat de harten tegen elkaar kloppen. Deze laatste vorm mondt meestal uit in een hele knuffel, oftewel een vierarmige accolade. De hele knuffel is van Zuid-Italiaanse, zo niet Maffia-oorsprong; de halve knuffel is wijdverbreid onder moslims maar concreet tot ons gekomen via de zwarte Amerikaanse straatcultuur, die ook al de high five en de stotende vuisten, het box geven, opleverde. Filmacteurs en televisiepresentatoren zullen in beide begroetingswijzen een mogelijkheid hebben gezien de camera wat langer op zich gericht te houden als zij op een rode loper stonden en werkten zodoende actief mee aan de internationale popularisering ervan. In Nederland, waar de gereserveerdheid tussen mannen van oudsher groot was, kunnen Surinamers en Antillianen nog een aanjagende rol hebben vervuld, want zij kenden van huis uit al de Brasa en de Bigi Brasa.

 

De oranje regenboog


'Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter, van den baron tot den proletariër...' Zou Johan Huizinga een dergelijke observatie vandaag nog hebben gedaan?

De opleving van rituelen is een uitvloeisel van velerlei factoren. De welvaartsmaatschappij heeft een flinke nivellering teweeggebracht, die om rituelen vraagt waarmee individuen zich kunnen onderscheiden. Aan de andere kant zijn er bindende rituelen nodig, doordat oude verbanden als de Kerk en de Zuil steeds meer verslappen, iets wat de betrokkenen zelf overigens als een bevrijding ervoeren. Nog ingrijpender lijkt dat ieders directe leefomgeving minder cohesie vertoont. Dat geldt voor steden en dorpen, zowel als voor families. Deels heeft dit een prozaïsche oorzaak: mensen zijn veel mobieler geworden. Tegenwoordig verhuist de gemiddelde Nederlander zeven keer in zijn leven, vroeger was dat twee, drie keer. Opgeteld zijn dat zeventig miljoen extra verhuizingen - de Grote Volksverhuizing was hier niets bij.

 

haringhappen

De voetballers Frank Rijkaard, Patrick Kluivert en Aron Winter met 'Hollandse Nieuwe' tijdens Vlaggetjesdag 2000, een vaste traditie in Scheveningen sinds 1950. Overigens is de getoonde consumptiewijze pas in de twintigste eeuw algemeen geworden. Traditioneel, en in Amsterdam nog steeds, werd de haring in partjes gesneden, die zelfs per stuk te koop waren. (ANP)

 

Nederland als idee, als object van oriëntatie, is door deze ontwikkelingen aanzienlijk belangrijker geworden. Vanwege het heersende individualisme blijft dat vooral een symbolische aangelegenheid, want weinig Nederlanders zouden zich nog opofferen voor volk en vaderland, zoals in de hoogtijdagen van het nationalisme gebeurde. Maar juist als symbool onderging Nederland een sluipende devaluatie door het naoorlogse proces van Europese eenwording. De onzekerheid hierover wordt nog versterkt doordat zelden ter tafel komt wat het maximale eindpunt van dat proces kan zijn: een gigantisch België, maar dan nog krakkemikkiger en nog dieper verdeeld. Voor veel politici en ambtenaren met carrièredromen zal dit een wenkend perspectief zijn, niet voor gewone burgers. Velen van hen zien met lede ogen aan dat bij de grote moeilijkheden die Europa nu al oplevert, steevast het antwoord luidt: méér Europa. Maar voor wie het heeft gemist, er bestaat een hechte relatie in tijd tussen de groeiende betekenis van Brussel en de start van de Oranjeprocessies, zoals we die toch wel mogen noemen. Sindsdien is ook Koninginnedag uitgegroeid van een kleinschalig gebeuren, waarvoor slechts plaatselijke Oranjeverenigingen warmliepen, tot een allesoverheersend landelijk festijn.

Het natiegevoel is natuurlijk eveneens op de proef gesteld door de toestroom van ruim twee miljoen nieuwe Nederlanders sinds de jaren zeventig. Historici hebben erop gewezen dat Nederland van oudsher een immigratieland is geweest, maar ditmaal was het toch wezenlijk anders: het ging om niet-westerlingen die nauwelijks ervaring met een moderne maatschappij hadden opgedaan, en omgekeerd evenmin. Hun ontvangst verschilde ook diepgaand van die van hun voorgangers. Die voorgangers kwamen terecht in een standenmaatschappij die vrij duidelijk is over welk gedrag iemand moet volgen om mee te kunnen doen. Nog belangrijker: zij moesten zichzelf zien te bedruipen, wat tot hun onmiddellijke inburgering noopte; recente nieuwkomers daarentegen kregen van meet af aan toegang tot allerlei sociale voorzieningen.

To top it all werd het behoud van hun etniciteit zelfs een punt van zorg voor de overheid. In dit verband is cruciaal geweest het rapport Etnische minderheden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit 1979, waarin als politiek feit stond gemeld: 'Nederland is een multiculturele samenleving'. Het is dat mensen met hun rug naar de geschiedenis leven, anders was opgemerkt dat hier in de gauwigheid een intellectuele salto werd voltrokken. Zelfs inheemse katholieken, die lange tijd de grootste groepering vormden, gingen ervan uit dat Nederland steeds een protestants-christelijke natie was gebleven en dit ideaalbeeld verdween nu achteloos in de la. Ervoor in de plaats kwam niet eens de claim dat we een modern, kosmopolitisch land zijn geworden, wat aan nieuwe minderheden de boodschap had gegeven dat zij zich terdege moesten aanpassen. Nee, in principe mochten zij hun eigen tradities en opvattingen bewaren, hoe bekrompen en achterlijk die ook waren. 

 

oranjefans.jpg

Consumptief chauvinisme als uiting van maatschappelijke onvrede. www.dagaanbiedingsms.nl

 

De komst van niet-westerse immigranten heeft de populatie in de steden in één generatie danig veranderd en zal die nog meer veranderen. Uiteraard dienden zich hierop onmiddellijk allerhande reacties aan. Over het politiek-extremisme ter linker- en ter rechterzijde, en de grote aanjager daarvan: de politieke correctheid in het midden, hoeven we het hier niet te hebben, wel over het aangezwollen Oranjegevoel. Dat gevoel heeft gevoerd tot hernieuwde jaren dertig-architectuur, een wederopstanding van het Nederlandstalige lied, een officieel canon van de vaderlandse geschiedenis en de verkiezing van de Grootste Nederlander Aller Tijden, om slechts enkele voorbeelden te noemen. Wat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ooit feestelijk meende te kunnen aankondigen, vormde in feite het begin van een intensieve speurtocht naar de eigen aard, waardoor Nederland de laatste jaren niet minder maar méér Nederlands is geworden.

Dit geldt althans voor het klassieke Nederland. Tegelijkertijd dragen de nieuwe minderheden steeds nadrukkelijker hun eigen aard uit, bijna op afroep, want in een zelfverklaarde multiculturele maatschappij biedt dat fikse voordelen. De kans op subsidies en benoemingen stijgt erdoor aanzienlijk, en persoonlijk wansucces krijgt bij voorbaat een excuus. De onderlinge verschillen in Nederland nemen hierdoor toe in plaats van af. Rituelen - van Sinterklaas tot ramadan - versterken op hun beurt deze tendens, aangezien elk ritueel zowel in- als exclusief is. Waar deze tegengestelde bewegingen op uitdraaien, weet niemand. Maar inmiddels is wel duidelijk dat een samenleving die etniciteit bevordert meer problemen oproept dan oplost.

 

*Over het multiculturalisme, dat naar mijn smaak een vorm van provincialisme behelst, schrijf ik uitgebreider onder Multiculti.


terug naar boven