'Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed hebben in de kindergeest...'
Met zijn Herfsttij der Middeleeuwen uit 1919 biedt de grote historicus Johan Huizinga ons nog steeds een spiegel in de tijd. Tot in de vijftiende eeuw, meldt hij, konden mensen in hysterie vervallen bij het zien van een rouwstoet, een vloed van tranen storten bij een afscheid en in teugelloze woede uitbarsten bij een spelletje. Ook wraak kende nauwelijks grenzen. Bij terechtstellingen bezwoer het publiek de beul het karwei zo traag mogelijk te klaren en soms werd elders een boef gekocht om hem voor het genoegen in eigen stad te kunnen vierendelen.
'En al de dingen des levens hadden een pronkende en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel en hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er hun wanstaltigheid uit...'
Deze openlijke hartstocht verhinderde intussen niet dat het leven werd beheerst door een 'gewichtige stijfheid van de grote stijl'. Iedere stand, iedere orde en ieder bedrijf was kenbaar aan aparte kledij. Belangrijke gebeurtenissen als geboorte, huwelijk en begrafenis stonden door sacramenten 'in de glans van het goddelijk mysterie', maar ook iets eenvoudigs als een bezoekje of werkzaamheden werden begeleid door 'duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.'

De gewichtige stijl voorkwam ook dat men voor kinderen nauwelijks oog had. De verhouding tussen man en vrouw was zelfs 'bijster ruw', ondanks het ridderlijke ideaal van de hoofse liefde. In het huwelijk was eenvoudig geen plaats voor 'individueel sentiment', wat volgens Huizinga vooral tot uitdrukking kwam tijdens de eerste huwelijksnacht, die met een 'schaamteloze publiciteit' werd omgeven. De vrouw was geen volwaardige partner voor de man. Zij stond voor zinnelijkheid, niet voor liefde, moederschap of vroomheid. Zo trad zij ook vaak op bij de naakte tableaux vivants die bij intochten van hoogwaardigheidsbekleders gebruikelijk waren. De monnik Odo van Cluny betoogde intussen dat vrouwelijke schoonheid slechts in de huid zit, om, na een opsomming van alle ongerechtigheden daaronder, uit te roepen: 'Hoe kunnen wij begeren de drekbuidel zelf te omhelzen?'
Het civilisatieproces
Het valt niet te ontkennen dat vandaag het leven in West-Europa minder fel, minder openbaar en minder ceremonieel is dan in de Middeleeuwen. De grote lijnen van de ontwikkelingen sindsdien zijn uit en te na geboekstaafd. Door de politieke democratisering zijn steeds meer mensen aan de maatschappelijke besluitvorming gaan deelnemen. De welvaart heeft zich aanmerkelijk verbreid, zodanig dat de oude wetmatigheid is doorbroken dat rijken steeds rijker worden en armen steeds armer. De arbeidsverhoudingen hebben zich ontwikkeld van de totale ondergeschiktheid van de knecht tot aan de inspraak van de medewerker. Ook de zorg voor hulpbehoevenden is verbeterd: van bédelen, via bedélen, naar recht op bijstand. En delinquenten hoeven geen lijfstraffen meer te vrezen, hooguit een vrijheidsstraf of verplichte dienstverlening.

Op individueel vlak zijn de veranderingen even ingrijpend geweest. Het privé-domein van mensen is steeds groter geworden. Volgens de Franse historicus Philippe Ariès was - huiveringwekkend idee - in Europa tot aan het eind van de zeventiende eeuw niemand ooit helemaal alleen. In huis verbleef men in een grote woonruimte, waar werd geslapen, gewassen en gekookt en buitenstaanders zonder plichtplegingen binnen konden vallen. Tegenwoordig worden mensen beschermd door een deurbel, maar ook door loze ruimtes als een gang en een overloop, die bedoeld zijn om geen last van huisgenoten te ondervinden. Dat het hier om een keuze gaat tonen middeleeuwse kastelen die, hoe immens ook, meestal gangen ontberen.
Privacy kon meer intimiteit tussen mensen bewerkstelligen, en ook dat is een lange lijn in de westerse geschiedenis. Eerst ontsnapte de familie aan de gemeenschap, toen het gezin aan de familie en ten slotte het individu aan het gezin. Als gevolg hiervan is de Middeleeuwse 'gewichtige stijfheid van de grote stijl' vervangen door persoonlijk getinte rituelen. Het huwelijk is een aangelegenheid geworden waarbij de ouders van de huwelijkskandidaten niet meer het eerste en het laatste woord krijgen, maar de kandidaten zelf. Man en vrouw gaan, als het goed is, gelijkwaardig en kameraadschappelijk met elkaar om. En ook hun kinderen hebben een andere positie: van 'volwassenen in zakformaat' zijn zij 'eeuwige jongeren' geworden. Kinderen zijn er ook niet meer voor de ouders, maar de ouders zijn er voor hen.
De socioloog Norbert Elias betoogt dat de toenemende privatisering en intimisering het gevolg zijn geweest van meer zelfbeheersing die mensen aan de dag moesten leggen. Aan de hand van etiquetteboeken uit het verleden heeft hij laten zien dat mensen in Europa pas enkele eeuwen als fatsoensnorm hebben niet te slurpen en te smakken en met de handen van eten af te blijven; geen boeren en winden in het openbaar te laten; de neus niet te snuiten met de vingers maar in een zakdoek; niet te spugen en te rochelen, en seks in afzondering te bedrijven.
Al deze veranderingen maken volgens Elias deel uit van een omvangrijk proces. Door de vorming van staten, door bureaucratisering, commercialisering en industrialisering wordt een groeiend aantal mensen van elkaar afhankelijk. Zij moeten steeds meer rekening met elkaar houden en hun gedragingen intomen. Alles wat aan het dierlijke in de mens herinnert, dient daarom achter de coulissen van het maatschappelijke leven te verdwijnen. Dit gebeurt in het begin onder druk, maar na verloop van tijd vrijwillig, want: 'De wijze waarop mensen gehouden zijn met elkaar te leven verandert, daarom verandert hun gedrag, daarom verandert hun bewustzijn en hun hele drifthuishouding.'
De strijd om de macht is hierbij de allesbepalende factor. In die strijd raken steeds meer mensen betrokken, waardoor hun onderlinge machtsverschillen weer kleiner worden. Enerzijds is er namelijk sprake van integratie, anderzijds van differentiatie: macht raakt geconcentreerd maar tegelijkertijd over meer mensen verdeeld, vanwege de voortgaande arbeidsdeling. Aan deze ontwikkeling ligt geen plan, geen idee ten grondslag, maar zij is natuurlijk niet absoluut en onomkeerbaar. In tijden van crisis kunnen mensen immers in een oogwenk vergeten wat in honderden jaren was opgebouwd.

Een belangrijke versnelling in het proces valt te signaleren bij het ontstaan van centrale hoven aan het eind van de Middeleeuwen. Grote gebieden in Europa werden daardoor gepacificeerd en lokale heersers, die voordien tegenover niemand verantwoording hoefden af te leggen, moesten zich nu in de bestuurscentra zien te handhaven. Vechtkunst werd voor hen minder belangrijk, 'hoffelijkheid' des te meer. De hoven werden aldus ateliers voor nieuwe omgangsvormen. Allerlei gebruiksvoorwerpen, zoals borden, lepels, vorken, servetten en pyjama's komen ook daaruit voort en zijn pas in de negentiende eeuw in brede lagen van de bevolking doorgedrongen.
Een andere belangrijke versnelling vond plaats toen een handeldrijvende en neringdoende burgerij opkwam en zich naast Kerk en adel tot de derde stand ontwikkelde. Deze burgerij diende zich in de Lage Landen al in de veertiende eeuw aan, maar bereikte in Europees opzicht haar hoogtepunt in de achttiende eeuw. De burgerij kon haar omgangsvormen deels ontlenen aan de adel; tegelijkertijd moest zij nieuwe normen ontwikkelen, die samenhingen met de hevige onderlinge concurrentie waarin zij was gestort. Het werd voor de burgers noodzakelijk hun bedrijfsvoering te perfectioneren en lange werkdagen te maken. Waarden die hieruit voortvloeiden, waren prestatiedrang, individuele ontplooiing, spaarzaamheid, ingetogenheid en ook familiezin, om alle aanwezige krachten economisch te kunnen bundelen.
Burgers en regenten
Nederland wijkt van dit patroon af, doordat het is ontstaan uit een burgerlijke opstand tegen de Spaanse koning en nadien nooit meer een 'drukkende ongelijkheid' kende die in andere Europese landen herhaaldelijk voor geweldsuitbarstingen zorgde. Massahysterie was er eigenlijk alleen aan het begin van die opstand, tijdens de Beeldenstorm van 1566, toen woedende menigten in honderden kerken religieuze kunst vernielden.
De Republiek die nadien ontstond ontwikkelde uiteraard geen hofleven, en een sterke landadel ontbrak al in de Spaanse tijd. Zelfs de Kerk vormde geen onoverkomelijk machtsblok, want nadat de protestanten zich hadden losgemaakt van Rome gingen zij onderling door met schisma's. Historisch gezien zijn de regenten uit de zeventiende en achttiende eeuw de machtigste groepering van het land geweest, maar zij bleven burgers. In Neerlands Geestesmerk (1934)becommentarieerde Johan Huizinga dan ook: 'Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletariër'. Hier komt enerzijds de beruchte directheid van Nederlanders in de omgang vandaan, maar anderzijds een nationaal leven dat slechts 'licht rimpelde onder den wind der grote geestesberoeringen'.
Voor grote geestesberoeringen was ook minder aanleiding, doordat de regenten hier al ver voor de Verlichting zaken realiseerden die meestal als een vrucht daarvan worden beschouwd. De dol-, spin- en rasphuizen stonden in Nederland honderd jaar eerder dan elders, zo ook inrichtingen voor wezen, zieken en bejaarden. De terreur van de heksenvervolging, die in Europa tussen de zestiende en de achttiende eeuw meer dan een miljoen mensenlevens heeft gekost, is aan Nederland vrijwel ongemerkt voorbijgegaan; de laatste executie van een heks vond plaats in 1595 in Utrecht. Ook lynchpartijen zijn, op die ene uitzondering van de gebroeders De Witt na, achterwege gebleven. Waar andere landen schoksgewijs met de moderne tijd in aanraking kwamen, werd Nederland in de woorden van de socioloog Johan Goudsblom 'modern geboren'.
Het calvinisme was zowel bondgenoot als tegenstrever van de regenten. Ondanks hun hang naar wereldverzaking pleitten calvinistische dominees nooit voor het puritanisme dat in Engeland, Schotland en Zwitserland wortel schoot. Gedogen was al in de zeventiende eeuw een beproefde praktijk. Menig dominee wist de regenten weliswaar keuren tegen allerlei festiviteiten te ontlokken, maar op naleving zagen de laatsten nauwelijks toe.
Waarschijnlijk sloegen dominees en regenten wel de handen ineen bij het Amsterdamse verbod uit 1604 op de uit de Middeleeuwen overgebleven leprozenoptocht, die plaatsvond op Koppertjesmaandag, de maandag na Driekoningen. Koppertjesmaandag (van 'kopperen', feestvieren) is nu alleen nog een dag waarop boekdrukkers en letterzetters hun klanten prenten of kalenders schenken.
Maar ten aanzien van andere gebruiken bleven de dominees roependen in de woestijn, althans tot op zekere hoogte. Nadat de heiligenverering was afgeschaft, verordonneerde de Synode van Dordrecht in 1618 dat ook de heiligendagen moesten verdwijnen; alleen feesten gewijd aan Jezus Christus mochten gevierd worden. Tegelijk dienden de acht dagen die de katholieke Kerk rond Kerstmis, Pasen en Pinksteren had ingesteld te worden gereduceerd tot twee. Met betrekking tot dit laatste kreeg de Synode uiteindelijk haar zin: de Zondagswet van 1815 legde die twee dagen definitief vast. Dat was indertijd voor iedereen een verlies maar later een luxe, want toen katholieke landen op hun beurt hun feestkalender moesten saneren gingen zij met Kerstmis, Pasen en Pinksteren in een keer terug van acht dagen naar èèn. In dat opzicht hebben calvinisten met hun vroege streven naar versobering zelfs bijgedragen aan onze feestcultuur. Ten aanzien van de heiligendagen echter leden zij een nederlaag. Inmiddels waren daaromheen ook wereldse uitingen ontstaan, waarover zij geen zeggenschap hadden. En zo kon het gebeuren dat in een protestants land roomse feesten als Driekoningen, vastenavond, palmpasen, Sinterklaas en Sint Maarten eeuwenlang bleven gedijen.
Misschien is hierbij een factor geweest dat de regenten en dominees nooit voor vervangende feesten hebben gezorgd. Bijvoorbeeld: een dag die de vestiging van de Nederlandse staat herdacht, hoe schimmig die ook is verlopen. Zelfs het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, dat het recht op volkssouvereiniteit vastlegt, bereikte hier nooit de status van de Amerikaanse versie ervan, The Declaration of Independence uit 1776. Dit kan natuurlijk te maken hebben met de fikse breuk in de vaderlandse geschiedenis die in 1813 zou plaatsvinden, maar waarschijnlijker is dat de regenten en dominees iedere borstklopperij en elke feestelijkheid wilden vermijden.
Beschavingsarbeid
Gedurende de achttiende eeuw maakte Nederland vanuit het buitenland kennis met een nieuwe moraal, bestemd voor mensen die hier 'middenborgers' werden genoemd; elders waren dit gewone 'burgers', maar die term was in Nederland al in gebruik voor regenten, die pas later tot patriciërs zijn gepromoveerd.
De schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken waren met hun brievenroman Sara Burgerhart uit 1782 de vroegste representanten van deze middenburgers. In het machtsveld tussen regenten en het gewone volk koos deze groepering voor preutsheid als middel om zich te profileren. Het begon ermee dat geslachtsdelen tot schaamdelen werden bestempeld en het eindigde ermee dat 'vrijen' werd gelijkgesteld aan zoenen, terwijl vrijen oorspronkelijk slechts 'vrije omgang' betekende. Gaandeweg zouden extremiteiten als het gekleed baden en de verplichting om met de handen boven de dekens te slapen hun intrede doen. Bij deze omgekeerde fascinatie voor seksualiteit hoorde een cultus rond huwelijkstrouw, huiselijkheid en moederlijke toewijding aan de kinderen. Het arbeidsethos werd andermaal aangescherpt.
De middenburgers kwamen gelijk op de met de industriële revolutie, waarvan zij de voornaamste dragers werden. De parlementaire democratrie is de vertaling van hun politieke macht. Hun benadering van lagere standen verschilde al wezenlijk van die van de regenten. Om die standen de discipline en vorming bij te brengen die noodzakelijk waren in een complexer wordende samenleving, riepen zij organisaties in leven met welsprekende namen als de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (1784) en de Vereniging tot Veredeling van het Volksvermaak (1872), die in iedere stad een afdeling kregen. Tegelijk werden gemeentelijke geboden uitgevaardigd tegen allerlei uitspattingen op straat, waarover een steeds beter uigeruste politiemacht ging heersen. De middenburgers kregen het tij mee, want in 1798 kwam het middeleeuwse systeem van beroepsgilden aan zijn einde, die berucht waren om hun woeste feesten.
Aldus werd in de negentiende en begin twintigste eeuw het publieke domein duchtig geschoond. De makkelijkste prooi waren de wrede spelletjes. Totdan was nog in het hele land het bekkensnijden bekend; Jacob van Lennep schrijft erover in zijn roman De avonturen van Ferdinand Huyck uit 1840. Kermissen en zaterdagse drinkgelagen boden meestal de setting ervoor. De bedoeling was een tegenstander tijdens een min of meer geregeld messengevecht een jaap in de wang te geven, zoals ridders in de middeleeuwen met sabels hadden gedaan en legerofficieren nog steeds deden. De littekens die hiervan het gevolg waren golden als bewijs van dapperheid. Op zulke gevechten werden echter strenge straffen gesteld, zodat varianten ontstonden met puntloze messen en gekartelde muntstukken, maar in toenemende mate verkozen de ruziezoekers zelf een eerlijke knokpartij. Begin twintigste eeuw kwamen de laatste meldingen over bekkensnijden uit Drenthe en Brabant, vooral uit Oss, waar een kruisvormig litteken het Wapen van Oss heette.
De wrede spelletjes met dieren waren lastiger te bestrijden. Hierin bestond een lange traditie. Toen bijvoorbeeld Willem van Oranje in 1582 de hertog van Anjou in Brugge ontmoette, werd te hunner ere een heus kattenvuurwerk gegeven: een platform met daarop vastgeketende katten, die door middel van vuurwerk in brand werden gestoken. Een eeuw later kende men nog steeds hanengevechten, ganstrekken, haanslaan of haankappen, berebijten, hondwippen en katknuppelen. In de negentiende eeuw waren de mores in zoverre verzacht dat daarbij meestal dode dieren werden gebruikt, maar de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren (1864) wist de overheid te bewegen tot een algeheel verbod op dergelijke spelletjes. In 1886 kon hierdoor het beruchte Palingoproer in de Amsterdamse Jordaan ontstaan: een agent knoopte op de Lindengracht een touw los, waaraan een paling hing die door de deelnemers, varend in een bootje, er vanaf moest worden getrokken. Na twee dagen van onlusten was de ongelooflijke balans: 26 doden en 136 gewonden.
De strijd voor verbetering van het dierenlot was hiermee nog nauwelijks begonnen, want in 1929 werd tijdens een congres in Wenen een jaarlijkse Dierendag ingesteld op 4 oktober, de sterfdag van dierenprediker Fransiscus van Assisi. (En de Partij voor de Dieren uit 2002 is er niet voor niets).
Tegelijk met het verdwijnen van de wrede spelletjes namen huiselijke feesten als Sinterklaas en Kerstmis in belang toe en verdwenen straatfeesten als carnaval naar de balzaal, of hielden helemaal op te bestaan. De straat verloor ook oude sportieve bezigheden als kolven en kaatsen, al werden die hier en daar van de ondergang gered doordat enthousiastelingen er een regionaal gebeuren van wisten te maken. In hun plaats kwamen de gereguleerde sporten opzetten, die een sportief antwoord boden op een ingewikkeldere maatschappij. De introductie daarvan werd eind negentiende eeuw verzorgd door aristocratische anglofielen met tijd te over. De hardwerkende middenburgers moesten aanvankelijk weinig hebben van sport en betitelden tot in de twintigste eeuw iedere belangstelling ervoor als sportverdwazing. En de lagere inkomensgroepen werden jarenlang van beoefening afgehouden wegens geld- en tijdgebrek. Maar het ging bij sport niet alleen om de deelnemers: zo'n duizendkoppige menigte die zich als vanzelf bij een wedstrijd opstelt en niet in het verloop ervan ingrijpt, is pas sinds het begin van de vorige eeuw een vertrouwd beeld.
Mettertijd begonnen ook allerlei gebruiken te verdwijnen vanwege de economische veranderingen die de middenburgers in gang zetten. Een boer die een combine kon huren, hoefde geen oogstfeesten meer te organiseren. Vanaf het moment dat hij met een tractor werkte, kon hij zijn paard van de hand doen en daarmee afscheid nemen van ettelijke gebruiken rond het paard. Personeel had hij tegen die tijd ook minder nodig; dus verdween een inwijdingsritueel als het haalleiden, waarbij knechten en meiden op de dag van hun indiensttreding enkele malen rond de ketelhaak werden gevoerd. Tegelijkertijd namen tientallen specialisten de plaats in van dorpsgenoten, tot en met de bouw van schuren toe. En verhuisde de boer naar elders dan schakelde hij een verhuisbedrijf in en hoefde hij niet meer in een optocht met nasleep door zijn buren naar zijn nieuwe adres te worden gebracht, waar zijn toekomstige buren hem al op stonden te wachten.
Algeheel fatsoen
In hun pogingen tot verheffing kregen de middenburgers gaandeweg gezelschap van mensen die op eigen kracht uit de lagere klassen ontsnapten. Eerst legden allerlei soorten socialisten ideologische claims op arbeiders en kleine luiden, vervolgens allerlei soorten religieuzen. De verzuiling nam een aanvang, waardoor een web van toneelverenigingen, zangkoren, sportclubs en jeugdhonken over het land werd uitgespannen. Voor de bestuurders ervan was dit vaak het eerste zetje om de maatschappelijke ladder te gaan beklimmen, iets wat voordien zelden voorkwam.

Voorlopig werd het beschavingsregime almaar strakker, getuige bijvoorbeeld het lot van Hartjesdag, dat in etappes van de feestkalender verdween. Dit volksfeest op de derde maandag in augustus herinnerde aan het recht op vrije jacht ('hertjesdag') dat Haarlemmers en Amsterdammers vroeger in de Noord-Hollandse duinen hadden. Haarlemmers plachten op die dag bij Kraantje Lek van de duinen af te rollen; Amsterdammers dansten, dikwijls in travestie, op de kermis op het Haarlemmerplein. In de negentiende eeuw werd hiertegen de politie in stelling gebracht. Steeds meer volwassenen 
bleven daardoor weg en voor kinderen werd Hartjesdag een gelegenheid tot 'agentje pesten', maar dat namen die agenten niet. Eind jaren twintig van de vorige eeuw stond in bepaalde buurten in Amsterdam om de paar meter een agent met blanke sabel opgesteld om de feestvierders van de straat te weren. Dit dunde andermaal de gelederen uit. En toen ook daarna het animo nog niet was verdwenen, lanceerden onderwijzers en gemeenteambtenaren een alternatieve viering: met begeleid zaklopen, touwtrekken en bellenblazen werd het feest definitief gesmoord.
Het lijkt een contradictie, maar tegelijk met dit strakkere beschavingsregime vond er een versoepeling plaats. Creatieve geesten uit de middenklasse zorgden voor aantrekkelijke alternatieven op het gebied van kleding, architectuur en meubels, die lossere omgangsvormen beloofden en ook nagenoeg klasseloos waren. De modernistische beweging in de beeldende kunst lapte de hele burgermansmoraal aan haar laars. Dansen als de foxtrot en de charleston, tijdens de Eerste Wereldoorlog in Europa geïntroduceerd door Amerikaanse troepen, gaven burgerkinderen de lijfelijkheid terug tijdens de kennismaking (alhoewel de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervoming pas succes zou boeken toen de bourgeoisie haar oude kieskeurigheid had verloren). En minstens zo frappant: heren en dames die nog nooit hun handen vuil hadden gemaakt, begonnen in diezelfde periode plezier te beleven aan tuinieren, kamperen en klussen. Ook mochten in nette kringen kinderen hun ouders voortaan tutoyeren en begon de herenhoed, onmisbaar geacht statussymbool voor generaties mannen, aan een langzame terugtocht. De socioloog Cas Wouters bedacht voor deze ontwikkelingen de term informalisering, een soort gecontroleerde dècontrole, in feite een hogere graad van zelfbeheersing.
Vanaf de jaren vijftig raakte de oude standenmaatschappij definitief in verval. Motor hierin was de algehele welvaartsstijging, maar nog specifieker: het gulle naoorlogse beurzenstelsel, iets wat vreemd genoeg in terugblikken op die periode zelden wordt gememoreerd, alsof dat dient te worden verzwegen. Door dat stelsel konden in de jaren nadien tienduizenden kinderen van arbeiders, boeren en winkeliers nagenoeg gratis een universitaire studie volgen. Navenant namen ook het middelbaar onderwijs en het hoger beroepsonderwijs explosief in omvang toe, hoewel 'doorleren' tot die tijd uitsluitend voor notabelen was bestemd.
Met zoveel nieuwelingen op weg naar de rangen kon een andere strategie worden gekozen. Eerdere upstarts moesten nog met veel persoonlijke opoffering en gedragskundige fine-tuning een plek binnen de elite veroveren. De 'beurstudenten', zoals ze werden genoemd, hoefden slechts hun massaliteit te gebruiken.
Omdat voor hen persoonlijke ontplooiing de leidraad in hun leven werd, braken zij om te beginnen met de Kerk en de zuil van hun ouders. Rock & Roll begeleidde deze transitie, waarbij tevens seksualiteit uit de taboesfeer werd gehaald en een fijnzinnige etiquette die voorschreef hoe je moest zitten, lopen, eten en gesticuleren als overbodig werd aangemerkt. In de jaren die volgden zou zich voor het eerst op grote schaal het fenomeen van stijgende cultuurgoederen voordoen. Het 'hoi' en 'doei' zijn daarvan voorbeelden, maar het ging van truien tot gympen en van spijkerbroeken tot tatoeages.
Vooral de laatste twee waren veelzeggend. Een spijkerbroek diende echt als een werkmansbroek te tonen en werd daartoe gezandstraald, gebleekt en desnoods ingescheurd vooraleer zij als nieuw in een winkel kwam te hangen. Tegenwoordig loopt kroonprins Willem Alexander er al mee, maar in de geschiedenis van de mode vormt zij toch wel een Ümwertung aller Werte. Het kan bijna niet anders of de voorgescheurde, gezandstraalde variant, waarop arme drommels in de Derde Wereld hun longen verpesten, wordt ooit in de annalen ingedeeld bij extremiteiten als de crinolinejurk en het vrouwelijk torsocorset.
Mensen met tatoeages schijnen zelfs compleet anders in het leven te staan. Traditonele gelovigen kregen hun lichaam van God en zouden dat nooit met profane afbeeldingen bezoedelen. Humanisten volgen veelal de filosoof Descartes, die een onderscheid maakte tussen lichaam en geest, waarbij het lichaam een onberekenbare gastheer is van een zuivere geest die je niet met banaliteiten moet lastigvallen. Volgens deze visie hebben mensen een lichaam. Mensen met tatoeages daarentegen zijn hun lichaam. Minstens zo opvallend is dat tatoeages samen met piercings en oorringen een erfenis vormen van achttiende-eeuwse Europese zeepiraten, die door marginale kampers en Hells Angels in ere werd gehouden. Dus niet de solide werkende klasse fungeerde hierbij als inspiratiebron, maar anarchistische vrijbuiters.
Terwijl John Lennon zong 'A working class-hero is something to be' begon in de gewone burgermaatschappij het oude systeem van afzakkende deftigheid sleets te raken, tot in kleinigheden als aanspreekvormen toe. 'Meneer' en 'mevrouw' waren ooit adellijke titels geweest, die slechts langzaam op gewone mensen neerdaalden. Vooral het 'mevrouw' dat in rangorde na 'juffrouw' en 'mejuffrouw' kwam, was steeds een stille verrukking geweest voor degene die voor het eerst als zodanig werd aangesproken. Toen na de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk iedereen 'meneer' en 'mevrouw' ging heten en in brieven van de overheid zelfs als 'weledelgeboren' werd aangemerkt, raakte het onderscheidend karakter van die titels verloren.
Jongeren uit de gezeten burgerij sloegen de verrichtingen van de beursstudenten aanvankelijk met verbazing gade, maar werden uiteindelijk meegesleept door de popmuziek, die een hogere graad van sophistication bezat dan Rock & Roll. Wel moesten zij hiervoor hun weerzin tegen Top Tiens overwinnen, of beter: tegen de massacultuur, een amalgaam van feodale dweepzucht, socialisme en hyperkapitalisme. Een intermediair hierbij vormden de provo's. Au fond nogal bourgeois namen de provo's het 'klootjesvolk' op de korrel, al konden zij daarmee niemand anders bedoelen dan hun eigen ouders, die zij nog vaak met 'u' aanpraken. Ook de Kabouters en de hippies probeerden het eigen milieu te ontstijgen. De radicale studentenbeweging en de krakers zochten daarentegen de directe confrontatie met het establishment. Achteraf moeten we vaststellen dat er van hun ideologisch gekrakeel verbluffend weinig over is gebleven. Het lijkt wel alsof het een soort schuttersfeesten voor beursstudenten zijn geweest, waarop zij al exercerend hun individuele aspiraties bekend konden maken.
Tijdens deze excaltatie zagen ook anderen kans uit de schaduw te treden: middenklassenvrouwen (met dank aan de pil). De Eerste Feministische Golf van de jaren twintig had slechts het kiesrecht voor vrouwen gerealiseerd, de Tweede Feministische Golf van de jaren zeventig realiseerde abortus, dus het principe: baas in eigen buik, en maakte de geesten rijp voor verdere vrouwenemancipatie, vooral met betrekking tot carrièremogelijkheden.
Aan het begin van de jaren tachtig waren de voormalige contestanten aan een stille mars door de instituties begonnen. De vroegere beursstudenten bleken behendig in het verwerven van posities; hele sectoren werden door hen ingepalmd. Als om dit opvallende succes te verdoezelen bedacht de politiek een verdwijntruc. Halverwege de jaren tachtig kreeg iedereen een beurs, waardoor in een klap alle studenten 'beursstudenten' waren en dat historische onderscheid geen zin meer had.
Bij zoveel carrièredrang was het begrijpelijk dat rituelen nauwelijks aantrekkingskracht bezaten. Trendwatchers spraken zelfs van cocooning: de neiging van individuen om hun huis als een cocon te betrekken en verder lak aan de wereld hebben. Als illustratie hiervoor kan in elk geval het merkwaardige gebruik dienen dat velen zich sindsdien alleen met hun voornaam voorstellen, wat ze volhouden tot op het naamplaatje bij de voordeur van hun huis, waarbij ook de rest van het gezin met de voornaam wordt vermeld, en eventueel zelfs de hond en de kat, maar niet de achternaam die hen onderling bindt. Nota bene, hun eigen ouders werden nog vaak louter met de achternaam aangesproken.
Het Wereldkampioenschap Voetbal van 1974 in Duitsland bracht een onvermoede zaak aan het licht. Sinds de jaren zestig probeerden opinieleiders uitingen van vaderlandsliefde te sussen. De Tweede Wereldoorlog en de aansluitende dekolonisatie hadden laten zien hoe een dergelijke liefde kon ontsporen en het lopende project 'Europa' maakte haar tot een kwelgeest. Menig fijnzinnig individu kon destijds met een uitgestreken gezicht verklaren dat hij bij wedstrijden van het Nederlands elftal niet speciaal voor Nederland was maar louter van het spel genoot.
De reactie op deze politieke correctheid was nogal tegengesteld. Tijdens genoemd toernooi ontstond voor het eerst een 'Oranjekoorts'. Groepjes supporters droegen oranje petjes en dassen, en Oranje werd synoniem aan het Nederlands elftal. Het schijnt dat aldus uitgedoste supporters zich eerder presenteerden als meereizend gezelschap van de schaatsers Ard Schenk en Kees Verkerk kort ervoor, maar nu was er pas sprake van een Oranjelegioen. Toen het Nederlands elftal de finale nipt van Duitsland verloor, bleef de natie dagenlang verdoofd van rouw. De revanche kwam pas in 1988 bij het Europese kampioenschap. Na deze historische overwinning waren het niet groepjes supporters die van zich deden spreken, maar hosten drie miljoen landgenoten urenlang op straat. Een nieuwigheid hierbij was dat veel mensen hun hele gezicht schminkten, wat een originele Nederlandse bijdrage aan de internationale supportersfolklore zou worden (Mexico leverde The Wave). Bij latere toernooien zouden al hele huizen en buurten in het oranje worden gezet en trokken tienduizenden fans zonder kaartje door Europa, louter om in de nabijheid van wedstrijden te verkeren, als pelgrims in een bedevaartsoord.
Het is verleidelijk te denken dat de aanjagers van deze ontwikkeling de vaders van de beursstudenten zijn geweest, die hun eigen moment van ontvoogding wilden hebben. De verrassing voor waarnemers was niet dat mensen nog steeds chauvinistisch waren, want dat zullen zij altijd blijven. De verrassing was dat mensen die werden verondersteld individualistisch te zijn blijkbaar zo graag in een massa verkeerden en daarmee zelfs begonnen te spelen. Er bestaat een wereld van verschil tussen de stramme rijen toeschouwers uit de jaren vijftig, die niet eens dranghekken nodig hadden om van het veld weg te blijven, en de springdansende en yellende fans van tegenwoordig achter stalen constructies en valgoten.

Achteraf bestonden er al signalen van deze onderstroom. De protestgeneratie kwam vaak grootscheeps bijeen en bracht in 1968 de Drive-in Show voort en in 1970 het Pinkpopfestival in Limburg. Ook hierbij gedroeg het publiek zich anders. In plaats van stilzwijgend te genieten van de artiesten zong het met hen mee, het begin van een steeds actievere deelname, getuige verschijnselen als crowdsurfing en stagediving.
Minder exuberante lieden uit de protestgeneratie bestreden vanaf de jaren zeventig de ontbinding van het buurtleven met een jaarlijkse braderie, een woord dat ooit was uitgeleend aan het Frans maar nu weer dankbaar in de Nederlandse taal werd opgenomen.
Ook de evenementenkalender kreeg een flinke injectie. Die kalender is een vrucht van de negentiende-eeuwse organisatiezin en de twintigste-eeuwse promotiegedachte, met de oprukkende vrijetijdscultuur als beschermheer - want ieder evenement vergt tientallen vrijwilligers. Afgezien van fancy fairs en loterijen prijkten op die kalender tot dusver slechts een twintigtal corso's (met dat van Winterswijk uit 1906 als eerste). Ook de Vierdaagse van Nijmegen uit 1909. 's werelds grootste wandelparade, kan in dit verband worden genoemd. Tegenwoordig heeft elke stad, elk dorp en elke wijk wel een bijzonder evenement, vaak zelfs meerdere per jaar.

Gaat het hier meestal om rustig toeristisch vermaak, ook voor competitie is plaats. Uit de jaren zeventig stammen de eerste gezamenlijke pogingen om in het Guiness Book of Records te komen, voor langschommelen, paalzitten, dominolawines en wat dies meer zij, waarmee gewone mensen de vijftien minuten roem van Andy Warhol vergaren. Voor iets meer opwinding zorgden verschijnselen als 'dance valleys' of het Friday Nite Skate in Amsterdam en Rotterdam. De blues van de krimpende boerenstand viel te beluisteren in nieuwe modderige spelletjes als zwijntjestikken, kwalleballen en hooibaalsurfen.
Nederlandse homoseksuelen hadden een eigen reden om zich te manifesteren. Naar Amerikaans voorbeeld hielden zij vanaf 1979 in wisselende steden jaarlijks op de laatste zaterdag van juni een Gay Pride, die sinds tien jaar New York bestond als herdenking van een politieinval in een beroemde homobar, Stonewall Inn. Gay Pride is inmiddels een internationale aangelegenheid geworden, maar de meest gebruikte Nederlandse benaming ervoor is Roze Zaterdag, een pesterijtje van Limburgse homo's die de aartsconservatieve bisschop Gijsen na een Witte Donderdag en een Goede Vrijdag een 'Roze' Zaterdag gunden. Amsterdam kent daarvan sinds 1996 een eigen en zeer bloeiende variant in de varende Gay Parade, tijdens het eerste weekend van augustus, waarbij een flottielje van tachtig boten door de grachten trekt. Honderdduizenden bezoekers komen erop af, onder wie ook veel politici en artiesten, en het aantal boten zou makkelijk kunnen worden verdrievoudigd, als dat logistiek mogelijk was. Zowel op de Gay Parade als op Roze Zaterdag dragen de deelnemers de hun toegeschreven hyperseksualiteit zonder enige terughoudendheid uit, eigenlijk alsof ze nog steeds om toestemming voor hun levensstijl smeken, wellicht een reactie op het toenemende homobashen door islamitische jongeren. Desondanks zijn er ook homo's die een dergelijke demonstratie onnodig vinden en juist als uiting van een onvoltooide individuele emancipatie beschouwen.
Minderheden grepen op hun beurt rituelen aan om zich te manifesteren. Indische Nederlanders kenden sinds 1958 hun beurs Pasar Malam in Den Haag. Surinamers, net hier, kwamen met het Amsterdamse Kwakoe Festival en Antillianen met het Rotterdamse Zomercarnaval. Aansluitend verschenen her en der Chinezen met draken op straat bij hun nieuwjaarsviering. Zelfs joden, die zich zelden publiek hadden geuit, richtten tijdens hun inwijdingsfeest immense menora's op. Voor een samenvatting van alle onderliggende onrust zorgt sinds 1992 het Racism Beat it Festival in Spaarnwoude.
Ook in het persoonlijk leven scheen exuberantie het streven te worden. Try before you die: een huwelijksaanzoek tijdens het bungeejumpen, een bachelorsparty waarbij de genodigden in luiers rondlopen, een crematie in een kano.
Bij dit alles was, niet verwonderlijk bij een nieuwe elite die uit een revolte was voortgekomen, sprake van steeds verdere informalisering, of beter: opwaartse nivellering, want mensen die van huis uit al informeel waren konden uiteraard niet nog informeler worden. Het civilisatieproces is in die zin op zijn kop gezet: waar vroeger onpersoonlijke distinctie tot voorbeeld strekte, is dat nu gewoonheid in combinatie met hedonistisch individualisme. Om hedendaagse mensen in situaties niet helemaal onthand te laten zijn, reikten vertegenwoordigers van de nieuwe elite hen eenvoudige leefregels aan. Het genre etiquetteboek, dat volledig leek uitgestorven, beleefde een revival, al is frappant dat daarbij nog steeds wordt geput uit eerdere edities, zodat er opnieuw te lezen valt dat je geen 'smakelijk eten' hoort te zeggen en 'aangenaam'. Het zal daarom nog wel even duren voordat de totale klasseloosheid in de etiquette is bereikt.
De kaalslag in regels heeft intussen de persoonlijke omgang niet onpersoonlijker gemaakt; integendeel. Dit leert onder meer de Brabantse Drieklapper, oftewel de wisseling van drie zoenen tussen mannen en vrouwen en tussen vrouwen onderling, die elkaar al vagelijk kennen. De psycholoog Dolf Kohnstamm dateert de opkomst van dit tijdrovende ritueel in de jaren tachtig. Of Brabant de bron ervan is, valt echter te betwijfelen, want daar werd traditioneel nauwelijks gezoend, zelfs niet tussen ouders en kinderen en zo dat toch gebeurde dan meestal eenzijdig: dat de een 'n zoentje gaf aan de ander. Indicatief voor de herkomst is misschien dat Engelsen deze wijze van begroeting Frans noemen. Uit eigen waarneming kan ik melden dat de drieklapper in Nederland debuteerde in het Amsterdamse hippiemilieu van eind jaren zestig. Hippies plachten elkaar aanvankelijk op de mond te zoenen en hielden van zeer lange omhelzingen - de drieklapper was een verkorte versie hiervan! De verspreiding is vervolgens verzorgd door zelfbewuste huisvrouwen, feministen dikwijls, die bij het begroeten meer aandacht van mannen opeisten. Mogelijk zijn spontane meisjes uit Brabant hierbij het meest in het oog gesprongen en mochten zij daarom als naamgever fungeren.
In elk geval niet Brabants is het mannelijke antwoord op de drieklapper, de schouderknuffel, die na de milleniumwende is opgekomen. Wellicht werd een eenvoudige hand voor mannen in vergelijking met de uitvoerige drieklapper voor vrouwen als te futiel ervaren en is het daarom dat vooral jonge mannen de rechterschouder tegen elkaar vleien, terwijl hun rechteronderarmen daartussen als slangen om elkaar gewenteld zitten. Bij gevoelvolle ogenblikken is onder mannen ook al een complete omhelzing, de accolade,gesignaleerd. Ongetwijfeld is de bron van deze nieuwigheden de Amerikaanse straatcultuur, die ook al de high five en de stotende vuisten, het box geven, heeft opgeleverd. Maar bij de halve en de hele hug zullen Nederlandse Surinamers en Antillianen een aanstekelijke rol hebben vervuld, want zij kenden van huis uit een brasa en een bigi brasa.
Oranje regenboog
'Of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter, van den baron tot den proletariër...' Zou Johan Huizinga deze observatie vandaag ook hebben gedaan?
De opleving van rituelen is een uitvloeisel van velerlei factoren. De welvaartsmaatschappij en de ontkerkelijking hebben een enorme nivellering teweeggebracht, die om rituelen vraagt waarmee individuen zich kunnen onderscheiden. Tegelijkertijd zijn er bindende rituelen nodig, doordat oude banden verslappen. Het natiegevoel heeft een knauw gekregen door de Europese eenwording, die wonderlijk genoeg nog steeds geen afgesproken eindpunt kent en dus best in een superstaat kan uitmonden. In elk geval bestaat er een relatie in tijd tussen de groeiende betekenis van 'Brussel' en het begin van de Oranjeprocessies tijdens internationale sportontmoetingen. Sinds die jaren is ook Koninginnedag uitgegroeid van een kleinschalig gebeuren, waarvoor slechts leden van de plaatselijke Oranjeverenigingen warmliepen, tot een allesbeheersende nationale festiviteit.
Ook ieders directe leefomgeving bezit steeds minder cohesie. Dat geldt voor families, maar ook voor dorpen en steden. Deels heeft dit een prozaïsche oorzaak: mensen zijn veel mobieler geworden. De gemiddelde Nederlander verhuist tegenwoordig zeven keer in zijn leven, tegen twee à drie keer vroeger. Opgeteld zijn dat zeventig miljoen extra verhuizingen.
Daarnaast heeft zich sinds begin jaren zeventig de toestroom van bijna twee miljoen nieuwe Nederlanders voorgedaan. Historici hebben erop gewezen dat Nederland van oudsher een immigratieland is geweest, maar ditmaal was het toch anders: het ging veelal om niet-westerlingen die nauwelijks ervaring met een moderne maatschappij hadden; en omgekeerd ook niet. Hun ontvangst verschilde ook wezenlijk van die van eerdere immigranten. In plaats van zichzelf te moeten bedruipen, wat tot hun onmiddellijke inburgering had genoopt, mochten de nieuwkomers een beroep doen op alle sociale voorzieningen. Zelfs het behoud van hun etniciteit werd een punt van zorg voor de regering. In dit verband is cruciaal geweest het rapport Etnische minderheden van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit 1979, waarin als politiek feit werd gemeld: 'Nederland is een multiculturele samenleving'. Het is dat mensen met hun rug naar de geschiedenis leven, anders was opgemerkt dat hier een intellectuele salto werd voltrokken. Ondanks alle versplintering en deconfessionalisering was Nederland in de beleving van de meeste inwoners een protestants-christelijke natie gebleven en dit ideaalbeeld verdween nu in de la. Zelfs de claim dat Nederland een dynamisch, kosmopolitisch land was geworden, kwam er niet voor in de plaats, alsof het belangrijkste was dat iedere minderheid haar eigen tradities hooghield.
Natuurlijk, tot op zekere hoogte ging het hier om een nuchtere waarneming. De komst van niet-westerse migranten heeft de populatie in de steden danig veranderd en zal die nog meer veranderen. Vrijwel onmiddellijk dienden zich hierop echter allerhande reacties aan. Over het vigerende politiek extremisme en de mede-veroorzaker daarvan: politieke correctheid hoeven we het hier niet te hebben, maar het opspelende Oranjegevoel heeft inmiddels gevoerd tot neo-traditionele architectuur, een wederopstanding van het Nederlandstalige lied, een officieel canon van de vaderlandse geschiedenis en de verkiezing van de Grootste Nederlander Aller Tijden, om slechts enkele zaken te noemen. Wat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid ooit feestelijk meende te kunnen aankondigen, vormde in feite het begin van een zoektocht naar identiteit die nog steeds voortduurt, en waardoor Nederland de laatste jaren niet minder maar juist mèèr Nederlands is geworden, soms op het benauwende af.
Rituelen - van Sinterklaas tot paasvuren! - vervullen in deze zoektocht een hoofdrol. Maar het is wel zo: er bestaan geen multiculturele rituelen. En groepsrituelen werken zowel inclusief als exclusief. Het valt te hopen dat zij in die werking de maatschappelijke verdeeldheid niet verder vergroten en als een ongezongen lied tussen de mensen zullen blijven fungeren.
* Over het multiculturalisme, dat naar mijn smaak in de praktijk een veredelde vorm van provincialisme behelst, schrijf ik meer in de Verantwoording.