Het Paasfeest

 

 

Mandemakers' Keukens, de Gamma, Ikea, Piet Clerx, de Tapijthal - zie daar de associaties die het gros van de Nederlanders tegenwoordig met Pasen zal hebben. Veel religieuze websites beginnen dan ook met de vraag: Wat is Pasen? Slechts een generatie terug kon bijna iedereen daarop het antwoord geven.    

Met Pasen gedenken christenen Jezus' verrijzenis uit de dood, nadat hij op Goede Vrijdag aan het kruis was gestorven. Wat ook ongelovigen weten is dat de datum ervan flink schuift, en wel tussen 22 maart en 25 april, zijnde de zondag na de eerste volle maan in de lente. Dat de maan als referentie dient is opmerkelijk, want de christelijke kalender volgt de zon. Die datum is echter al in de vierde eeuw op het concilie van Nicea vastgesteld. De opzet was Pasen nimmer te laten samenvallen met het joodse Pesach, in de nacht van 14 op 15 Nisan, hoewel het woord Pasen afstamt van Pesach ('overdoen' in het Hebreeuws). Maar joden herdenken dan iets totaal anders: hun ontsnapping aan de slavernij in Egypte. De wens om zich hiervan te onderscheiden was blijkbaar zo groot dat latere pausen bereid waren de zonnekalender voor hun belangrijkse feestdag te negeren en joden in hun maankalender te volgen, ook al schoof Pasen hierdoor een dikke maand in het jaar heen en weer.

Aanvankelijk werd tijdens het paasfeest het hele Christusmysterie, dat wil zeggen alle zogenaamde heilsgeheimen, gevierd. Het duurde acht dagen, van Paaszondag tot Beloken ('gesloten') Pasen, de zondag erna, waarop katholieke kinderen traditioneel hun Eerste Heilige Communie ontvangen. Al vrij vroeg is de veertigdaagse vasten, ter herinnering aan Jezus' verblijf in de woestijn, eraan vastgekoppeld en heeft men de heilsgeheimen op verschillende data gezet en een specifieke liturgie gegeven. Pasen is hiervan het religieuze hoogtepunt. Zowel katholieken als protestanten vernieuwen dan hun doopbeloften, en in de katholieke Kerk wordt de opstanding heel aanschouwelijk gemaakt met de lichtcelebratie tijdens de paaswake. Katholieken hebben ook de plicht voorafgaand aan Pasen te biechten en op de dag zelf ter communie te gaan.

Over de herkomst van het paasfeest en de wereldse gebruiken eromheen is in het verleden druk gespeculeerd. Volgens aanhangers van de Germaanse mythologie, een vrucht van de negentiende-eeuwse Romantiek, is de kerk zo slim geweest om Pasen over een inheems voorjaarsfeest heen te plaatsen in een poging dat te kerstenen. Naar hun mening werd niet Christus' opstanding maar de Germaanse godin Ostra, die voor licht, leven en liefde stond, oorspronkelijk in onze streken herdacht. Dit zou tot uitdrukking komen in de Engelse en Duitse benamingen voor Pasen, easter en Ostern. Ofschoon beide termen ook heel goed naar het Oosten, waar de zon opkomt, kunnen verwijzen, claimden de Germaanse mythologen ook meteen dat woord, wat hun pleidooi er niet sterker op maakt. Niettemin ligt het voor de hand dat het wereldlijke paasfeest ook niet-religieuze elementen bevat. De bewering van christenen bijvoorbeeld dat de bekende paasvuren bedoeld zijn om de doornenkroon die Jezus aan het kruis droeg te verbranden, klinkt even vergezocht. En zouden pastoors en dominees kinderen hebben aangezet tot het beschilderen van paaseieren?

Palmpasen

Kerkelijk gezien begint het paasfeest de zondag ervoor, met Palmpasen. De glorierijke intocht van Jezus in Jeruzalem, waarbij hij door dezelfde menigte werd toegejuicht die hem enkele dagen later, tijdens zijn gang naar de Calvarieberg, zou uitjoelen, was in die stad al in de vierde eeuw een onderwerp van herdenking. 'Hosannazondag' was een feest van nederigheid: Jezus werd in al zijn armoede aanschouwd. Tijdens een processie vervulde een bisschop de rol van Jezus, hij ging te voet en werd door kinderen met palm- en olijftakken in de hand vergezeld. Dit gebruik heeft zich over het hele Westen verspreid; in Nederland is het al in de negende eeuw aangetroffen.

In de dertiende eeuw is aan die processie de palmezel toegevoegd: een houten draagbaar of wagentje waarop een Christusfiguur was gemonteerd. De eervolle taak de palmezel te vervoeren was weggelegd voor pelgrims die naar het Heilige Land waren geweest, dan wel voor priesters of rijke burgers, die bereid waren een som geld op tafel te leggen. Aan deze processies kwam in Nederland radicaal een eind in 1580, toen calvinisten bezwaar maakten tegen elke veruitwendiging van het evangelieverhaal en de kerken ontraadden hun medewerking eraan te verlenen. De palmezels verdwenen daardoor; er is in Nederland niet één exemplaar van bewaard gebleven.

 

 PASEN_1

18e eeuwse Palmpasenviering in Amsterdam, door J. Robijn.                                 
Afgebeeld is de zogenaamde Friese stok. (OLM Arnhem)

 p_8

De Saksische palmpaasstok, met
horizontale broodkrans, getekend
door CH.C van de Graft.



De calvinistische oekaze had echter voorlopig geen greep op de wereldlijke Palmpasenviering. Twijgjes van de buksboom, die in onze streken de palmbladeren moesten vervangen, werden nog eeuwenlang ingezet om onheil te bezweren en vruchtbaarheid bij gewas, mens en dier af te smeken. Bij katholieken ligt dat voor de hand, maar volgens Bernet Kempers deden protestanten hetzelfde. Hoewel zij geen palmtakjes bij een broedende kip legden of op de hoeken van akkers in de grond staken, zoals onder katholieken gebruikelijk was, versierden zij net zo goed hun graven met buksboompjes, ten teken van onschuld en overwinning op de dood. Menig protestant nam zelfs een, uiteraard ongewijd, palmtakje in huis, niet om het achter een spiegel of kruis te steken, zoals sommige katholieken nog steeds doen, maar om het onder het dak of achter een bloempot te verstoppen.

Onaantastbaar voor calvinisten waren de palmpaasjes. De oudste gegevens daaromtrent dateren uit de zeventiende eeuw en betroffen meteen een verbod. Een keur uit Uitgeest uit 1633 bepaalde dat ouders een boete zouden krijgen als hun kinderen met 'palm of diergelijke groente' over straat liepen. Opvallend hieraan is dat palmpaasjes toen al in handen waren van kinderen en dus geen afgezakt vermaak van volwassenen vormden, zoals het sterrezingen van Driekoningen. Uit de eerste afbeeldingen uit de achttiende eeuw blijkt dat het meestal om een lange stok ging, waar vlaggetjes, appels, eieren, bukstakjes en broodhaantjes op waren gestoken. Maar volgens Catharina van de Graft hebben er meteen twee hoofdvormen bestaan. Naast de net beschreven 'Friese stok' was er een 'Saksische palmpaas', die een brede broodkrans in de top had. Hierop bestonden dan allerlei lokale variaties met betrekking tot materiaal en opsmuk, waarin zelfs verschillen tussen protestanten en katholieken tot uitdrukking konden worden gebracht.

Een aannemelijke theorie is dat palmpaasjes gekerstende meibomen in miniatuur zijn, waarbij de broodhaan in de top voor het verraad van Petrus staat. Meer nog onder protestanten dan onder katholieken trokken kinderen met palmpaasjes langs de deuren om eieren voor Pasen op te halen. Zij zongen: Palm, palm pasen, Eikoerei, Over ene zondag, Dan hebben wij een ei, Een ei is geen ei, Twee ei is een half ei, Drie ei is een paasei. Het Eikoerei is volgens Van de Graft een verbastering van 'Kyrie eleison', en de benodigde drie eieren herinneren aan de goddelijke drie-eenheid, die met Pasen actueel is.

Honderdvijftig jaar geleden werd in het hele land nog spontaan met palmpaasjes gelopen; tamelijk uniek, want in het katholieke Vlaanderen was dit toen al niet meer gangbaar. Sindsdien kwam de klad erin. In 1947 stelde Van de Graft vast dat de palmpaasjes nog slechts in honderd plaatsen voorkwamen, voornamelijk in de oostelijke provincies. Voor uitsterven werd gevreesd. Maar zonder dat daartoe een oproep verscheen, begonnen kleuterleidsters, dominees, priesters en speeltuinverenigingen ineens palmpaasoptochten te organiseren, zelfs in gebieden die nauwelijks nog een herinnering aan het feest hadden. Behoud van een bindende traditie was meestal het oogmerk, waarbij men overigens niet slechts het verleden wilde kopiëren, want oude regionale liedjes en palmstokken zijn vervangen door een mêlee van persoonlijke creaties.

Tegelijk veranderde het inzameldoel van persoonlijk naar algemeen, wat het feest meer structuur gaf, zoals ook gebeurde door prijsjes voor de mooiste stokken uit te gaan reiken. Het succes was evident, natuurlijk vooral daar waar de palmpaasjes toch al in ere werden gehouden. In Twente, dat tuk is op alles wat met Pasen te maken heeft, hebben volwassenen via folkloristische gezelschappen en fanfares het heft in handen genomen. Zo wordt in Hengelo al meer dan zestig jaar de kinderstoet voorafgegaan door de Hengeler spöllers en dansers, die de grootste palmpaas van het land dragen, compleet met groene linten die op een afstand door damesleden worden vastgehouden, net als bij een meiboom. De opbrengst van de begeleidende 'eieractie' komt ten goede aan de ziekenhuizen ter plaatse.

Paaszondag

Een week later is het Pasen, de heiligste dag in het jaar. Eerbiediging daarvan gold als absolute eis. In de Engelse sage De Vliegende Hollander voer kapitein Willem van der Decken met Pasen toch de haven van Terneuzen uit, en zijn spookschip dwaalt tot vandaag over de wereldzeeën. Mensen verschenen ook op hun paasbest: nieuwe kleren werden bij voorkeur dan aangetrokken. En men wenste elkaar nadrukkelijk een zalig, gelukkig of vrolijk Pasen - al naar gelang de levensbeschouwelijke achtergrond. Later werden ook per briefkaart paasgroeten overgebracht. Kinderen schreven paasbrieven voor familieleden om te laten zien hoe ver ze in het schrijven gevorderd waren.

Tegelijk werd de schaarse wintertijd afgesloten met overvloed. Speciaal brood bestond daarvoor: mikken, lammetjes, stoeten, maar in christelijke gezinnen ook matzes, zoals Joden met Pesach nuttigen. Slagers liepen daags voor Pasen met een vetgemeste en in bloemenkransen gehulde paasos rond, ter verkrijging van bestellingen. Tegenwoordig zou iedereen dit antireclame vinden en weinig kies, maar deze fijngevoeligheid, in feite hypocrisie, is niet oud: tot in de negentiende eeuw werd een dergelijke aanprijzing heel normaal gevonden, op het platteland zelfs tot na de Tweede Wereldoorlog. Aan deze traditie herinneren nog toeristische paasveetentoonstellingen in Schagen en Rhenen, al valt zelfs daar geen echte paasos te ontdekken.

 

pasen-4

Gekookte eieren zoeken in het westen van Nederland aan het eind van de 19e eeuw.
Uit kinderfeesten van J. Andriessen. (Atlas van Stolk)


Hèt paasgerecht was natuurlijk het paasei. Hoewel volgens de essayist Arie van den Berg het christendom in wezen een 'eierloze' religie is (Adam werd uit het niets geschapen; Eva uit een rib), is het ei al sinds de vierde eeuw in de liturgie opgenomen. Het staat voor de steen van het graf van Jozef van Arimathea, waaruit Christus is verrezen. Eieren en vruchtbaarheid zijn sowieso een voor de handliggende combinatie. Joden gebruiken ze ook bij hun Pesach. Dat ze speciaal met Pasen in verband werden gebracht had tevens een praktische oorzaak: tijdens de vasten mochten er geen eieren worden gegeten en dat kwam goed uit, want voordat de bio-industrie lichtbakken ging ophangen waren kippen 's winters van de leg. Maar tegen Pasen was hun productie weer vol in gang en bestond er een eieroverschot. Boeren begroeven ze wel in akkers ter bemesting, en ter conservering werden ze op grote schaal gekookt.  

In de Russisch-orthodoxe Kerk kon het paasei een cultstatus krijgen, getuige de Fabergé-eieren die de tsarenfamilie rond de vorige eeuwwisseling liet vervaardigen. Ook in Engeland verwierf Easter Egg grote betekenis; het begrip wordt nog gebezigd als benaming voor verborgen boodschappen in films, muziekstukken en computerprogramma's. In Nederland lag het accent van de wereldse paasviering meer bij palmpasen, maar het paasei werd geenszins versmaad. Net als elders kende men de uitgeblazen eieren die tijdens de vasten voor echt op tafel werden gezet, maar dan viseitjes bleken te bevatten, en uiteraard de overvloed aan gekookte eieren. Gelovigen brachten na afloop van de vasten mandenvol naar de kerk om ze te laten zegenen. Kinderen, maar ook kosters, gingen erom bij mensen thuis bedelen; in Limburg doen 'klepperjongens' dat nog steeds. Eén ei gold dan als geen ei, twee ei als een half ei, maar drie ei, ja, dat was een paasei.

Ze werden geschilderd, die eieren. Deels had dit een prozaïsche reden: aldus waren ze te onderscheiden van niet-gekookte exemplaren. Verder is het eierschilderen al bekend uit het Perzië van voor de jaartelling; het gaat om tamelijk algemene volkskunst. Christenen plachten aanvankelijk hun paaseieren louter rood te kleuren om het bloed van Christus te verbeelden. Als kleurstoffen gebruikte men later koffie, uienschillen, spinazie, rodekool en lindebloesem. Voor glans zorgde een behandeling met spekzwoerd.

Ze werden verstopt, die eieren. Waar dit gebruik vandaan komt, is niet te zeggen, maar wellicht heeft het te maken met het simpele feit dat loslopende kippen voor de leg steeds een schuilplaats opzoeken. Bij katholieken heette het dat die eieren waren uitgestrooid door kerkklokken, die tussen Witte Donderdag en Paaszaterdag niet mochten luiden en dan naar Rome vlogen om ze speciaal op te halen. 

 

pasen_3

In katholieke streken gaan de klokken tussen Witte Donderdag en
Paaszaterdag in Rome paaseieren halen. Postkaart 1976


En ze werden gegeten. Mensen die zelden eieren aten, aten ze in groten getale. Er bestonden zelfs eetwedstrijden: vijftig stuks is het hoogste aantal dat Ter Gouw meldt. Verder werden er allerlei spelletjes mee gedaan. Men liet ze om het verst van de duinen af rollen, zoals op Ameland. Men smeet er zoveel mogelijk stuk, zoals op Schiermonnikoog. Men plaatste ze in een krijtkring en de 'eierdanser' moest ze er al hinkelend uitduwen, wat naar verluidt in Volendam voor de oorlog nog werd beoefend. Men wierp ze over grote afstand naar elkaar toe om ze heelhuids op te vangen: het eiergooien. Men tikte ze met kop en kont tegen elkaar, waarbij het gebarsten ei als verliezer gold - het 'eiertikken' of 'kinken', dat tot in de twintigste eeuw het populairste spelletje was. En men legde ze verspreid van elkaar voor een wedstrijd in 'eiergaderen', eiervergaren.

Ergens in de negentiende eeuw deed de paashaas zijn intrede. De volkskundige John Helsloot weet te melden dat Nederland met hem kennismaakte in 1825, via een vertaling van een Duits kinderboekje getiteld Ostereier. In Duitsland was hij toen al vertrouwd; de eerste vermelding dateert uit 1572, dus ten tijde van de Reformatie. Het verband tussen een haas en eieren lijkt vergezocht, maar vogels nestelen geregeld op verlaten hazelegers. Geen ander dier laat zich ook in de lente zo vaak op de velden zien, al rammelend op de borst van een concurrent, waaraan hij zijn bijnaam dankt: Maartse Dwaas. Als universeel vruchtbaarheidssymbool heeft hij bovendien in bijna alle religies dienst gedaan. Voor protestanten zal hij extra aantrekkelijk zijn geweest als alternatief voor de kerkklokken die in het 'verderfelijke' Rome eieren gingen halen. Zij hadden ook voor een paaskip kunnen kiezen, maar dat werd wellicht te banaal bevonden, wat tot het opmerkelijk gevolg heeft geleid dat de kip eeuwenlang in de paasfolkore volstrekt achterwege is gebleven (in Beieren vervult zelfs een haan de rol van eierbrenger). Desalniettemin duurde het lang voordat de paashaas in Nederland ingeburgerd raakte. Pas in de jaren dertig van de vorige eeuw begonnen kranten uit de noordelijke provincies spaarzaam over hem te berichten. Na de oorlog was het vooral het communistische dagblad De Waarheid dat over hem schreef, omdat de paashaas in het oostblok als niet-religieuze cultuuruiting was omarmd. Zijn opmars verliep verder geruisloos, net als die van de Ooievaar, en beperkte zich ook voornamelijk tot het bakkerijwezen, dat hem dankbaar in de etalages opstelde. In het katholieke Brabant zou hij niettemin het verhaal over de klokken naar de achtergrond verdringen...  


Sluimerende paasvreugd

De intensiteit van het wereldlijke paasfeest nam in de twintigste eeuw geleidelijk af. De deconfessionalisering was hiervoor uiteraard de belangrijkste factor, maar daarnaast werd de lente, waarin Pasen valt, door technologische ontwikkelingen een minder ingrijpend gebeuren. Honderd jaar geleden gaf de lente uitzicht op verse groenten, waarmee een nijpend vitaminentekort kon worden bestreden. Dankzij de stofzuiger en de centrale verwarming is ook de 'grote schoonmaak' niet meer nodig, die meestal op de woensdag voor Pasen plaatsvond - op wat in het zuiden Schortelwoensdag werd genoemd, de dag dat het klokgelui en de kerkorgelmuziek werden 'opgeschort' (in Polen spreekt men letterlijk van Smerige Woensdag). Tegenwoordig daarentegen wordt de lente slechts aangekondigd door krokussen in het gras en door wat Rinus Ferdinandusse ooit beschaafd blousjesdag ('bloesjesdag') doopte, wanneer meisjes voor het eerst zonder jas op straat verschijnen; in navolging van Martin Bril heet die dag inmiddels  wellustiger rokjesdag.  

Een woord als 'paasvreugd' zullen daarom weinig mensen meer in de mond nemen en niemand zal nog op het idee komen een paasgroet naar familie en vrienden te zenden. Voor katholieken heeft ook de eigen Kerk ontnuchtering gebracht, in de letterlijke zin van het woord. Op aandrang van het Tweede Vaticaans Concilie schrapte de paus in 1967 de verplichte veertigdaagse vasten, omdat die strijdig zou zijn met de eisen van de moderne maatschappij. Alleen Goede Vrijdag bleef een vastendag. Vooral katholieke kinderen werd hiermee veel opwinding ontnomen. Zij plachten dagelijks een snoepje te krijgen dat in een zelf beheerd vastentrommeltje verdween. Op zondagen gold de vasten niet en dan mocht dat worden aangesproken, maar op paaszaterdag, 's middags om twaalf uur, als de vasten officieel voorbij was, ging het definitief open... 

 

 pasen_5

Productie van luxe eieren(ANP)                                                                       

 pasen_3

De strijd tussen de paashaas en de paaskip 
op een postkaart uit 1949.



De lotgevallen van het paasei illustreren deze teneur. Er worden hier en daar, met name onder katholieken, nog paaseieren voor kinderen verstopt, maar die zouden raar opkijken als dat echte eieren bleken te zijn; het zijn chocolade-eitjes, niet bedoeld om mee te spelen maar om op te eten. Deze luxe producten zijn naar het schijnt eind negentiende eeuw uit Duitsland komen overwaaien, al waren Franse chololatiers aan het begin van die eeuw de bedenkers ervan. Een mandje met zulke eitjes is tot vandaag een gewild artikel bij bakkers. Als brenger ervan speelt de paashaas inmiddels de hoofdrol, hoewel de klokken nog niet helemaal zijn uitgerangeerd. Opvallend is dat in etalages de paaskip eindelijk erkenning lijkt te krijgen: zij valt steeds vaker te signaleren te midden van een krans eitjes. Dit kan nog een interessant gevecht worden, want de paashaas is au fond een wezenloos beestje dat in afbeeldingen nooit zijn veronderstelde erotische lading en dwaasheid heeft gekregen. Hij legt het als icoon zelfs af tegen de ooievaar, die vaak als een heer in jacquet opdraaft. Weliswaar scoort de paaskip in dit opzicht niet veel beter, maar zij kan natuurlijke rechten laten gelden en haar wezenloosheid past volledig bij het broeden.  

Intussen is het echte paasei nog geenszins verdwenen. Het beschilderen van gekookte eieren wordt als vanouds beoefend op basisscholen. En in veel gezinnen eet men op Eerste Paasdag een extra ei, aan een versierde ontbijttafel overigens waarop de paaskip - en het paaskuiken! - ook steeds vaker acte de prèsence geeft. Maar volgens het Productschap Pluimvee en Eieren zijn er in 2012 met Kertsmis evenveel eieren afgezet: 32 miljoen. Wel lijkt  sinds de eeuwwisseling een feestelijke herwaardering aan de gang te zijn. Op You Tube zijn talloze filmpjes te zien van mensen die met paaseieren dollen en ettelijke gemeenten kennen weer paasactiviteiten, tot aan paasbingo's en paasbrunches toe. Helemaal sterk is dat het eiergooien zich zelfs van Pasen heeft losgeweekt, als bezit het een eigen kracht. Sinds 1987 bestaat daarin elke zomer een Limburgs Kampioenschap, met als verste worp: 75 meter. En in 2012 vestigden 350 inwoners van Heemskerk een wereldrecord eierenverven door in drie minuten 397 eieren te beschilderen. 

 

pasen_6

Paasbaak in Markelo 1999, die volgens 'honderdjarige traditie' van snoeihout wordt gemaakt. (ANP)

 

Misschien was er alleen sprake van een paassluimer. Van diverse zijden is erop gewezen dat Nederland inmiddels een nieuwe paastraditie kent: de Matthäus Passion, die gedurende de Heilige Week ruim driehonderd keer in volle zalen en kerken ten gehore wordt gebracht. Bachs koororchestratie van het lijden van Jezus Christus geniet nergens ter wereld een vergelijkbaar onthaal. De jaarlijkse traditie is in 1899 aangevangen in het Concertgebouw met dirigent Willem Mengelberg, die uitpakte met een koor van maar liefst 450 zangers. In 1922 begon de Nederlandse Bachvereniging met haar serie in de Grote Kerk van Naarden, wat al een society-event was toen niemand in Nederland dat begrip nog kende. Nog steeds een elitaire aangelegenheid doorbrak de popliefhebber (!) Constant Meijers in 1998 de sacrale sfeer met een eerste Meezing Matthäus in de Moses en Aäronkerk in Amsterdam. Applaus diende zich daarbij aan, zeker niet gebruikelijk na een lijdensverhaal, maar sindsdien in toenemende mate wel. Na de uitvoering van een Nederlandstalige versie gemaakt door popmusicus Jan Rot duurde de ovatie zelfs twintig minuten; toch weer een inbreng vanuit de klassieke hoek. De reden van deze raadselachtige populairiteit onthulde de EO met haar programma Korenslag: het was nooit echt tot de culturele bovenlaag doorgedrongen, maar niet minder dan 700.000 Nederlanders zijn lid van een koor, en voor hen vertegenwoordigt de Matthäus het nec plus ultra.  

Paasvuren   

Sind Blitze, sind Donner! De paasvuren sluiten als vanzelf hierbij aan. Paasvuren hebben geprofiteerd van de sluimerende paasvreugd en anderzijds ook brandende gehouden. Van oudsher kwamen ze in Nederland voor in een strook tussen Groningen en Gelderland, met uitstapjes naar Ameland, het Friese Stellingwerven en De Peel. Grofweg vormt dit de westkant van een gebied dat loopt van Denemarken tot Oostenrijk, met Polen als oostgrens.  Nederlandse dominees hebben er in de zeventiende eeuw het eerst over gerapporteerd, in afkeurende zin, maar ze gaan veel verder terug. De zin van dit wereldlijk gebruik is dat snoeihout moest worden verbrand, wat ook bruikbare mest gaf. Allicht zal men tevens het begin van de lente met laaiende vuren hebben willen vieren.

Aan het begin van de twintigste eeuw betrof het een tanende traditie, die slechts door en voor kinderen in leven werd gehouden. Kinderen waren het die met bedelliedjes brandbare spullen aan de deuren ophaalden (He' je ook òlle wannen, die we poasken brannen? He' je ook 'n bossien stro of riet? Aans he' w' poaskenmoandag niet - Drenthe) en vervolgens de 'baak', de paasbult' of de 'paasstapel' opbouwden. Bij katholieken ging daar dan op Eerste Paasdag en bij protestanten, die een strikte zondageerbiediging kennen, op Tweede Paasdag de vlam in. Eigenlijk was het fikkie stoken, want de vuurtjes waren, aldus de berichten, vaak niet hoger dan een stoel.

Volgens de volkskundige Ton Dekker kwam de ommekeer begin jaren twintig, toen verenigingen de organisatie van de vuren ter hand namen en ze her en der zelfs opnieuw introduceerden. Twente en de Achterhoek liepen hierin voorop. Om toeristen te lokken maar ook om de buurtbanden aan te halen kregen de paasvuren een eigentijdse organisatie. Het wedstrijdelement, waardoor ook de oudere jeugd en volwassenen zich er weer toe voelden aangetrokken, was daarin de belangrijkste troef. Begeleid door keuringscommissies en burgemeesters die bekers uitreiken, nam het aantal paasvuren toe tot achthonderd. Ook werden zij steeds groter en vuiler, vanwege het verstookte plastic. In 1985 was er in Neede voor het eerst sprake van een wereldrecord: 16,15 meter hoog - met de hand vanaf steigers en ladders opgeworpen, want mechanische hulpmiddelen waren uit den boze verklaard. Twee jaar later vestigde buurtschap Espelo een nieuw record: 27,87 meter, goed voor een vermelding in het Guiness Book of Records. Milieumaatregelen voorkwamen voorlopig dat er paasbergen ontstonden; uitsluitend groen brandmateriaal mocht worden gebezigd. In 2012 wist Espelo andermaal te verbazen met een ondenkbaar wereldrecord: 45,98 meter, drie meter meer dan een Sloveense prestatie uit 2005 die overigens met behulp van pallets was bereikt. De truc was eerst een paal met een lier op te richten, waardoor de takken en struiken met een touw konden worden opgetakeld. Tienduizend toeschouwers en alle media waren aanwezig toen het resultaat van een half jaar werk door driehonderd buurtbewoners in de hens ging.  

Paasstaakhalen

Rond de paasvuren zijn in Twente enkele tradities bewaard gebleven, die als 'eeuwenoud' worden aangemerkt, hoewel hun geschiedenis nauwelijks is uitgezocht. In de katholieke grensgemeenten Losser en Dinkelland vindt jaarlijks het paasstaakhalen plaats, waarvan de versie van Denekamp nationale bekendheid heeft verworven. De protagonisten hier zijn Judas en zijn toekomstige opvolger Krioter, een merkwaardige twee-eenheid: de verrader Judas en nog een keer de verrader Judas, maar dan met een verbasterde achternaam. De figuur Judas doemt ook elders rond de paasvuren op. In Huissen, Gelderland, wordt een pop van hem in het vuur verbrand, iets wat in Duitsland veelvuldig gebeurt. 

In Denekamp gaan Judas en Krioter op Palmzondag door het dorp om geld voor de paasstaak en het paasvuur op te halen. Om één uur op Paaszondag trekken zij samen met honderden mensen vanuit het dorp naar de oude havezate Het Singraven, onderwijl zingend: Christus is opgestanden, Daar nu het feest van Pasen is en Heden is de grootste dag.

Sinds jaar en dag wordt daar de benodigde spar gekapt, nadat hiervoor formele toestemming door de landeigenaar is gegeven. Eenmaal op de grond worden de takken van de boom verwijderd en sleept men de overgebleven staak onder hup-hup-hup geroep naar het dorp. Dat gebeurt massaal en in een behoorlijk tempo. Gedurende de vespers ligt de staak voor de kerk en daarna sleept men hem naar de paaswei, waar een ton met teer aan het bovenste gedeelte wordt bevestigd. De staak gaat naast de paasbult de lucht in door er steeds langere ladders onder te plaatsen. Om beurten klimmen vervolgens Judas en Krioter in een van die ladders om met de nodige grappen de zeker dertig meter hoge boomstam bij opbod te verkopen. Is dat achter de rug dan is het wachten tot acht uur 's avonds, wanneer de teerton en de paasbult in brand worden gezet. Voor die tijd gaat de hele stoet met de ernst van een bedevaart nog eenmaal op en neer tussen dorp en paaswei. De klokken van de Sint Nicolaastoren beieren de hele dag.

Vlöggelen

In het nabij gelegen Ootmarsum melden zich op Goede Vrijdag aan het begin van de avond acht 'poaskearls' voor de Heilige Simon en Judaskerk. Allen zijn vrijgezel, tussen de twintig en veertig jaar, en rooms-katholiek zoals bijna iedereen in het stadje. Hun dracht bestaat uit lichte regenjasjes en gleufhoedjes van een degelijke jaren vijftig snit, wat erop duidt dat het festijn in die periode zijn vormgeving heeft gekregen. De paaskerels, die elkaar in het diepste geheim uitkiezen en minstens vier jaar aanblijven, hebben de leiding over het vlöggelen. Van dit gebruik is voor het eerst melding gemaakt in 1840, maar volgens de historicus Paul Abels kan het goed zijn ontstaan na 1795, toen katholieken na eeuwen van onderdrukking hun godsdienstvrijheid herkregen en daarover hun blijdschap wilden uiten.

De term vlöggelen roept reminiscenties op aan 'flagellanten', boetelingen die zichzelf processiegewijs geselden. We kennen zulke taferelen tegenwoordig uitsluitend van sjiieten, maar onder christenen kwamen ze gedurende de middeleeuwen tijdens de Heilige Week in heel Europa voor, bij wijze van aanschouwelijk onderwijs. De contra-reformatie schijnt in Spanje de bloederigste variant opgewekt te hebben, met echte kruisigingen, zoals nog jaarlijks gebeurt op de Fillipijnen, eeuwenlang een Spaanse kolonie. In de tijd dat de Ootmarsumse traditie vermoedelijk is ontstaan, waren in alle zuidelijke landen de geselprocessies echter nog algemeen, getuige het schilderij dat de Spanjaard Goya er in 1812 van maakte. Het Zuid-Italiaanse plaatsje Guardia Sanframondi heeft die traditie behouden; elders heten de deelnemers alleen flagellanten. Afgezien van de naam lijken de Ootmarsumers zich in hun choreografie overigens vooral door de lentereidans te hebben laten inspireren, zoals die tot vandaag wordt opgevoerd door  folkloregezelschappen.  

 

pasen_7

De paaskerels van het Ootmarsumer vlöggelen op Paaszondag 1993. (ANP)


Nadat de dag ervoor de paasbaak is voorbereid, maakt men op Pasen 's ochtends en 's middags enkele ommegangen door het dorp. Hierbij wordt gezongen Christus is opgestanden en Alléluja, den blijden toon gezongen, een lied van maar liefst negentien coupletten. Om vijf uur begint op de paaswei het echte vlöggelen. De paaskerels trekken een paar maal om het paasvuur heen en gaan dan richting dorp. Achter hen vormt zich een lange keten, waarbij iedereen inhaakt op de linkerhand die zijn voorganger op de rug houdt. Onder de kraag van de voorganger worden ook de gedrukte liedteksten bevestigd, opdat een ieder gedragen - het is een plechtig gebeuren - kan meezingen. Zo trekt de stoet onder grote publieke belangstelling langs een bepaalde route. De oudste paaskerel, die vooraan loopt, rookt daarbij een superbolknak, ook een welvaartsteken van na de Tweede Wereldoorlog. De tocht voert dwars door cafés, waar de paaskerels in 'n gaank een klaarstaand borreltje naar binnen wippen, en om de zogenaamde stiepels van boerderijen heen, de palen tussen de dubbele staldeuren.

Na een klein uur bereikt men het kerkplein, waar de keten van mensen zich spiraalsgewijs rond de paaskerels windt. Men zingt nog even en dan worden de aanwezige kinderen ineens drie keer de lucht ingegooid: 'Hoera, hoera, hoera'. Dat is het. 's Avonds wordt het paasvuur ontstoken en de volgende dag wordt het vlöggelen nog eens dunnetjes overgedaan.

 

Extra informatie over de paasvuren is te vinden op www.paasvuur.nl. Voor oude eierrecepten: www.coquinaria.nl. Met Pasen in verband staan de vijfjaarlijkse uitvoeringen van het Passiespel in het openluchttheater De Doolhof te Tegelen, die sinds 1927 tussen mei en september worden gehouden. In de jaren vijftig kwamen daar 150.000 toeschouwers op af, nu nog altijd 40.000: www.passiespelen.nl. Nachtelijk Gouda had op Goede Vrijdag 2011 de primeur van The Passion, een processie opgeluisterd door bekende zangers en popliedjes (zoals Bloed, zweet & tranen van Andre Hazes), naar een voorbeeld dat het Engelse Manchester vijf jaar eerder leverde. De televisieregistratie van dit multimediale spektakel werd verzorgd door de EO en de KRO. De Rotterdamse editie het jaar daarop wist al 1,7 miljoen televisiekijkers te boeien. Mocht dit een traditie worden dan zal het met de geringe kennis in Nederland omtrent Pasen spoedig gedaan zijn.   


terug naar boven