Etiquette


Hollandse manieren, deel I

 

Etiquette is een vrolijk onderwerp, maar heeft met humor niets te maken. De Duitse cartoonist Loriot publiceerde in de jaren vijftig het boekje Der gute Ton, waarvan nota bene Remco Campert een Nederlandse bewerking maakte: Zo hoort het eigenlijk. Alles wat je ervan kunt zeggen is dat de combinatie van een cartoonist en een dichter tot verbazingwekkende meligheid kan leiden.

Het punt is: al gaat etiquette om theater, de dramatiek ontbreekt. Het lachwekkende schuilt hooguit in de acteurs: enerzijds ingewijden die pretenderen alles al te weten en anderzijds parvenu's die eerst hun ogen goed de kost geven en dan pretenderen alles al te weten. Schrijvers over goede manieren - van Erasmus tot Amy Groskamp-ten Have - konden zich daarom wel luchtig, zelfs luimig uiten, hun ondertoon bleef ernstig, anders kwam de boodschap niet aan.

loriot

Uit: Zo hoort het eigenlijk, het handboek der verfijnde etikette in woord en beeld, Loriot & Remco Campert, 1958

 

Twintig jaar geleden had G.L. van Lennep in NRC-Handelsblad een rubriek waarin hij wel met allerlei regeltjes de draak stak. Een treffend verschil met zijn voorgangers: hij richtte zich tot een gewillige incrowd; het gros van de mensen had hij al opgegeven. Het door hem bedachte tv-programma Glamourland ging nog een stap verder. Reporter Gert-Jan Dröge ontmoette daarin de quasi-society uit de hedendaagse massacultuur en deelde met de kijker het droevige besef dat savoir-vivre iets van gisteren was. 

Glamourland heeft een vervolg gekregen in Hoe heurt het eigenlijk? van Jort Kelder. Ironie was bij hem slechts een voorwendsel, want hij tapte beslist uit een ander vaatje. Van Lennep en Dröge bezaten, zou ik zeggen, het perspectief van de modale villabewoner, Kelder dat van een snakkende dandy uit een rijtjeshuis. Hij adoreerde nieuw geld en kwijlde bij oud geld - de naaste statusconcurrenten van de modale villabewoner. Ongetwijfeld paste zijn visie beter bij de tijdgeest, maar wat hij bracht was een flauwiteitenkabinet van maniertjes en gadgets, zonder een spoor van melancholie. In de kern leek hij patsers cachet te willen verschaffen, en adellijke oudjes een beetje gezelligheid. Tijdens het kijken dacht ik steeds: dit programma zou in Australië of Nieuw-Zeeland moeten worden uitgezonden, maar misschien zijn wij inmiddels tot het niveau van zulke landen afgezakt. 

 

monsieur

Sinds wanneer heet iedere man 'mijnheer'? Le plaisir d'être appelé Monsieur, Epinal, z.j.

 

De belangrijkste etiquetteschrijvers van dit moment zijn Beatrijs Ritsema en Reinildis - vroeger nog eenvoudig: Reina - van Ditzhuyzen. Overeenkomstig hun beroepscode onthouden zij zich van humor, al verschillen zij wezenlijk van elkaar. Sociaal-psychologe Ritsema heeft een Lieve Lita-rubriek in Trouw, waarin zij zich meer met fatsoen bezighoudt dan met etiquette, al geeft zij te kennen de faits et gestes van de hoogste kringen door en door te kennen. Historica Van Ditzhuyzen identificeert zich sinds haar deftige naamswijziging volledig met die kringen, zelfs met het Koningshuis, in de hoop dat zij vanuit een status by association aan een ieder gedragsregels kan dicteren.

Ondanks dit verschil hebben beide dames dezelfde doelgroep, al versluieren ze die. Desgevraagd zullen zij uit één mond verklaren dat zij de multiculturele samenleving omarmen, maar een moslim kan bij hen hooguit leren dat hij tijdens het bidden niet langer zijn hum in de lucht mag steken. Hun lessen regarderen dus mensen met een westerse levensstijl.    

Maar niet alle westerlingen... Ik neem althans aan dat zij zich niet richten op Gothics, krakers, hooligans en naturisten. Het gaat hun om de Nederlandse mainstream. Op zichzelf is dat interessant. Etiquette was altijd een geheim hulpmiddel van de elite om zich te onderscheiden van het gewone volk, dat hooguit beleefd kon zijn maar nooit wellevend. Beide dames doen het nu voorkomen alsof iedereen er baat bij zou hebben. Een elitaire oplossing omwille van een democratische zaak - apart!

 

ontlasting

'A watering place in Holland', anonieme Engelse cartoon uit 1785 over publieke ontlastingsgewoonten in Nederland (Atlas van Stolk).

 

Juist met het oog op de elitaire herkomst zou etiquette mijns inziens allereerst voer voor onderzoek moeten zijn, opdat mensen weten waar ze in de evolutie staan. Laat ik een voorbeeld geven.

Een weinig belicht hoofdstuk in de brede democratisering van de afgelopen eeuwen is de titulaire geschiedenis. Volgens de neerlandica Hanny Vermaas is 'u' tegen anderen zeggen pas rond 1800 ingeburgerd geraakt. Daarvóór overheerste 'jij', - afkomstig van het 'gij' dat de Statenbijbel bezigt maar gaandeweg tot 'jij' is verzacht. Dat onze voorvaderen het 'u' niet kenden lijkt mij logisch, want wij hadden geen koning die zich als een Wij voordeed, waarop onderdanen niet anders kunnen antwoorden dan met 'Jullie' (vergl. het Franse vous). Het zal geen toeval zijn dat 'u' aan een opmars begon toen Nederland een majesteit kreeg, maar heel vreemd: in één moeite door gingen burgergezinnen elkaar ook onderling met 'u' adresseren, wat in Frankrijk en Duitsland (en onder de adel) juist nooit gebeurt. Nederlanders (en Vlamingen) waren daarmee opeens deftiger dan andere Europeanen. In Nederland is dat een tijdelijke overreactie gebleken. Inmiddels is tutoyeren hier weer algemener dan elders, tot mijn genoegen, zeg ik erbij.  

Minstens zo interessant: wanneer is het gebruik ontstaan om niet-adellijke mannen 'mijn-heer' te gaan noemen? In Engelse cartoons over Nederland was 'mijn-heer' al in de achttiende eeuw een berucht type: hij stond openlijk op straat te sassen, een tafereel dat je vandaag weer overal kunt aanschouwen. Heel lang zijn heren ook heren gebleven, in de zin dat zij elkaar met hun achternaam aanspraken ('Zeg, De Vries'). Dat klinkt afstandelijk maar was amicaal zonder intiem te worden, een soort bonhomie. Mijn eigen schoonvader zei nog dikwijls tegen me: 'Zo, De Jager'. Iedere handwerker daarentegen, zelfs al was hij op leeftijd, heette bij zijn voornaam, tenminste als het goed was, want er waren werkgevers die voor het gemak al hun ondergeschikten Jantje of Marietje noemden. Ook dit is radicaal gewijzigd: wie tegenwoordig een ondergeschikte op zijn plek wil houden zegt meneer en u tegen hem.  

 

getaptzijn

Savoir vivre op z'n Hollands: 'Getapt zijn', etiquette voor Dames en Heeren uit 1923, door J. van Mars. 'Getapt' verraadt de handelsman; de ware liefhebber van etiquette verfoeit dit. Collectie Heijting, Uva.

 

Contrair aan deze ontwikkeling verdween aan de top heel wat eerbetoon. Aan het begin van de vorige eeuw was elke burgemeester nog een 'excellentie', wat ministers tot in de jaren zeventig zijn gebleven. Tot die tijd adresseerde men rechters steevast als 'edelachtbare' en een doctorandus als 'weledelgeleerde'. In feite speelden er dus twee zaken: opwaartse democratisering en neerwaartse nivellering, behoorlijk ingewikkeld, als je erover nadenkt.

Voor vrouwen bestond van oudsher zelfs een vierslag: mevrouw, mejuffrouw, juffrouw en vrouw. Mevrouw was in de negentiende eeuw nog zeldzaam. Lang niet elke mijn-heer bezat een me-vrouw; mejuffrouw (in Limburg 'madam', aldus Toon Hermans) was voor velen het hoogst bereikbare. Rond deze statuskwestie zijn hele schaduwgevechten gevoerd. Op www.delpher.nl zijn kostelijke anekdotes uit Den Haag te vinden over volksdames die elkaar tijdens het wachten bij de bakker om de haverklap 'mevrouw' noemden en uitgebreid naar wederzijdse vriendinnen informeerden: 'Hoe is het toch met mevrouw Karelsen?' Pas tegen 1900 werd de samenleving scheutiger met deze titel en bewaarde men mejuffrouw voor ongetrouwde dames, wat zeker tot in de jaren vijftig heeft geduurd. En nu is elke vrouw een mevrouw, zoals elke man een heer is. Weledelgeboren bovendien, een naoorlogs presentje van de overheid dat zelfs minderjarigen ten deel valt.             

 

trap1

Uit: Levenskunst, handboek over levensvreugde, alledaagse dingen van het leven en omgang met mensen, Elsevier 1972.

 

Onderzoek zou ook orde scheppen in de wirwar aan regeltjes die alleen al in Europa heerst en waartegen Brussel merkwaardigerwijs nooit is opgetreden. Zo vinden Belgen en Britten het correct een soepbord aan de rand op te lichten teneinde de allerlaatste druppeltjes te kunnen wegscheppen, iets wat bij ons alleen Tokkies doen. Een Fransman loopt rechts van een dame, terwijl bijna overal een heer links van een dame loopt, - tenminste in ongetrouwde staat; in getrouwde staat dient een Nederlandse heer eveneens rechts te lopen. (Of is het: diende? Beatrijs Ritsema raadt aan dat mannen 'aan de buitenkant' lopen, dus de straatkant, zodat zij opspattend water kunnen opvangen en vrouwen de beste blik op de etalages gunnen, wat mij overigens nogal ongeëmancipeerd voor komt).

Wonderlijk is tevens dat in Zuid-Europese landen officiële toespraken openen met 'Heren en dames', terwijl wij steevast 'Dames en heren' zeggen, net als Engelsen en Duitsers. Vanwege de positie die vrouwen van oudsher innamen kan ik begrijpen dat heren traditioneel als eersten werden genoemd, en dat zou betekenen dat wij op enig moment in de geschiedenis zijn overgestapt op 'dames en heren', uit galanterie. Niettemin blijft een geadresseerd echtpaar nog steeds 'de heer en mevrouw' , zelfs als de vrouw in kwestie de kostwinner is. Het kan daarom best zijn dat klank hierin mede een rol speelt. 'Heren en dames' klinkt minder fraai dan het omgekeerde, en hetzelfde geldt voor 'gentleman & ladies'. Insgelijks prefereren wij de volgorde 'jongens en meisjes' en 'vrienden en vriendinnen'.     

Eveneens wonderlijk: bij ons hoorde van oudsher de man als eerste een trap te bestijgen, in Zuid-Europese landen geniet de vrouw die eer. Gebeurt dat daar om de man tersluiks in staat te stellen een studie van haar contouren en motoriek te maken? Wel, op Nieuw-Guinea leven de Korowai in boomhuizen op veertig meter hoogte; ooit waren zij koppensnellers, maar toen al eisten hun dames uit hoofde van de zedigheid dat de heren vóór hen de touwladders beklommen. 

 

etiquette1

Bourgeois etnologie, uit: Levenskunst 1972.

 

Op een fundamenteler vlak ligt de intrigerende kwestie waarom Nederland eigenlijk nooit een hofcultuur heeft bezeten. De Oranjes lopen al vijfhonderd jaar in de hofstad rond en heet Den Haag dan voor niets zo? Hoe kan het dat zij zo weinig invloed hebben uitgeoefend op de nationale omgangsvormen? Je zou zeggen: een klein land, minstens honderdduizend landgenoten, zo is eens becijferd, stammen rechtstreeks van Willem van Oranje af en toch is hoffelijkheid hier een malle buurman met een vlinderdasje. Zou dit iets met de godsdienst te maken hebben gehad? Ten dele ongetwijfeld wel. Nederland is met Zwitserland het enige land op het Europese continent waar de handkus niet voorkomt, en het kost weinig fantasie de paniek van een calviniste bij dit wufte ritueel in te beelden. Maar Engeland en Scandinavië, die minder zwaar in de leer zijn, kennen de handkus evenmin, en de protestantse delen van Duitsland weer wel. Raadselachtig. 

Ander voorbeeld: tot aan de Tweede Feministische Golf bestond hier de gewoonte dat een man een vrouw voorging bij het betreden van een openbare gelegenheid. In het boek Etiquette uit 1994 van Inez van Eijk kwam ik die regel nog tegen. Bij mijn weten gold overal elders die regel slechts als er een draaideur in het spel was; bij een gewone deur kreeg een vrouw voorrang. Hoe heeft dit verschil met het buitenland kunnen ontstaan? Nederland is altijd volgend geweest in etiquette; op dit punt niet. Is dit, ik doe een suggestie, veroorzaakt door het feit dat hier al vroeg afdakjes boven deuren waren aangebracht die wachtende vrouwen bij regen beschermden? Of waren de openbare gelegenheden hier doorgaans zo smerig en onguur dat mannen eerst moesten uitvissen of het er wel pluis was?

 

vuurgeven2

Een dame steekt haar sigaret nooit zelf aan! De Tweede Feministische Golf heeft aan ettelijke rituelen tussen man en vrouw een einde gemaakt. Genderneutraliteit is nu het algemene streven, behalve in sport, inclusief denksport. Ook radicale feministen laten zich vrouwensport, een cadeautje van de bourgeoisie, niet afpakken, hoewel ze daarmee zelf illustreren dat vrouwen prestatief niet gelijk aan mannen zijn, wat zij op de arbeidsmarkt dan weer stellig ontkennen. Op de arbeidsmarkt eisen vrouwen zelfs ouderwets voorrang, alsof zij nog steeds hun sigaret krijgen aangestoken. Levenskunst, 1972    

 

Over zulke zaken lees je nooit iets, maar discussies vinden evenmin plaats. Iets moet altijd zijn omdat het zo is en daarmee basta. Zelfs relativerende informatie uit het verleden blijft achterwege. Zelf vond ik het machtig interessant om in Pieter Stokvis' Het intieme burgerleven te lezen dat halverwege de negentiende eeuw ook nette plattelanders à la De Aardappeleters van Van Gogh nog in een gemeenschappelijke schotel zaten te prikken. En dat pas aan het eind van die eeuw de ogenschijnlijk logische methode om mes en vork tegelijk te hanteren uit Engeland is overgewaaid; tot die tijd was bij ons de Franse methode gangbaar om met een mes louter het vlees te snijden en verder alleen een vork te gebruiken. Babyboomer Chris van Esterik (No satisfaction) at in De Betuwe zelfs nog zonder mes, net als de regentenfamlie Six, aldus Geert Mak in De levens van Jan Six. De meesten van ons kennen die gewoonte alleen van Amerikanen (die daarbij ook nog hun linkerhand onder de tafel houden). Etiquetteregels hebben altijd iets categorisch, maar hun wordingsgeschiedenis wijst anders uit. 

Om toch eens tegengas te bieden heb ik ooit via een mail bij Beatrijs Ritsema aangekaart dat de wens 'smakelijk eten' technisch gesproken een goede aftrap voor een gezamenlijke maaltijd vormt. Aanleiding was een opmerking van haar op www.beatrijs.com dat deftige mensen zo'n wens als burgerlijk beschouwen, waarmee zij terloops haar eigen sophistication etaleerde. Als verklaring voerde zij aan dat men bij zulke mensen erop mag rekenen dat het eten smakelijk zal zijn, zodat het expliciet uitspreken van de hoop daartoe een belediging behelst voor de vrouw des huizes en/of haar kok.

 

bestek1

 

dichtdekken

De vork is pas sinds de 18de eeuw een vast attribuut bij een maaltijd. Lang is gezocht naar de ideale wijze van dekken. Jonkvr. Henriëtte Rappard raadde in 1909 nog aan de vork rechts van het mes te leggen, met de lepel eroverheen, zoals in de bovenste opstelling. Internationaal kreeg de plaatsing links van het bord de voorkeur. Er bestonden twee scholen: de Fransen kozen voor de tanden naar beneden ('dicht'), waardoor de familewapens zichtbaar zijn; de Duitsers voor de tanden naar boven ('open'). Na 1900 is bij ons de Duitse methode gangbaar geworden, hoewel niet, zoals uit deze foto spreekt, bij de Oranjes, al zijn die nog zo Duits. www.paleishetloo.nl   

 

Kom nou! Zelf heb ik dit gebruik eerst leren kennen bij stijve protestanten die duidelijk niet voor de lol aten. In de jaren zeventig heb ik een katholiek, die op de Nederlandsche Bank was gaan werken, dit uitdrukkelijk zien navolgen. Tijdens etentjes bij hem thuis weigerde hij voortaan het bekende beginsignaal te geven. Omdat wij als disgenoten daar toch op zaten te wachten, verzon hij steeds een andere opwekking: 'Nou jongens, dat ziet er goed uit' of 'Ik ben benieuwd wat de kok nu weer heeft bereid.' Pas daarna begon iedereen smakelijk te eten, zoals de bedoeling was.

Volgens mij zit de zaak als volgt in elkaar. Hoge adel zal bij maaltijden iedere opwekking achterwege hebben gelaten. Misschien fluisterde een enkele livreiknecht zijn heer iets toe, maar waarschijnlijk niet, want dat zou van gemeenzaamheid hebben getuigd. In Engeland en Scandinavië leidde dit ertoe dat men ging eten zodra men was bediend; elders gold dat als eerste de gastvrouw haar mes en vork ter hand moest nemen. Calvinisten zullen dit seintje gretig met zwijgzaamheid hebben beantwoord. Eeuwenlang dankten zij immers aan het begin van de maaltijd de Heere, Heere, alvorens zij zich schuldbewust over hun bord bogen.

 

etiquette4

'Een correct man staat op wanneer een dame aan zijn tafeltje een praatje komt maken; zijn gezellin mag blijven zitten'. Uit: Etiquette van mr. A. van Deinse, 1972. Een dergelijk tafereel viel in iedere tearoom te aanschouwen, maar er zijn geen tearooms meer, wel coffeeshops. 

 

De Napoleontische tijd bracht eindelijk het 'bon appétit' naar Nederland, wat door francofiele landgenoten onmiddellijk zal zijn omarmd. Het liep eigenlijk mis met de vertaling daarvan, die na het vertrek van de Fransen wenselijk werd. Letterlijk betekent bon appétit: 'goede eetlust', maar dat stuitte op een ander taboetje. Hollandse notabelen spreken frank en vrij van 'lusten en lasten' en van 'honden die ergens geen brood van lusten', maar niet van 'ik lust', want dat zou eigen wellust kunnen doen vermoeden. De Duitsers zaten kennelijk met hetzelfde probleem; zij losten het op door het appétit te verduitsen en er 'guten' voor te zetten. Als alternatief gebruikten zij: 'Mahlzeit', wat een soldateske oorsprong zal hebben. Ons merkwaardige 'Eet ze' komt hierbij in de buurt maar is nooit populair geworden; ik stel me altijd voor dat die opwekking stamt van het oplezen van recepten (Eet ze... die gegratineerde aardappelen). Hét alternatief voor 'bon appétit' werd bij ons 'smakelijk eten'. Maar in feite is dat een stap verder. In plaats van iemands algehele instelling tot een maaltijd gaat het dan over het smikkelen zelf, over hoe dingen op de tong worden ervaren, en dat facet lieten velen liever onbesproken. 

In de digitale databank van historische kranten kan men niettemin vinden dat 'smakelijk eten' in de negentiende eeuw een bescheiden opmars beleefde. Vooral in vertaalde feuilletons valt die wens regelmatig. Aan het eind van de eeuw lezen we ook wat het nut ervan kan zijn. In Het Paleis voor de Volksvlijt ontvangt de Vereeniging tot Vereedeling van het Volksvermaak een massa arme kinderen voor een feestmaal ter gelegenheid van Sinterklaas. Iemand spreekt een welkomstwoord en geeft dan de kinderen toestemming tot de aanval over te gaan via een luid: 'Smakelijk eten.' Het verenigingswezen zal inderdaad een wegbereider voor die wens zijn geweest, net als de vele restaurants die in de twintigste eeuw ontstonden. Voor een ober vormen die woorden een ideaal bruggetje om zich van een tafel af te kunnen keren, en mijn gedachte is ook dat uit die hoek de Bommeliaanse frase 'Smakelijke voortzetting' stamt, - al kan dat evengoed het verenigingswezen zijn geweest, met zijn door vele speeches onderbroken feestmalen. 

 

aardappeleters    

Aardappeleters (1885) van Van Gogh. Het gaat hier om het aardappelprikken uit een gezamenlijke schotel. Dat was bij burgerfamilies in de provincie tot halverwege de 19de eeuw gebruikelijk. Boeren in De Peel deden het zelfs voor de oorlog nog. (Google Art)

 

Welnu, Beatrijs Ritsema reageerde op mijn inbreng zoals het een psychologe betaamt: iedereen moest zelf weten wat hij deed. Zij weigerde op de subtiele onderliggende regiekwestie in te gaan en wees op de mores hieromtrent in andere landen, met als boodschap dat alles relatief en dus verdedigbaar was, inclusief deze verbreiding van protestants chagrijn, al zei ze dit laatste er niet bij. Aan de Oranjegezinde Van Ditzhuyzen heb ik mijn mening niet eens durven voorleggen, want zij zou ongetwijfeld mijn hele persoon als 'buh' hebben beschouwd, wat zijzelf tot op de draad is.

Ik pleit niettemin voor 'smakelijk eten'. Met drank, toch een minder prominent onderdeel van de maaltijd, wordt immers wel driftig getoast, zelfs wanneer de glazen met kraanwater zijn gevuld.

Ik pleit bovendien voor 'aangenaam' bij een kennismaking, zoals in Vlaanderen te doen gebruikelijk is.

O, ik weet, dit is het gruwelijkste wat je volgens sommigen kunt zeggen en ik zal niet ontkennen dat ook ik mijn opinie klaar heb zodra een landgenooot het A-woord bezigt, maar waarom eigenlijk? In mijn jeugd was er een Duitse tv-serie getiteld Gestatten, mein Name ist Cox. Wanneer deze Cox ergens binnenkwam zei hij volgens de ondertitels kortweg: 'Cox, aangenaam'. Mijn vrienden en ik vonden dat ongelofelijk stoer. 'Aangenaam' komt ook overeen met het Amerikaanse 'Nice to meet you', welbeschouwd de meest perfecte reactie bij een kennismaking. Volgens de Nederlandse boekjes dien je bij zulke gelegenheden echter te vragen: 'Hoe maakt u het?' - zónder dat je daarop antwoord krijgt! Jouw vraag blijft dus in het luchtledige hangen, waardoor je je in een gezelschap van enige omvang algauw een Mr. Bean voelt worden, of beter: een van de vele Mr. Beans, die allemaal hetzelfde zinnetje mompelen.

handkus2

Uit: Levenskunst, 1972. De handkus is in Nederland nooit populair geworden, netzomin als in Zwitserland, Scandinavië en Engeland.

 

Het gekke is dat volgens Amy Groskamp-ten Have Nederlanders vroeger net als Vlamingen wel degelijk 'aangenaam' en zelfs 'aangenaam kennis te maken' zeiden. In haar vooroorlogse bestseller Hoe hoort het eigenlijk? meldt ze dat 'beschaafde personen' deze termen sinds kort vermeden als 'zijnde te afgezaagd'. Dat is natuurlijk kletskoek, want iedere etiquetteregel is afgezaagd. Ik vermoed dat onderscheidingsdrang de ware drijfveer is geweest dat beschaafde personen hiervan afweken. 'Aangenaam' was makkelijk aan te leren en klinkt au fond egalitair en eigenwijs, net als 'Nice to meet you' trouwens. Toen zelfs Jan met de Pet dit zei wanneer hij iemand uit de elite ontmoette, kon die elite beter iets anders zoeken. Het ligt voor de hand dat zij daarvoor bij haar naburen te rade is gegaan, die tot vandaag allemaal Wie geht's ihnen?, Comment-allez vous? of How do you do? prevelen. Logischerwijs vraag je dit echter aan iemand die je reeds kent en van wie je ook weet dat het gepast is om het te vragen, opdat hij, net weduwnaar geworden, niet ineens snikkend in je armen valt.

Maar: tant pis. Jongeren van tegenwoordig hebben alle voorschriften op dit gebied naast zich neergelegd; zij zeggen gewoon dat zij het prettig, leuk of interessant vinden met iemand kennis te maken. Ook schrikken zij niet op als zij 'smakelijk eten' horen wensen. Mijn pleidooi is dus achterhaald.

 

maxima

Nieuw rolmodel voor Nederland: koningin Maximá. Van alle hedendaagse burgerkoninginnen is zij de enige die met een gesperde mond lacht, zoals hier bij een officiële ontvangst in de VS. Die mond vormt wel een terugkerend onderwerp op royaltyblogs, begrijpelijk, want de Romeinse dichter Ovidius adviseerde vrouwen nog bij het lachen de onderlip tegen de boventanden gedrukt te blijven houden. www.newmroyals.com

 

Toch zou het goed zijn als discussie rond etiquette normaal wordt. Begin jaren tachtig merkte ik dat bekenden in het voorbijgaan 'hallo' tegen me zeiden. 'Hallo', moet men weten, was oorspronkelijk een kreet om mensen van ver te roepen maar dankt zijn opkomst als groet aan de eerste jaren van de telefonie in Amerika: 'Hallo' in een hoorn uitspreken bleek effectiever en minder mal te klinken dan 'Do I get you?' of 'Are you there?' Eenmaal als groet geaccepteerd gingen bekenden dat woord gebruiken bij een ontmoeting; onbekenden hielden het op een formeler 'dag'. Maar 'hallo' bleef wel een begroeting, het startsein om op z'n minst wat algemeenheden uit te wisselen, en terwijl ik daarvoor dus stopte liepen mensen nu tot mijn verbazing gewoon door. Nog vreemder werd het toen ook onbekenden 'hallo' tegen je gingen zeggen, tot aan winkelpersoneel toe. 'Hallo' werd daarna snel 'hoi' en verhuisde rond de millenniumwende zelfs naar het eind van een ontmoeting - 'hoi' als 'tot ziens'. Ik weet nog dat ik de eerste die aldus van mij wegliep onderzoekend nakeek alsof er iets aan zijn continuïteitsbeleving schortte. Enige discussie, althans openheid van zaken, had hier verwarring kunnen voorkomen.

Met een serieus debat rond etiquette zouden we eindelijk ook iets kunnen ondernemen tegen de Brabantse Drieklapper die in de jaren zeventig in zwang is geraakt. De drieklapper getuigt niet alleen van een zelden ervaren gretigheid, hij kost overdreven veel tijd en kan bij veelvuldige toepassing zelfs een lichte duizeligheid veroorzaken. Psycholoog Dolf Kohnstamm heeft er serieus actie tegen gevoerd, zij het zonder succes: vrouwen laten zich deze speciale behandeling niet meer afpakken. Voor zover ik weet hebben Beatrijs Ritsema en Reinildis van Ditzhuyzen zijn noodkreet niet eens ondersteund.

 

zalm

Eerlijk is eerlijk: Oud-minister en ABN-Amro-topman Gerrit Zalm was voor mij de eerste hoogwaardigheidsbekleder met een communicerende gesperde mond tijdens lachen. Compilatie www.stevenbrownsblog.wordpress.com

 

Sinds het jaar 2005 ongeveer zitten we opgescheept met mannelijke equivalenten van de Brabantse Drieklapper: de one-armed hug, waarbij mannen elkaars rechterhand vastpakken en dan de linkerschouders tegen elkaar drukken, én de complete accolade, zoals onder maffiosi gebruikelijk is, - met volgens mij als intiemste variant die waarbij ieders hoofd uiteindelijk verzaligd boven de rechterschouder van de ander hangt. Anno 2015 is het bij Amsterdamse heteromannen van, zeg, vijftig jaar evenmin vreemd als zij daarbij elkaar een zoen op de (stoppel-) wangen drukken. Vreselijk. Ik weet nog dat ik bij mijn skiclubje aan een lang afscheid begon toen een nieuweling dit gebruik wist te introduceren; niet omdat ik aan smetvrees lijd maar omdat ik de overgang ongeloofwaardig vond.

In een versnelde terugblik lijkt het hier om een regelrechte Umwertung te gaan maar dat is niet juist, zo valt te lezen bij Pieter Stokvis. Mannen die elkaar zoenden werden bij ons pas in de negentiende eeuw als verwijfd beschouwd, en samen losjes gearmd paraderen bleef zeker tot het midden van die eeuw normaal. Tegenwoordig moet je daarvoor naar Italië. Als kleuter, weet ik nog, liep ik met een vriendje over straat met ieder een arm om elkaars nek. Onhandig maar wel prettig. Het doet denken aan hondjes die tijdens het rennen graag met hun zijkant tegen elkaar leunen; ze blaffen er zelfs bij alsof ze intussen overleg voeren.

 

zoenbutton

Zoenbutton van campaign-view. De eerste corrigerende zoenbutton dateert al uit 1994, op initiatief van de Twentse non Monica Muskens. Tevergeefs. De Brabantse drieklapper stamt volgens mijn eigen waarneming niet uit Brabant maar uit het Amsterdamse hippiemilieu, als vervanging van de kus op de volle mond die korte tijd gebruikelijk is geweest. Feministische vrouwen zijn ook de enthousiastste verspreiders geweest: zij dwongen op die manier extra aandacht van mannen af, die elkaar onderling slechts een hand gaven.

 

Eenmaal puber gold echter dat je je vrienden zo achteloos mogelijk groette, à la John Wayne in Rio Bravo. Het summum op dit punt maakte ik mee op kostschool, waar een jongen mij in een lange betegelde gang met een stalen gezicht tegemoet liep en bij het passeren slechts een pink ophief die toevallig uit zijn broekzak stak. Ik voelde mij hierdoor... afgetroefd, want omgekeerd had ik voor hem tenminste nog een wenkbrauw opgeheven. En dan nu al die intermannelijke aanrakingen! Op de Olympische Spelen van Rio de Janeiro zag ik onze koning al kerels die een medaille hadden gewonnen omhelzen. Hij deed dat dermate intens dat een Amerikaanse reporter dacht hij een broer van hen was.

Door open discussies hoeven ouderen zich niet langer geschoffeerd zodra opvattingen veranderen. Het heeft ook mij verwonderd dat de omgangsvormen almaar amicaler zijn geworden, werkelijk voorbij iedere vormelijkheid. Ik denk dan aan baliepersoneel met uitlatingen die vroeger alleen in de directievleugel te horen waren, zoals: 'Dit kan niet waar zijn', 'Ik ben er klaar mee', 'Helemaal goed', 'Daar kan ik niets mee' en 'Dit gaat het niet worden'. Als even expansief ervoer ik trouwens het nadrukkelijke zóóó van moderne jonge vrouwen ('zóóó leuk'). Idem dito de mensen die een alledaagse hobby, een simpel tijdverdrijf, tot een heuse passie verklaren en jou aldus tot belangstelling dwingen.

 

mannenhug

De mannenhug en mannenkus zijn onder jongeren in de grote steden hip, aldus dj Giel Beelen. Foto ontleend aan www.giel.vara.nl

 

Toch kun je op dit vlak aan veel wennen zodra je eenmaal de teneur begrijpt. Zelf raakte ik aanvankelijk nogal geïrriteerd als anderen op een verhaal van mij reageerden met een bevestigend 'oké'. Na enig piekeren begreep ik dat men 'oh' of 'aha' teveel eer voor mij vond, want verbazen kon ik uiteraard niemand met wat ik te berde bracht. Het woord 'oké' heeft ook anderszins een betekeniswijziging ondergaan. Vroeger stond dat voor een dienstbaar 'akkoord', tegenwoordig voor een lankmoedig 'vooruit'. Sinds pakweg 2005 antwoorden Amsterdamse obers aldus wanneer je iets bij hen bestelt. Ik ervoer dat in het begin als impertinent, maar nu klinkt het me prettig-egalitair in de oren, alsof ik bij hun pact mag horen. Ook het 'prima toch' en 'lekker toch' waarmee snotneuzen vandaag commentaar op jou leveren, waardeer ik inmiddels.

En laatst passeerde ik een beeldschoon buurmeisje dat in een bushokje zat te app-en. Zonder op te kijken zei ze tegen me: 'hoiiii', met aflopende interesse naar het eind. Ik dacht eerst: ze zou ook 'Dag, meneer de Jager' kunnen zeggen. Maar later vond ik haar groet, haar wegwuiving feitelijk, niet ongepast voor iemand van mijn leeftijd. Beatrijs Ritsema zou het met mij eens zijn geweest, Reinildis van Ditzhuyzen daarentegen zou op haar pumps hebben staan stampvoeten, wat etiquette tot zo'n vrolijk onderwerp maakt.

 

Hollandse manieren, deel II

 

Dat het met de manieren in Nederland niet best is gesteld zullen weinigen betwisten. In de 19de eeuw noemde Busken Huet zijn landgenoten 'geboren lummels' - vooral dat 'geboren' klinkt hopeloos. En onlangs noteerde de dichter Ilja Leonard Pfeijffer: 'Het vergt geen enkel raffinement om een Hollander te zijn'. Busken Huet vluchtte naar Batavia, Pfeijffer naar Genua.

Zie hier het probleem: over ons alledaagse wangedrag dat buitenlanders sinds mensenheugenis verbijstert hoeven we het niet te hebben, en evenmin over de aan de gang zijnde verhuftering die daar nog bovenop is gekomen. Ik volsta wat dit betreft met een sarcastisch advies voor toeristen in The undutchables (1990):

Zorg dat de winkeldeur de persoon achter u vol in het gezicht treft.

Nee, mij gaat het om basale gedragingen - om fatsoen - van zogenaamd welopgevoede lieden. Ik wil zeker niet betogen dat er op dit vlak de laatste eeuwen geen vooruitgang is geboekt. Spuwen in het openbaar, waarvoor in de negentiende eeuw nog overal kwispedoors stonden opgesteld en dat zelfs in kerken en treinen gebeurde, is nu toch wel uitgebannen, behalve op het voetbalveld, waar het dient om tegenstanders te imponeren. Het openlijk betasten van het eigen kruis is echter ook daar verdwenen. Ik herinner me van Cruyff's generatie dat die in de stilte voor de aftrap drie of vier keer demonstratief de handel ophaalde. In Italië heb ik in de jaren zeventig nog gezien dat mannen op een plein met elkaar stonden te kletsen en intussen met duim en wijsvinger hun piemel via de buitenkant van hun broek kneepjes toedienden. Een burgemeester van San Gimignano presteerde dit zelfs waar mijn vrouw bijstond. Ooit zullen wij een zelfde tactiele habitus hebben gehad, maar er is niets meer van te merken..


spuwen

Niet eens etiquette maar fatsoen: kitsen, rochelen, spugen, tuffen of fluimen zijn omwille van de hygiëne overal uitgebannen, behalve op het voetbalveld. Affiche Amsterdam, ca 1940. www.zwiggelaarauctions.nl  

 

En toch: Caramba, koningin Maximà. Lachen met een gesperde mond was bij ons vijftig jaar geleden des volks; nu kun je dat haar zien doen. Minstens zo opmerkelijk: ze zwaait bovenhands in plaats van onderhands, waardoor je geregeld in haar blote okselsholtes kunt loeren. En nog iets: wijlen mijn moeder wond zich erover op dat, hoe zal ik het zeggen, haar foundation haar onderrug niet als één ononderbroken ronding presenteerde, de zogeheten queenbee-look, die overigens een eendenloopje tot gevolg had. In het algemeen, mogen we stellen, mist Maximà de schroom en gelatenheid van de geboren koningin; ze gedraagt zich als een succesvolle carrièrevrouw, wat ze niet is. Zelfs als ze president Obama bezoekt, lijkt het om háár verjaardagsfeestje te gaan. Er zijn veel Nederlanders die haar brutale charme prachtig vinden, ik niet, ik ben jaloers op de Belgen met hun Mathilde. Een monarchie is al een absurd staatsbestel, maar wordt nog absurder als de Koninlijke Familie niet langer de chicste familie van het land is.

Bij de regering, van hetzelfde laken een pak. Voormalig Minister van Cultuur Plasterk liet zich zowel binnen als buiten interviewen terwijl hij zijn hoed, een slap bruin geval, ophield. Ik moest direct denken aan een historisch interview dat minister-president Beel in Nederlands-Indië gaf. Beel werd nederig aangesproken met excellentie, maar omgekeerd hield hij uit beleefdheid zijn bolhoed voor de borst. Nederlandse mannen gebruiken een hoed sowieso niet meer om anderen te groeten, zoals ze eeuwenlang hebben gedaan. Achteraf, kunnen we vaststellen, hebben ze ongeveer dertig jaar een hoed achterwege gelaten om van dat gebaar af te komen en nu dragen ze hem op dezelfde wijze als een vrouw. Op een golfbaan in Frankrijk heb ik daarentegen nog meegemaakt dat een speler op een volgende hole zijn cap met een brede zwaai voor mij lichtte. Voordat ik kon reageren was hij alweer achter het struikgewas verdwenen, zodat hij mij eigenlijk een 'onpersoonlijke groet' had gegeven, zoals Amy Groskamp - ten Have dat noemde, een ongerichte groet uit eerbetoon of galanterie, iets wat in Nederland nog weleens gebeurt als iemand een lift betreedt, maar verder is uitgestorven. 

hoed3

Groetinstructies voor hoedendragers, uit Levenskunst, 1972. Let wel: het is mogelijk dat een van de heren de dame in kweste helemaal niet kent, maar zodra zijn metgezel de hoed licht hoort hij het hetzelfde te doen.   

 

En kijk eens hoe mannen zitten. Mijn vader zat altijd rechtop, met de benen over elkaar geslagen als... wederom een vrouw, realiseer ik me opeens. Ik geloof niet dat ik hem ooit onderuit gezakt heb betrapt of met het ene been haaks over het andere, zodat de zool van zijn schoen zichtbaar werd. Bij G.L. van Lennep las ik dat nette mensen dat ook niet plegen te doen, en ik weet dat moslims zo'n zichtbare zool ronduit beledigend vinden, zeker als die naar hen is toegekeerd. Ikzelf echter ben een liefhebber van die houding, tenminste als er geen lage tafel in de buurt staat, want in dat geval leg ik mijn benen dáár op. Maar wat niet in mij opkomt is met een gespreid kruis zitten, en dat is wat mannen vandaag vaak doen, zelfs Oranjeprinsen. Hoe vreemd 'manspreading', zoals Engelsen zeggen, ooit voor mij was, blijkt uit het feit dat ik nog precies heb kunnen reconstrueren wanneer ik dat voor het eerst zag: in 1985, tijdens een televisie-interview in een Frans motel met de Heineken-ontvoerders Willem Holleeder en Cor van Hout over hun uitlevering aan Nederland. Het kan overigens zijn dat dit moment in mijn geheugen gegrift staat om nog een andere reden: als kijker was je getuige van de emancipatie van schorem, want dat was nooit eerder zo schaamteloos in beeld geweest. Het zoete wereldje van Amy Groskamp - ten Have liep blijkbaar ten einde.

In de jaren erna mocht ik andere nieuwigheden signaleren. Vrouwen die tijdens het praten als een Dieuwertje Blok voortdurend hun haar schikken; merkwaardig, wij noemden zoiets vroeger koket maar dat hele begrip is in onbruik geraakt. Of volwassenen die zich geeuwend uitrekken alsof ze net wakker zijn geworden en nog in bed liggen. Of met zoveel overgave niezen dat ze de kop van een mandril krijgen. Dergelijke gebaren zijn overigens wel handige tests om uit te vissen of je iemand mag.

 

,homozoen

'Als ik niet gek ben, dan word ik het gauw.' Reclamecampagne 2018 van het modemerk Suitsupply. Commerciële roep om tolerantie, met de bedoeling om intolerantie op te wekken en daar zelf beter van te worden. Anders gezegd: exploitatie van slechtheid. Tegelijk een ingewikkeld spel tussen fatsoen en taboe. De adverteerder wil wel een taboe doorbreken maar niet het fatsoen, althans tegenover de doelgroep, want de rest van de wereld kan de pip krijgen.   

 

Sinds kort is het normaal dat mensen bukken met hun achterste, ik zou haast zeggen: frontaal op jou gericht. Afzijdig bukken was vroeger een must; vrouwen zakten daarbij discreet op hun hurken in plaats van voorover te buigen - ik zie nog mijn zussen een peilende blik over hun schouder werpen of zij hun achtersteven wel correct parkeerden. Maar ook anderzins trekt de menselijke keerzijde meer en meer de aandacht. Steeds vaker ontdek ik lieden die ergens staan te wachten en dan geregeld hun billen spannen, bij wijze van tijdverdrijf, vermoed ik, want de ene keer wippen de billen gebroederlijk omhoog en de volgende keer de een na de ander. Bij de incheckbalies op Schiphol heb ik mannen en vrouwen van middelbare leeftijd hierop betrapt, en ik niet anders zeggen dan dat het mij telkens met huiver vervult. Eerder maakte ik het onderscheid tussen etiquette en fatsoen; hier gaat het om iets dat nog onder fatsoen zit: een onbesproken deel van onze cultuur, want als bijvoorbeeld een jongen met beide handen in zijn zakken staat te biljarten krijgt hij toegebeten: 'Hou onmiddellijk op met biljarten', maar ik heb nooit iets horen zeggen als: 'Jij moet niet de hele tijd je billen in je broek spannen'.

Dat billen überhaupt zichtbaar zijn geworden heeft met een afnemend taboe te maken. Nog in de jaren vijftig overheerste bij vrouwen de reductie van twee lichaamsdelen naar één, waarop het woord bips in de letterlijke zin van het woord naadloos paste. Nog afstanderlijker was: onderrug of zitvlak, welke laatste woord het perspectief handig naar een stoel verlegde. Mannen bezaten hooguit een onverdeelde kont, omdat hun broeken en jasjes zo ruim bemeten waren dat er slechts een vleesklomp te vermoeden viel. 

 

twerken

Hedendaagse jeunesse dorée durft openlijk te twerken. Grinden en daggeren daarentegen zijn voorbehouden aan resp. dancings en parenclubs.  www.youtube.com/watch?v=72AqvQ12D3A


Historisch gezien betekenden de bikini en de hotpants de passief-esthetische doorbraak van vrouwenbillen. Ze telden voortaan in de beoordeling mee, hoewel minder specifiek dan borsten. Dr. Hook zong vervolgens over zijn baby die een blue jeans kon laten... praten. Niet lang hierna kreeg ik voor het eerst de vraag voorgelegd of ik een borsten- of billenman was. Een billenman? 'An me reet' of 'dikke reet', riepen wij vroeger als we iets per se niet wilden. Tussen Duitsers met hun 'Leck mich am Arsch' en Amerikanen met hun 'Kiss my ass' kon ik moeilijk te bepalen wie van hen de grootste smeerlappen waren. En wat te denken van Vlamingen die billen een 'poep' noemen en vrijen 'poepen', ach, ach. Etymologisch schijnt Vlaamse poep een andere herkomst dan onze poep te hebben, maar ik heb hopelijk mijn punt gemaakt.

Moslims hebben van hun kant de menselijke keerzijde extra onder de aandacht gebracht. Ik weet nog hoe verbluft ik was toen ik voor het eerst zag dat zij tijdens het bidden met z'n allen tegelijk hun achterste in de lucht staken, alsof ze het opperwezen massaal hun minachting toonden. De nadruk op de beweeglijkheid van billen lijkt mij daarentegen een Zuidamerikaanse invloed. Of een Afrikaans-Amerikaanse. Via de laatste hebben we recentelijk ook andere gestes geleerd, zoals de high five, het boks geven en het fladderen met ledematen. Twerken kon daar kennelijk nog bij.

 

klerenvijftig

Le dernier cri in de jaren vijftig: vrouwen smalle tailles, mannen brede schouders; verder nergens nadruk op. docplayer

 

Met dit lamento wil ik allerminst beweren dat beroerde manieren onoverkomelijk zijn. Vroeger wisten veel landgenoten niet eens wat wellevendheid was. Koos van Zomeren schrijft in Alles is begonnen (2015) over zijn vader, een behanger uit Bemmel, die even voor de oorlog op vrijerspad ging:

'Kennismaken, hoe deed je dat? Niemand was ooit op het idee gekomen hem manieren te leren. Ín Bemmel had je geen manieren nodig. Als je bij mensen wilde aanschuiven zei je hoi, en als je weer opstapte zei je aju. Een hand geven, je naam zeggen, flauwekul! Aardappels aten ze met een vork, maar vlees gewoon uit de hand.'

Zelf ben ik opgegroeid in een katholieke fabrieksstad, en daar was vrolijke lompheid zo'n beetje de overlevingsmodus. Niemand bij ons wist hoe het werkelijk hoorde; ik heb nooit het benepen sfeertje gekend dat Chris van Esterik in No satisfaction beschrijft, waar een docentenvergadering onmiddellijk werd geschorst omdat een docent het woord 'hartstikke' liet vallen. Wij jongeren regen vloeken juist als kralen aaneen; niet dat het mocht, maar je kon op die manier ten minste je biechtvader iets ter absolutie aanbieden. Echte finesse leerde ik pas op kostschool bij de Augustijnen, inclusief de noodzakelijke nonchalance (sprezzatura, aldus Baldasar Castiglione) die je daarbij moest betrachten, zoals op zijn tijd 'kerel' zeggen of 'ouwe lulhannes'. Voor ons leerlingen gold als hoogstbereikbare op dit vlak: 'épater les bourgeois', want het waren natuurlijk vooral benepen lui die zich wentelden in goede manieren.


holleeder

Heineken-ontvoerders Willem Holleeder (r) en Bas van Hout geven in 1985 in Beauvais, Frankrijk, een persconferentie over hun uitlevering aan Nederland. De 'manspreading' van Holleeder is begrijpelijkerwijs weggeknipt, maar valt te reconstueren via de hand op zijn rechterknie. ANP-historisch archief

 

In de jaren zestig werd dit non-conformisme de algehele mode. De bestaande etiquette was nogal omslachtig en vertolkte welbeschouwd een voorbije wereld. Arbeiderskinderen, via studiebeurzen massaal in gesteld om naar boven te klimmen, kenden veel regeltjes niet eens en dat leidde vanzelf tot een fikse kaalslag. En vrouwen die baas in eigen buik wilden zijn, hoefden heus niet meer voorgegaan te worden bij het betreden van een restaurant. Verwarring leverde dit soms wel op. Hoe vaak rende ik niet naar de andere kant van de auto om de deur voor een vrouw open te maken terwijl zij al buiten stond? Alleen mijn schoonmoeder zat altijd te wachten. Een kennismaking is tot vandaag lastig. Ik herinner me levendig dat je daarbij als man het eerst je naam noemde, volgens de oude ridderlijke opvatting dat een man zich aan iedere vrouw voorstelt zolang zij niet bij het personeel hoort. Tegenwoordig noemt een vrouw meestal het eerst haar naam, maar het komt ook voor dat zij aarzelt, met als ongelukkig resultaat dat jullie namen gelijktijdig klinken, waardoor niemand de ander verstaat. 

De media haakten uiteraard op deze evolutie in. Geleidelijk werd het omgekeerde van fatsoen, ongevormdheid en provocatie, een cynische leidraad. Mijn vrouw die in het onderwijs heeft gezeten, merkte steeds aan haar studenten wanneer Vara-coryfee Paul de Leeuw de avond ervoor weer eens los was gegaan. Nota bene, de Vara, die altijd had geijverd voor volksverhefffing...


manspreading

Manspreading als gesignaleerd probleem. Vignet in een Madrileense bus uit 2017 om niet twee stoelen tegelijk bezet te houden. www.telegraaf.nl

 

Daarom koester ik soms heimwee naar de vroegere etiquette; ja, als het om vroeger gaat eigenlijk alleen daarnaar. De gulden regel uit de bijbel: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet, is te weinig specifiek en hetzelfde geldt eigenlijk voor fatsoen, dat meer een morele instelling behelst dan een gedragsinstructie. Een door en door fatsoenlijk persoon kan nog steeds een lomperik zijn. Beleefdheid is alweer concreter dan fatsoen, maar schiet als instructie ook tekort, want niemand is beleefder dan een verlegen stuntel. Het gaat om savoir vivre, om wellevendheid, bij uitstek het werkterrein van etiquette. Helaas wordt etiquette in Nederland doorgaans louter sociologisch gedefinieerd: de geldende beleefdheidsregels die het intermenselijk verkeer soepel laten verlopen. Los van het armzalige 'beleefdheid' is dit te relatief en te vrijblijvend gesteld.  

Ileen Montijn onderscheidt in etiquette twee elementen die voor ieder individu gelden: je weet erdoor hoe je aardig moet zijn en hoe je vooruit zou kunnen komen in de wereld. Zoals in alle rituelen zat er in mijn beleving ook een geruststellende psychologische boodschap in: het leven viel te leren en was niet per se moeilijk. Ondanks de beklemtoning van statusverschillen ging er iets nivellerends van uit, in de zin dat iedereen slechts gehoorzaamde aan uitwendige geboden, wat althans bij gewetensvolle mensen tot bescheidenheid voerde. Feitelijk kon je alleen bijzonder zijn door wat je deed of was, niet door hoe je je gedroeg. In de huidige mediamieke wereld is het vaak andersom: mensen presenteren zich als bijzonder terwijl ze dat helemaal niet zijn. Maar om daarover geen misverstand te laten bestaan: de grote persoonlijkheden die ik heb ontmoet, waren in de omgang uiterst gewoon. 

Binnen de etiquette van weleer kon je tingeldansjes opvoeren alsof je een figuurtje op een speelautomaat was. Zoals: een vrouw die een sigaret in haar mond stak en jou een aansteker aanreikte om haar een vuurtje te verschaffen. Ik zie nog enkele gezichtjes boven de kom van mijn handen oplichten. Er waren zelfs niet-rokende mannen die een aansteker bij zich hadden om op feestjes contact te kunnen leggen, al bleef die poging meestal zonder succes.

Of een vrouw die tijdens een etentje aankondigde 'even haar neus te gaan poederen' - het mannelijke equivalent daarvan luidde 'even de handen wassen', hihi. Zelf heb ik dergelijke uitvluchten niet meer gebruikt, wel vaak in films gehoord, gevolgd door deze scène die ik ook uit het echt ken: zodra een vrouw van tafel opstond rees haar begeleider enkele decimeters uit zijn stoel, en wanneer zij terugkwam, herhaalde hij dat om vervolgens tegelijk met haar te gaan zitten, alsof ze samen op een wankele weegschaal, een bascule, moesten plaatsnemen. Fraaie symboliek voor een relatie! Commissaris Montelbano op Sicilië doet het in de gelijknamige politieserie nog steeds zo, en dat oogt volkomen naturel.

 

etiquette

Hier is iets vreselijks aan de hand, te oordelen naar de blik van de dame. Wat precies? De heer rechts blijft zítten terwijl zij stáát. Uit: Etiquette van mr. A. van Deinse, 1965.  

 

Op een of andere manier voelden toen ergernissen ook anders aan. In Etiquette van de onvolprezen mr. Anna van Deinse uit 1965 vond ik een foto van een dame die in een  tearoom haar irritatie onderdrukt omdat haar begeleider, ik veronderstel haar zoon, praat met een jeugdige vlegel die in een crapaud blijft zitten. De setting alleen al! In tegenstelling tot ons omringende landen bestaan er in Nederland geen tearooms meer, hoewel elk stadje ooit zo'n lokaliteit bezat (o, de neergang, de neergang). Zij waren ingericht als een salon voor nette dames die weleens in een andere salon wilden vertoeven dan in die van henzelf. Voor wie dat mocht denken: aardig waren die dames lang niet allen. Toen ik voor het eerst hoorde van Luis Buñuel's Le charme secret de la bourgeoisie veronderstelde ik dat die film over een charmant sekreet (!) van de bourgeoisie ging, zoals ik er diversen kende. In elk geval kon mijn eigen moeder precies zo kijken als de vrouw op de foto, waarbij ze ook nog haar hoofd op hoge schouders alle kanten op draaide, zodat de hele tearoom begreep wat haar pikeerde.

Niettemin zorgde de foto ervoor dat ik werd teruggezogen naar een tijd waarin nog echte verzoening bestond. Zulke situaties konden namelijk opgelost worden met galante excuses. Ik ben beslist niet de enige met het gevoel dat er altijd een ontsnappingsmogelijkheid bestaat en herken mezelf ook in mannen met een onvervulde hang naar stijl. Wij zijn de onopvallende zestigplussers die op een perron met genoegen naast een treindeur posteren om uitstappers voorrang te verlenen. En bij kleine strubbelingen denk ik vaak aan de acteur Peter Alexander die in de musical Im weiβen Rössl als zwartgerokte ober zijn gasten in het gareel probeerde te houden met: 'Aber, aber, aber, meine Herrschaften'. Er gaat geen week voorbij zonder dat ik dat hoor: 'Aber, aber...' 


claus

Demonstratieve actie van Prins Claus tegen de stropdas in 1998. De actie is niet geslaagd te noemen, want zelfs voetballers dragen nog vaak een stropdas. Maar wel opvallend dat uitgerekend een lid van de Koninklijke Familie dit initiatief nam. 'Wat een zielepoot', zei wijlen mijn vader met oprechte verbazing toen hij Claus aldus op de televisie bezig zag. www.trashfashion.nl 

 

Genoeg hierover! De socioloog Cas Woters heeft dit hele proces informalisering genoemd, een aangelegenheid die uiteraard alleen de elite betrof. De elite komt hierin van ongelooflijk ver, zoals nog na te lezen valt in negentiende-eeuws romans. En publique gedroeg men zich ronduit verfijnd, op het jaloersmakende af. Jhr. Frans van Lennep typeert in zijn Late regenten menigeen als een 'briljant causeur' en hoe graag zou ik zo iemand eens ontmoeten, want het heersende narcisme heeft de aloude conversatiekunst - überhaupt elke serieuze gedachtenwisseling - de nek omgedraaid. Tevens kon men echter onvoorstelbaar bits en bedeesd zijn. In de televisieserie Buddenbrooks uit 1979 zit een huiveringwekkende scène waarin vader Thomas met verachting kijkt naar zijn onserieuze zoontje Hanno, een kleuter nog. Vreemd genoeg is daarvan in een filmversie uit 2008 weinig overgebleven, hooguit doet de vader even niet aardig. Hetzelfde verschil zie je in Engelse kostuumdrama's als Wuthering Heights en Emma: hedendaagse versies zijn veel te luchthartig; vooral de vrouwen gedragen zich idioot vrijmoedig. Het is alsof huidige regisseurs zich niet meer kunnen indenken hoe ingetogen en dramatisch mensen elkaar ooit bejegenden.

Babyboomers hebben nog met eigen ogen voornaamheid en gestrengheid als pose zien verdwijnen. Van het hoofd van de lagere school tot opa's en oma's: iedere volwassene leek een autoriteit. Tijdens een ontmoeting loerden ze regelmatig naar je alsof je kattekwaad in de zin had. Je werd ook niet geacht om zomaar grapjes met ze te maken, iets wat je tegenwoordig alleen bij Hell's Angels en Marokkaanse hangjongeren uit je hoofd laat. Maar ineens, als bij toverslag, kreeg iedereen de schijn van toegankelijkheid over zich. Op foto's is die omwenteling goed te volgen. Twee generaties geleden stonden mensen daar vaak vertoornd op, alsof de fotograaf niet moest denken dat hij iemand was. De naoorlogse generatie keek meestal bescheiden glimlachend van de camera weg, als het ware betrapt op het leven. De huidige generatie blikt pal in de lens, zij stelt zich vrolijk tentoon. Niet altijd pakt dit overtuigend uit. Ik heb afbeeldingen van directeuren gezien waarvan ik dacht: dat moet een medewerker zijn. Het gaat ook om meer dan de gezichtsuitdrukking. Toen het oldboys network, met de nadruk op boys, nog volop functioneerde waren burgermeesters, professoren en rechters tot in hun diepste vezels hotemetoten. Tegenwoordig is mijn reactie op hen bijna steevast: Jij!? 


dnb1dnb2  

The presentation of self op de Nederlandsche Bank: links oud-directeur André Szàsz, jaren tachtig van de vorige eeuw; rechts de huidige secretaris-directeur Nicole Stolk. www.dnb.nl 

 

Informalisering was een gevolg van neerwaartse democratisering. Opwaartse democratisering is er ook en die leidt juist tot het omgekeerde: formalisering. We weten allemaal dat Nederlandse vrouwen in de openbare ruimte preutser geworden zijn, een vrucht van de multiculturele samenleving, dunkt me. Aan de vrije moraal in de jaren zestig lag de afspraak ten grondslag dat vrouwen zich uitdagender konden kleden als mannen zowel hun fysieke overwicht als hun seksuele opwinding intoomden. De stille boodschap daarvan was: in eroticis behoudt de vrouw het initiatief. Moslimjongens en Afro-Nederlanders met hun achterban lapten die afspraak aan hun laars, met als resultaat dat vrouwen zich weer ingetogener uitdosten. De latere #MeToo-beweging bracht trouwens aan het licht dat lang niet alle blanke mannen bereid waren geweest het intitatief aan de vrouw te laten. 

Ook politieke correctheid is een motor van belang bij de formalisering geweest. Zelf heb ik die correctheid in de jaren zeventig op de sociale faculteit van de UvA geboren zien worden. Het liedje was wel oud: idealen werden regelrechte leugens zodra idealisten ermee aan de haal gingen. Zogenaamd snakten alle studenten naar medezeggenschap op de unistersiteit terwijl 99% van hen nooit over de universiteit nadacht, en krakers dienden de belangen van Jan met de Pet terwijl ze gratis op de mooiste plekken in de stad woonden.   

Enfin, feit is dat dankzij politieke correctheid allerlei denigrerende benamingen uit het verleden zijn verdwenen. Ik wees al op fabrikanten die iedere arbeider 'Jantje' of 'Marietje' noemden. En recentelijk zijn aanduidingen als zwartje en neger taboe geworden, wat eerder gebeurde met nikker. Tegelijk echter verdween een taal die veel intiemer was. Goede buren en vrienden van je ouders heetten vroeger oom en tante, nu heten echte ooms en tantes niet eens meer zo. Als student in de Jordaan kreeg ik weleens van vrouwen op leeftijd toegevoegd dat ik een 'schatje' of zelfs een 'cadeautje' was. Vandaag zou zoiets onmiddellijk met seks in verband worden gebracht. Maar de vrouwelijke rechercheur Vera spreekt in Noord-Engeland nog iedereen aan als 'love', en in de serie West Wing zegt president Bartlet tegen zijn ondergeschikten 'sun'. Toch best mooi.

 

hufter

Boek uit 2010 van Bas van Stokkum over maatschapelijke verruwing.

 

Met de combinatie informalisering en formalisering zijn we er nog niet, want verhuftering sijpelt daar op de meest onverwachte momenten doorheen. Zo hoorde ik laatst op een golfbaan een pensionado keihard 'kut' roepen. Kort geleden nog waren alle marshals van dienst in hun buggy's naar de onverlaat in kwestie gesneld om hem met hun bumpers naar de uitgang te drijven. Ik vermoed dat het Engelse 'shit' en 'f*ck', sinds de jaren negentig in opkomst, hierbij de rol van agents hebben gespeeld. Na de milleniumwende hebben rappers - wie had ooit kunnen denken dat zij navolgers zouden krijgen? - zulke termen definitief tot ons culuurgoed gemaakt. Vandaag zeggen sommige dames zelfs 'kut', al is dat meestal nog in bedekte combinaties als 'kutbal' of 'kutdag'.

Voor wie een en ander nog niet ingewikkeld genoeg is: tegenover de verhuftering staat vertrutting. We zouden vertrutting bij formalisering kunnen voegen, maar het wordt als een apart verschijnsel gezien. Vertrutting is politieke correctheid met een flinke kop erop. Als de overheid zich ermee inlaat heet het betutteling, of niet eens: het almaar fanatieker wordend anti-rookbeeld geldt als gezondheidszorg.

Tjongejonge, je zou denken dat Nederlanders vanwege al deze tegenstrijdige impulsen sociaal onthand raken, maar het tegendeel is het geval. Wie zoals ik meer dan een halve eeuw meegaat weet hoe onbeholpen en stug veel landgenoten vroeger overkwamen. Johan Cruyff kon in zijn jonge jaren geen zin uitspreken zonder een dus aan het begin, het eind én in het midden. Om in zijn trant te spreken: huidige voetballers zijn veel slimmer, zelfs al zijn ze dommer.

 

tienklein

Er verdwijnen niet alleen gedragsregels, er komen er ook bij. Tien kleine nikkertjes was in de jaren vijftig nog als titel voor een liedboek aanvaardbaar; daarna werd het Tien kleine negertjes, inmiddels ook onkies. Agatha Christie veranderde al vroeg de titel van haar boek dat op het liedje gebaseerd was in: En toen waren er nog maar... www.boekwinkeltjes.nl

 

Ook de Nederlandse vrouw, zoals zij vroeger werd aangeduid, heeft een enorme inhaalslag gemaakt. In mijn jeugd stonden dames er in gezelschap zo roerloos mogelijk bij, tot in hun gepoederde wangetjes toe. Ze waren wel expressief in hun blikken, - zoals de instemmende glimlach na een bedankje. Wijlen Agnies Pauw van Wieldrecht noemde die glimlach afwerend, maar er schuilt meer in. Al gaat er niets verleidelijks van uit, de bedoeling is hartelijk. Je kunt een zelfde glimlach krijgen als je een vrouw voor laat gaan, of zo maar ten teken dat alles in orde is - ik zou wel een film met zulke lachjes willen bekijken. Vandaag neemt de Nederlandse vrouw veel meer ruimte in beslag. Volgens mij gesticuleert ze zelfs drukker dan de Nederlandse man, met beide handen tegelijk, valt mij altijd op. In taalvaardigheid, dat wil zeggen: in modieus idioom ('Is goed'), verslaat ze hem eveneens. Om Randy Newman te parafraseren: soms...she doesn't know her ass from a hole in the ground, en weet ze toch een schrandere indruk te vestigen. Domme mannen ogen in de regel juist extra dom.

Deze toegenomen sociale vaardigheid is des te opmerkelijker, omdat het leven beduidend ingewikkelder is geworden. In mijn jonge jaren zweeg iedereen over relaties, seks, ziekte en dood. Er heerste nog een echte standenmaatschappij; je woonde, zoals wij zeiden, aan de goeie kant of de verkeerde kant van het kanaal - iets wat overigens in mijn studententijd vice versa ging gelden, dus dat de goeie kant de verkeerde kant werd. Protestanten hoefden niet met katholieken te praten, liberalen niet met socialisten. Voor een man deed het er nauwelijks toe wat vrouwen over sport, economie en politiek dachten en ten aanzien van vreemdelingen en roodharigen gold dat voor ieder mogelijk onderwerp. Dit hele gebied werd door een soort meta-etiquette geregeld, waarbij a nod and a wink volstonden.

 

vertrutting1

Tegelijk met verhuftering doet zich vertrutting voor. Dj Gerard Ekdom richtte hiertegen in 2017 een bond op.

 

 

Zo bezien is het een tevredenstemmend mirakel dat Nederlanders veel behendiger zijn geworden, waarvoor vooral ons onderwijs lof verdient, dunkt me. Toch kom ik weer terug bij etiquette, als referentiepunt. Erasmus achtte twee elementen onontbeerlijk voor sociaal verkeer: aardigheid en wellevendheid, en daaraan schort het bij ons nog steeds. In andere landen zal een voorbijganger jou op straat aanschieten met een verontschuldigende introductie, in Nederland krijg je toegesnauwd: 'Het station, waar ligt dat? 'Als je in gedachten verzonken bent, is dat onprettig. In de dienstverlening kun je bij ons helemaal je lol op. Ik woon vlakbij Culemborg en daar ben ik door diverse winkeliers afgeblaft omdat ik te brutaal uit mijn doppen keek, naar ik begreep. In het katholieke zuiden stuit ik in winkels op minder lichtgeraaktheid, maar ook daar is men nog ver verwijderd van het denkbeeldige kusje dat je door Franse winkelmeisjes bij binnenkomst krijgt opgedrukt: 'Bón-jour'.

Om kort te gaan: Nederlanders beleven veel lol, maar lol in joyeusheid ontbreekt. Joyeus zijn ze slechts met toezeggingen op feestjes. Vroeger werden die, schat ik, nog voor de helft ingelost, vandaag ben ik de enige die dat doet. En een complimentje uitspreken gebeurt louter als men een handeltje verwacht en is dan meteen een zwaktebod. Dat complimentjes in de polder nooit ingeburgerd zijn geraakt, laat zich raden, want Amy Groskamp - ten Have begreep al niet wat de essentie ervan was; haar definitie luidde: betuiging van beleefdheid in plaats van waardering. Calvinisten bijten nog liever hun tong af dan zoiets te laten blijken, maar in mijn Brabantse jeugd gold hetzelfde. Je kon nog zo je best doen, je kreeg nimmer iets positiefs te horen, want dat zou - iets ergers bestond niet - jou verwaand maken. Tegelijk waren groepsgewijze loftuitingen voor middelmatige voetballers en televisiesterren niet van de lucht, en diende je iedere kritiek voor je te houden. Eigenlijk was het schizofreen en ongelofelijk intimiderend.

 

belgenmonument

Ooit kon dankbaarheid een monumentale omvang aannemen. Het Belgenmonument in Amersfoort, opgericht als dank voor de opvang in Nederland van Belgische vluchtelingen tijdens W.O. I. wikipedia


Bepaald onprettig ook vind ik dat bedankjes steeds vaker achterwege blijven, wat niks anders kan betekenen dan dat mensen niet meer dankbaar zijn. O, zeker, als plichtpleging, stoplap en smaakmaker bij aankopen hoor je voortdurend iets in die trant uiten. Sinds een jaar of tien kennen wij ook het gewiekste bedankje van Engelse tennisumpires waarin de gevraagde reactie al verdisconteerd zit (Quiet please, thank you).

Ogenschijnlijk is er dus niets aan de hand, maar intussen. Ik behoor niet tot de school die vindt dat je de volgende dag voor een etentje moet bedanken, want dat kun je bij het weggaan net zo goed doen. Als je echter op verzoek per mail uitleg geeft over een onderwerp in jouw vakgebied, is het wel normaal dat je iets te horen krijgt. Ik heb dit ontelbare malen gedaan, en wacht nog steeds op de eerste reactie. Hoe anders was dat voorheen. Niet alleen persoonlijke, ook collectieve bedankjes waren aan de orde van dag. In veel bedrijven hangen nog plaquettes waarop het personeel zich erkentelijk jegens de directie toont. Ronduit imposant is het huizenhoge monument in Amersfoort, geschonken door België ter herinnering aan de opvang van één miljoen vluchtelingen uit dat land tijdens de Eerste Wereldoorlog. Kleinere dankbetuigingen zijn tot in onze tijd gangbaar gebleven, zoals onderstaand tegeltableau waarmee de bevolking van Culemborg gedenkt dat zij tijdens de meidagen van 1940 onderdak vond in het naburige Beusichem.  


beusichem

Tegeltableau op voormalig gemeentehuis van Beusichem, geschonken door de bevolking van Culemborg, voor de hulp tijdens de meidagen in 1940. www.mijngelderland.nl 

 

Ik weet best, ooit was het God die mensen tot dankbaarheid stemde, vervolgens diens plaatsvervangers op aarde, tot aan bazen en baasjes toe. De laatsten hoorden daarvoor wel concrete schenkingen te doen; geven was een feodale plicht. Uit Brabant herinner ik me dat die plicht het zwaarst woog. Bedanken was daar des bedelaars; iemand hield zijn mond wanneer een ander iets voor hem deed, alsof hij die ander slechts tot filantropie in staat stelde. Maar krijgen bleef toen nog steeds een voorrecht. Socialisten hebben daarvan geleidelijk een recht weten te maken. De naoorlogse individualisering en nivellering zorgden ervoor dat iedereen die visie deelachtig werd. Nu is het vaak zo dat jij blij mag zijn als anderen iets van jou willen ontvangen. Om jullie egalitaire relatie niet te verstoren doen zij er verder het zwijgen toe - handig bovendien, want op die manier vegen zij een eventuele aanspraak jouwerzijds op een tegenprestatie bij voorbaat van tafel. Het verwarrende aan de huidige tijd is echter dat ik nog een fijnbesnaarde tante heb die al 'dankjewel' zegt wanneer ze mij niets te danken heeft.


Vereniging voor Vrijwillige Bourgeoiskunde, januari 2010 e.p. www.vvb.nl

----------------

* Linkse mensen zijn wel consequent in hun afwijzing van dankbaarheid. Zij storen zich niet in het minst aan immigranten die in Nederland meer bereiken dan waarvan zij in hun geboorteland hebben kunnen dromen en desondanks (!) snoeiharde kritiek op ons leveren. De Somalische Saeda Nourhuussen, de Ghanees Jerry Afriyie, de Kameroens-Russiche Anousha Nzume, zij mogen in de progressieve media rustig verkondigen dat witte mensen racisten zijn. Ik kan verwijten van Surinamers en Antillianen best billijken omdat zij historische rekeningen hebben uitstaan; dat geldt voor deze mensen allerminst. Daarom kan ik hun opstelling al nauwelijks volgen. Jaren geleden ben ikzelf in een Betuws dorp neergestreken, maar tegenover de oorspronkelijke bewoners onthoud ik me nog steeds van ieder commentaar, laat staan dat ik publiekelijk hun mentaliteit aan de kaak zou stellen. Meer nog dan een kwestie van fatsoen is dat een kwestie van eer: ik zou mezelf onaardig én ongeloofwaardig vinden als ik het toch deed. Daarom begrijp ik ook de hoofdredacteuren niet die hen faciliteren. Zijn dat in de letterlijke, dus tweezijdige, zin van het woord sadomasochisten? Maken zij geen balans op tussen wat iemand krijgt en bijdraagt? Bij rijkaards gebeurt dit altijd; waarom dan niet bij deze immigranten? In de praktijk worden die immigranten ook nog eens voorgetrokken op miljoenen andere Nederlanders, wier mening niet eens wordt afgedrukt, laat staan dat zij ervoor betaald krijgen.

Een enkele keer slaat mijn irritatie om in walging. De  Libanese Belg Abou Jahjah, een eersteklas profiteur en een verklaarde vijand van het Westen, mocht van de VPRO een avond lang tegen ons te keer gaan. Misschien weten ze bij de VPRO niet dat Jahjah uit een cultuur komt waarin gastvrijheid weliswaar hoog staat aangeschreven maar omgekeerd van gasten wordt verwacht dat zij hun gastheer voortdurend stroop om de mond smeren; dus die man lacht ons al de hele tijd uit! 

* De informalisering c.q. verhuftering is historisch gezien op het juiste moment begonnen. Mijn eigen vader leefde nog min of meer volgens de Rules of civilty and decent behavior die George Washington midden achttiende eeuw optekende. Bescheidenheid was daarin troef: geen impertinente vragen stellen, geen waanwijze adviezen geven, niet op straat eten, niet met een volle mond praten, opstaan als iemand die staat zich tot jou wendt, rechtop zitten, etc. George Washington's motto luidde: 'Every action done in company, ought to be with some sign of respect to those that are present.' Het gaat om dat 'some sign'. Niet-westerse immigranten eisen van ons respect, maar hebben omgekeerd vaak al moeite 'some sign of it' te tonen. Het was een ramp geworden als bij ons de Rules of civilty and decent behavior nog algemeen hadden gegolden.  

 


terug naar boven