Etiquette

 

Hollandse manieren

 

Etiquette is een vrolijk onderwerp, maar heeft met humor niets te maken. De Duitse cartoonist Loriot publiceerde in de jaren vijftig een grappig bedoeld boekje Der gute Ton, waarvan nota bene Remco Campert een Nederlandse bewerking vervaardigde: Zo hoort het eigenlijk. Alles wat je ervan kunt zeggen is dat de combinatie van een cartoonist en een dichter nog geen humor oplevert. Daarvoor ontbeert etiquette iedere dramatiek, - al gaat het natuurlijk wel om theater. Het lachwekkende schuilt bij de bespelers van dat theater: enerzijds ingewijden die pretenderen alles al te weten en anderzijds parvenu's die eerst hun ogen de kost geven en vervolgens pretenderen alles al te weten. Schrijvers over goede manieren - van Erasmus tot Amy Groskamp-ten Have - konden zich daarom wel luchtig, zelfs luimig uiten, hun ondertoon bleef ernstig, anders kwam hun boodschap niet aan.

loriot

Uit: Zo hoort het eigenlijk, het handboek der verfijnde etikette in woord en beeld, Loriot & Remco Campert, 1958

 

Twintig jaar geleden had G.L. van Lennep in NRC-Handelsblad een rubriek waarin hij wel met allerlei regeltjes de draak stak. Een treffend verschil met zijn voorgangers: hij richtte zich tot een gewillige incrowd; het gros van de mensen had hij al opgegeven. Het door hem bedachte tv-programma Glamourland ging nog een stap verder. Reporter Gert-Jan Dröge ontmoette daarin de quasi-society die uit de massacultuur was voortgekomen en deelde met de kijker het droevige besef dat savoir-vivre iets van gisteren was. 

Glamourland heeft een vervolg gekregen in Hoe heurt het eigenlijk? van Jort Kelder, bij wie ironie slechts een voorwendsel was, want hij tapte beslist uit een ander vaatje. Van Lennep en Dröge bezaten het perspectief van de modale villabewoner, Kelder dat van een snakkende dandy uit een rijtjeshuis. Hij bewonderde nieuw geld en kwijlde bij oud geld - de naaste statusconcurrenten van de modale villabewoner. Ongetwijfeld paste zijn visie beter bij de tijdgeest, maar wat hij bracht was een flauwiteitenkabinet van maniertjes en gadgets, zonder een spoor van melancholie. In de kern leek het alsof hij patsers meer cachet wilde verschaffen en adellijke oudjes een beetje gezelligheid. Bij het kijken ernaar dacht ik geregeld: eigenlijk zou dit programma in Australië moeten worden uitgezonden, waar veel cultuurbarbaren wonen, maar misschien zijn wij inmiddels tot het niveau van dat land afgezakt. 

 

monsieur

Sinds wanneer heet iedere man 'mijnheer'? Le plaisir d'être appelé Monsieur, Epinal, z.j.

 

De belangrijkste etiquetteschrijvers van dit moment zijn Beatrijs Ritsema en Reinildis - vroeger nog eenvoudig: Reina - van Ditzhuyzen. Trouw aan de traditie onthouden zij zich consequent van humor, maar hun uitgangspunten verschillen wezenlijk. Ritsema is een sociaal-psychologe en moet als zodanig veel begrijpen; zelfs barbaarse verschijnselen vergoelijkt zij soms nog (al is zij anno 2016 wel wat stelliger geworden). Van Ditzhuyzen is een Oranjeklant en kijkt sinds haar deftige naamswijziging graag met de majesteit mee van boven naar beneden, in de hoop dat zij vanuit een status by association een ieder gedragsregels kan dicteren.

Ondanks dit verschil hebben beide dames dezelfde doelgroep, al versluieren ze die. Desgevraagd zullen zij uit één mond verklaren dat zij de multiculturele samenleving omarmen, maar een moslim kan bij hen hooguit leren dat hij met zijn vingers van het eten dient af te blijven en dat hij tijdens het bidden zijn hum niet in de lucht mag steken. Hun etiquette regardeert dus mensen met een westerse levensstijl.    

Maar niet alle westerlingen... Ik neem althans aan dat zij zich niet richten op alternatievelingen als Gothics, hooligans en naturisten. Het gaat hun om de Nederlandse mainstream. Op zichzelf is dat interessant. Etiquette was altijd een geheim hulpmiddel van de elite om zich te onderscheiden van het gewone volk, dat zich met elementair fatsoen moest bedruipen. Beide dames doen het nu voorkomen alsof iedereen er baat bij zou hebben. Een elitaire oplossing omwille van een democratische zaak - apart!

 

ontlasting

'A watering place in Holland', anonieme Engelse cartoon uit 1785 over publieke ontlastingsgewoonten in Nederland (Atlas van Stolk).

 

Juist met het oog op de elitaire herkomst zou etiquette mijns inziens allereerst voer voor onderzoek moeten zijn, opdat mensen weten waar ze in de evolutie staan. Laat ik een voorbeeld geven. Een weinig belicht hoofdstuk in de brede democratisering van de afgelopen eeuwen is de titulaire geschiedenis. Volgens de neerlandica Hanny Vermaas is 'u' tegen anderen zeggen pas rond 1800 ingeburgerd geraakt. Daarvóór overheerste 'jij', - afkomstig van het 'gij' dat de Statenbijbel bezigt maar door Hollanders, alhoewel tuk op  harde 'g's', gaandeweg tot 'jij' verzacht. Dat onze voorvaderen het 'u' niet kenden lijkt mij logisch, want wij hadden geen koning die zich als 'wij' voordeed, waarop onderdanen niet anders kunnen antwoorden dan met 'jullie', zoals Fransen doen met 'vous'. Het zal geen toeval zijn dat 'u' aan een opmars begon toen Nederland met majesteiten te maken kreeg, maar heel vreemd: in één moeite door gingen burgerlijke families elkaar ook onderling met 'u' adresseren, wat in Frankrijk en Duitsland (en onder de adel) juist nooit gebeurt. Nederlanders waren daarmee opeens deftiger dan andere Europeanen. Een tijdelijke overreactie. Inmiddels is tutoyeren hier weer algemener dan elders.   

Minstens zo interessant: wanneer is het gebruik ontstaan om niet-adellijke mannen 'mijn-heer' te gaan noemen? In Engelse cartoons uit de achttiende eeuw was 'mijn-heer' al op z'n minst berucht: iemand die openlijk op straat stond te sassen, vandaag de dag weer een vertrouwd tafereel. Heel lang zijn heren ook heren gebleven, in de zin dat gewone mannen slechts 'man' waren en maximaal met hun achternaam werden toegesproken ('Zeg, De Vries'). Iedere handwerker daarentegen, zelfs al was hij op leeftijd, heette naar zijn voornaam, tenminste als het goed was, want er waren werkgevers die voor het gemak al hun ondergeschikten Jantje of Marietje noemden. Ook dit is radicaal gewijzigd: wie tegenwoordig een ondergeschikte op zijn plek wil houden zegt meneer en u tegen hem.  

 

getaptzijn

Savoir vivre op z'n Hollands. Etiquette voor Dames en Heeren uit 1923, door J. van Mars, met de kennelijke de bedoeling om 'getapt' te worden. Collectie Heijting, Uva.

 

Contrair aan deze ontwikkeling verdween aan de top heel wat eerbetoon. Aan het begin van de vorige eeuw was elke burgemeester nog een 'excellentie', wat ministers tot in de jaren zeventig zijn gebleven. Tot die tijd adresseerde men rechters steevast als 'edelachtbare' en een doctorandus als 'weledelgeleerde'. In feite speelden er dus twee zaken: opwaartse democratisering en neerwaartse nivellering, behoorlijk ingewikkeld, als je erover nadenkt.

Voor vrouwen bestond van oudsher zelfs een vierslag: mevrouw, mejuffrouw, juffrouw en vrouw. Mevrouw was in de negentiende eeuw nog zeldzaam. Lang niet elke mijn-heer bezat een me-vrouw; mejuffrouw (in Limburg 'madam', aldus Toon Hermans) was voor velen het hoogst bereikbare. Rond deze statuskwestie zijn hele schaduwgevechten gevoerd. Op www.delpher.nl zijn kostelijke anekdotes uit Den Haag te vinden over volksdames die elkaar tijdens het wachten bij de bakker om de haverklap 'mevrouw' noemden en uitgebreid naar wederzijdse vriendinnen informeerden: 'Hoe is het toch met mevrouw Karelsen en mevrouw Pietersen?' Pas tegen 1900 werd de samenleving scheutiger met deze titel en bewaarde men mejuffrouw voor ongetrouwde dames, wat zeker tot in de jaren vijftig heeft geduurd. En nu is elke vrouw een mevrouw, zoals elke man een heer is. Weledelgeboren bovendien, een naoorlogs presentje van de overheid dat zelfs minderjarigen ten deel viel.             

 

trap1

Uit: Levenskunst, handboek over levensvreugde, alledaagse dingen van het leven en omgang met mensen, Elsevier 1972.

 

Onderzoek zou ook orde scheppen in de wirwar aan regeltjes die alleen al in Europa heerst en waartegen Brussel merkwaardigerwijs nooit is opgetreden. Zo vinden Belgen en Britten het correct een soepbord aan de rand op te lichten teneinde de allerlaatste druppeltjes te kunnen wegscheppen, iets wat bij ons alleen Tokkies doen. Een Fransman loopt rechts van een dame, terwijl bijna overal een heer links van een dame loopt, - tenminste in ongetrouwde staat; in getrouwde staat dient een Nederlandse heer eveneens rechts te lopen. (Of is het hier: diende? Beatrijs Ritsema raadt aan dat mannen 'aan de buitenkant' lopen, dus de straatkant, zodat zij opspattend water kunnen opvangen en vrouwen de beste blik op de etalages gunnen, wat mij overigens nogal ongeëmancipeerd voorkomt).

Wonderlijk is tevens dat in Zuid-Europese landen officiële toespraken vaak openen met 'Heren en dames', terwijl wij steevast 'Dames en heren' zeggen, net als Engelsen en Duitsers. Vanwege de positie die vrouwen van oudsher bekleedden kan ik begrijpen dat heren traditioneel als eersten werden genoemd, maar zijn wij dan op enig moment in de geschiedenis overgestapt op 'dames en heren'? Of gaat het hier slechts om een klankvoorkeur? Zo zeggen ook wij liever 'vrienden en vriendinnen' dan 'vriendinnen en vrienden'.    

Gek genoeg in tegenspraak hiermee is dat in Zuid-Europese landen een vrouw als eerste een trap bestijgt, wat bij ons een man hoort te doen. Gebeurt dat daar om de man tersluiks in staat te stellen een studie van haar contouren en motoriek te maken? Wel, op Nieuw-Guinea leven de Korowai in boomhuizen op veertig meter hoogte; ooit waren zij koppensnellers, maar toen al eisten hun dames uit hoofde van de zedigheid dat de heren vóór hen de touwladders beklommen. 

 

etiquette1

Bourgeois etnologie, uit: Levenskunst 1972.

 

Op een fundamenteler vlak ligt de intrigerende kwestie waarom Nederland eigenlijk nooit een hofcultuur heeft bezeten. De Oranjes lopen al vijfhonderd jaar in de hofstad rond en heet Den Haag dan voor niets zo? Hoe kan het dat zij zo weinig invloed hebben uitgeoefend op de nationale omgangsvormen? Je zou zeggen: een klein land, minstens honderdduizend Nederlanders, zo is eens becijferd, stammen rechtstreeks van Willem van Oranje af en toch is hoffelijkheid hier een malle buurman met een vlinderdasje. Zou dit iets met de godsdienst te maken hebben gehad? Ten dele ongetwijfeld wel. Nederland is met Zwitserland het enige land op het Europese continent waar de handkus niet voorkomt, en het kost weinig fantasie de paniek van een calviniste bij dit wufte ritueel in te beelden. Maar Engeland en Scandinavië, die minder zwaar in de leer zijn, kennen de handkus evenmin, en de protestantse delen van Duitsland weer wel. Raadselachtig. 

Ander voorbeeld: tot aan de Tweede Feministische Golf bestond hier de gewoonte dat een man een vrouw voorging bij het betreden van een openbare gelegenheid. In het boek Etiquette uit 1994 van Inez van Eijk kwam ik die regel nog tegen. Bij mijn weten gold overal elders die regel slechts als er een draaideur in het spel was; bij een gewone deur schreed een vrouw als eerste naar binnen. Hoe heeft dit verschil met het buitenland kunnen ontstaan? Nederland is altijd volgend geweest in etiquetteregels; op dit punt niet. Is dit, ik doe een suggestie, veroorzaakt door het feit dat hier al vroeg afdakjes boven deuren waren aangebracht die wachtende vrouwen bij regen bescherming boden? Of waren de openbare gelegenheden hier doorgaans zo smerig en onguur dat mannen eerst moesten uitvissen of het er wel pluis was?

 

vuurgeven2

Levenskunst, 1972.

 

Over zulke zaken lees je nooit iets, maar discussies vinden evenmin plaats. Iets moet altijd zijn omdat het zo is en daarmee basta. Zelfs relativerende informatie uit het verleden blijft achterwege. Zelf vond ik het machtig interessant om in Pieter Stokvis' Het intieme burgerleven (2005) te lezen dat halverwege de negentiende eeuw ook nette plattelanders à la De Aardappeleters van Van Gogh nog in een gemeenschappelijke schotel zaten te prikken. En dat de ogenschijnlijk logische gewoonte om aan tafel mes en vork als een paar te hanteren uit Engeland is overgewaaid; tot aan het eind van die eeuw was bij ons de Franse methode populair om met een mes louter het vlees te snijden en verder alleen een vork te gebruiken, zoals Amerikanen nog steeds doen (waarbij zij ook nog hun linkerhand onder de tafel houden). Etiquetteregels hebben altijd iets categorisch, maar hun wordingsgeschiedenis wijst anders uit. 

Om toch eens tegengas te bieden heb ik ooit via een mail bij Beatrijs Ritsema aangekaart dat de wens 'smakelijk eten' technisch gesproken een goede aftrap voor een gezamenlijke maaltijd vormt. Aanleiding was een opmerking van haar op www.beatrijs.com dat deftige mensen zo'n wens als burgerlijk beschouwen. Ter verklaring voerde zij aan dat in dergelijke kringen iedereen erop mag rekenen dat het eten smakelijk zal zijn, zodat het expliciet uitspreken van de hoop daartoe een belediging behelst voor de vrouw des huizes en/of haar kok.

 

dichtdekken

De vork is pas sinds de 18de eeuw een vast attribuut bij een maaltijd. Lang is gedelibreerd over de ideale wijze van dekken, met de tanden naar beneden ('dicht') of naar boven ('open'). De Fransen kozen voor dicht, waardoor tevens een eventueel familiewapen aan de achterzijde zichtbaar werd; de Duitsers voor open, wat Fransen agressief vonden ogen. Na 1900 is bij ons (en in de Angelsaksische wereld) de Duitse methode het meest gangbaar geworden, zij het niet, zoals uit deze foto spreekt, op Het Loo, hoe Duits de Oranjes ook waren. www.paleishetloo.nl   

 

Kom nou! Zelf heb ik dit gebruik eerst leren kennen bij stijve protestanten, van wie ik begreep dat zij niet voor de lol aten. In de jaren zeventig heb ik een katholiek, die op de Nederlandsche Bank was gaan werken, dit uitdrukkelijk zien navolgen. Tijdens etentjes bij hem thuis weigerde hij voortaan het bekende beginsignaal te geven. Omdat wij als disgenoten daar toch op zaten te wachten, verzon hij steeds een andere opwekking: 'Nou jongens, dat ziet er goed uit' of 'Ik ben benieuwd wat de kok nu weer heeft bereid.' Pas daarna begon iedereen smakelijk te eten, zoals de bedoeling was.

Volgens mij zit de zaak als volgt in elkaar. Hoge adel zal bij maaltijden iedere opwekking achterwege hebben gelaten. Misschien fluisterde een enkele livreiknecht zijn heer iets toe, maar waarschijnlijk niet, want dat zou van gemeenzaamheid hebben getuigd. In Engeland en Scandinavië leidde dit ertoe dat men ging eten zodra men was bediend; in de rest van Europa gold dat de gastvrouw eerst haar mes en vork ter hand moest nemen. Calvinisten zullen dit seintje gretig met zwijgzaamheid hebben beantwoord. Eeuwenlang dankten zij immers aan het begin van de maaltijd de Heere, Heere, alvorens zij zich schuldbewust tot hun bord wendden.

 

etiquette4

 'Een correct man staat op wanneer een dame aan zijn tafeltje een praatje komt maken; zijn gezellin mag blijven zitten'. Uit: Etiquette van mr. A. van Deinse, 1972. Een dergelijk tafereel viel in elke lunchroom te aanschouwen, maar er zijn geen lunchrooms meer. 

 

De Napoleontische tijd bracht eindelijk het 'bon appétit' naar Nederland, wat door francofiele landgenoten onmiddellijk zal zijn omarmd. Het liep eigenlijk mis met de vertaling daarvan, die na het vertrek van de Fransen wenselijk werd. Letterlijk betekent bon appétit: 'goede eetlust', maar dat stuitte op een ander taboetje. Hollandse notabelen spreken frank en vrij van 'lusten en lasten' en van 'honden die ergens geen brood van lusten', maar niet van 'ik lust', want dat zou eigen wellust kunnen doen vermoeden. De Duitsers zaten kennelijk met hetzelfde probleem; zij losten het op door het appétit te verduitsen en er 'guten' voor te zetten. Als alternatief ging gelden: 'Mahlzeit', wat een soldateske oorsprong zal hebben. Ons 'Eet ze' komt hierbij in de buurt maar is niet populair geworden; ik stel me altijd voor dat die raadselachtige opwekking stamt van het oplezen van recepten (Eet ze... die gegratineerde aardappelen). Hét alternatief voor 'bon appétit' werd bij ons 'smakelijk eten'. Maar in feite is dat een stap verder. In plaats van iemands algehele instelling tot een maaltijd gaat het dan over het smikkelen zelf, over hoe dingen op de tong worden ervaren, en dat facet lieten velen liever onbesproken. 

In de digitale databank van historische kranten kan men niettemin vinden dat 'smakelijk eten' in de negentiende eeuw een bescheiden opmars beleefde. Vooral in vertaalde feuilletons valt die wens regelmatig. Aan het eind van de eeuw lezen we ook wat het nut ervan kan zijn. In Het Paleis voor de Volksvlijt ontvangt de Vereeniging tot Vereedeling van het Volksvermaak een massa arme kinderen voor een feestmaal ter gelegenheid van Sinterklaas. Iemand spreekt een woordje van welkom en geeft dan de kinderen toestemming tot de aanval over te gaan via een luid: 'Smakelijk eten.' Het verenigingswezen zal inderdaad een wegbereider voor die wens zijn geweest, net als de vele restaurants die in de twintigste eeuw ontstonden. Voor een ober vormen die woorden een ideaal bruggetje om zich van een tafel af te kunnen keren, en mijn gedachte is ook dat uit die hoek de bijna Bommeliaanse frase 'Smakelijke voortzetting' stamt, - al kan dat evengoed het verenigingswezen zijn geweest, met zijn door vele speeches onderbroken feestmalen. 

 

aardappeleters    

Aardappeleters (1885) van Van Gogh. Het gaat hier om het aardappelprikken uit een gezamenlijke schotel. Dat was ook bij burgergezinnen in de provincie nog tot halverwege de 19de eeuw gebruikelijk. (Google Art)

 

Welnu, Beatrijs Ritsema reageerde op mijn inbreng zoals het een psychologe betaamt: iedereen moest zelf weten wat hij deed. Zij weigerde op de subtiele onderliggende regiekwestie in te gaan en wees op de mores hieromtrent in andere landen, met als boodschap dat alles relatief en dus verdedigbaar was, inclusief deze verbreiding van protestants chagrijn, al zei ze dit laatste er niet bij. Aan de Oranjegezinde Van Ditzhuyzen heb ik mijn mening niet eens durven voorleggen, want zij zou ongetwijfeld mijn hele persoon als 'buh' hebben beschouwd, wat zijzelf tot op de draad is.

Ik pleit niettemin voor 'smakelijk eten'. Bij wijn wordt immers ook getoast.

Ik pleit bovendien voor 'aangenaam' bij een kennismaking, zoals veel Vlamingen zeggen.

O, ik weet, dit is het gruwelijkste wat je volgens sommigen kunt uitspreken en ik zal niet ontkennen dat ook ik mijn opinie klaar heb zodra een landgenooot het A-woord bezigt, maar waarom eigenlijk? In mijn jeugd was er een Duitse tv-serie getiteld Gestatten, mein Name ist Cox. Wanneer deze Cox ergens binnenkwam zei hij volgens de ondertitels kortweg: 'Cox, aangenaam'. Mijn vrienden en ik vonden dat ongelofelijk stoer. 'Aangenaam' komt ook overeen met het Amerikaanse 'Nice to meet you', welbeschouwd de meest perfecte reactie bij een kennismaking. Volgens de Nederlandse boekjes dien je bij zulke gelegenheden echter te vragen: 'Hoe maakt u het?' - zónder dat je daarop een antwoord hoeft te verwachten! Jouw vraag blijft dus in het luchtledige hangen, waardoor je je in een gezelschap van enige omvang algauw een Mr. Bean voelt worden, of beter: een van de vele Mr. Beans, die allemaal hetzelfde zinnetje mompelen.

handkus2

Levenskunst, 1972

 

Het gekke is dat volgens Amy Groskamp-ten Have Nederlanders vroeger net als Vlamingen wel degelijk 'aangenaam' en zelfs 'aangenaam kennis te maken' zeiden. In haar vooroorlogse bestseller Hoe hoort het eigenlijk? meldt ze dat 'beschaafde personen' deze termen sinds kort vermeden als 'zijnde te afgezaagd'. Dat is natuurlijk kletskoek, want iedere etiquetteregel is afgezaagd. Ik vermoed dat onderscheidingsdrang de ware drijfveer is geweest dat beschaafde personen hiervan afweken. 'Aangenaam' was makkelijk aan te leren en klinkt au fond egalitair en eigenwijs, net als 'Nice to meet you' trouwens. Toen zelfs Jan met de Pet dit zei wanneer hij iemand van de elite ontmoette, kon die elite beter iets anders zoeken. Het ligt voor de hand dat zij daarvoor bij haar naburen te rade is gegaan, die tot vandaag allemaal Wie geht's ihnen?, Comment-allez vous? of How do you do? prevelen. Logischerwijs vraag je dit echter aan iemand die je reeds kent en van wie je ook weet dat het gepast is om het te vragen, opdat hij, net weduwnaar geworden, niet ineens snikkend in je armen valt.

Dit brengt mij op de waarschijnlijke bron van deze frase: de jaarlijkse landdag van de adel ten paleize. De meeste aanwezigen kenden elkaar al van kindsbeen en van de koning was het reuze attent als hij bij edelen die net van een belegering waren teruggekeerd informeerde: 'Hoe maakt u het?' Op een antwoord hoefde majesteit natuurlijk niet te wachten. Dit zal vaste prik geworden zijn aan alle Europese hoven. Eeuwenlang kon die vraag ook volstaan, omdat men zelden nieuwe gezichten tegenkwam en zo wel dan moest er terstond een praatje worden aangeknoopt, waartoe die vraag ook opriep. In onze vluchtige maatschappij is dit laatste absoluut de bedoeling niet meer, waardoor het zinnetje volkomen loos klinkt. Uitgesproken door botte Hollanders is het zelfs net alsof zij een ontmoeting met jou als onaangenaam ervaren.

 

 

maxima

Nieuw rolmodel voor Nederland: koningin Maximá. Van alle hedendaagse burgerkoninginnen is zij de enige die met een gesperde mond lacht, zoals hier bij een officiële ontvangst in de VS. Die mond vormt wel een terugkerend onderwerp op royaltyblogs, begrijpelijk, want de Romeinse dichter Ovidius adviseerde vrouwen nog bij het lachen de onderlip tegen de boventanden gedrukt te blijven houden. www.newmroyals.com

 

Maar: tant pis. Jongeren van tegenwoordig hebben alle voorschriften op dit gebied naast zich neergelegd; zij zeggen gewoon dat zij het prettig, leuk of interessant vinden met iemand kennis te maken. Ook schrikken zij niet op als zij 'smakelijk eten' horen wensen. Mijn pleidooi is dus achterhaald.

Toch zou het goed zijn als discussie rond etiquette normaal wordt. Begin jaren tachtig merkte ik dat bekenden in het voorbijgaan 'hallo' tegen me zeiden. 'Hallo', moet men weten, was oorspronkelijk een kreet om mensen van verre te roepen maar dankt zijn opkomst als groet aan de eerste jaren van de telefonie in Amerika: 'Hallo' in een hoorn uitspreken bleek effectiever en minder mal te klinken dan 'Do I get you?' of 'Are you there?' Eenmaal als groet geaccepteerd gingen bekenden dat woord gebruiken bij een ontmoeting; onbekenden hielden het op een formeler 'dag'. Maar 'hallo' bleef wel een begroeting, het startsein om op z'n minst wat algemeenheden uit te wisselen, en terwijl ik daarvoor dus stopte liepen mensen nu tot mijn verbazing gewoon door. Nog vreemder werd het toen ook onbekenden 'hallo' tegen je gingen zeggen, tot aan winkelpersoneel toe. 'Hallo' werd daarna snel 'hoi' en verhuisde rond de millenniumwende zelfs naar het eind van een ontmoeting - 'hoi' als 'tot ziens'. Ik weet nog dat ik de eerste die aldus van mij wegliep onderzoekend nakeek alsof er iets aan zijn continuïteitsbeleving schortte. Enige discussie, althans openheid van zaken, had hier verwarring kunnen voorkomen.

Met een serieus debat rond etiquette zouden we eindelijk ook iets kunnen ondernemen tegen de beruchte Brabantse Drieklapper. Psycholoog Dolf Kohnstamm heeft dit geprobeerd, zij het zonder succes. Voor zover ik weet hebben Beatrijs Ritsema en Reinildis van Ditzhuyzen zijn noodkreet niet eens gesteund.

 

zalm

Eerlijk is eerlijk: Oud-minister en ABN-Amro-topman Gerrit Zalm was voor mij de eerste hoogwaardigheidsbekleder met een communicerende gesperde mond bij het lachen. Compilatie www.stevenbrownsblog.wordpress.com

 

Sinds het jaar 2005 ongeveer zitten we opgescheept met mannelijke equivalenten van de Brabantse Drieklapper: de one-armed hug, waarbij mannen elkaars rechterhand vastpakken en dan de linkerschouders tegen elkaar drukken, en de complete accolade, zoals onder maffiosi gebruikelijk is, met als intiemste variant die waarbij de hoofden op de rechtschouder van de ander komen te rusten. Anno 2015 is het bij Amsterdamse heteromannen van, zeg, vijftig jaar evenmin vreemd als zij daarbij elkaar een zoen op de (stoppel-) wangen drukken.

In een versnelde terugblik behelst dit voor mij een totale Umwertung, maar dat is niet helemaal juist, zo valt te lezen bij Pieter Stokvis. Mannen die elkaar zoenden werden bij ons pas in de negentiende eeuw als verwijfd beschouwd, en losjes gearmd met elkaar paraderen bleef zeker tot het midden van die eeuw normaal. Tegenwoordig moet je daarvoor naar mediterrane landen. Als kleuter, weet ik nog, dat ik met een vriendje over straat liep met ieder een arm om de nek van ander geslagen. Mooie tijden, eigenlijk. Eenmaal op de lagere school echter ging gelden dat je vrienden zo nonchalant mogelijk groette, à la John Wayne in Rio Bravo. Het summum op dit punt maakte ik mee op kostschool, waar een jongen mij in een lange gang met een stalen gezicht tegemoet liep en bij het passeren slechts een pink ophief die toevallig uit zijn broekzak stak. Ik voelde mij hierdoor... afgetroefd, want omgekeerd had ik voor hem tenminste nog mijn wenkbrauwen gefronst. En dan nu weer al die intermannelijke aanrakingen! Op de Olympische Spelen van Rio de Janeiro zag ik onze koning zelfs kerels die een medaille hadden gewonnen omhelzen. 

 

mannenhug

De mannenhug en mannenkus zijn onder jongeren in de grote steden hip, aldus dj Giel Beelen. Foto ontleend aan www.giel.vara.nl

 

Door open discussies hoeven ouderen zich niet langer geschoffeerd als de opvattingen veranderen. Het heeft ook mij verwonderd dat de omgangsvormen almaar amicaler zijn geworden, werkelijk voorbij iedere vormelijkheid. Ik denk dan aan baliepersoneel met opdringerige uitlatingen als: 'Ik ben er helemaal klaar mee', 'Dit kan niet waar zijn', 'Helemaal goed' en 'Dit gaat het niet worden', die vroeger alleen in directiekamers weerklonken. Als behoorlijk expansief ervoer ik trouwens het nadrukkelijke zóóó van moderne jonge vrouwen ('zóóó leuk'). 

Toch kun je op dit vlak aan veel wennen zodra je eenmaal de teneur begrijpt. Zelf raakte ik aanvankelijk nogal geïrriteerd als anderen op een verhaal van mij reageerden met een bevestigend 'oké'. Na lang piekeren begreep ik dat men 'oh' of 'aha' teveel eer voor mij vond, want verbazen kon ik uiteraard niemand met wat ik te berde bracht. Het woord 'oké' heeft ook anderszins een betekeniswijziging ondergaan. Vroeger stond dat voor een dienstbaar 'akkoord', tegenwoordig voor een lankmoedig 'vooruit'. Sinds pakweg 2005 antwoorden Amsterdamse obers aldus wanneer je iets bij hen bestelt. Ik ervoer dat in het begin als impertinent, maar nu klinkt het me prettig-egalitair in de oren, alsof ik tenminste tot hun leefwereld mag behoren. Ook het 'prima toch' en 'lekker toch' waarmee snotneuzen vandaag commentaar op jou leveren, waardeer ik inmiddels.

En laatst passeerde ik een beeldschoon buurmeisje dat in een bushokje zat te app-en. Zonder op te kijken zei ze tegen me: 'hoiiii', met aflopende interesse naar het eind. Ik dacht eerst: ze zou ook 'Dag, meneer de Jager' kunnen zeggen. Maar later vond ik haar groet, haar wegwuiving feitelijk, niet ongepast voor iemand van mijn leeftijd. Beatrijs Ritsema zou het met mij eens zijn geweest, gelet ook op de begroetingsrituelen bij de Memba's en de Yanomamö. Reinildis van Ditzhuyzen daarentegen zou op haar pumps hebben staan stampvoeten, wat etiquette tot zo'n dolkomische aangelegenheid maakt.

 

* Dat het met de manieren in Nederland niet best is gesteld, zullen weinigen betwisten. In de negentiende eeuw noemde Busken Huet zijn landgenoten 'geboren lummels'. Vooral dat 'geboren' klinkt hopeloos. En inderdaad, onlangs noteerde de dichter Ilja Leonard Pfeijffer: 'Het vergt geen enkel raffinement om een Hollander te zijn'. 

Zie hier het probleem: over ons alledaagse onfatsoen dat buitenlanders sinds mensenheugenis verbijstert, hoeven we het niet eens te hebben, en evenmin over de aan de gang zijnde verhuftering die daar nog bovenop is gekomen. Ik volsta wat dit betreft met een sarcastisch advies voor toeristen uit The Undutchables (1990):

Zorg dat de winkeldeur de persoon achter u vol in het gezicht treft...

Nee, mij gaat het om basale gedragingen - je kunt ook zeggen: fatsoen - van zogenaamd welopgevoede lieden. Caramba: koningin Maximà! Lachen met een gesperde mond was bij ons vijftig jaar geleden des volks, nu kun je dat haar zien doen. Minstens zo opmerkelijk: ze  zwaait bovenhands in plaats van onderhands, waardoor je geregeld in haar blote okselholtes kunt kijken. En nog iets: wijlen mijn moeder wond zich erover op dat, hoe zal ik het zeggen, haar foundation haar onderrug niet als één ononderbroken ronding presenteerde, de zogeheten queenbee-look (waar gek genoeg een eendenloopje bij hoort). In het algemeen, mogen we stellen, mist Maximà de schroom en de gelatenheid van de 'geboren' koningin; ze gedraagt zich meer als een succesvolle carrièrevrouw, wat ze niet is. Zelfs als ze bij president Obama of de VN op bezoek komt, lijkt het om háár verjaardagspartijtje te gaan. Er zijn veel Nederlanders, ook bij de EO, die haar brutale charme prachtig vinden; ik niet, ik ben jaloers op de Belgen met hun Mathilde. Een monarchie is al een absurd staatsbestel maar wordt nog absurder als de Koninklijke Familie niet langer de chicste familie van het land is.  

Bij de regering, van hetzelfde laken een pak. Minister van Cultuur Plasterk liet zich enige jaren geleden zowel buiten als binnen interviewen terwijl hij zijn hoed, een slap bruin geval, ophield. Ik moest direct denken aan een beroemd interview dat minister-president Beel op een vliegveld in Nederlands-Indië gaf. Beel werd nederig met 'excellentie' aangesproken, maar omgekeerd hield hij uit beleefdheid zijn bolhoed voor de borst. Sowieso gebruiken Nederlandse mannen een hoed niet meer om anderen te groeten, zoals ze eeuwenlang hebben gedaan. Ze dragen hem dus op de wijze van een vrouw. Op een golfbaan in Frankrijk heb ik daarentegen nog meegemaakt dat een speler op een andere hole zijn cap met een brede zwaai voor mij lichtte. Voordat ik kon reageren was hij alweer achter struikgewas verdwenen, zodat hij mij eigenlijk een onpersoonlijke groet had gegeven, zoals Amy Groskamp- ten Have dat noemde: een ongerichte groet uit eerbetoon of galanterie, iets wat in Nederland nog weleens gebeurt als iemand een treincoupé of lift betreedt, maar verder is uitgestorven. 

hoed3

Groetinstructies voor hoedendragers, uit Levenskunst, 1972. Let wel: het is mogelijk dat een van de heren de dame in kweste helemaal niet kent, maar zodra zijn metgezel de hoed licht hoort hij het hetzelfde te doen.   

 

En kijk eens hoe mannen zitten. Mijn vader zat altijd rechtop en sloeg zijn benen over elkaar als... wederom een vrouw, nu ik erover nadenk. Ik geloof niet dat ik hem ooit onderuit gezakt heb betrapt en met het ene been haaks over het andere, zodat de zool van zijn schoen zichtbaar werd. Bij G.L. van Lennep las ik dat nette mensen dat ook niet plegen te doen, en ik weet dat moslims zo'n zichtbare zool ronduit beledigend vinden, zeker als die naar hen is toegekeerd. Ikzelf echter ben een liefhebber van die houding, tenminste als er geen lage tafel in de buurt staat, want in dat geval leg ik mijn voeten dáár op. Maar wat ik niet in mijn hoofd haal is met een gespreid kruis zitten, en dat is wat mannen vandaag geregeld doen, zelfs jeugdige Oranjeprinsen. Hoe vreemd 'manspreading', zoals Engelsen zeggen, ooit voor mij was, blijkt uit het feit dat ik nog precies weet wanneer ik voor het eerst zag dat iemand zo zat: tijdens een televisieinterview van Yvonne Habets met de Heineken-ontvoerders Willem Holleeder en Cor van Hout in 1985, terwijl zij in een Frans motel over hun mogelijke uitlevering aan Nederland spraken. Het kan overigens goed zijn dat dit moment extra indruk op mij maakte om een andere reden: als kijker thuis was je getuige van de emancipatie van absoluut schorem, wat automatisch inhield dat het zoete wereldje van Amy Groskamp - ten Have definitief voorbij was.

In de jaren erna heb ik andere nieuwigheden bespeurd. Mensen, vrouwen vooral, die tijdens het praten aan hun haar zitten; merkwaardig, gebeurde vroeger nooit. Of zich uitrekken alsof ze zich in een slaapkamer bevinden. Of zodanig niezen dat ze op een mandril gaan lijken. Sinds kort signaleer ik mensen die ergens staan te wachten en dan hun billen spannen, bij wijze van tijdverdrijf, vermoed ik, want de ene keer schieten de billen gezamenlijk omhoog en dan de een na de ander, soms met natrillingen. Op stations en op Schiphol heb ik zelfs mannen en vrouwen van middelbare leeftijd hierop betrapt, en ik kan niet anders zeggen dan het mij telkens met huiver vervult. Welbeschouwd gaat het hier niet eens om fatsoen maar om een onbesproken deel van onze beschaving, want als bijvoorbeeld een jongen in zijn broekzak staat te biljarten dan krijgt hij dat te horen ('houd op met biljarten'), maar ik heb nooit gehoord: 'Jij moet je billen niet in je broek spannen'.

Met dit lamento wil ik uiteraard allerminst beweren dat beroerde manieren onoverkomelijk zijn. Opgegroeid in een katholieke fabrieksstad ben ik aardig vertrouwd met lompheid. Niemand bij ons wist hoe het echt hoorde, en vloeken regen wij aaneen bij wijze van stoplap, zoals Amsterdammers 'weet je wel' zeggen. De finesses leerde ik pas op kostschool bij de Augustijnen, inclusief de noodzakelijke nonchalance (deskundigen spreken met Baldassar Castiglione liever van sprezzatura) die je daarbij hoort te betrachten, zoals op z'n tijd 'kerel' zeggen of 'ouwe lulhannes'. Voor ons leerlingen gold als hoogstbereikbare op dit vlak: 'épater les bourgeois', want het waren natuurlijk vooral benepen lui die zich wentelden in goede manieren.


holleeder

Heineken-ontvoerders Willem Holleeder (r) en Bas van Hout geven in 1985 in Beauvais, Frankrijk, een persconferentie over hun uitlevering aan Nederland. De 'manspreading' van Holleeder is begrijpelijkerwijs weggeknipt, maar valt te reconstueren via de hand op zijn rechterknie. ANP-historisch archief


In de jaren zestig werd dit non-conformisme een algehele mode. De bestaande etiquette was nogal omslachtig en vertolkte welbeschouwd een voorbije wereld. Arbeiderskinderen, via studiebeurzen massaal in staat gesteld om naar boven te klimmen, kenden veel regeltjes trouwens niet eens en dat leidde vanzelf tot een kaalslag. En vrouwen die baas in eigen buik wilden zijn, hoefden heus niet meer voorgegaan te worden bij het betreden van een restaurant. Verwarring leverde dit soms wel op. Ik herinner me nog levendig dat je bij een kennismaking als man het eerst je naam noemde, volgens de oude ridderlijke opvatting dat een man aan een vrouw werd voorgesteld, niet andersom. Tegenwoordig noemen vrouwen meestal het eerst hun naam, maar het komt ook voor dat zij daarmee wacht, met als ongelukkig resultaat dat jullie namen tegelijkertijd klinken en geen van beiden de ander verstaat. 

De media haakten uiteraard in op deze evolutie. Geleidelijk werd het omgekeerde van fatsoen: ongevormdheid en provocatie, een cynische leidraad. Mijn vrouw, die in het onderwijs heeft gezeten, merkte steeds aan haar leerlingen wanneer VARA-coryfee Paul de Leeuw de avond ervoor weer eens los was gegaan. Nota bene, de VARA, die altijd had geijverd voor volksverheffing...


manspreading

Manspreading is ook reeds als probleem gesignaleerd. Vignet in Madrileense bus uit 2017 om niet twee stoelen tegelijk bezet te houden. www.telegraaf.nl

 

Daarom koester ik soms heimwee naar de vroegere etiquette; ja, als het om vroeger gaat eigenlijk alleen daarnaar. Etiquette wordt in Nederland meestal louter sociologisch gedefinieerd: de geldende beleefdheidsregels die het intermenselijk verkeer soepel laten verlopen. Ileen Montijn voegt daar twee elementen aan toe die voor het individu tellen: je weet erdoor hoe je aardig kunt zijn en hoe je vooruit zou kunnen komen in de wereld. De vroegere etiquette bevatte ook een geruststellende boodschap: het leven viel te leren en was niet per se moeilijk. Ondanks de nadruk op onderlinge statusverschillen ging er iets nivellerends van uit, in de zin dat iedereen slechts gehoorzaamde aan uitwendige geboden, wat althans bij sommige hooggeplaatsten tot bescheidenheid voerde. Feitelijk kon je alleen bijzonder zijn door wat je deed of was, niet door hoe je je gedroeg. In de huidige mediamieke wereld is het vaak andersom: veel mensen presenteren zich als bijzonder terwijl ze dat niet zijn. Maar om daarover geen misverstand te laten bestaan: alle grote persoonlijkheden die ik in mijn leven heb ontmoet waren in de omgang heel gewoon. 

Binnen de etiquette van weleer kon je tingeldansjes opvoeren alsof je een figuurtje op een speelautomaat was. Zoals: een vrouw die een sigaret in haar mond stak en jou een doosje lucifers of aansteker aanreikte om haar een vuurtje te verschaffen. Ik zie nog enkele gezichtjes boven de kom van mijn handen oplichten. Het was ook normaal dat als een vrouw in een restaurant aankondigde haar neus te gaan poederen haar mannelijke begeleider enkele decimeters uit zijn stoel verrees terwijl zij opstond. En wanneer zij terugkwam, gebeurde hetzelfde, alsof hun onderlinge weegschaal weer in balans moest worden gebracht. Voor commissaris Montelbano uit de gelijknamige Siciliaanse serie spreekt dergelijk gedrag nog vanzelf, in Nederland zie je het zelden meer.

 

 

etiquette

Hier is iets vreselijks aan de hand, te oordelen naar de blik van de dame. Wat precies? De heer rechts blijft zítten terwijl zij stáát. Uit: Etiquette van mr. A. van Deinse, 1965.  

 

Op een of andere manier voelden toen ergernissen ook anders aan dan nu. In Etiquette van de onvolprezen mr. Anna van Deinse uit 1965 trof ik een foto aan van een dame die in een lunchroom haar irritatie onderdrukt omdat haar begeleider, ik veronderstel haar zoon, praat met een jeugdige vlegel die blijft zitten. De setting alleen al. Lunchrooms bestaan nu niet meer maar waren ingericht als een salon voor nette dames die weleens een andere salon wilden zien dan die van henzelf. Niet dat die dames erg aardig waren, want toen ik voor het eerst hoorde van Buñuel's film Le charme secret de la bourgeoisie veronderstelde ik dat de film zou gaan over een charmant sekreet uit de bourgeoisie, zoals ik er meer kende. Mijn eigen moeder kon inderdaad precies zo kijken als de vrouw op de foto, en het leek alsof ik werd teruggezogen naar een tijd waarin nog kans op verzoening bestond. Ik ben hierin beslist niet de enige, want naar mijn gevoel behoor ik tot een herkenbare groep mannen met een onvervulde hang naar stijl. Wij zijn de onopvallende zestigers die op een perron met genoegen naast een treindeur posteren om uitstappers voorrang te verlenen. En bij kleine strubbelingen denk ik vaak aan de Duitse acteur Peter Alexander die in de musical Im weiβen Rössl als zwartgerokte ober zijn gasten in het gareel probeerde te houden met: 'Aber, aber, aber, meine Herschaften'. Er gaat geen week voorbij zonder dat ik dat hoor: 'Aber, aber...' 

Genoeg hierover! De socioloog Cas Wouters heeft dit hele proces informalisering genoemd, een aangelegenheid die uiteraard alleen de elite betrof. De elite komt hierin inderdaad van ongelooflijk ver, zoals te lezen valt in tal van negentiende-eeuwse romans. Je kunt haar vroegere gedrag nog aanschouwen in oude kostuumdrama's, bijvoorbeeld de televisieserie Buddenbrooks uit 1979. Daarin zit een werkelijk huiveringwekkend moment waarop vader Thomas met verachting kijkt naar zijn onserieuze zoontje Hanno, een kleuter nog. In een filmversie uit 2008 is van dat moment weinig overgebleven, hooguit doet de vader even niet aardig. Hetzelfde verschil zie je in Engelse drama's als Wuthering Heights en Emma: de huidige versies zijn veel te luchtig en lief, alsof de regisseurs zich niet meer kunnen voorstellen hoe gereserveerd en bits de omgang ooit was.

Babyboomers hebben nog wel voornaamheid en strengheid als pose zien verdwijnen. Van het hoofd van de lagere school tot opa's en oma's: iedere oudere keek, wandelde en zat pontificaal. Bij een ontmoeting loerden ze aanvankelijk naar je alsof jij iets kwaads  in de zin had maar nog niet wist wat. Je werd ook niet geacht om zo maar grapjes te maken, iets wat je tegenwoordig alleen bij Hell's Angels uit je hoofd laat. Maar ineens had bijna iedereen een glimlach om zijn mond. Op foto's valt die omwenteling goed te volgen. In mijn jeugd keken mensen daarop vaak bescheiden van de camera weg, alsof de fotograaf er niet was, nu laten ze zich echt door hem bekijken, ze stellen zich tentoon. Verwarrend is dat soms wel. Ik heb foto's van directeuren gezien, waarvan ik dacht: dat moet een medewerker zijn.


dnb1dnb2  

The presentation of self op de Nederlandsche Bank: links oud-directeur André Szàsz, jaren tachtig van de vorige eeuw; rechts de huidige secretaris-directeur Nicole Stolk. www.dnb.nl

  

Om het grote verschil nog eens duidelijk te maken: laatst hoorde ik op een golfbaan een heer van middelbare leeftijd 'kut' roepen. Kort geleden nog hadden alle marshals van dienst zich naar de onverlaat in kwestie gespoed om hem naar huis te sturen en als clublid te schrappen. Ik vermoed dat het Engelse 'shit' en f*ck, sinds de jaren negentig in opkomst, hierin de rol van agents hebben gespeeld. Zelfs sommige dames zeggen tegenwoordig 'kut', al is dat meestal in een bedekte combinatie, zoals 'kutbal' of 'kutdag'.  

Toch is het niet zo dat Nederlanders vanwege al deze informalisering (en verhuftering) minder sociaal vaardig zijn geworden; juist integendeel. Wie zoals ik meer dan een halve eeuw meegaat, weet hoe onbeholpen en stug veel landgenoten vroeger overkwamen. Denk aan Johan Cruyff in zijn jonge jaren, met zijn 'dus' aan begin en eind én in het midden van ieder gestotterd zinnetje. Om in zijn trant te spreken: huidige voetballers zijn veel slimmer, ook al zijn ze dommer.

Ook de Nederlandse Vrouw, zoals zij vroeger werd aangeduid, heeft een enorme inhaalslag gemaakt. Ze was altijd al goed in haar blikken, zoals de instemmende grimas om bijvoorbeeld aan te geven dat jij door mag lopen. Heerlijk! Nu is zij tevens goed in taal en gedrag. Soms... she doesn't know her ass from a hole in the ground, en weet ze toch een schrandere indruk te vestigen. De Nederlandse vrouw is inmiddels bedrevener dan de Nederlandse man, die trouwens evenmin onderschat moet worden, want vergeleken met andere westerlingen is ook hij eerder te vlot dan te stijf.


belgenmonument

Ooit kon een dankbetuiging een monumentale omvang aannemen. Het zogeheten Belgenmonument in Amersfoort, in dank voor de Nederlandse opvang van Belgische vluchtelingen tijdens W.O. I. (Wikipedia).

 

Deze toegenomen sociale vaardigheid is des te opmerkelijker, omdat het leven beduidend ingewikkelder is geworden. Waar men vroeger over relaties, seks, ziekte en dood ronduit zweeg, wordt men nu geacht daarin assertief te zijn. In mijn jeugd had je ook nog een echte standenmaatschappij: je woonde aan de goeie kant of de verkeerde kant van het kanaal, - wat tegenwoordig eerder andersom geldt, dus dat de goeie kant de verkeerde kant is. Protestanten hoefden ook niet met katholieken te praten, en liberalen niet met socialisten. Voor een man deed het er nauwelijks toe wat vrouwen over sport, economie en politiek dachten en ten aanzien van vreemdelingen en roodharigen gold dat bij ieder mogelijk onderwerp. Dit hele gebied werd door een soort meta-etiquette geregeld, waarbij a nod and a wink volstonden. 

Zo bezien is het een tevredenstemmend mirakel dat mensen sociaal vaardiger zijn geworden, waarvoor vooral ons onderwijs lof verdient, dunkt me. Toch kan die behendigheid zonder de elementen die Erasmus voor sociaal verkeer wenselijk achtte: aardigheid en beleefdheid, deprimerend uitpakken. In andere Europese landen zal een onbekende jou op straat meestal aanspreken met een verontschuldigende introductie, in Nederland kun je onverwacht toegesnauwd krijgen: 'Het station, waar ligt dat?' Als je in gepeins verzonken bent, is dat bijzonder vervelend. In Culemborg, waar ik vlakbij woon, kun je in de dienstverlening helemaal je lol op. Ik ben daar door diverse winkeliers afgeblaft omdat ik als klant niet nederig genoeg was en te brutaal uit mijn doppen keek. In het katholieke zuiden stuit ik in winkels op minder lichtgeraaktheid, maar ook daar is men ver verwijderd van het denkbeeldige kusje dat je in Frankrijk bij binnenkomst door het personeel krijgt opgedrukt: 'Bón-jour'.

Om kort te gaan: Nederlanders beleven veel lol, maar lol in joyeusheid ontbreekt steeds meer. Joyeus zijn ze slechts met toezeggingen op feestjes. Vroeger werden die, schat ik, nog voor de helft ingelost, vandaag ben ik de enige die dat doet. En een complimentje uitspreken gebeurt louter als men een handeltje verwacht en is dan meteen een zwaktebod. Dat complimentjes in de polder nooit ingeburgerd zijn geraakt, laat zich raden, want zelfs Amy Groskamp-ten Have begreep al niet wat de essentie ervan was; haar definitie luidde: betuiging van beleefdheid, in plaats van waardering. Protestanten zullen hun tong nog liever afbijten dan zoiets kenbaar te maken, maar in mijn Brabantse jeugd gold hetzelfde. Je kon nog zo je best doen, je kreeg nimmer iets positiefs te horen, want dat zou jou verwaand maken. Tegelijk waren groepsgewijze loftuitingen voor geringe prestaties niet van de lucht, zoals voor middelmatige voetballers en onbeduidende televisiesterren, en moest je kritiek immer voor je houden. Eigenlijk ongelofelijk schizofreen en intimiderend.      

Bepaald onprettig ook vind ik dat bedankjes steeds vaker achterwege blijven, wat niks anders kan betekenen dan dat mensen niet meer dankbaar zijn. O zeker, als plichtpleging, stoplap en smaakmaker bij aankopen hoor je voortdurend iets in die trant uiten. Sinds een jaar of tien, schat ik, kennen wij ook het gewiekste bedankje van Engelse tennisumpires waarin de gevraagde reactie al verdisconteerd zit ('Quiet please, thank you'). 

Ogenschijnlijk is er dus niets aan de hand, maar toch... Ik behoor niet de tot de school die vindt dat je de volgende dag voor een feestje dient te bedanken, want dat kun je bij het weggaan net zo goed doen. Als je op verzoek een boek toestuurt, is het echter wel normaal dat je iets te horen krijgt. Ik heb dat ettelijke keren gedaan en wacht nog steeds op reacties. Hoe anders was dit vroeger. Niet alleen persoonlijke, ook collectieve bedankjes waren aan de orde van de dag. In veel oude bedrijven hangen nog plaquettes waarop het personeel zich erkentelijk jegens de directie toont. Ronduit imposant is het huizenhoge Belgenmonument in Amersfoort, door België geschonken ter herinnering aan de ontvangst van één miljoen vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Kleinere uitingen op dit vlak zijn tot aan onze tijd gangbaar gebleven, zoals dit tegeltableau waarop de bevolking van Culemborg memoreert dat zij tijdens de evacuatie van 14 op 15 mei 1940 onderdak kreeg in het naburige Beuischem:  


beusichem

Tegeltableau op voormalig gemeentehuis van Beusichem, geschonken door de bevolking van Culemborg, voor de hulp tijdens de meidagen in 1940. www.mijngelderland.nl

 

Ik weet wel, ooit was het God die de mensen tot dankbaarheid stemde, vervolgens diens plaatsvervangers op aarde, tot aan bazen en baasjes toe. De laatsten hoorden daarvoor wel concrete schenkingen te doen; geven was een feodale plicht. Uit Brabant herinner ik me dat die plicht het zwaarst woog. Bedanken was daar des bedelaars; iemand hield zijn mond zodra een ander iets voor hem deed, alsof hij de ander slechts in de gelegenheid tot filantropie stelde. Krijgen was toen nog wel een voorrecht, en socialisten hebbenn daarvan geleidelijk een recht weten te maken. De naoorlogse individualisering en nivellering zorgden ervoor dat iedereen die visie overnam. Tegenwoordig is het vaak zo dat jij blij mag zijn dat mensen iets van jou willen ontvangen. Om jullie egalitaire relatie niet te verstoren doen zij er verder het zwijgen toe - handig bovendien, want op die manier vegen ze een eventuele aanspraak jouwerzijds op een contraprestatie bij voorbaat van tafel. Het verwarrende aan de huidige tijd is echter dat ik nog een fijnbesnaarde tante heb die al 'dankjewel' zegt wanneer zij mij niets te danken heeft.


Lezing Vereniging voor Vrijwillige Bourgeoiskunde, januari 2010, augustus 2016, www.vvb.nl

* Linkse mensen zijn wel consequent in hun afwijzing van dankbaarheid. Zij vinden zelfs dat vreemdelingen die in het Westen opvang krijgen niet dankbaar hoeven te zijn. Ik leid dit althans af uit het feit dat een Libanese Belg als Abou Jahjah van de VPRO ruim baan krijgt om op de televisie zijn hevige kritiek op ons te spuien. Misschien weten ze bij de VPRO niet dat Jahjah uit een cultuur komt waarin gastvrijheid weliswaar hoog staat aangeschreven maar omgekeerd van gasten wordt verwacht dat zij zich werkelijk voorbeeldig gedragen; dus de man lacht ons al de hele dag uit. 

 

 


terug naar boven