Dood en Begrafenis

 

 

Vroeger stierven er meer mensen dan nu - kan dat? Letterlijk gesproken natuurlijk niet. Iedereen sterft maar een keer en bovendien telde Nederland tot aan de industriële revolutie amper èèn miljoen inwoners. Toch, met een kindersterfte van een op de drie en een gemiddelde levensverwachting van dertig jaar, lag destijds de dood voor een ieder permanent op de loer. Wie vandaag de middelbare leeftijd bereikt heeft in zijn omgeving vaak nog geen enkel sterfgeval meegemaakt; vroeger konden dat er tien, twintig zijn. Heel gewoon waren ook verdrietige personages van wie je nu meer zelden hoort: wezen, jonge weduwen en weduwnaars. Zij kregen bovendien te maken met een vrijwel uitgestorven akelige categorie: de stiefvaders, stiefmoeders, stiefbroers en stiefzussen van vóór de echtscheidingsgolf, die niet voor niets in menig sprookje een harteloze rol vervullen.

De vraag is: hoe gingen die mensen met al hun overledenen om en hoe gedroegen zij zich in hun eigen stervensuur?  

 

denb1
Van boven naar beneden: een staatsbegrafenis per koets, een deftige begrafenis te voet, een boerenbegrafenis met karren (links), een begrafenis van een jong kind per slede (rechts), en een boerenbegrafenis te voet. Uit: J. le Francq van Berkhey, Natuurlijke historie van Holland, 1776. (Atlas van Stolk)

 

De Franse historicus Philippe Ariès (1914 - 1984) onderscheidt tot halverwege de vorige eeuw vijf verschillende houdingen ten opzichte van de dood, die elkaar chronologisch gedeeltelijk overlapten: de getemde dood, de eigen dood, de gestadige dood, de dood van de ander en de verboden of omgekeerde dood. Wij zullen zijn betoog volgen, met enkele kleine amendementen. De huidige doodsbeleving heeft Ariès niet meer meegemaakt, maar daar valt ook moeilijk een eenduidige term voor te bedenken... 

Heel lang, tot in de vroege Middeleeuwen, overheerste bij de meeste mensen berusting. Een individu wist precies wanneer hij dood ging; bedrog, doen alsof het einde niet naderde, kwam nooit voor. Iemand ging liggen, liet familie, buren en zo mogelijk een priester komen en nam officieel afscheid. Het sterven was dus openbaar - ook kinderen waren erbij aanwezig - en de persoon in kwestie 'leidde' zelf de gebeurtenis. Na de absolutie wachtten de aanwezigen zonder vertoon van emoties op de laatste adem van het slachtoffer. De doodsstrijd was in de tijd dat de geneeskunst nog weinig voorstelde, wreed en pijnlijk maar meestal kortstondig.

Voor de nabestaanden begon nu de rouw. Van oudsher waren de eerste reacties zeer fel. Naasten vielen flauw, krabden zich het gelaat open, rukten haren uit hun hoofd of scheurden hun kleren aan flarden. Maar ook al liepen de gemoederen hoog op, de weeklachten duurden niet lang. De dood was aanvaard, of zoals Ariès dat noemt: getemd. Net als bij joden en moslims het geval was, werd het lijk snel ter aarde besteld, zonder opbaring vooraf en slechts in een lijkwade gehuld. Ook graven droegen nog nauwelijks kentekens.

Een onderscheid met joden en moslims was wel dat al vanaf de negende eeuw de meeste graven na verloop van tijd geruimd werden en er knekelhuizen voor de 'tweede begrafenis' in zwang kwamen. Het Duitse Fulda kent zo'n huisje al sinds het jaar 822. Permanente grafrust kon christenen minder schelen, mits de beenderen dichtbij een altaar bewaard bleven, waarbij het er niet toe deed dat die met andermans beenderen vermengd werden en voor iedereen zichtbaar werden tentoongesteld.  

De kunst van het sterven

Voor de grote massa van Europa heeft deze berustende houding tot in de negentiende eeuw geduurd, maar onder de elite veranderde de perceptie op de dood al in de elfde en twaalfde eeuw. In de opkomende steden werd het besef van eigen identiteit sterker, zeker bij hen die van meer welvaart genoten. Magere Hein maakte picturaal zijn debuut. Op afgebeelde dodendansen stortte hij zich in halfvergane staat met een zeis op de levenden, zonder rekening te houden met rang en stand. Vergankelijkheid en mislukking werden aldus aan elkaar gekoppeld: Memento mori.

 

denb2
Een van de weinige barokke graftombes in Nederland: Reinoud III van Brederode
en zijn vrouw in de hervormde kerk van Vianen, 16e eeuw. (Pieter Söhngen)


Op schilderingen van sterfbedden verschenen nu ook bovennatuurlijke wezens, die ter plekke het Laatste Oordeel vertolkten - in het sterfvertrek en niet aan het einde der tijden, zoals in de bijbel te lezen valt. Een geluk was dat het concilie van Florence in 1439 het vagevuur invoerde, waardoor kleine zondaars nog uitzicht op de hemel behielden, maar niettemin werd er voor het eerst een relatie gelegd tussen iemands dood en zijn persoonlijke levensverhaal. De houding van het slachtoffer tijdens zijn laatste uren bleef doorslaggevend voor zijn lot. De aartsbisschop van Canterbury schreef hiervoor in de twaalfde eeuw een etiquetteboek, Ars Moriendi, dat in het Nederlands De Conste om wel te sterven kwam te heten.

Tegelijk werden de begrafenissen van de elite steeds omvangrijker en praalzuchtiger. Van Karel V is bekend dat hij nog tijdens zijn leven een generale repetitie van zijn uitvaart liet houden. Voornaam onderdeel daarvan was de opbaring, die zijn onderdanen in staat stelde afscheid van hem te nemen. Hier begon de christelijke traditie wezenlijk af te wijken van de joodse en islamitische. Voor zo'n opbaring, die bij hoogwaardigheidsbekleders soms weken duurden, was balseming een vereiste, maar een makkelijker alternatief bood de doodskist. In Europa deed de doodskist in de veertiende eeuw haar intrede deed, om drie eeuwen later pas algemeen te worden.

Bij de opbaring hoorde ook dat de graven een persoonlijk karakter kregen, met opschriften en afbeeldingen van de overledene erop. Minder rijke lieden konden voor houten rouwborden kiezen, die aan de kerkmuur werden opgehangen; de plaats van het graf was dan wel onbekend, maar de identiteit van de betrokkene bleef tot in lengte van dagen bewaard. Missen ter nagedachtenis van de overledene moesten zijn verblijf in het vagevuur bekorten.

Onder de elite heeft 'de eigen dood', zoals Ariès deze houding noemt, tot in de achttiende eeuw gefloreerd. Het memento mori werd in de Renaissance weliswaar vervangen door het carpe diem (pluk de dag), maar de vertrouwdheid met de dood bleef. In katholieke landen getuigen daarvan talrijke barokke graftombes, waarop overledenen vaak levensgroot staan afgebeeld. Nederland telt weinig van zulke monumenten; de bekendste zijn die van graaf Engelbert II van Nassau in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Breda en van prins Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk van Delft. Rouwborden op kerkmuren, meestal in de vorm van familiewapens, kwamen daarentegen sinds de zestiende eeuw op grote schaal voor, totdat de meeste in het revolutiejaar 1795 op last van de overheid werden verwijderd. Maar al ver voor die tijd had zich onder de protestantse burgerij een andere visie op de dood aangediend.

De calvinistische dood

Voor protestanten was de dood niet een eenmalige gebeurtenis aan het eind van het leven, maar was het hele leven een gestadig sterven, aldus Ariès. Eenvoud, soberheid werd gepredikt; ascese. De dood was iets waarvan men voortdurend doordrongen moest zijn. Het sterven zelf werd voorgesteld als een weinig dramatische aangelegenheid, ja, als een bevrijding uit het aardse tranendal. Van sommige dominees zijn wat dat betreft inderdaad krasse staaltjes bekend. De hervormer Gnapheus noemde in Een troost ende spiegel der siecken uit 1531 de dood niet meer dan 'een vlobeet die de zielen niet en schaadt'... 'zij maakt den zonden een einde, zij lost ons van veel cativigheid ende verdriets'. Over de Gelderse hervormer Johannes Fontanus, overleden in 1615, gaat het verhaal dat hij demonstratief met zijn vingers zijn ogen sloot voordat hij zijn laatste adem uitblies. Een populair bijbelcitaat in die dagen was: 'Beeter is den dag des doods, dan den dag dat imand gebooren word.'

 

denb4
'Beeter is den dag des doods, Dan den Dag dat iemand Gebooren wordt', titelblad
van grafredes door de doopsgezinde leraar Jan Willemz Ris uit 1744. (Atlas van Stolk)


Hoe dichtbij een dergelijke dood ook mocht zijn, voor het eerst werd hij hiermee voorgesteld als het tegendeel van het leven. De traditionele vertrouwdheid verdween, de dood werd iets waarvan men bezeten kon raken. Die bezetenheid werd versterkt door de openbare anatomische lessen die vanaf 1550 in Nederland waren toegestaan, en waarbij menigeen tot de conclusie kwam dat de mens een niets met de schijn van iets is - een 'bulla', een zeepbel, zoals een geliefde uitdrukking luidde. De elite liet voortaan voor zichzelf weer simpele graven maken; en de dood als personage veranderde van een rottend kadaver in een schoon en blinkend skelet, een Pierlala met klepperende knekels. Zelfs openbare gebouwen werden met zandstenen knekels getooid.

De calvinistische geest beteugelde ook de begrafenisrituelen. De Synode van Dordrecht in 1619 schafte de bij joden en katholieken gebruikelijke dodewake af, de lijkredes en zelfs het schepje zand dat nabestaanden in het graf werpen. Ook uitvaartdiensten en het luiden van kerkklokken raakten uit de gratie. In het algemeen mocht een dode niet 'naar de hemel' worden gebeden, want Christus bepaalde zelf wie daarin werd opgenomen. Daarom werd een sterfgeval pas de zondag na een uitvaart in de kerk bekend gemaakt. Nabestaanden mochten eigenlijk ook geen rouwkleding dragen, want de mens was een slaaf der zonde en de besten onder ons waren hooguit een 'treffelijk instrument Gods'. Hoewel calvinisten onmiskenbaar invloed op de Nederlandse begrafeniscultuur hebben gehad, konden zij toch niet op tegen de wind die onder de 'middenburgers' zou opsteken.

Het lange lijden

Voor de 'middenburgers', die het kameraadschappelijk huwelijk en de zorg voor kinderen als hoogste ideaal hadden, werd de dood een onthutsend perspectief. In de woorden van Ariès: het ging daarbij niet om hun eigen dood maar om de dood van de ander. Zij werden gedreven door angst degenen van wie zij emotioneel zo afhankelijk waren, te verliezen. Dit had zijn weerslag op het gedrag rond het sterfbed. Weliswaar bleef de stervende de centrale figuur, maar familie en vrienden hielden zich niet langer in totdat hij was overleden. Ruim van tevoren weenden zij hartstochtelijk, waardoor als het ware het zwaartepunt van het gebeuren bij hen kwam te liggen, niet bij de stervende. De rouw nadien was excessief en men overschreed verre de tot dusver gebruikelijke rouwperioden.

 

denb5
Het sterfbed van Théodore Géricault in 1824 door Ary Scheffer.
tekenend is dat er - door vrienden! - al wordt getreurd terwijl
Géricault nog niet is overleden. (Dordrechts Museum)


Vooral in de achttiende en negentiende eeuw waren er mensen die levenslang bleven klagen over het verlies van een geliefde. Ze lieten diens sterfkamer precies zoals zij was op het moment van overlijden. Ze vlochten het haar van de gestorvene tijdens vele smartelijke avonden tot haarwerkjes, waarvoor damesbladen de modellen verschaften. Ze bezaten gipsafgietsels van handen en gezicht. Ze droegen doodsportretten bij zich, die zich niet op het decorum van de omstanders concentreerden, zoals bij afbeeldingen van vorstelijke sterfbedden gebruikelijk was, maar op de 'mooie dode'. En ze lieten zich troosten door mortuaire literatuur, die rond 1800 een bloeiperiode beleefde. Hiëronymus van Alphen was hierbij favoriet:

Dit streelt mijn treurend hart in deze rampwoestijn,
Dat na een korte vlucht van snellende ogenblikken,
Mijn stof in 't zelfde graf naast u geplaatst zal zijn,
En zich mijn geest met u voor eeuwig zal verkwikken.
Mij dunkt, ik hoor alreeds het wellekom!
Als mijn verloste ziel van verre uw woning nadert:
U zal ik de eerste zien en kennen uit den drom
Van al 't gezaligd volk, met u te zaam vergaderd.

 

denb6
19e eeuws morbide haarwerkje van de familie van Riel. (Westfries Museum)


Het spreekt vanzelf dat nabestaanden met dergelijke gevoelens ook het contact met de overledenen wilden behouden. Bij katholieken, voor wie iemands ziel normaal gesproken eerst enige tijd in het vagevuur verblijft, gebeurde dat door 'voorbidding', die tot doel had de ziel zo snel mogelijk in de hemel te krijgen. Dat was ook geboden, want het vagevuur was niet een vaag vuur maar een 'veegvuur', een ontzaglijke beproeving. Nog in 1862 werd in De feestvierende Katholijke Kerk in Nederland het vagevuur beschreven als vele malen erger dan 'het kokend pek, de gloeiende roosters, de snijdende raderen, de nijpende tangen en de rekkende pijnbank' waaraan kerkelijke martelaren waren blootgesteld.

Allerzielen, op 2 november, is onder katholieken de speciale gelegenheid voor grafbezoek en voorbidding. De dag is in het jaar 998 door de Abdij van Cluny in Frankrijk ingesteld, maar er werd nooit zo druk gebruik van gemaakt als in de achttiende en negentiende eeuw. Daarnaast kwam onder Nederlandse katholieken het bidprentje op, waarmee tijdens de doodsmis tot voorbidding wordt opgeroepen. Nederlandse katholieken kenden sinds de Reformatie de handgeschreven doodsbrief als middel tot heimelijk eerbetoon. De eerste gedrukte bidprentjes doken hier in 1730 op en in de negentiende eeuw groeide er een hele industrie omheen. Het schijnt dat deze bidprentjes zich via België over de hele katholieke wereld hebben verspreid.

 

denb8
Allerzielen op een volkskunde kalender van omstreeks 1935. De
gelegenheid voor 'voorbidding' bij katholieken. (archief Thijs Mol)


Protestanten kennen geen vagevuur en voorbidding, omdat zoal gezegd iemands ziel alleen door God wordt bestemd. Om toch iets van een contact te onderhouden gingen sommige protestanten het moderne spiritisme beoefenen, zoals dat sinds 1848 werd gepropageerd door Amerikaanse quakers. Er waren kringen in Den Haag en Wassenaar waar avond aan avond seances plaatsvonden en klopgeesten meldingen deden over het bestaan van geliefden in het hiernamaals.

 

denb13


'De Doodgraver' uit Het menselijk bedrijf van Jan Luyken (1694).
Het laaste open knekelhuisje, zoals hier te zien is, heeft tot 1930
op Urk gefunctioneerd. (Atlas van Stolk).   


De grootste nieuwigheid onder de moderne burgerij deed zich voor bij het begraven. De meeste mensen werden tot dan op een kerkhof bijgezet, maar wie voldoende rijk was liet zich in de kerk begraven. Al bijna duizend jaar ging dat zo, zonder dat iemand protesteerde tegen de zware geur die in de kerken gehangen moet hebben, omdat de grafstenen niet goed afsloten (de term 'rijke stinkerd' komt hier vandaan). Los hiervan moesten de graven wegens plaatsgebrek snel worden geruimd, met als gevolg dat soms nog niet geheel ontvleesde botten in een open knekelhuis buiten de kerk belandden.

 

denb12
Begrafenis in de Oosterkerk in Amsterdam, met alleen mannelijke aanwezigen.
Begrafenissen in de kerk vonden toen elders in Europa nergens meer plaats.
Ets van H. P. Schouten, omstreeks 1790. (Atlas van Stolk)


Uit piëteit en omwille van de hygiëne was in Schotland het begraven in de kerk reeds in 1566 verboden; in Frankrijk omstreeks dezelfde tijd, al maakte men wel uitzonderingen voor geestelijken en nationale helden. Andere Europese landen volgden dit voorbeeld rond 1800, maar in Nederland bleef alles voorlopig bij het oude; in Utrecht bijvoorbeeld verdwenen in dat jaar nog acht van de tien doden onder de kerkvloer. In 1829 probeerde een Koninklijk Besluit een eind aan deze praktijk te maken, maar in 1865 heeft hier pas de laatste reguliere bijzetting in een kerk plaatsgehad. Was dit een calvinistisch na-effect? Wanneer een mens wordt voorgesteld als een niets met de schijn van iets, zal men zich minder gauw storen aan een lijkenlucht in de kerk. En de half ontvleesde botten in het knekelhuis buiten, waren wellicht van lotgenoten die al van de 'cativigheid' van de wereld waren verlost.

 

denb11

Ingang van Ter Navolging in Den Haag uit 1778, de eerste buiten-
begraafplaats in Nederland. (Pieter Söhngen)


De nieuwe omgeving voor de doden moesten 'buitenbegraafplaatsen' worden. De beweging voor zulke begraafplaatsen ontstond hier decennia later dan elders en boekte pas in 1778 een eerste resultaat: Ter Navolging in Scheveningen; de dames Wolff en Deken liggen er begraven. Ter Navolging werd ondanks zijn opwekkende naam geen succes, omdat het nog oogde als een kerkvloer, maar dan zonder kerk. Diverse rijke particulieren bouwden hierom eigen grafmonumenten in de vrije natuur, zoals de uitkijktoren van de familie Van Nellesteyn uit 1818 in Leersum, een ontwerp van J.D. Zocher. Het eerder genoemde Koninklijk Besluit miste ten slotte zijn uitwerking niet, want het bepaalde tevens dat gemeenten met meer dan duizend inwoners niet langer hun doden binnen de bebouwde kom mochten begraven. Sindsdien werden overal in het land publieke begraafplaatsen aangelegd.

 

denbd7
Anonieme graven op de begraafplaats van het protestantse Marken.(Pieter Söhngen)



Aanvankelijk ging het om landschapsparken met slingerpaden en zwierige begroeiing. Wie het kon betalen richtte daartussen een tempeltje ter ere van zijn familie op. Verdienstelijke lieden en beroemdheden kregen van bewonderaars een persoonlijk monument. Op zondagen zag het er zwart van de mensen; er kon zelfs toegang worden geheven. Mettertijd zouden de begraafplaatsen en zerken echter steeds zakelijker en rechtlijniger worden, al bleef het verschil tussen de protestantse en katholieke doodsbeleving lang uitgedrukt.

 

denb6
Rustplaats van het protestants-katholieke echtpaar J.W.C. van Gorcum en J. van Aefferden uit 1888 bij kapel in 't Zand in Roermond. Het eerste oecumenische grafmonument van Nederland. (Pieter Söhngen)


Protestanten bleken op hun begraafplaatsen een voorkeur te hebben voor attributen die de eindigheid van het leven symboliseerden: opengeslagen bijbels, gedoofde fakkels, gebarsten kruiken, leeggelopen zandlopers, urnen, lauwerkransen en afgeknotte zuilen, zoals die aangetroffen waren tijdens negentiende-eeuwse opgravingen in het antieke Rome. Katholieken daarentegen benadrukten de band tussen de levenden en de doden, getuige de alomtegenwoordige Christus aan het kruis, de bemiddelende engelen en heiligen, en de centrale bidkapel, overeenkomstig het voorschrift dat gelovigen nabij een kerk dienen te worden begraven.

 

denb8
Een traditionele katholieke begraafplaats met veel kruisbeelden
en engelen in Roermond. (Pieter Söhngen)


Het eerste oecumenische grafmonument van Nederland bevindt zich in Roermond. In 1880 werd de protestantse kolonel J.W.C. van Gorkum begraven op een ongewijd stukje van het kerkhof bij Kapel in 't Zand. Zijn steen rees uit boven de scheidingsmuur met het gewijde gedeelte. Toen acht jaar later zijn katholieke vrouw, Josephine van Aefferden, aan de andere kant werd bijgezet, werd haar steen over de muur heen verbonden met die van haar man door twee grijpende handen.

Een boerenbegrafenis

De romantische doodscultuur was vooral populair onder bemiddelde, stadse mensen. Voor de meerderheid van de bevolking was de dood in de negentiende eeuw nog allesbehalve romantisch. Uit volkskundige literatuur blijkt dat voor boeren op het platteland de dood toen als lot, als vooruitzicht, weinig schrikwekkend was, maar als verschijnsel juist onrust baarde. Sterven en begraven hadden onder hen nog weinig van hun openbare karakter verloren, maar het waren toch niet zulke vertrouwde en geaccepteerde gebeurtenissen als bij wat Ariès de getemde dood heeft genoemd.

Opvallend was dat de boerenbevolking zich al geruime tijd op de dood voorbereidde. Zo werd het gewaad van de eerste huwelijksnacht vaak opgeborgen in de linnenkast om later als doodskleed (lijkwade) dienst te doen. Toen vanaf de zeventiende eeuw doodskisten alom usance werden, legden veel boeren de planken ervoor op zolder klaar; ze konden zelfs deel van de uitzet uitmaken. Ook een verschijnsel als de lijkdeur, onder meer bekend van Noord-Hollandse en Friese boerderijen, duidt op voorbereiding. Die deur werd zowel bij een huwelijksintocht als bij een uitvaart gebruikt; beide vormden dus een overgang naar een volgende levensfase.

Iemands laatste dagen gingen de hele gemeenschap aan; buren hielpen zo nodig bij de verpleging. Voor de Zaanstreek wordt gemeld dat 'weeburen' zelfs tijdens het sterfbed aanwezig waren. Was het ogenblik daar dan hield men zich rustig. Voor Nederland bestaat hier geen literatuur over, wel voor Frankrijk en daar wilden oude en zieke plattelandsmensen bewust sterven, omdat zij niet graag nutteloos waren en ten laste van de familie kwamen. Met andere woorden, men hechtte minder aan het leven dan nu; een dokter hoefde in de laatste fase ook niet meer op te draven. In Nederland zal dit niet veel anders zijn geweest. Bij katholieken verscheen bij voorkeur wel een priester voor de laatste sacramenten, een aangrijpende ceremonie. Bij protestanten zat in de regel een dominee of ziekentrooster uit de bijbel voor te lezen. Zodra het slachtoffer de laatste adem had uitgeblazen werden de 'noodburen' actief. In protestantse streken kwamen die, naar verluidt, met ontnuchterende teksten binnen als: 'Goên avond, dat is hier een schielijke verandering, jongens', of: 'Zo, hef de Heere hier zijn wil edoan?'

 

denb4
Lijkborden werden tot aan de laatste wereldoorlog in Limburg
voor een sterfhuis neergezet. (OLM Arnhem)


Nu volgde een aantal handelingen van animistische oorsprong. Weliswaar bepaalt het christelijk geloof dat de ziel van een overledene direct ten hemel stijgt, het volksgeloof leerde dat die nog enige tijd in de nabijheid van het stoffelijk overschot vertoefde en daarin terug wilde keren of, uit jaloezie, de zielen van nabestaanden probeerde mee te voeren. Om een terugkeer te beletten werden de ogen en mond van de gestorvene gesloten. Aansluitend zette men in Zuid-Limburg ramen en deuren open, opdat de ziel naar buiten kon fladderen. Spiegels dekte men met een doek af of keerde men om, immers, in een spiegel wordt iemands ziel weergegeven en in die ijle toestand kan zij makkelijk door een pasgestorvene worden meegelokt. Klokken werden stilgezet om de tijd op een dwaalspoor te brengen. Ook werden gordijnen neergelaten of afgenomen, vensterluiken gesloten of juist uit hun scharnieren gelicht; de naaste buren deden dat bij hen thuis ook. De ironie wil dat de meeste van deze gebruiken zich in burgerlijke kringen tot in de jaren zestig van de vorige eeuw hebben kunnen handhaven met een andere uitleg: hygiëne, esthetiek of uiting van rouw en tijdelijke wereldverwerping.

Bij de voorbereidingen op begrafenis werd van de directe verwanten verwacht dat zij zich op de achtergrond hielden. Men mocht, zo heette het, geen eigen familie ten grave dragen, anders zou zielewraak dreigen. Er heerste wat dat betreft smetvrees. In sommige oorden mochten familieleden niets aanraken dat met de dode in verband had gestaan; zij pakten nog geen kop koffie van tafel. Allereerst werd het sterfhuis van een merkteken voorzien. Daartoe waren uiteenlopende middelen in gebruik. In Brabant en Overijssel beschikte men over dodenlantaarns, zoals die al in zeventiende-eeuwse steden bekend waren. In Limburg plaatste men tot aan de laatste wereldoorlog 'liêkbreden' voor de deur en in Midden-Brabant een bosje stro op zwarte plankjes of een houten busseltje. Elders gebruikte men rouwwimpels (Zeeland), een houten kruis (West-Friesland) of een zwarte baar (rondom Amsterdam).

 

denb5
Titelblad van Den naerstigen byenhouder door  G. van Eekhout
uit 1711. Ook bijen kregen soms te horen dat de baas dood was.
(UB Amsterdam)


Ondertussen werd het lijk door buren afgelegd en begon het 'verhennekleden': het doodskleed werd omgedaan en om de ledematen heen genaaid. Dan was er overleg over wie waar het overlijden ging aanzeggen. Een aandoenlijke gewoonte, herhaaldelijk gedocumenteerd, was dat soms ook huisdieren, het vee en de bijen op de hoogte werden gebracht ('de baas is dood'). De 'groeveneugers' gingen ieder met een lijst op pad, klopten waar nodig met een stok op de zelden gebruikte voordeur, wachtten totdat iedereen naar buiten was getreden, deden hun zegje en werden daarna naar binnen genodigd voor een drankje.

Een in het oog springend verschil tussen katholieken en protestanten betrof de dodenwake, wat wederom met 'voorbidding' te maken had. Hoewel sinds de Synode van Dordrecht in 1619 ook de overheid zich keerde tegen het houden van dodenwakes, waren deze in katholieke streken nooit helemaal in onbruik geraakt. De gang van zaken was weinig plechtig en strookte bepaald niet met de opvatting van de romantische dood. Familie en vrienden schaarden zich 's avonds rond de kist om gezamenlijk de nacht door te brengen. Er werd gebeden, wat gegeten, wat gezongen en volgens getuigen zweefden op het laatst dienbladen met borrelglazen over de open kist heen; wilde dansen kwamen ook voor.

Op de dag van de begrafenis wierp iedereen een laatste blik op de dode ('liekbekieken' heette dat in het oosten). Vervolgens werd de kist half opgericht en gekeerd naar het vee, dat in de zomer daartoe speciaal op stal werd gezet. De kist ging dicht en werd met de voetzijde naar voren naar buiten gedragen en op een wagen van de buurman getild. Daarop namen ook de naaste vrouwelijke verwanten plaats; een weduwe ging, volgens de berichten, niet zelden op de kist zitten. De aanwezigheid van vrouwen bij een plattelandsuitvaart was voor de burgerij een schokkende gewoonte; onder hen is het eeuwen gebruik geweest dat alleen mannen erbij waren.

De rouwstoet trok bij katholieken eerst naar de kerk voor een mis, bij protestanten ging men direct naar het kerkhof. Zo'n stoet was een gestileerd drama; niet voor niets zijn ze zo vaak afgebeeld. Er liepen zogenaamde huilebalken in mee, die de 'voorrouw' hadden. Zij droegen lange lamfers aan hun hoeden of hadden witte zakdoeken in hun hand, waarin luidkeels werd geweeklaagd. De stoet volgde een vaste route, de lijkweg, en onder klokgelui betrad men het kerkhof. Daar werd eerst driemaal een rondgang langs de graven gemaakt, waarmee een magische cirkel werd getrokken tussen de doden en de levenden. In Friesland bestaat deze rondgang nog. De kist werd vervolgens bijgezet en een priester of dominee deed zijn zegje. En op symbolische wijze begroeven de aanwezigen de dode door een schep aarde op de kist te werpen.

In de tijd waar we hier over spreken, de negentiende eeuw, zou het graf een eenvoudig merkteken krijgen: een stuk hout, wat bloemen, meer niet. Tot 1800 werden de meeste doden echter anoniem bijgezet, zodat grafbezoek niet eens mogelijk was. Duurzame zerken voor gewone mensen zijn pas in de twintigste eeuw gebruikelijk geworden, met als treffende uitzondering het eiland Marken, dat een kerkhof heeft met graven zonder naamsaanduiding: op een egaal grintveld geven alleen genummerde paaltjes aan dat eronder lijken liggen.

Na de begrafenis ging men terug naar het sterfhuis voor het rouwmaal. Dit was voor de omgeving de laatste ceremonie. Het gewone leven moest weer beginnen, waartoe een aanloopje nodig was. Vandaar dat er veel gedronken, gegeten en gelachen werd, bij katholieken uiteraard meer dan bij protestanten. Uitvaart was zuipvaart, zei men, en daarna zat het er voor de buren op.

Zo niet voor de verwanten; zij moesten zich aan een lange rouwperiode onderwerpen. De duur daarvan hing af van de graad van verwantschap en het gebruik ter plaatse. Het meest algemeen was een jaar en zes weken voor man en vrouw en ouders en kinderen; een half jaar voor broers en zussen; drie maanden voor ooms en tantes, en zes weken voor neven en nichten. Na de zware rouw volgden nog halfrouw en lichte rouw, die een half jaar tot een jaar konden duren. Maar er waren ook streken waar veel langer werd gerouwd: op Walcheren minimaal twee jaar en op Marken maar liefst tien jaar. Hierdoor waren er mensen, vooral ouderen, die zelden of nooit uit hun rouwkleren kwamen. Toch had rouw een functie. Rouw bestempelde mensen tot kwetsbare lieden, beschermde hen tegen ongewenste toenadering en bood gelegenheid om openlijk te treuren. Maar zodra de rouwtijd voorbij was, moest ook het verdriet achter de rug zijn; de samenleving zag daar als het ware op toe.

De breuk met de dood

Hoewel burenhulp bij begrafenissen in het oosten van het land nog steeds voorkomt, is die elders verdwenen. Ook heeft er een enorme gelijkschakeling in begrafenisrituelen plaatsgevonden. De uitbundige begrafeniscultuur van de negentiende-eeuwse burgerij dreef vanzelf over en gewone stadsbewoners en boeren konden aanhaken bij wat die burgerij aan gewoonten overhield.

Zeker heeft de professionalisering van het uitvaartwezen daarbij geholpen. Die professionalisering dateert in stedelijke milieus al uit de zeventiende eeuw, omdat de gilden die van oudsher voor begrafenissen van hun leden zorgden, langzamerhand uiteenvielen. Daarop ontwikkelden aansprekers, die bij gelegenheid door de elite werden ingehuurd om een sterfgeval bekend te maken, zich geleidelijk tot moderne begrafenisondernemers. In de negentiende eeuw kwamen daar de onderlinge begrafenisfondsen voor minvermogenden bij. Voor hen werd het grote schrikbeeld 'van de armen' te worden begraven, want dat gebeurde openlijk: gemeentelijke 'kraaien' bezigden daartoe een wisselkist, waarover tijdens het transport een doek hing met de tekst: 'Van de Armen'. De begrafenisfondsen, waarvan er honderden waren, zouden uiteindelijk worden verdrongen door grote levensverzekeringsmaatschappijen en door het coöperatiewezen dat in natura uitkeerde, anders gezegd, de hele begrafenis regelde. Het Eindhovense Dela (Draagt Elkanders LAsten) uit 1937 zou er als eerste voor zorgdragen dat ook mensen met een smalle beurs op een grafsteen konden rekenen. 

Voor de beleving van de dood hielden deze materiële verbeteringen geen verlichting in; integendeel. De dood werd als een steeds grotere breuk met het leven ervaren, als de totale ontkenning daarvan. Volgens Ariès begon die ontkenning in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen naasten de neiging kregen een stervende te ontzien en de ernst van zijn ziekte voor hem verborgen hielden. Sterven werd steeds afzichtelijker gevonden. Men wilde er het dramatisch karakter aan ontnemen, omwille van de stervende maar ook omwille van zichzelf. Als eufemisme voor sterven, dat letterlijk 'stijf worden' betekent, kwam 'overlijden' in zwang, dus: 'na het lijden' of 'in een andere toestand overgaan'. Andere eufemismen volgden: 'heengaan', 'ontslapen', 'het tijdelijke met het eeuwige verwisselen', 'wegvallen' en 'de geest geven'.

Deze ontwikkeling werd versterkt doordat doktoren de regie rond het sterfbed in handen kregen. Als ethiek huldigden doktoren van oudsher de gewijde leugen, de pia fraus. Zelfs terminale patiënten kregen niets over hun toestand te horen, want hoop deed leven. De medicalisering leidde er ook toe dat steeds meer mensen in het ziekenhuis stierven; inmiddels ongeveer vijftig procent. Doodgaan in een ziekenhuis was geen ceremonieel gebeuren, waarbij het slachtoffer nog een laatste woord tot de aanwezigen richtte, maar een technisch moment: de pogingen het leven te verlengen werden stopgezet, waarvoor de patiënt dikwijls naar een aparte ruimte verhuisde. Van de grootse daad van het sterven bleef zodoende weinig over, wat de nabestaanden goed van pas kwam: zij konden er steeds slechter tegen. Zo lieten zij voortaan ook het afleggen en het kisten van de lijken over aan het mortuariumpersoneel.

De dood verdween verder uit de openbaarheid doordat oude gemeenschappen uiteenvielen en de verstedelijking toenam. De ontkerkelijking had weer een kaalslag onder rituelen tot gevolg, waaraan de kerken trouwens zelf meededen, want bijvoorbeeld de katholieke Kerk heeft het overvloedige zwart tijdens de rouwmis vervangen door enkele paarse accenten.

Ook de opkomst van de crematie, een initiatief vanuit humanistische hoek, bracht versobering, om de eenvoudige reden dat crematoria alle noodzakelijke handelingen zelf verrichten. In 1914 vond in Nederland de eerste crematie plaats. Voor christenen, joden en moslims die in de wederopstanding geloven leek deze wijze van uitvaart lang onmogelijk, maar veel protestanten en katholieken gingen begin jaren zestig om. Bij katholieken was daarvoor in 1963 een pauselijk decreet nodig. Inmiddels wordt bijna de helft van de overledenen in Nederland gecremeerd.

Ten slotte deed ook de individualisering zich gelden. Mensen begonnen de rouwdracht als dwang te ervaren en lieten haar na de Tweede Wereldoorlog als op afspraak massaal achterwege. In omringende landen gebeurde dit al eerder: de Eerste Wereldoorlog leverde daar zoveel doden op dat individuele rouwdracht geen zin meer had. Toen eenmaal de klad in dit gebruik kwam, begonnen buitenstaanders resten ervan algauw als pijnlijk te ervaren, als onfatsoenlijk zelfs. Iemand hoorde zijn leed dapper te dragen, dat wil zeggen: andere mensen er niet mee lastig te vallen. Eigenlijk zou alleen de sportwereld van deze reductie gespaard blijven. Bij voetbal is de rouwband, die in de negentiende eeuw door de burgerij werd gedragen, normaal gebleven, zelfs voor onbekende sterfgevallen. Conservatisme van voetbalbestuurders zal hierin doorslaggevend zijn geweest, maar sport is natuurlijk ook een verheviging van het echte leven en daardoor bevattelijk voor visuele dramatiek. Nergens worden ook zo gauw een minuut stilte gehouden en hangt de vlag halfstok.     

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was de kilte rondom de dood het sterkst. Ariès sprak zelfs van de verboden of omgekeerde dood. Het thuis opbaren, dat kort daarvoor nog vanzelf sprak, verdween, zo ook de dodenwake onder katholieken. De bekendmaking van een sterfgeval geschiedde niet meer persoonlijk, maar middels een drukwerkje of een annonce in de krant, waarin zinsneden konden staan als: 'Enige en algemene kennisgeving', 'Bloemen noch bezoek worden op prijs gesteld', of zelfs: 'De begrafenis heeft in stilte plaatsgehad'. Dit laatste kon men letterlijk nemen, want steeds vaker bleven daarbij toespraken achterwege. In België ontstond wellicht in deze tijd de opmerkelijke gewoonte om de kist slechts naar het kerkhof te begeleiden en de teraardebestelling niet zelf bij te wonen maar over te laten aan anonieme grafdelvers. Het toppunt van individualisme is geweest dat in overlijdensannonces en op graven soms alleen voornamen werden vermeld.

Grafbezoek bood onder dit regime niet langer troost en strookte ook niet met de genotzucht van het ik-tijdperk. Los daarvan leidden veel mensen inmiddels zo'n beschermd leven dat de dood een bedreiging vormde die in geen verhouding stond tot andere bedreigingen die zij ondervonden - de dood was om zo te zeggen het leven niet meer waard.

Groepsrouw 

Maar het tij zou keren. In 1955 stelde de Engelse socioloog Geoffrey Gorer in The pornography of death dat de dood het vroegere taboe op seksualiteit had overgenomen. De Zwitsers-Amerikaanse psychiater Elisabeth Kübler-Ross pleitte vanaf het eind van de jaren zestig voor stervensbegeleiding en professionele hulp bij rouwverwerking. In het verlengde hiervan riepen tientallen auteurs op tot nieuwe rituelen rondom het levenseinde.

 

denb20
Groeiende weerzin tegen zinloos geweld. Bloemenhulde door een
bruidspaar in september 1997, op de plek in Leeuwarden waar
enige maanden eerder Meindert Tjoelker omkwam. (ANP)


In Nederland vond deze oproep snel weerklank, want nergens was het aantal kerkelijke begrafenissen zo sterk gedaald als hier. Als reactie op alle kilte werden uitvaarten vanzelf al iets emotioneler: het thuis opbaren nam weer toe, en gevoelige toespraken door familieleden en vrienden kregen een vaste plek in elke rouwdienst; zelfs bij protestanten. De katholieke Kerk nam het gebruik aan om een kruisje met de naam van de overledene erop na de dienst bij kruisjes van eerder overledenen te hangen, al wekt dat in sommige parochies de indruk alsof men aan het aftellen is.

De onaanvaardbaarheid van de dood leidde ook tot nieuwe vormen van gedenken. De aids-epidemie, die zich begin jaren tachtig in het Westen openbaarde, trof vooral jonge homoseksuelen, die van zichzelf al een exuberante levensstijl bezaten. Omdat een effectieve medische behandeling lang onmogelijk leek, kregen zij het gevoel in een voorgeborchte van de dood te leven. In San Francisco werd in 1983 een eerste Aids Memorial Day gehouden, die wereldwijd gekopieerd zou worden; in Amsterdam sinds 1986. Aanvankelijk alleen met brandende kaarsen, kwamen daar later linten met namen van slachtoffers bij; vervolgens naamvlaggen die tot grote quilts werden verwerkt. Ook het fenomeen buddy, belangrijk bij stervensbegeleiding, stamt uit de strijd tegen aids.   

Sinds de moord op de Zweedse premier Olaf Palme in 1986 kent de wereld het ritueel om onheilsplekken met bloemen en waxinelichtjes te markeren, een huldeblijk die tegenwoordig bijna standaard is wanneer ergens slachtoffers vallen. Drie jaar eerder had Nederland al kennis gemaakt met een stille tocht naar aanleiding van de racistische moord op Kerwin Duinmeijer in Amsterdam; vele tochten tegen zinloos geweld zouden nog volgen. Sinds ongeveer dezelfde tijd kregen overal in Europa verkeersslachtoffers, zeker als ze jong waren, in bermen min of meer permanente gedenktekens, die doen denken aan middeleeuwse wegkruisen, al hebben ze meestal de vorm van een gebedsschrijn. De schatting is dat er inmiddels zo'n duizend van dergelijke bermmonumenten in Nederland staan. De meeste gemeenten hanteren de regel dat ze drie jaar gedoogd blijven, mede vanwege de waarschuwing die ervan uitgaat. Een ander nieuw verschijnsel op het gebied van gezamenlijk gedenken zijn de condoleanceregisters die bedrijven, scholen en sportclubs bij een sterfgeval klaarleggen. Zulke registers waren tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw louter in zwang voor staatshoofden en hoogwaardigheidsbekleders en daarom slechts te vinden in ambassades en overheidsgebouwen.

De doorbreking van de taboesfeer rond de eigenlijke begrafenis lijkt uit Amerika te zijn gekomen. Amerika was enerzijds het land van een ver doorgevoerde commercialisering van het uitvaartwezen, met als summum de mondiale keten Service Corporation International (McDeath), die ook in Nederland een vestiging heeft. Anderzijds bestond in dat land een lange exuberante traditie. Mensen die zich in hun Corvette of Mustang lieten begraven, die zich lieten balsemen, invriezen of de ruimte inschieten. Ook hun huisdieren kregen regelmatig een praalgraf, een gewoonte die bescheiden begonnen is in Engeland, waar de adel favoriete honden placht te begraven onder een steen in het gazon bij de voordeur. 

 

denb1
De eerste alternatieve begrafenis in Nederland: op 3 juli 1986
werd hippiekoning VictorIV, Walter C. Gluck, in konvooi naar
begraafplaats Zorgvliet gevaren. (ANP)


Uitgerekend een Amerikaan zou in Nederland de nieuwe trend introduceren. Op 3 juli 1986 werd hippiekoning Victor IV op een met stro bedekt vlot vanaf zijn woonboot aan de Amstel naar begraafplaats Zorgvlied gevaren, begeleid door een flottielje van sloepen en gadeslagen door een mensenmassa op de kade. Vervolgens bekommerden kunstenaarsgroepen als Carpay & Carpaan en Memento zich om de schamele grafcultuur die in Nederland usance was geworden. Na zich eerst alleen met grafstenen ingelaten te hebben, gingen zij ook lijkkisten beschilderen, herinneringsvaantjes ontwerpen en tenslotte kwam de hele uitvaart in hun blikveld.

De branche reageerde direct. Een Netwerk Uitvaartvernieuwers, waarvan het merendeel vrouw is, telde algauw tweehonderd leden en ijverde voor een persoonlijke invulling van begrafenissen. Hierop kwamen ook de traditionele begrafenisondernemers in beweging, mede doordat zij steeds vaker werden geconfronteerd met bijzondere verlangens van nieuwe minderheden. Zelfs crematoria gingen openstaan voor particuliere wensen: men kan er tegenwoordig, aldus de website van de bedrijfsgroep, muziek laten draaien van Jan Boezeroen en Johnny Jordaan en zich desgewenst in een kano laten verbranden…

De persoonlijke invulling van een begrafenis werd een daverend succes. Een futiele maar wezenlijke verandering betrof de dracht van de overledene: steeds vaker is dat vrijetijdskleding in plaats van een zondags pak. Ook daarbuiten zochten mensen naar nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden. Rond de laatste eeuwisseling had Het Parool de primeur van rouwadvertenties met de naam en pootafdruk van huisdieren, soms al met een kruisje erachter, omdat ze hoewel dood nog geenszins vergeten waren. Ook een sterretje bij vrouwelijke nabestaanden die een kind verwachten is reeds enige malen gesignaleerd. De website www.condoleance.nl, na de oudejaarsbrand van 2001 in Volendam bedacht door het Amsterdamse bedrijf BV Uitvaart.com, werd door het grote publiek aangegrepen om vrienden en bekenden te gedenken. Nabestaanden konden ook hun boodschap kwijt op de blankhouten kisten die in zwang kwamen, en hoeveel mobieltjes zijn er intussen niet meebegraven om te blijven SMS-en? Ettelijke losse persoonlijke souvenirs op grafstenen, niet noodzakelijk van weerbestendig materiaal, zijn ook gewoon geworden. En na afloop van de plechtigheid volgt bijna steevast een uitbundig feest, onder het motto: de overledene had niet anders gewild.  

 

denb26
Opening in oktober 1996 van nieuw verstrooiveld bij crematorium
Westgaarde. De grasmat en de dug-out zijn afkomstig uit het
gesloopte Ajax-stadion De Meer. (ANP)


De nieuwe Nederlandse begrafeniscultuur - die buitenlandse media verbaasd de vraag deed stellen: waar is de Hollandse nuchterheid gebleven? - kwam vooral tot uiting bij begrafenissen van bekende personen. Het is niet zo dat daar meer publiek dan vroeger op af komt. Bij overleden Oranjes stonden voor de oorlog al dichte drommen langs de route en legendarisch zijn de begrafenissen van de natuurkundige Hendrik Lorentz in 1928 (waarbij zelfs het landelijk telefoonnet drie minuten werd stilgelegd) en van fabrikant Anton Philips in 1951 met tachtigduizend belangstellenden. Maar waar vroeger de sfeer plechtig, ingetogen en ernstig was, lopen de emoties vandaag flink op. De uitvaart van de bruut vermoorde politicus Pim Fortuin in 2002 was misschien wel de grootste en de meest aangrijpende in de nationale geschiedenis. Zelfs langs de snelweg tussen Rotterdam en Haarlem, waar de lijkwagen overheen reed, stonden nog toeschouwers. Nieuw daarbij was dat zij voor de lijkkist klapten en bloemen naar de lijkwagen gooiden. De eveneens vermoorde Theo van Gogh twee jaar later gaf op de Dam in Amsterdam de wereldprimeur van een minuut lawaai in plaats van een minuut stilte. In hetzelfde jaar zong een afgeladen Arena het stoffelijk overschot van de jong gestorven volkszanger Andre Hazes op de middenstip toe. 

 

Het Parool, 12 augustus 2011. Louter voornamen, geen verdere informatie. Publiciteit als privé-aangelegenheid. Je zou zeggen dat de betrokkenen zich in dit geval de moeite (en kosten) kunnen besparen, maar kennelijk voelden zij een nostalgische behoefte aan openbaarheid.   

Dit waren nog shockerende sterfgevallen, maar wat te denken van de in 2011 op 73-jarige door een hersenbloeding gevelde voetballer Coen Moulijn, die vier decennia daarvoor met Feijenoord successen had geboekt? Volgens de schattingen waren in Rotterdam vijftienduizend fans op de been, van wie het gros hem nooit in actie had gezien. Naast het al bekende repertoire van applaus en liederen werd dit keer ook met vlaggen gezwaaid en zelfs fakkelvuurwerk afgestoken. Ten overstaan van de rijkelijk aanwezige televisiecamera's bleken getuigen van ontroering nauwelijks in staat uit hun woorden te komen. Het is zonneklaar dat als die mensen thuis waren gebleven, zij minder of zelfs helemaal niet onder het verlies hadden geleden. In plaats van rouwverwerking was hier dus sprake van rouwopwekking. Gedeelde smart werd geen halve smart maar vermenigvuldigde smart...

Echt leed overheerst ten slotte. De jongste ontwikkeling is dat individuen na de uitvaart ook gezamelijk gaan rouwen, hoewel expliciete rouwtekens zich blijven beperken tot de sportwereld. Individuen zoeken contact met lotgenoten in gespreksgroepen en richten soms een collectief monument op, wat vroeger alleen bij rampen en oorlogen gebeurde en dan ook nog van overheidswege. Prins Bernhard opende in 1999 in Flevoland het Wilhelminabos, waar kankerpatiënten met een eigen boom worden herdacht. Koningin Beatrix onthulde in 2011 in de Drentse buurtschap De Stapel bij De Wijk een Muur Tegen het Geweld, waarin persoonlijke herinneringen aan geweldslachtoffers zitten vermetseld. Bij die monumenten zijn dagelijks mensen aan te treffen.

Eveneens met het oog op de rouw ijvert de kunstenares Ida van der Lee met www.allerzielenalom.nl  ervoor om dit katholieke feest een seculier leven in te blazen. Dankbaarheid om wat was prevaleert daarbij boven het gemis. Met brandende vuurkorven en het zingen van de namen van overledenen moeten begraafplaatsen op de avond van 2 november een ontmoetingsplek voor de levenden worden. In dezelfde geest werd op Allerzielen 2010 het Amsterdamse Vondelpark omgetoverd tot een 'ritueel landschap'. In de donkerte dreven in de centrale vijver bootjes met kaarsjes rond en stegen ballonnen met behulp van kaarsjes op. Van de kunst van het sterven tot de kunst van het herdenken...

 

De kleine dood 

 

Het is bij dit alles vreemd te bedenken dat er nog mensen zijn, doopsgezinden bijvoorbeeld, die geen enkele rouw tonen. Bij hen kan het voorkomen dat twee familieleden als getuige mee naar het kerkhof gaan en de rest thuis zwijgend bijeen zit. Ook traditionele gereformeerden kennen nog een begrafenis die 'niet-mensgericht' hoort te zijn, een opmerkelijke term in dit verband.

Christenen hebben op hun manier altijd de dood enigszins gerelativeerd. De stervensbegeleiding en rouwverwerking die Elisabeth Kübler-Ross propageerde vonden onder hen een welkom onthaal. Naar Engels voorbeeld opende de Nederlandse arts Pieter Sluis in 1988 in Nieuwkoop een eerste hospice, veelzeggend Bijna Thuis Huis geheten. Stoppen met onnodige levensverlenging was de oorspronkelijke inzet; later, vanaf 2002 zelfs met behulp van een heus protocol, zou palliatieve sedatie volgen, die patiënten maximaal twee weken voor hun levenseinde onder verdoving brengt maar natuurlijk laat overlijden.

Humanisten zaten intussen niet stil. Al in 1973 brak de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie een lans voor actief ingrijpen bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden. De term euthanasie was progammatisch: Schopenhauer hanteerde die term voor de zachte, niet-pijnlijke dood die oude mensen soms zittend in een stoel treft. Na jaren van felle discussies zou in 2002 een wet tot stand komen die euthanasie onder strikte voorwaarden niet langer strafbaar stelt. Nederland was hierin het eerste land ter wereld, België het tweede, maar nog steeds zijn er talloze landen waarin iedere vorm van euthanasie verboden is (al regelen daar artsen veel gevallen onderhands). Omdat van de jaarlijkse 10.000 euthanasieverzoeken er nog steeds slechts drieduizend worden ingewilligd wil het Burgerinitiatief Voltooid Leven verdergaan. Niet een ondragelijk en uitzichtloos lijden, maar een idem dito leven dient al voldoende rechtvaardiging te zijn voor stervenshulp. Terwijl het debat hierover voortduurt, ging in 2012 in Den Haag een eerste Levenseindekliniek van start.

Deze ontwikkelingen hebben de dood weer naderbij en normaler gemaakt, maar de bevolkingsopbouw droeg daar ook toe bij. Immers, nog nooit kende Nederland zoveel bejaarden. Voor hen is zelfs een aparte omroep in leven geroepen, Omroep Max, die onwillekeurig het idee versterkt van hun toename. Door zich namelijk te richten op alle vijftigplussers - eufemistisch 'senioren' gedoopt - ondergaan bejaarden weliswaar een verjongingskuur maar zijn zij tegelijkertijd als groep veel groter geworden. Ook hun aanwezigheid is anders. Waar vroegere generaties zich niet graag op onledigheid lieten betrappen en 'achter de geraniums' bleven zitten, behoort de huidige generatie tot een opzichtige leisure class, die Thorstein Veblen nooit voor mogelijk had gehouden. En hun aantal zal nog aanwassen nu de babyboomers aan hun pensioen toe zijn.

Tegen wil en dank brengen bejaarden het prozaïsch element in het begrafeniswezen terug. Na soms wel twee decennia vakantie gevierd te hebben krijgen zij met fysieke gebreken te kampen, ter bestrijding waarvan alles uit de kast wordt gehaald en ettelijke handen nodig zijn. Nadat zij aldus enige jaren in leven zijn gehouden sterven zij, stok- en stokoud. Wanneer het zo ver is, overheerst bij de nabestaanden een gevoel van terechtheid en opluchting. Dit leidt bij hen al tot een zakelijke instelling tijdens de ceremonie, maar dat geldt in nog hogere mate voor de overige gasten, die anders dan vroeger zijn samengesteld. Net als oude buurten en kerkgenootschappen zijn immers ook veel families versnipperd geraakt en uiteengevallen. Een typische gast van nu is de ex, met wie in een eerdere fase flink is geruzied. Present zijn ook dikwijls kennissen uit de hobbysfeer, zoals een kaartclub. Wel, nergens is een sterfgeval zo snel vergeten als in een kaartclub, reeds bij het volgende rondje. Hierdoor bieden uitvaarten van bejaarden op hun best een reünie, op hun slechtst een plichtpleging. De vraag is: hoe valt deze afwezigheid van verdriet te rijmen met het uitbundige rouwbeklag rond jongeren en bekende figuren? Het lijkt alsof bij hen de tranen worden gestort die de meeste mensen in hun eigen leven ontberen.  

    

Minderheden

Voor moslims staat niet het carpe diem maar het memento mori nog centraal: het leven op aarde is 'een zaaiveld' voor het hiernamaals, waar de ontmoeting met god plaatsvindt, het einddoel van iedere gelovige. Met betrekking tot de dood dienen moslims zich dan ook berustend te gedragen. Voor bloemen, muziek en zelfbeklag is geen plaats. Allah heeft gegeven, Allah heeft genomen, en daar past niet bij dat men omstandig treurt. De koran verbiedt rouw die langer dan drie dagen duurt, en het wordt dan ook als ongepast beschouwd om nabestaanden nadien nog te condoleren. In de praktijk heeft echter een rouw van veertig dagen de overhand; voor de partner  zelfs vier maanden en tien dagen. Ook wordt er wel degelijk geweeklaagd, zeker als het om jonge mensen gaat.

Sterven en begraven zijn voor moslims een zuivere familieaangelegenheid; begrafenisondernemers kennen zij nagenoeg niet en in plaats van rouwkaarten worden overlijdensgevallen nog persoonlijk aangezegd. Als een moslim gaat sterven wordt hij op zijn zij gelegd met het gezicht richting Mekka, wat ook bij de teraardebestelling de voorgeschreven houding is. Idealiter vraagt de stervende Allah om vergeving voor zijn zonden en praat hij conflicten met zijn omgeving uit; schulden betaalt hij alsnog of draagt hij aan zijn nabestaanden over.

Zodra de dood is ingetreden, wordt het lichaam gewassen, wat in Nederland meestal in een rouwcentrum gebeurt. Tegenwoordig bekommert een imam zich hier vaak om, maar traditioneel doen familieleden dat zelf. Men houdt daarbij het geslachtsverschil aan, al mogen echtgenoten elkaar wassen. De wassing bestaat uit een oneven aantal besprenkelingen met geparfumeerd water, waarbij de geslachtsdelen bedekt blijven. Alleen martelaren worden niet gewassen; zij worden - hoogste eer - in hun met bloed bevlekte kleren begraven. Anderen krijgen net als joden en christenen oorspronkelijk een lijkwade aan, de kafan: een wikkel van ongenaaide witte doeken (drie voor een man en vijf voor een vrouw), die veel moslims al ruim van tevoren hebben aangeschaft. Mekkagangers worden tevens getooid met hun pelgrimsgewaad. Nadat eventueel goud uit het gebit is verwijderd, want dat mag niet mee worden begraven, wordt de dode bij voorkeur naar een moskee vervoerd voor het dodengebed. Opbaren gebeurt niet, omdat een dood lichaam als onrein geldt. 

 

denb25
Moslimbegrafenis in 1998 bij het Syrische klooster St. Ephrem in Losser. (ANP)



Omdat de ziel van een overledene pas de genade van Allah ontvangt als zijn graf is toegedekt, vindt de begrafenis zo snel mogelijk plaats: wanneer iemand 's ochtends overlijdt nog dezelfde dag; anders de volgende middag. In Nederland verbiedt de wet dit, maar ontheffing is mogelijk. Om die genade te bespoedigen maakt de rouwstoet ook flink vaart, een indruk die nog versterkt wordt doordat de dragers de baar aan alle kanten omringen en elkaar voortdurend afwisselen, want voor moslims is het dragen van een lijk een goede daad. Aan die stoet nemen alleen mannen deel, omdat vrouwen geacht worden hun verdriet niet te kunnen beheersen, wat pijnlijk zou zijn voor de Engel des Doods die slechts zijn plicht heeft gedaan. Marokkaanse, Molukse en Nederlandse moslimvrouwen verschijnen wel op de begraafplaats, waar ze in een rij achter de mannen blijven staan.

Moslims kennen twee soorten graven: de shaqq, een diepe kuil, en de lahd, een kuil met een nis erin aan de kant van Mekka. Eén dode per graf is het maximum; familiegraven komen niet voor. Bij een kuilgraf beschermt men de dode dikwijls met een stenen plaat of losse planken, opdat er geen aarde op hem rust die zou kunnen hinderen bij de wederopstanding. Met het oog hierop maakt men ook bij de voeten en het hoofd de knopen van de lijkwade los. Wordt er toch een kist gebruikt dan blijft zij open en heeft zij hoge randen vanwege de zijligging. Nadat het open graf driemaal met water is besproeid wordt het door alle aanwezige mannen gedicht.

Ondanks de wens om doden zo snel mogelijk te begraven, vinden negenennegentig van de honderd begrafenissen onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders nog steeds in het land van oorsprong plaats, waarmee minstens een week tijd gemoeid is. Traditie speelt hierbij een hoofdrol, maar ook het feit dat er gespecialiseerde en zeer goedkope uitvaartverzekeringen bestaan en de begraafplaatsen ter plaatse veelal gratis zijn. Een punt is verder dat moslims eeuwigdurende graven eisen, met het oog op de Dag des Oordeels, waarbij de ziel van de mensen herenigd zal worden met hun lichaam. Christenen geloven in hetzelfde leerstuk, maar hebben die eis om praktische redenen al duizend jaar geleden laten vallen. Inmiddels beschikken veel Nederlandse begraafplaatsen over een islamitische afdeling, sommige zelfs met gegarandeerde grafrust, maar daarin liggen voornamelijk kinderen.

Een moslimgraf zowel hier als elders is minimaal: een opgehoogd stukje grond met een kleine steen of tafeltje, waarop de naam en sterfdatum van de overledene staan, plus een korantekst. Orthodoxe moslims versieren hun graven slechts met een gevulde waterkan, waaruit vogels kunnen drinken. Vaak ook wordt alleen het geslacht van de overledene aangegeven: twee stenen aan het voeteneind betekent een man, een extra steen in het midden een vrouw. Grafbezoek en -verzorging vindt zelden plaats en is alleen geoorloofd aan mannen. Zij mogen dan bidden voor de overledene, maar niet vragen om zijn bemiddeling of hem vereren. Op een site van het Sultanaat van Oman wordt van de desinteresse voor graven onder moslims gezegd dat zij geen 'christelijke doodscultus' kennen, maar dat is onjuist: christenen hebben eeuwenlang dezelfde desinteresse gehad.

Evenals moslims prefereren ook Hindoes een snelle lijkbezorging, en wel om de wedergeboorte in een volgende levensvorm te bespoedigen. Aan het sterfbed verschijnt gewoonlijk een pandit, een hindoe-priester, die heilige teksten opzegt om de stervende in een goede sfeer te brengen. Diens laatste gedachten bepalen namelijk het lot van zijn ziel. Direct na het overlijden wordt de gestorvene door familieleden van zijn eigen sekse gewassen met een desinfecterend middel en vaak gestoken in traditionele dracht, dhoti en pagri voor een man, sari voor een vrouw. Aldus wordt het lijk in een kist opgebaard, waaromheen luid huilende familieleden zich scharen. De schilderijen aan de muur zijn omgedraaid en van heinde en verre komen bekenden hun deelneming betuigen, soms wel vijf-, zeshonderd man.

Crematie geniet onder Hindoes de voorkeur, omdat daarmee de ziel onmiddellijk wordt vrijgemaakt. Tot 1969 mochten Surinaamse Hindoes echter in hun eigen land hun doden niet verbranden, reden waarom onder hen een traditie van begraven bewaard is gebleven. Op de dag van de uitvaart wordt een rouwstoet geformeerd; vier mannelijke familieleden dragen de kist op een met vlaggen versierde lijkbaar. Vroeger namen vrouwen niet deel aan de rouwstoet; tegenwoordig wel. Tijdens de route wordt vijfmaal halt gehouden, onder meer bij het huis van de overledene.

Bij een teraardebestelling zijn de voeten van de overledene naar het zuiden gericht. De pandit prevelt een laatste gebed, besprenkelt de kist met reukwater en de aanwezigen gooien een handje aarde in het graf. De lijkbaar met vlaggen wordt bij het dichte graf achtergelaten. In een crematorium strooien de aanwezigen bloemblaadjes in de half geopende kist. Een afvaardiging van de familie begeleidt de kist naar de ovenruimte en vaak mag de oudste zoon de oven in werking stellen. De as wordt in water uitgestrooid, dat in verbinding met de zee staat.

Na de plechtigheid keert de familie huiswaarts voor openlijk geweeklaag en een vuurofferdienst. Op de twaalfde dag volgt een nieuw vuuroffer, waarna het normale leven zijn gang weer kan krijgen, althans voor de vrouwelijke familieleden. Een weduwnaar dient op de tiende dag, of eerder, zijn hoofdhaar af te scheren, wat na zes maanden moet worden herhaald. Als een vader is overleden dan scheren zonen zowel hun hoofdhaar als hun snor en baard af. Jonge hindoemannen in Nederland laten dit gebruik in toenemende mate achterwege of scheren slechts een haarstrook weg.

Afro-Surinamers zijn opgegroeid in de christelijke traditie, maar de Afrikaanse wintigodsdienst biedt nog steeds inspiratie. Dat geldt bij uitstek voor de boslandcreolen, bij wie wintimannen zelfs de rouwrituelen leiden; mede daarom laten zij zich veelal in Suriname begraven. Stadscreolen, die in toenemende mate hier blijven, erkennen soms echter ook een 'zwerfziel' van een dode, die tot rust moet worden gebracht, opdat deze de aarde kan verlaten of in een ander persoon kan reïncarneren. Trance, waarbij iemand met de stem van de overledene spreekt, is een middel om te achterhalen wat de ziel wil. En graven kan men beter niet bezoeken, omdat daardoor de ziel verstoord kan raken. Maar verder geldt het Surinaamse spreekwoord: 'Waar de dood is, moet ook worden gelachen'. In het hiernamaals is het leven beter, dus biedt de dood in zekere zin ook een bevrijding.

Hoewel de rouwrituelen onder Afro-Surinamers sterk verschillen, kennen de meesten nog zogenaamde aflegverenigingen. Dat zijn vrijwilligersorganisaties waarvan zowel katholieken als protestanten lid kunnen zijn. De vrouwelijke leden dragen witte kleren en een kunstig gevouwen hoofddoek; de mannelijke leden een zwart pak met een wit overhemd. Het wassen wordt door seksegenoten van de overledene gedaan, waarbij een ieder een apart lichaamsdeel voor zijn rekening neemt; andere details vallen onder een geheimhoudingsplicht, wat de verenigingsleden iedere keer met een eed bekrachtigen. Is de wassing en het opbaren voltooid, dan rijdt de groep de kist op een baar naar de huilende familie. Dat gebeurt zingend en dansend, met de onregelmatige krepsi-pas, die verondersteld wordt geesten op een dwaalspoor te brengen. Vaak vallen familieleden daarbij in, wat een algehele feeststemming tot gevolg kan hebben, die de 'zwerfziel' zal overtuigen dat zij kan weggaan.

 

denb3
Een Surinaamse aflegvereniging tijdens Uitvaart 2000 bij de
Utrechtse jaarbeurs. (ANP)


Tijdens de dodenwake (Dede Oso oftewel: sterfhuis) staan schalen met traditionele lekkernijen gereed en wordt er luidruchtig gebeden en gezongen. In Suriname wordt de kist ook met de krepsi-pas naar het graf gereden. In Nederland beperken Surinamers zich veelal tot zang tijdens de rouwstoet, soms onder aanvoering van een bazuinkoor. Acht dagen na de begrafenis plaatst men thuis een offertafeltje met lekker eten voor de ziel van de overledene, waaromheen de rouwenden zich wederom verzamelen. Daarna kan de rouwkleding uit, maar de officiële periode van rouw duurt veertig dagen.

Antillianen zijn in meerderheid rooms-katholiek. In tegenstelling tot andere katholieken zullen zij nooit zeggen dat een begrafenis 'mooi' was, want wie dat zegt is de volgende dode. Het geloof in voorbodes is groot, net als bij Afro-Surinamers. Er wordt ook hardop tegen een dode gepraat, waarbij men meestal de vraag stelt waarom hij geen waarschuwing heeft gegeven. Het afleggen gebeurde vroeger door goede kennissen, maar is nu een zaak voor het rouwcentrum. Ook de opbaring vindt daar meestal plaats, of ook wel in het gebouw van een sportclub, die in het leven van de overledene belangrijk is geweest.

De afscheidsbijeenkomst, met muziek en rozenkrans, wordt zeer druk bezocht; voor een overleden oom of tante aan gene zijde van de oceaan nemen eilanders terstond een vliegtuig. De bezoekers wensen de dode in zijn open kist een gouden huis toe en laten hun emoties de vrije loop. Een potje met kopspelden staat klaar om een speld op de lijkkleren van de dode te prikken, opdat diens geest eveneens wordt vastgeprikt. Ook worden wel touwtjes ter grootte van de kinderen van de overledene in de kist gelegd, waardoor hij niet terug hoeft te komen om hen te zoeken.

Nog steeds geven Antillianen de voorkeur aan een begrafenis in hun land van herkomst, in de bovengrondse grafkelders die typisch voor Latijns-Amerika zijn. Men hanteert acht dagen van intensieve rouw, waarbij de familie wordt gesteund door een voorbidster van boven de vijftig jaar. Op de achtste dag worden de ramen van het huis opengezet, opdat de geest van de dode kan weggaan, en is er een slotbijeenkomst met rum en sigaren. Op de veertigste dag houdt de familie nog een dienst, maar daarna moet het rouwen voorbij zijn.

Chinezen praten nimmer over de dood, maar zijn er wel bezeten van. Een goed verzorgde begrafenis geldt als het belangrijkste wat iemand in zijn leven kan overkomen. Al ruim van tevoren hebben zij een kist, een lijkwade ('eeuwige kleding') en het benodigde geld klaarliggen; soms verdwijnt hun hele vermogen erin. Tegelijk worden nabestaanden geacht goed voor hun doden te zorgen, omdat doden 'aanwezigen' zijn. Bekend is het verhaal van Chinezen die een heel huis voor hun overleden ouders hebben klaar staan, inclusief draaiende airconditioning. Anderzijds leeft de idee dat doden wel degelijk naar een andere wereld gaan, het Westelijk Paradijs. De reis daarnaar toe duurt zeven weken en voert langs allerlei gevaren, zoals het Dorp met de Hongerige Honden. Chinezen schrijven de mens dus minstens twee zielen toe: de lichamelijke po-ziel, die blijft, en de spirituele hun-ziel, die wegtrekt.

denb21
Opening van een Chineese begraafplaats in Rotterdam, september 2000
Ook Den Haag heeft zo'n begraafplaats. (ANP)



De familie leidt de begrafenisrituelen. Zodra iemand is overleden, hangt de familie witte doeken aan de voorzijde van het huis. Wit is de rouwkleur onder Chinezen, al dragen eigen kinderen een zwarte rouwband en aangetrouwden een blauwe (een rode rouwband is voor vrienden). Eerst voeren geslachtsgenoten de wassing uit, waarvoor het water elders moet worden 'gekocht'. Het aantal wassingen is altijd oneven, wat geluk brengt. Ook het aantal lijkwaden is oneven; tegenwoordig beperkt men zich tot drie of vijf lijkwaden, maar vroeger kregen aanzienlijke personen tientallen pakken aan. Om de po-ziel bij het lichaam te houden, sluit men lichaamsopeningen af met stukjes jade of stof. Een mes op het lichaam kan eveneens de ziel beletten te vluchten; een koordje tussen de geschoeide voeten idem dito.

In de kist zet men aan het voeteneind een spiegel, zodat het lijkt alsof er twee doden liggen, wat de dood van iemand anders dood uitstelt. Alles wat in aanraking met het lijk is geweest verdwijnt in de kist, zelfs een haarkam. Een parel of ei tussen de lippen van de dode symboliseert zijn wedergeboorte in het Westelijk Paradijs. Voor de reis daarnaar toe worden er cakejes een koekjes in de kist gelegd, waarmee de Hongerige Honden gevoed kunnen worden, maar men geeft ook wel stokken mee opdat de ziel die honden van zich kan afslaan. Namaakgeld, in verschillende coupures, dient om de demonische bewakers van de onderwereld om te kopen. Het arsenaal aan offers bij een Chinese begrafenis is eindeloos. Tijdens het rouwbezoek schenken de gasten televisies, mobiele telefoons, computers en keukenapparatuur, in replica's van papier wel te verstaan. De replica's en het namaakgeld worden zowel voor als tijdens de begrafenis verbrand.

Even voor de begrafenis gaat een overlijdensbericht de wereld in, dat de geesten van de kwaliteiten van de dode moet overtuigen. Naast de namen van alle verwanten en voorouders, tot drie, vier graden terug, bevat het bericht een onbescheiden loflied op de overledene, waarbij soms zelfs zijn leeftijd is aangedikt. Er wordt tijdens de begrafenis uitvoerig geweeklaagd, vooral door vrouwen, maar als de overledene de zeventig gepasseerd is worden de nabestaanden geacht geen traan te laten. De plaats van het graf is aangewezen door een feng shui-meester, die de juiste doses yin en yang bij elkaar moet brengen. Op weg naar het graf speelt een muziekgroep opzettelijk vals, om de disharmonie te illustreren. Bij het graf gaan eerst grote hoeveelheden namaakgeld en kleren in vlammen op. Een eigenaardigheid is dat Chinezen, die befaamde gokkers zijn, ook bij begrafenissen hardop gokken, opdat de overledene in hun geluk kan delen. Als de kist het graf inzakt, draait men zich om, maar daarna werpt een ieder een handje aarde op de kist. Een snoepje wordt uitgedeeld; het papiertje dat eromheen zat, laat men ter plekke vallen.

Na de begrafenis is er in het sterfhuis een gezamenlijke maaltijd, waarbij andermaal dingen in brand worden gestoken en de aanwezigen een rode geluksdraad om hun rechterpols krijgen. De familie kent twee perioden van rouw: eerst van 49 dagen, daarna van 100 dagen. Maar de overledene zal nooit in de vergetelheid raken. Zijn fotoportret siert het huisaltaar dat veel Chinese Chinezen nog hebben, zo ook de zerk op het graf, dat minstens een maal per jaar wordt bezocht.

Joden achten het aardse leven belangrijker dan het hiernamaals - de Thora spreekt nauwelijks over een hemel en een hel. Uitgangspunt bij een joodse begrafenis is eenvoud en gelijke behandeling, want de dood kent geen onderscheid. Het is ook de gemeenschap, in de vorm van vrijwillige begrafeniscolleges, die de verantwoordelijkheid voor de doden draagt, omdat niemand uit een sterfgeval materieel gewin mag halen. Een joodse begrafenis blijft ook onder niet-gelovigen gezocht, net als de besnijdenis en de eigen huwelijksceremonie. 

 

denb24
Op een terp bij Hardenberg, een van de 230 joodse begraafplaatsen in Nederland. (JHM)


Het bezoeken van een sterfbed geldt als plicht, maar men dient daarbij de nodige distantie te bewaren. Zelfs het opschudden van een kussen is niet gewenst, want dat zou het stervensproces kunnen bespoedigen. Idealerwijze overlijdt iemand bij bewustzijn, nadat hij zijn belijdenis en biecht hardop heeft uitgesproken. Vervolgens wordt het stoffelijk overschot direct van top tot teen met een laken bedekt, omdat het niet respectvol is een dode in zijn kwetsbare toestand te bekijken. Opbaren kennen joden dan ook niet, al houden zij wel een dodenwake. De wassing, waarmee seksegenoten zich belasten, geschiedt onder het laken en in stilte. In een uniform linnen doodsgewaad, bestaande uit een hemd, een broek en een omslagdoek, een muts, sokken en bij een man zijn gebedsmantel, wordt de dode daarna in een kist gelegd. Die kist hebben joden van christenen overgenomen, want in Israël blijft zij meestal achterwege. Wel dient zij van ongeschaafd en onbeschilderd hout te zijn en geen handvatten te bezitten. Ter herinnering aan de diaspora wordt aarde uit Israël over het lichaam uitgestrooid of in een zakje onder het hoofd gelegd.

Op de dag van de begrafenis brengen orthodoxe joden als teken van rouw een scheur in hun bovenkleren aan, de Keria. Bij overleden ouders wordt die aangebracht links van het hart, bij dito partners en kinderen rechts daarvan. Subtiel is dat bij vrouwen die scheur soms weer wordt dichtgenaaid, voordat zij naar de andere gasten terugkeren. Christenen plachten in de middeleeuwen bij een sterfgeval uit wanhoop en verdriet eveneens hun kleren te verscheuren, maar dit is de gestileerde variant ervan, die teruggaat op aartsvader Jacob.

Bloemen zijn niet gebruikelijk op de kist; alleen in de lijkstoet en op het graf. De begrafenis dient binnen 36 uur plaats te vinden, buiten de stad, vanwege de onreinheid die aan doden verbonden is. Nederland - een weinig bekende cultuurschat - telt maar liefst 230 joodse begraafplaatsen, die in eeuwigdurend recht zijn verworven, opdat de doden de wederopstanding ongestoord kunnen afwachten. Als om die functie aan te duiden heet een joodse begraafplaats in het Hebreeuws ook hoopvol Bet Chajiem: Woning der Levenden. In het Jiddisch spreekt men zelfs van Gedort, oftewel Gut Ort.   

Vrouwen gingen voor de oorlog niet mee naar de begraafplaats; nadien wel, maar zij staan dan apart. Aldaar worden in een 'weenhuis' eerst toespraken gehouden, hesped, waarin de verdiensten van de overledene aan bod komen. Met name protestanten hebben zulke toespraken voor zichzelf lang afgewezen, maar inmiddels in ere hersteld. De kist, bedekt met een zwarte doek, wordt hierna in een rustig tempo naar een vers gedolven graf gebracht. Een joodse begrafenis is een heuse begrafenis: de Belgische variant dat men de kist bovengronds op het kerkhof achterlaat is ondenkbaar. Alle aanwezigen werpen drie scheppen zand op de kist, waarbij zij de schop niet aan elkaar overhandigen maar steeds in de grond steken, want 'de laatste liefdesdaad' dient zonder haast te geschieden. Alleen katholieken hebben dit gebruik overgenomen, in de zin dat zij èèn schep zand op de kist gooien, maar liever: een bloem. Ten slotte spreekt de oudste zoon het kaddiesj, een lofzang op God, uit. Pas dan condoleert men de familie, want de talmoed leert dat nabestaanden beter niet getroost kunnen worden zolang hun dode voor hen ligt.

Het begrafenismaal bestaat slechts uit brood en hardgekookte eieren. De rouwperiode duurt een vol jaar maar kent ettelijke transitiemomenten, om de naasten geleidelijk weer bij het leven te betrekken. De eerste zeven dagen dienen zij in huis te blijven, ongeschoren en onopgemaakt en, wat nog wel voorkomt, zittend op lage stoeltjes of kussens. Na dertig dagen mag bij mannen de rouwbaard eraf en wordt met geloofsgenoten een leeravond gehouden. Feesten, theaterbezoek en nieuwe kleren blijven voor beide geslachten twaalf maanden taboe.

De rouwtijd wordt afgesloten met de plaatsing van een grafsteen: liggend bij de zogeheten sefardische joden uit Spanje en Portugal, zoals te zien is op de beroemde begraafplaats in Oudekerk aan de Amstel; rechtstandig bij de asjekenazi uit Oost-Europa. Dat de stenen nogal eens schots en scheef staan heeft te maken met het feit dat joden geen professionele grafdelvers kennen; nabestaanden horen dat werk zelf te doen. Een typische gewoonte is ook het leggen van een los steentje op de rand van een zerk bij het jaarlijkse grafbezoek. Hoewel de oorsprong daarvan onbekend is, moet dit welhaast een overblijfsel zijn uit de tijd dat joden door de woestijn trokken en met steentjes voorkwamen dat graven van stamgenoten onder het zand verdwenen.


terug naar boven