Honderdzeventig miljoen kerstkaarten (plus tientallen miljoenen e-cards), negentig miljoen kerstballen, zeventig miljoen kerstkaarsen, vijf miljoen kerstpakketten, drie miljoen kerstbomen en twee miljoen kerststallen. Wanneer is Kerstmis in Nederland eigenlijk zo'n gigantisch feest geworden?
De geboorte van Jezus Christus wordt pas sinds de vierde eeuw gevierd. Tot die tijd gaven christenen de voorrang aan diens herrijzenis met Pasen, waarmee als het ware de verlossing van de gelovigen boven hun persoonlijke strijd werd gesteld. Opmerkelijk genoeg betoogt de Katholieke Encyclopedie uit 1952 dat Jezus' geboortedag, waarover de bijbel geen duidelijkheid verschaft, met opzet op 25 december is geplaatst, teneinde Germaanse rituelen te kerstenen. Het zal niet verwonderen dat de nazi's een zelfde mening waren toegedaan. Zij beschouwden zelfs elke referentie naar Christus met betrekking tot Kerstmis als artfremd. In hun ogen was het een feest van licht, waarbij mensen het lengen der dagen stimuleerden door vuren te stoken en brood offerden aan boomgeesten die het op hun leven hadden voorzien. Het kerstblok - een groot stuk hout dat in veel haarden tijdens de kerstdagen brandde - herinnerde aan zulke vuren en de kerstboom aan de verering van de kale eik, die met dennetakken en appels werd opgetuigd om zijn bladeren weer te laten ontbotten. De in Engeland populaire mistletoe of maretak, waaronder meisjes gezoend mogen worden, verwees volgens deze visie naar de geheimzinnige praktijken van Keltische druïden. Desalniettemin is het onwaarschijnlijk dat 'Christus-mis', waarvan het woord Kerstmis afstamt, veel heidense elementen bevat. Onderzoek heeft aangetoond dat de meeste heidense elementen zo oud niet zijn.
Middeleeuwen en verder
Zeker is dat Kerstmis gedurende de Middeleeuwen een hoogtepunt in de jaarcylcus vormde; allerlei liedjes als Nu sijt wellecome en Een kindelien so lovelic dateren uit die tijd. De wereldlijke viering bestond, aldus de onderzoeker J.J. Mak, uit eten, drinken en spelen, en kerstavond heette 'dikkevretsaovond'. Jongelui liepen zingend over de straat en brachten geschenken rond, hoewel dat al vroeg als heidens werd aangemerkt. In de zeeprovincies was de kerstgans een gewild gerecht. Met het oog hierop schuifelden in de dagen voor Kerst tussen de Schelde en het Eem hele batterijen van 'vette en niet vette ganzen' over straat. Germaanse offers vonden daarbij niet plaats, of het moest aan de eigen buik zijn. In de hoop op betere tijden deden mensen zich nog eenmaal te goed tijdens een lange periode van schaarste.
Een laatmiddeleeuwse bijdrage aan het feest waren de kerstspelen en de kerstkribbe, bedoeld om de volksdevotie te bevorderen. Tijdens een kerstspel werd in de open lucht het bijbelse kerstverhaal nagespeeld, al dan niet aangevuld met niet-bijbelse elementen als de os en de ezel, de herdertjes bij nachten en de Drie Koningen die langzaam naderden.
Als bedenker van de kerstkribbe staat Franciscus van Assisi te boek. Op kerstavond van het jaar 1223 legde hij in de bossen bij zijn woonplaats Greccio voor de eerste maal daadwerkelijk een kindfiguur in een kribbe, of 'voederbak' volgens de jongste Nederlandse bijbelvertaling. Volgelingen van Franciscus zouden ook miniatuur kribben voor thuisgebruik ontwikkelen, opdat gelovigen in familiekring het bijbelverhaal konden naspelen. In 1563 werd in de St.Clemenskerk te Praag hiervan een eerste tentoonstelling gehouden. Als onderkomen voor de kribbe diende meestal een stal; vandaar de benaming kerststal, die in Nederland populairder is dan 'kribbe'. Bethlehem kent echter al sinds de tweede eeuw een officiële Geboortegrot, die nog steeds in veel kerken met Kerstmis wordt nagebouwd. Het behoort tot de onopgeloste raadsels van het christendom waarom de ene pastoor voor een stal kiest en de andere voor een grot.
Na de Reformatie echter horen we in Nederland weinig meer over kerstvieringen. In de zeventiende eeuw noemde Vondel Kerstmis nog 'de hoogste feest van 't jaer', een tijd voor 'te danssen en te bancketeeren', maar alleen de kerstgans overleefde het feestelijk bewind van de dominees. Het is veelzeggend dat oude edities van de Enkhuizer en Deventer Almanak feesten als Sint-Maarten, Sinterklaas, nieuwjaar, vastenavond, Driekoningen en Pasen en Pinksteren uitgebreid beschrijven, maar Kerstmis niet of nauwelijks. Men krijgt de indruk dat het feest in stilte voorbijging. Uit protestantse kerken was alle uitwendigheid verdwenen: de kerststal moest weg, evenals de kerstspelen, waarvan niet één Nederlands voorbeeld bewaard is gebleven.
Ook de huiselijke viering moet vergeleken met omringende landen sober zijn geweest, aangezien pakjesavond hier niet als elders naar Kerstmis verschoof. Dit is honderden jaren zo gebleven; op het platteland tot in de twintigste eeuw. De volkskundige Van der Molen vermeldt althans uit het begin daarvan enkele beschrijvingen van boerenkerstfeesten: voor de gelegenheid droeg men wel schoenen in plaats van klompen, maar de sfeer was plechtig en karig; buurpraatjes kwamen niet van pas en de kinderen mochten niet op de brink spelen. Van 'dikkevretsaovond' was geen sprake.
Sint-Thomasluiden, midwinterhoornblazen
Dat Kerstmis een moment van bezinning was blijkt ook uit het feit dat er nauwelijks uithuizige tradities omheen zijn ontstaan, hoewel dat met een twee dagen durend feest makkelijk had gekund. Op het platteland zijn slechts twee gebruiken overgebleven, die ook nog niet op Kerstmis zelf maar ervoor en erna plaatsvinden.
Tussen 21 december, de naamdag van de ongelovige apostel Thomas, en nieuwjaar speelt zich in het Friese Oudehorne en Katlijk het Sint-Thomasluiden af: op klokkenstoelen proberen jongeren gedurende vele uren van de dag de zogenaamde vierkante slag te bereiken (bam, bim). Het Sint-Thomasluiden werd in de Friese Wouden al in de achttiende eeuw beoefend, maar het zou inmiddels in de vergetelheid zijn geraakt wanneer niet in 1967 in Oudehorne een wisselbeker voor de beste 'klokkenstuurders' was ingesteld.
| |
Het midwinterhoornblazen in het noordoosten van Twente heeft om te overleven twee keer een impuls gehad. Van origine, zo wordt beweerd, gebruikten de katholieke inwoners van deze streek de hoorns om elkaar te waarschuwen bij het naderen van vertegenwoordigers van de protestantse overheid, al strookt dat niet met het gegeven dat zulke hoorns tot in de Alpen voorkomen. In de negentiende eeuw schijnt er nog wel eens incidenteel boven een put (vanwege de nagalm) te zijn geblazen, maar het midwinterhoornblazen zoals het tegenwoordig wordt beoefend, is volgens de volkskundige Voskuil tussen de beide wereldoorlogen doelbewust ontwikkeld, in een poging het platteland te folkloriseren. Nadien ging het weer snel bergafwaarts, totdat vanaf 1953 een 'Kemmisie veur 't Mirreweenterbloazen' jaarlijks een concours begon te organiseren. Op Sint Steffen, tweede Kerstdag, staan daartoe enige tientallen blazers aan de ene kant van de Dinkel, en de juryleden aan de andere kant. Geblazen wordt er echter tussen Allerheiligen op 1 november en driekoningen; en wie wil kan er een cursus in volgen.
Onder de kerstboom
Als familiaal feest is Kerstmis een negentiende-eeuwse vinding van de burgerij. De ingrediënten ervoor kwamen van heinde en verre. In 1843 verscheen A Christmas Carol van Charles Dickens, over de harteloze figuur Scrooge, die als een hedendaags bankier alleen van Kerstmis genoot omdat de mensen zich dan extra in de schulden staken, zodat hij hen nog meer kon uitzuigen. Kerstmis diende evenwel, zo begrepen de lezers, een feest van liefdadigheid en warmte te zijn. En Scrooge kwam in het verhaal ook tot inkeer toen hij eenmaal sneeuw zag vallen, waarmee meteen het verlangen naar een witte kerst zich in de hoofden van mensen nestelde, hoe zeldzaam die in onze contreien ook is.
Als om deze idylle te versterken vond de Engelsman Henry Cole precies in hetzelfde jaar, 1843, de kerstkaart uit, al was dat vanwege tijdnood. Zowel in Engeland als elders was het gebruikelijk dat verwanten en goede vrienden elkaar met Kerstmis lange brieven schreven, waarin zij over het lopende jaar berichtten en de beste wensen voor het komende overbrachten. Henry Cole was hiermee te laat begonnen en liet een tekening drukken met de begeleidende tekst 'A merry Christmas and a happy new year'. Het voordeel van zo'n postkaart was dat daarmee ook zakenrelaties en kennissen konden worden bereikt, wat de aanleiding werd voor haar internationale succes. In Nederland verscheen de eerste gedrukte nieuwjaarskaart bij de Amsterdamse firma Gebr. Koster in 1872, en de eerste gedrukte kerstkaart, die beide functies in zich verenigde, bij de Goudse boekhandelaar T.J. Kousbroek in 1896.

Het Biedermeier-Duitsland bracht andere nieuwigheden. Stille Nacht, Heilige Nacht, in die periode gecomponeerd, bleek in het Nederlands even goed te klinken als in het Duits. In iets mindere mate gold dat voor O Tannenbaum, o Tannenbaum. Met die Tannenbaum wordt de kerstboom bedoeld, doorgaans geen denneboom maar een spar, waarvan de takken gelijkmatiger zijn. De vroegste vermelding van zo'n opgerichte boom is uit 1441 in Talinn, Estland, en luttele tijd later doemde hij in Duitsland op. De bomen stonden in de kerk of op het kerkplein en waren behangen met bloemen van papier, appeltjes, vergulde noten, koekjes en suikergoed; geschenken lagen er nog niet onder. Een hardnekkig maar ook vaak weersproken verhaal wil dat Maarten Luther, op zoek naar een tegenhanger voor de katholieke kerststal, als eerste thuis een kerstboom met geschenken had. Luther heeft zeker van Kerstmis een geeffeest gemaakt, en hij omarmde ook de kerstboom, die, hoewel niet des bijbels, symbool kon staan voor het paradijs dat dankzij de geboorte van Jezus als het ware weer was geopend. De eerste concrete berichten over huiselijke bomen met geschenken dateren echter pas uit de achttiende eeuw, o.a. van de schrijver Wolfgang Goethe in zijn roman Die Leiden des jungen Werthers uit 1774. Goethe, bekend als propagandist van de kerstboom, had hem waarschijnlijk nog niet eens in de glorieuze staat gezien waarmee hij de hele wereld zou veroveren. Na 1830 kwamen goedkope stearine-kaarsen in productie, die dun als ze waren niet meteen krom smolten en daardoor als boomverlichting konden dienen. Voor mensen die geen elektrisch licht kenden, moet een boom met brandende kaarsjes een hemelse aanblik zijn geweest.
Volgens de laatste inzichten vond het debuut van de kerstboom in Nederland in 1835 plaats in het Betuwse Hemmen, waar dominee Otto Heldring hem aantrof in Huis Hemmen van baron van Lynden. Heldring, die zich bekommerde om daklozen, alcoholisten en gevallen vrouwen, zag er meteen een middel in om hen ontvankelijker voor het evangelie te maken en zette het jaar daarop een boom neer in het lokale kerkje. Vermoedelijk hebben Duitse immigranten, waarvan er toen vele waren, de boom naar Amsterdam meegenomen, waar in 1844 een Duitse banketbakker adverteerde met een 'luisterrijk Geillumineerde Kersboom', die duizenden kijkers trok. Halverwege de negentiende eeuw haakten de pas opgerichte orthodox-protestantse zondagsscholen in, die net als Luther Jezus als kindervriend naar voren wilden schuiven en daartoe met Kerstmis voor hun veelal arme leerlingen presentjes onder een boom legden. De sterk Duitse Oranjes bevorderden deze traditie op eigen wijze. Willem III plaatste in 1871 een boom met presentjes voor kinderen op paleis Het Loo, wat een vaak herhaald festijn zou worden. Uit krantenverslagen kon het publiek leren dat kerstgeschenken niet slechts bij arme kinderen hoefden te belanden, want ten paleize verschenen louter kinderen van 'de notabelste ingezetenen van Apeldoorn'.
Van vijf jaar later (1876) dateert een eerste afbeelding van een Nederlandse kerstboom in huiselijke sfeer, in een boekje getiteld Kinderfeesten van P.J. Andriessen. Daarin zijn de brandende kaarsjes al aanwezig, evenals poppen en ander speeltuig. Ook de kerstbal van gekleurd glas lijkt present, al kunnen dat even goed vergulde noten of sterappeltjes zijn geweest. De eerste glazen kerstballen dateren uit de Biedemeiertijd maar hun populariteit werd bewerkstelligd door de goedkope industriële glasblazerij die eind negentiende eeuw in het Thüringer Wald ontstond. Desondanks zijn er claims dat de kerstbal teruggaat op de zogenaamde heksenbal uit de middeleeuwen, die groter was en eveneens spiegelde. Een theorie wil dat heksen geen spiegelbeeld bezaten en daardoor via zo'n bal makkelijk op te sporen waren. Een andere theorie wil juist dat heksen hun lelijke tronies niet ook nog in vervormde staat verdroegen en daardoor vanzelf uit de buurt bleven. De genoemde glasindustrie is sinds 1900 eveneens verantwoordelijk voor Engelenhaar, dat uit glasvezel wordt gesponnen; idem dito voor de kunstige boompieken - eerder werden daarvoor beplakte papieren sterren gebruikt die naar Bethlehem verwezen.

De opmars van de kerstboom kon beginnen, maar verliep niet zonder strubbelingen. Veel protestanten veroordeelden de boom aanvankelijk niet alleen als onbijbels maar ook als veruitwendiging van het geloof; de reformatorische kerken doen dat nog steeds. Veel katholieken vonden de boom juist protestants en bepaalden zich tot de aloude kerststal, waarvan het overigens de vraag is of die in Nederland de Reformatie heeft overleefd. In elk geval was onder Duitse katholieken vanaf de achttiende eeuw een houtgesneden kerststal uit Tirol een cultus geworden, vergelijkbaar met die rond de kerstboom, en hun Nederlandse geloofsgenoten raakten daardoor zeker geïnspireerd. Toen in Nederland vanaf 1900 de eerste kerstbomen in katholieke scholen verschenen, was dat steeds naast een kerststal.
Zelfs sommige folkloristen zaten met de kerstboom in hun maag. Omdat hij makkelijk met Germaanse mystiek in verband kon worden gebracht, had hij voor hen iets aantrekkelijks; anderzijds was het evident dat het om klinkklare import ging, die weleens afbreuk kon doen aan Sinterklaas. De protestantse neerlandicus Eelco Verwijs verzuchtte daarom in 1863: 'Laat Duitschland zijn kerstboom en zijn kerstkindeken' (met welk laatste hij de kersttal bedoelde). Niettemin was de kerstboom, met bijbehorende tierelantijnen, in de jaren dertig van de twintigste eeuw al wijdverbreid. Momenteel wordt hij in bijna driekwart van de huizen geplaatst; zelfs vrijgezellen plaatsen er vaak een.
Verbroedering en overvloed
De twintigste eeuw maakte van Kerstmis een feest van vrede en solidariteit. Al in 1907 zette het Leger des Heils op diverse plekken in Amsterdam de bekende hangende collectebus neer. Andere kerkgenootschappen collecteerden intern maar met een zelfde oogmerk: bestrijding van stille armoede. NRC Handelsblad begon in 1928 met een eigen Kerstactie, en daarmee was de teneur voor de decembermaand wel gezet. Na de oorlog zouden tientallen BN-ers zich gaan inzetten voor specifieke behoeftigen tijdens het Feest van het Licht.
Een eerste kerstboom op de Dam in Amsterdam schijnt in 1933 te zijn verrezen, ook weer door het Leger des Heils. De traditie van publieksbomen begon eerst goed toen Noorse steden vanaf 1950 als vriendschapsgebaar steden in de westerse wereld gratis een exemplaar bezorgden; voor Amsterdam trad een halve eeuw lang Trondheim als weldoener op. Naar het voorbeeld van beroemde evenknieën op het Rockefeller Centre in New York en Trafalger Square in Londen is het aansteken van de lichtjes in menige stad een plechtig moment geworden. Gouda heeft hiervan het grootste evenement gemaakt. Sinds 1955, toen het bedrijf Gouda Kaarsen honderd jaar bestond, kent men daar Kaarsjesavond, met massale zang en flikkerende kaarsvlammetjes in de opstelling van een mini-boompje achter de ramen van het middeleeuwse stadhuis, verzorgd door de kaarsenfabriek.
Middenstandsverenigingen verhoogden op hun beurt alom de feestvreugde door in de decembermaand hele stadscentra met verlichtingsbogen op te tuigen, waarbij overvloedig groen wordt toegepast, eveneens een Scandinavische inbreng. Dit zijn nog bescheiden versieringen vergeleken met de dertig officiële kerstmarkten die Nederland inmiddels telt, ontwikkeld in navolging van de Duitse Weihnachtsmarkten, die trouwens ook duizenden dagjesmensen uit Nederland trekken. Zulke markten zijn voor menig kooplustige interessant, omdat ze nog een volkse component bevatten en niet louter op luxe zijn gericht. De beroemde markt in Düsseldorf bijvoorbeeld geschiedt vanuit peperkoekhuisjes, en men kan er ontdekken dat heel veel kitsch bij elkaar iets onburgelijks krijgt, ja, zelfs niet langer kitscherig is.
Ook elders in het publieke leven drong Kerstmis door. In bedrijven en instellingen kwam de kerstborrel op gang, samen met het kerstpakket, dat voor de oorlog al werd verzonden naar Nederlandse militairen in Nederlands-Indië. Koningin Wilhelmina begon in 1931 met een kerstgroet, maar koningin Juliana maakte daarvan een kersttoespraak en koningin Beatrix een kerstboodschap - men ziet de toenemende graad van indringendheid. Deze verhoogde kerstsfeer ontlokte weer andere initiatieven. Deventer keert sinds 1990 weer terug naar de dagen van Scrooge, middels een Dickens Festijn, waarbij maar liefst achthonderd karakters uit diens romans op straat verschijnen, bekeken door honderdduizend bezoekers uit binnen- en buitenland. Ook elders vinden inmiddels zulke festijnen plaats.
Popmusici, ooit strijders tegen de consumptiemaatschappij maar sinds lang de boegbeelden ervan, bleven uiteraard niet achter. Evergreens als Jingle bells en White Christmas krijgen ieder jaar een opvolger. En sinds 1999 komt rond Kerstmis bij de publieke omroep de hele pophistorie langs in de Top Tweeduizend, waarvoor een paar miljoen landgenoten hun stem uitbrengen. De populariteit van popmuziek gaf diezelfde omroep in om vanaf 2004 met Serious Request te beginnen, een ideëel radioprogramma waarbij drie dj's een hele week volcontinu verzoekplaatjes tegen betaling draaien, opgesloten zonder eten in een glazen huis op een plein ergens in Nederland. Vooral 's nachts levert dat glazen huis pregnante televisiebeelden op, met achter de ramen een dj die met een bezoekende BN-er zit te lachen, en ervoor verkleumde jongeren die zich beschaamd lijken af te vragen waarom zijzelf niet beroemd zijn.
Zelfs rondom particuliere huizen kreeg Kerst nog een injectie doordat menigeen na zijn interieur ook zijn tuin ging versieren. Hollywood diende hierbij als inspiratiebron. Vooral in egalitaire gebieden, zoals Noord-Holland, lijken bewoners elkaar de loef af te steken met lichtshows en kersttaferelen overdekt met nepsneeuw. Het is volkscultuur en massacultuur ineen, een combinatie die ooit is begonnen met wedstrijden in wie de opvallendste snor had en de langste kegel van sigarenas kon creëren. Een jongste loot van dit genre: lelijke kersttruien, vooralsnog alleen in Amerika te bewonderen.

In huis herkreeg Kerstmis dankzij de diverse loonrondes het karakter van een middeleeuwse 'dikkevretsaovond', hoewel de aanleiding daartoe eigenlijk ontbreekt, want voedsel is tegenwoordig het hele jaar in overvloed voorradig. Wel heeft de traditionele kerstgans allang plaats gemaakt voor wild of een Angelsaksische kalkoen, en die soms op hun beurt voor 'bewerkbare' gemaksvoeding, zoals gourmettableaus. Maar het eetfestijn blijft niet langer beperkt tot de maaltijden. Brabanders kennen hun speciale worstenbroodjes na de nachtmis, en in heel Nederland liggen de hele dag lekkernijen grijpklaar als kerststollen en chocolade kerstkransjes, of zelfs oliebollen, die traditioneel bij Oud en Nieuw horen.
Niet alleen vanwege deze eendaagse obesitas is Kerstmis voor een aanzienlijk aantal mensen ook een benauwende aangelegenheid geworden. Een bepaald aspect roerde Harriët Freezer aan met haar boek Wat doen we met moeder tijdens de feestdagen? En Simon Carmiggelt lanceerde ooit de term 'Kerstkneut'. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Oudjaar luistert het feest naar strakke conventies; lastig voor mensen die zichzelf uniek achten. Maar internet biedt tegenwoordig een uitlaatklep; men kan er zelfs terecht voor survivaltips tijdens de kerstdagen. Postbus 51 probeert intussen iedereen gerust te stellen met de boodschap: 'Kerstmis hoeft niet'. Als alternatief kwamen etentjes in restaurants en korte vakanties in huurbungalows in zwang, maar niemand kan zich eigenlijk aan het feest onttrekken. Het vreemde doet zich voor dat terwijl nog slechts een op de vier Nederlanders als kerkganger kan worden aangemerkt, het feest steeds dominanter wordt. Het heeft er tegen heug en meug zelfs een nieuwe heilige bijgekregen....
Een onheilige sint
Santa Claus stamt net als de kerstboom niet uit een grijs verleden: hij is een adaptatie van onze Sinterklaas, zoals die begin zeventiende eeuw werd ingevoerd in Nieuw Amsterdam, het huidige New York. In 1733, toen de Nederlanders er al driekwart eeuw weg waren, meldde een lokale krant dat een groep mensen het feest van St. Nicholas, 'otherwise called Santa Claus', had gevierd. De schrijver Washington Irving geldt als degene die hem weer in het centrum van de aandacht heeft geplaatst. In zijn vaak herdrukte History of New York uit 1809 liet hij een een sinterklaasfiguur ronddolen door het historische Nieuw Amsterdam. Twaalf jaar later verschafte de Amerikaanse hoogleraar Clement Moore hem in zijn gedicht A visit from St. Nicholas (ook bekend als Twas the night before christmas) zijn vervoermiddel: een arreslee met acht rendieren die snel als een adelaar waren, een opstapje naar de vliegfantasie. De heilige was hiermee bisschop af. Als profaan wezen kon hij vervolgens door de commercie makkelijk omgebouwd worden tot een guitige uitvoering van sombere Europese collega's als Weihnachtsmann, Father Christmas en Père Noël. Al aan het eind van de negentiende eeuw wekte hij met een rinkelende bel en schuddebuikend ('hohoho') het Amerikaanse publiek in winkels op om behoorlijk in te slaan. Coca Cola, op zoek naar mogelijkheden om haar frisdrank ook in de winter te promoten, gaf in 1930 de Zweedse tekenaar Haddon Sundblom de opdracht een kerstman in de eigen bedrijfskleuren te tekenen. Het bekende rood en wit deed zijn intrede; voorheen was Santa Claus groen, net als de Engelse Father Christmas. In 1939 tenslotte verzon Robert May Rudolph, the Red-Nosed Reindeer, het negende rendier dat met zijn rode neus de weg in het donker kon wijzen; het gelijknamige lied werd wereldberoemd dankzij Bing Cosby.
Europa maakte kennis met deze Cola-Sint tijdens de naoorlogse Marshallhulp. Hij werd zeker niet met open armen ontvangen. Begin jaren vijftig 'executeerden' in het Franse Dijon katholieke priesters een Clauspop op een brandstapel voor de kerk. Ook in Nederland kreeg hij aanvankelijk geen poot aan de grond vanwege de krachtige sinterklaastraditie, alhoewel de Bijenkorf hem naar verluidt al sinds 1932 opvoert in kerstreclames. Net als in Frankrijk waren het hier katholieken die de strijd aanvoerden. Santa Claus, ook al was slechts in getekende vorm present, stond in hun ogen voor dolgedraaid materialisme, niet voor naastenliefde en wereldvrede, waarmee het kerstkindje inmiddels werd geassocieerd. Toch was er al vroeg sprake van enige adaptatie, want Santa Claus werd hier van meet af aan kerstman genoemd, omdat zijn verhaspelde Amerikaanse naam voor Nederlanders onnatuurlijk klinkt.

In Roermond voerde een heus comité enkele jaren een brievenactie tegen winkeliers die hun etalages met de 'kwalijke en onreine' kerstman tooiden. Katholieken, zo liet het comité weten, behoorden zelfs geen films te bekijken waarin de man voorkwam. Tegelijk werd gepleit om in de openbare ruimte levensgrote kerststallen neer te zetten. Het voorbeeld daartoe leverde Vlaanderen, waar men op die manier de sluipende secularisatie een halt wilde toeroepen. Vanaf de jaren vijftig verschenen dergelijke stallen, vaak met echte dieren en soms zelfs met echte mensen erin, in tal van plaatsen in Limburg, Twente en vooral Brabant, waar zij, aldus de etnoloog Gerard Rooijakkers, tot een nieuwe vorm van 'reli-toerisme' voor tienduizenden aanleiding hebben gegeven.
De man met de wattenbaard en de kaboutermuts bleek hier echter niet meer te verdrijven. Zijn functie nam zelfs toe, net als zijn aanwezigheid: hij doemt ook al in levenden lijve op. Was hij aanvankelijk slechts aanjager van koopzucht, vanaf de jaren tachtig werd hij een overdrachtelijke brenger van geschenken, omdat mensen ook met Kerstmis cadeautjes gingen uitwisselen. In deze Sinterklaasrol irriteerde hij menigeen. De schrijver Nicolaas Matsier noemde hem een 'Duits-Amerikaans-Engels misbaksel', een 'roodgroene lul', die het sinterklaasfeest wegdrukte; nota bene 'een evenement, op zich al bijna voldoende om een mens ermee te verzoenen dat-ie een Nederlander is'. Anderen hieven het 'Claus, Raus' aan. Maar inmiddels is de vrede wel getekend tussen Sinterklaas en de kerstman. Middenstandsverenigingen zorgen er angstvallig voor dat zij elkaar nimmer op straat tegenkomen en bij de baard kunnen vatten. Sinds 2006 kent de kerstman halverwege december zelfs een officiële intocht in Noordwijk, waarbij hij van de burgemeester de sleutel van het stadhuis krijgt overhandigd, als ware hij een koninklijke hoogheid. Ook het publiek lijkt met het tweetal verzoend. Volgens het Nibud geven tegenwoordig acht van de tien Nederlandse gezinnen elkaar met Sinterklaas cadeautjes, en vijf van de tien met Kerstmis, maar drie van de tien geven al op beide dagen!

Maar... hoe zal het verdergaan? In Amerika, waar Kerstmis trekken van een cultus vertoont, groeit het verzet ertegen. Een kosmopolitische samenleving zou niet dagenlang gedomineerd mogen worden door een feest van christenen. Actievoerders richten op pleinen concurrerende bomen op die zij holiday tree noemen; zij wensen elkaar Season's greetings of zelfs Happy solstice (Vrolijke zonnewende). Tegen warenhuizen die al te nadrukkelijk met Kerstmis adverteren wordt met processen gedreigd, of juist met een boycot door gelovigen in geval de gestelde eisen zijn ingewilligd. De gemoederen lopen zo hoog op dat er, althans door christenen, wordt gesproken van een War on Christmas. Nederland lijkt hiervan vooralsnog bespaard te blijven, al is de alertheid groot. In 2009 liet de Haagse Hogeschool een kerstboom achterwege met het oog op de gemixte aard van haar studentenbevolking, wat leidde tot een landelijke rel. In 2001 deed het gerucht de ronde dat Schiphol voortaan bomen zou weren, ten onrechte, want Schiphol kent zelfs een rijdende boom (met een dikke kerstman erin). De redding komt wellicht van de niet-bijbelse elementen van het feest, waarmee de Germanen met hun verering van de kale eik weer in beeld komen. En dan te bedenken dat die traditie al 1500 jaar zou zijn vergeten als niet de geboorte van Jezus op 25 december was geplaatst! Wie verkondigde ooit dat een multiculturele maatschappij het paradijs op aarde behelsde?