Logboek

 

De grote Nederlandse roman

 

Is de romancyclus Het bureau van J.J. Voskuil werkelijk 'the great Dutch novel', zoals de aanbeveling op de pocketeditie ervan luidt?

Hollands is de cyclus inderdaad, mijn hemel. Je kunt je al niet voorstellen dat Philip Roth of Günther Grass al die duizenden bladzijden zouden lezen, laat staan dat ze die zelf schrijven. Maar ook in Nederland ken ik nauwelijks equivalenten. Het enige wat me te binnen schiet is dat een beambte van de Nederlandsche Bank ooit aankondigde een tetralogie over zijn kantoorleven te gaan publiceren. Enkele titels had hij al: De beambte en zijn koffiepauze, De beambte en zijn ballpoint en De beambte en zijn lunchzakje, maar het is bij die titels gebleven.

Desondanks zal ik niet verhelen dat Voskuil met zijn boeken ook mij heeft geboeid, en wel vanwege de fixatie op het alledaagse, en daar dan het alledaagse van, want seks en liefde zijn geen onderwerp. Maar wat het succes verklaart? Niet de observaties en de formuleringen, want die zijn zelden bijzonder, al kan Voskuil goed zinnen achter elkaar zetten, een aparte kwaliteit.

Ik geloof dat vooral aanspreekt de calvinistische monomanie waarvanuit het is geschreven, het kleingeestige ongenoegen dat van elke bladzijde afspat. Je weet zelfs niet wat hij erger acht: de mensen die hij ontmoet of het werk dat hij verricht en als volstrekt nutteloos beschouwt. Qua sfeer lijkt het wel een vervolg op De avonden van Gerard Reve, zij het met een aanmerkelijk verschil. Was de hoofdpersoon daaruit, Frits van Egters, nog een jongeman die zich verzette tegen een allureloos leven, Voskuils alter ego Maarten Koning leidt dat leven. Hij bezit net als de jonge Frits een fikse eigendunk maar tijdens de decennia waarin we hem volgen moet hij concluderen dat hij voor een bestaan van lafheid en onbelangrijkheid heeft gekozen, en anders concluderen de lezers dit wel.

Voskuil bezat immers niet eens het excuus van de gewone burgerman om zich met zijn lot te verzoenen: werk dat hem beviel en collega's die hij sympathiek vond. Zelfs financiële zekerheid speelde voor hem geen rol, want hij en zijn vrouw hadden geen kinderen. Iemand als hij met een klein beetje pit was onmiddellijk opgestapt, maar in zeven boekdelen krijgen wij uitgelegd waarom dat niet is gebeurd: buitenstaanders belaagden voortdurend zijn instituut en dus moest hij het verdedigen. In dit opzicht is het eigenlijk een emancipatoir boek, net als de beambte van de Nederlandsche Bank voor ogen stond. Het zegt: hier ben ik, ik verdien mijn brood met onzin, maar ik zal me teweerstellen tegen een ieder die mijn territorium binnendringt. Een overlevingsstrategie om niet, voor de flauwekul.

Die strategie volgen meer mensen en is daarom voor lezers interessant, maar bij Voskuil speelt volgens mij nog iets. Binnen de Nederlandse context is het een ideaal boek voor teleurgestelde babyboomers. Zij hebben ooit gedacht dat de wereld voor hen open lag en komen zichzelf dertig jaar later tegen als radiopresentator, afdelingschef of minder. Is this all there is? Ja, en het aantrekkelijke van Voskuil is nu dat hij een nog lulligere werkkring beschrijft dan waarin het leeuwendeel van zijn lezers verkeert. Het boek geeft op die manier herkenning, maar ook ironie. De ironie van de ironie wil intussen dat Voskuil zijn boek helemaal niet ironisch heeft bedoeld, het is juist een apologie, wat het komisch effect des te groter maakt.

Ik geef toe, mijn oordeel is gekleurd, omdat ik als ene Blazer in de cyclus figureer.

Blazer staat voor 'blaaskaak' - povere me.

Was ik dat destijds werkelijk? Zeker niet in mijn hart. Toen ik op achtentwintigjarige leeftijd op het Meertensinstituut met Voskuil kennismaakte had ik net ontdekt dat mijn doctorandustitel geen stuiver waard was. Er werd nergens een cultureel antropoloog gevraagd, en zo wel dan pro forma, omdat men een vacature nu eenmaal publiekelijk moest melden maar al over een goede interne kandidaat beschikte. Er restten mij slechts open sollicitaties bij kranten, uitgeverijen en instellingen. Eindresultaat: nul, behalve een uitgeverij die mij tegen een miniem voorschot vroeg een boek over volksgebruiken te schrijven. In armoede heb ik dat voorstel aanvaard.

Mensen met werk beseffen niet hoe mensen zonder werk op hen reageren. Je stapt als werkloze een kantoor binnen, om het even op wat voor tijdstip, en het eerste dat je opvalt is dat nooit iemand echt aan het werken is. Een beambte zit bijvoorbeeld zijn haren te kammen, een ander opent of sluit een raam, weer een ander komt net van de wc af en in de koffiekamer haalt een heel groepje herinneringen op aan een gezamenlijk uitje. Je zou op zo'n moment willen uitroepen: 'Godverdomme, ook jullie vakanties en pensioenen worden al betaald.'

Vervolgens stel je jezelf de vraag: waarom zij wel en ik niet? In het geval van het Meertensinstituut was het antwoord schrijnend, want daar verrichtten neerlandici onderzoek dat logischerwijze door historici en antropologen zou zijn verricht. En als die neerlandici daar nou voortvarend in waren geweest, maar de buitenwacht kreeg zelden iets van hen te horen. Voskuil en de zijnen beseften klaarblijkelijk niet dat een onderzoeksinstituut met resultaten voor de dag moet komen.

Het is geen wonder dat ik de medewerkers ervan benaderde met een stevige chip on my shoulder. Gaandeweg ontdekte ik bovendien dat er een onvervalst protestants sfeertje hing, zoals ik dat nergens nog had aangetroffen. Uit Voskuils cyclus heb ik begrepen dat hij een papenhater is; ikzelf kwam op zijn instituut juist tot de slotsom dat iemand veel beter katholiek dan protestants kan zijn. Katholieken hebben altijd nog hun 'menselijk opzicht', hun gevoel voor reciprociteit en stijl; protestanten hebben alleen hun gedoemde zelf en dat is bitter weinig.

De hardste geluiden die je in het gebouw hoorde kwamen van kopjes die klaar werden gezet en van een koffiezetapparaat dat sissend droogkookte. Iedereen sprak er op gedempte toon, met desondanks een uitstraling van tevredenheid en eenvoud. Maar als je lette op wat er werd gezegd, dan begon je inwendig te janken. In de ogen van alle medewerkers was er niemand ter wereld die voor een cent deugde, behalve zijzelf.

O, die kleinburgerlijke protestantse arrogantie! Zodra ik een generaliserende opmerking maakte was ik 'bevooroordeeld'. Zodra ik uit de ene bron citeerde had ik geen weet van andere bronnen. Zodra ik een voor de hand liggende conclusie trok was ik oppervlakkig. Men had bij het uitspreken van zulke beledigingen niet eens het fatsoen om ze als beledigingen te brengen en mij voluit te affronteren. In plaats daarvan werden ze quasi vertrouwelijk opgedist, alsof ze niet bedoeld waren om mij te raken, zodat ik te laat met een adequate reactie kwam. Ik kreeg op het instituut het gevoel dat men van mij verwachtte dat ik in een krappe doos zou kruipen, waarna men die doos bij het grofvuil kon neerzetten.

Voskuil presenteert zich in zijn cyclus als een slachtoffer van die sfeer, maar hij was er de grote animator van. Hoewel hij de baas was, gedroeg hij zich nog stroever en schichtiger dan zijn medewerkers. Hij was de man die supergeconcentreerd een boek uit de boekenkast pakte terwijl jij binnenkwam, die jou in het voorbijgaan op de trap vluchtig groette, die in de gang met een collega stond te smoezen. Zodra iemand vrijuit lachte was hij echter de eerste die vanachter zijn Remington bekommerd opkeek, en je diende hem met een fikse dosis wereldverwerping te benaderen, wilde hij iets van gemak uitstralen. Dan was hij meteen niet te pruimen. Lurkend aan een pijp of boterhammen etend uit zijn bureaula gedroeg hij zich als een mini-pasja die zijn onderdanen in het ootje nam. Je kon hem alleen volgen als je alle romanhelden naar wie hij verwees kende, maar je had dan uiteraard zijn literaire smaak moeten delen. Ook verbeterde hij zijn gesprekspartners graag, met de vermoeide spot die kinderloze mannen vaker vertonen ('ik verbeter je nu wel, maar veel zin heeft het niet, want in no time zul je opnieuw een fout maken'). Die spot werd wrevelig sarcasme zodra iemand hem een heel klein beetje weerwerk bood.

Al bij de eerste ontmoeting die ik met hem had, liep het mis, zoals ook blijkt uit de beschrijving die hij ervan geeft. Goed, ik zal mij niet van mijn beminnelijkste zijde hebben laten kennen; ik werd terecht boos toen ik van Voskuil niet mijn gang mocht gaan. Zijn instituut verzamelde al een halve eeuw gegevens over volksgebruiken, zonder er ooit iets mee te doen, en toch verbood Voskuil mij toegang tot die gegevens. Mijn argument dat zijn onderzoek met belastinggeld was betaald en geen staatsgeheimen bevatte, vermurwde hem allerminst.

Nee, ik was in zijn ogen slechts stuitend lelijk en ambitieus, noteert hij. Dat is reuze grappig, zullen we maar zeggen, maar als het over lelijkheid gaat: ik zal er als twintiger toch wel beter hebben uitgezien dan een grauwe vijftiger als hij. En waarom zou ambitie afstotend zijn? Ik ben op het moment dat ik dit schrijf ongeveer even oud als Voskuil destijds. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat ik in zijn rol een jongen als ik, die nagenoeg voor nop werkte en toch iets van zijn leven wilde maken, juist behulpzaam was geweest.

Maar Voskuil haatte ambitie, zoals niet alleen uit zijn boek blijkt. Ik heb het eens nagerekend: hij heeft op zijn vakgebied in drie decennia nog geen half deel van zijn zevendelige Bureau-cyclus bij elkaar geschreven. Gemiddeld genomen zat hij op dertien pagina's per jaar, inclusief noten, terwijl hij niet eens een onderwijsverplichting had. Er werd onder zijn supervisie op het instituut ook vrijwel niets anders gedaan dan krantenartikelen uitknippen, fiches invullen en andermans werk afkraken, want dat is iets wat je altijd ziet bij luierikken. Wel, als het Instituut voor Oorlogsdocumentatie op dezelfde manier had geopereerd was er nog geen enkel deel van De Jong verschenen.

Voskuil had er daarom alle belang bij mij klein te maken. Toen mijn boek uitkwam, veroordeelde hij het gretig als ouwe koek, zonder erbij te vertellen dat juist hij ervoor had gezorgd dat ik geen 'nieuwe koek' had kunnen presenteren. Veelbetekend is ook dat hij in zijn cyclus de momenten achterwege laat waarop hij onmiskenbaar kleiner was dan ik. Zo verzwijgt hij dat ik hem eens vreselijk op de kast heb gekregen met een vraag naar het foute oorlogsverleden van de meeste volkskundigen. Onze naoorlogse verzetsheld liet zijn pijp in zijn mond stuiteren en zei stotterend dat hij mij daarover geen inlichtingen wenste te verstrekken. Evenmin vind ik de scène terug waarin ik hem persoonlijk een presentexemplaar van mijn boek overhandigde, omdat degene met wie ik het meest had te maken (John Helsloot) afwezig was. In de koffiekamer nodigde hij mij uit te gaan zitten en voelde zich wonder boven wonder verplicht enkele complimenten over het omslag te stamelen, - mijn grootste triomf over hem, daar dat omslag uitgesproken lelijk was. En waarom beschrijft hij niet, wat ik van diverse getuigen heb gehoord, dat hij tijdens een redactievergadering van het Volkskundig Bulletin mijn boek door de kamer smeet en weigerde het laten bespreken, waartoe hij vervolgens door de redactieraad werd gedwongen?

Ondanks dit alles ben ik niet ontevreden met de rol die mij in Het Bureau wordt toebedeeld. Naar aanleiding van een recensie van mijn boek door Gerrit Jan Zwier in NRC Handelsblad had ik in een ingezonden brief gesteld dat Voskuils instituut in al die jaren dat het bestond niet meer had afgeleverd dan 'enkele nietszeggende kaarten plus een een aantal snoevende essays over trivialiteiten als het midwinterhoornblazen en dorsvlegels'. Tot mijn genoegen lees ik nu in Het Bureau dat de verontwaardiging hierover bij Voskuil en de zijnen groot is geweest en ik heb genoten van kwalificaties als 'vlerk' en 'schreeuwer' die met betrekking tot mij zijn geuit.

Maar na deze passage wordt het in het boek pas echt leuk. Voskuil begint dan aan een verkapte verdediging op mijn aanval. Iemand vraagt hem via de telefoon hoe het met hem gaat en hij antwoordt: 'Druk.' Ik vind dat woord al zo geestig: druk. Als je een paar bladzijden in zijn cyclus gevorderd bent, krijg je vanzelf een negentiende-eeuws levensritme over je. Je leest voortdurend dat mensen hun hand naar een deurklink uitstrekken en een kopje koffie van een schoteltje oplichten en naar hun mond brengen, terwijl in hedendaagse romans wordt gemeld dat iemand door een deur gaat of koffie drinkt, punt uit. Maar op het Meertensinstuut waren die gebaren inderdaad gewoon zichtbaar, vanwege de traagte waarin alles verliep.

Als reden voor die drukte geeft Voskuil op dat hij voor een Zweeds tijdschrift bezig is met een artikel over de geschiedenis van het vak. Dat is weer geestig, want er is geen vak als het zijne dat zo vaak over de eigen geschiedenis heeft geschreven en tegelijk zo weinig geschiedenis heeft gemaakt. Dat artikel was dus al min of meer af. Bovendien, zegt hij, moet hij in het najaar een lezing houden in Aix-en-Provence, waarschijnlijk ook weer over de geschiedenis van het vak. Zijn gesprekspartner voegt daar uit zichzelf aan toe: 'En ik hoor dat je ook een lezing houdt voor de Vereniging van Landbouwgeschiedenis', waarna de man voor Voskuil de conclusie trekt:

'En dan beweert zo'n vlerk dat je niets uitvoert!'

 

(Uit: Heimpijn, ondergrondse aantekeningen, 2005)

 

Zie: http://www.jdfvh.dds.nl/voskuil.html voor andere besprekingen.


--------------------------------------------------------------------------------

 

Hollandse manieren

 

Etiquette in Nederland is een publicitaire aangelegenheid voor de sociologe Beatrijs Ritsema en de Oranjeklant Reinildis van Ditzhuyzen. Dat is geen goede zaak, vind ik. Sociologen moeten altijd alles maar begrijpen - zelfs barbaarse verschijnselen rationaliseren zij nog. En Oranjeklanten kijken graag met de koningin mee van boven naar beneden, alsof zij vanuit een status by association het gewone volk gedragsregels mogen dicteren.

Etiquette zou echter een permanent onderwerp van onderzoek en discussie moeten zijn. Onderzoek! Ik zou bijvoorbeeld weleens willen weten waarom in Nederland, en alleen in Nederland, tot aan de Tweede Feministische Golf de gewoonte bestond dat een man zijn vrouw voorging bij het betreden van een openbare gelegenheid. Overal elders gold het omgekeerde: dat je als man de deur voor een vrouw openhield en na haar naar binnen stapte. Hoe heeft dit verschil kunnen ontstaan? Nederland is altijd volgend geweest in etiquetteregels; op dit punt niet. Heeft dit, ik doe een suggestie, te maken met het feit dat hier al vroeg afdakjes waren die vrouwen bij regen konden beschermen? Of waren de openbare gelegenheden hier doorgaans zo smerig dat mannen eerst moesten uitvissen of het er wel pluis was? 

Over zulke zaken lees je nooit iets, maar ook discussies vinden niet plaats. Iets moet altijd zijn omdat het zo is en daarmee basta. Om toch eens weerwerk te leveren heb ik ooit via een mail bij Beatrijs Ritsema aangekaart dat de wens 'smakelijk eten' technisch gesproken een goede aftrap voor een gezamenlijke maaltijd vormt. Aanleiding was een opmerking van haar in Trouw dat deftige mensen zo'n wens als burgerlijk beschouwen. Ter verklaring voerde ze aan dat in beschaafde kringen iedereen erop mag rekenen dat het eten smakelijk zal zijn, zodat het expliciet uitspreken van de hoop daartoe een belediging behelst voor de vrouw des huizes en/of haar kok.

Kom nou! Zelf heb ik dit gebruik het eerst leren kennen bij stijve protestanten, van wie ik meteen begreep dat zij niet voor hun lol aten. In de jaren zeventig heb ik een deftige katholiek, die op de Nederlandsche Bank was gaan werken, dit uitdrukkelijk zien navolgen. Tijdens etentjes bij hem thuis weigerde hij voortaan het bekende beginsignaal te geven. Omdat wij als disgenoten daar toch op zaten te wachten, verzon hij steeds een andere opwekking: 'Nou jongens, dat ziet er goed uit' of 'Ik ben benieuwd wat de kok nu weer heeft bereid.' Pas daarna begon iedereen smakelijk te eten, zoals de bedoeling was.

Volgens mij zit de zaak als volgt in elkaar. Hoge adel zal bij maaltijden iedere opwekking achterwege hebben gelaten. Misschien fluisterde een enkele livreiknecht zijn heer iets toe, maar waarschijnlijk niet, want dat zou van verregaande gemeenzaamheid hebben getuigd. Calvinisten zullen deze zwijgzaamheid gretig hebben overgenomen. Eeuwenlang dankten zij louter de Heere, Heere alvorens zij zich met tegenzin over hun bord bogen. 

De Napoleontische tijd bracht eindelijk het 'bon appétit' naar Nederland, wat door francofiele landgenoten onmiddellijk zal zijn omarmd. Het liep eigenlijk mis met de vertaling daarvan, die na het vertrek van de Fransen wenselijk werd. Letterlijk betekent bon appétit: 'goede eetlust', maar dat stuitte op een ander taboetje. Hollandse notabelen spreken frank en vrij van 'lusten en lasten' en van 'honden die ergens geen brood van lusten', maar niet van 'ik lust', want dat zou eigen wellust kunnen doen vermoeden. Het alternatief werd 'smakelijk eten', wat echter een stap verder is: in plaats van iemands algehele instelling tot een maaltijd gaat het dan over het smikkelen zelf, over hoe dingen op de tong worden ervaren, en dat facet liet men liever onbesproken. 

In de digitale databank van historische kranten bij de KB kan men niettemin vinden dat 'smakelijk eten' in de negentiende eeuw een bescheiden opmars beleefde. Vooral in vertaalde feuilletons wordt vaak die wens geuit. Aan het eind van de eeuw lezen we ook wat de functie ervan kan zijn. In Het Paleis voor de Volksvlijt ontvangt de Vereeniging tot Vereedeling van het Volksvermaak een massa arme kinderen voor een feestmaal ter gelegenheid van Sinterklaas. Iemand spreekt een woord van welkom en geeft dan de kinderen toestemming tot de aanval over te gaan via een luid: 'Smakelijk eten.' Het verenigingswezen zal inderdaad een wegbereider voor die wens zijn geweest, net als de vele restaurants die in de twintigste eeuw ontstonden. Voor een ober vormen die woorden een ideale stoplap om zich van een tafel af te kunnen wenden, en mijn gedachte is ook dat uit die hoek de oergeestige frase 'Smakelijke voortzetting' stamt, - al kan dat evengoed het verenigingswezen zijn geweest, met zijn door vele speeches onderbroken bestuursmaaltijden.     

Welnu, Beatrijs Ritsema reageerde op mijn inbreng zoals het een sociologe betaamt: iedereen moest zelf weten wat hij deed. Zij weigerde op de subtiele onderliggende regiekwestie in te gaan en wees op de mores hieromtrent in andere landen, met als boodschap dat alles relatief en dus verdedigbaar was, inclusief deze verbreiding van protestants chagrijn, al zei ze dit laatste er niet bij. Aan de Oranjegezinde Van Ditzhuyzen heb ik mijn mening niet eens durven voorleggen, want zij zou ongetwijfeld mijn hele persoon als 'buh' hebben beschouwd, wat zijzelf tot op de draad is.

Ik pleit niettemin voor 'smakelijk eten'. Bij wijn wordt immers ook getoast.

Ik pleit bovendien voor 'aangenaam' bij een kennismaking.

O, ik weet, dit is het allergruwelijkste wat je volgens etiquetteliefhebbers kunt zeggen en ik zal niet ontkennen dat ook ik mijn opinie klaar heb zodra iemand het A-woord laat vallen, maar waarom eigenlijk? In mijn jeugd was er een Duitse tv-serie getiteld Gestatten, mein name ist Cox. Wanneer deze Cox ergens binnenkwam zei hij volgens de ondertitels kortweg: 'Cox, aangenaam'. Mijn vrienden en ik vonden dat ongelofelijk stoer. 'Aangenaam' komt ook overeen met het Amerikaanse 'Nice to meet you', welbeschouwd een perfecte reactie bij een kennismaking. Volgens de Nederlandse boekjes dien je bij zulke gelegenheden echter te vragen: 'Hoe maakt u het?' - zónder dat je daarop een antwoord hoeft te verwachten! Jouw vraag blijft dus in het luchtledige hangen, waardoor je je in een groot gezelschap algauw een Mister Bean, of nog beter: Monsieur Hulot voelt worden.

Het gekke is dat volgens Amy Groskamp-ten Have Nederlanders vroeger wel degelijk 'aangenaam' en zelfs 'aangenaam kennis te maken' zeiden. In haar vooroorlogse bestseller Hoe hoort het eigenlijk? meldt ze dat 'beschaafde personen' deze termen tegenwoordig vermeden als 'zijnde te afgezaagd'. Dat is natuurlijk kletskoek, want iedere etiquetteregel is dat. Ik vermoed dat onderscheidingsdrang de ware drijfveer is geweest dat beschaafde personen iets anders hebben gezocht. 'Aangenaam' was makkelijk aan te leren en klinkt au fond egalitair en eigenwijs. Toen zelfs Jan met de Pet dat zei wanneer hij de elite ontmoette, kon die elite beter iets anders kiezen. Het ligt voor de hand dat zij daarvoor bij haar buitenlandse soortgenoten te rade is gegaan, die tot vandaag allemaal 'Hoe maakt u het?' zeggen (Wie geht's ihnen?, Comment-allez vous?, How do you do?). Logischerwijze vraag je dit echter aan iemand die je reeds kent en van wie je ook weet dat het gepast is om het te vragen, opdat hij, net weduwnaar geworden, niet ineens snikkend in je armen valt.

Dit voert tot de waarschijnlijke bron van deze frase: de jaarlijkse landdag van de adel ten paleize. De meeste aanwezigen kenden elkaar al van kindsbeen en van de koning was het reuze attent als hij bij sommige edelen stilstond en informeerde: 'Hoe maakt u het?' Dit werd vaste prik aan alle Europese hoven. Eeuwenlang kon die vraag ook voldoen, omdat men zelden nieuwe gezichten tegenkwam en zo wel dan moest er terstond een praatje worden aangeknoopt, waartoe die vraag ook opriep. In onze vluchtige maatschappij is dit laatste absoluut de bedoeling niet meer, waardoor het zinnetje volkomen loos klinkt. Uitgesproken door Hollanders, die niet in een echte hofcultuur zijn grootgebracht, is het soms zelfs net alsof zij te kennen geven een ontmoeting met jou als onaangenaam ervaren. Overigens verplicht de volledigheid mij te melden dat jongeren alle voorschriften op dit gebied van zich hebben afgeschud; zij zeggen gewoon dat zij het prettig, leuk of interessant vinden met iemand kennis te maken (mijn pleidooi is dus achterhaald, tant pis).

Met etiquette als laboratorium voor nieuwe regels in plaats van als doorgeefluik voor bestaande regels zouden we eindelijk ook eens iets kunnen ondernemen tegen de beruchte Brabantse Drieklapper. Dolf Kohnstamm heeft dat geprobeerd, zij het zonder succes. Ik meen dat Beatrijs Ritsema en Reinildis van Ditzhuyzen zelfs geen syllabe aan zijn noodkreet hebben gewijd. Sinds het jaar 2005 ongeveer zitten we opgescheept met mannelijke equivalenten van de Brabantse Drieklapper: een complete accolade, zoals in Zuid-Europa gebruikelijk was, of wat ik bij gebrek aan beter de schouderbonk noem: mannen die bij de begroeting hun rechterschouders tegen elkaar bonken. En niemand die hiervan iets zegt! 

Met een actief laboratorium wordt het bovendien mogelijk oude regels af te schaffen, zonder dat ouderen zich permanent geschoffeerd hoeven te voelen. Mij verbaast het bijvoorbeeld dat de omgangsvormen almaar democratischer worden, werkelijk tot op het laatste gaatje. Toch kun je aan heel wat dingen wennen. Ik ervoer het nuchter-bevestigende 'okay' wanneer je bij een ober in een restaurant iets bestelt - volgens mij kennen we dat sinds een jaar of vijf - aanvankelijk als beledigend, maar nu klinkt het me prettig-egalitair in de oren, alsof ik bij hun pact hoor. Ook het 'prima toch' en 'lekker toch' waarmee snotneuzen commentaar op jou leveren, apprecieer ik inmiddels.

En laatst passeerde ik een beeldschoon buurmeisje dat in een bushokje zat te sms-en. Zonder op te kijken zei ze tegen me: 'hoiiii', met aflopende interesse naar het eind. Ik dacht eerst: ze zou ook 'Dag, meneer de Jager' kunnen zeggen. Maar later vond ik haar groet, haar wegwuiving feitelijk, niet ongepast voor iemand van mijn leeftijd. Beatrijs Ritsema zou het met me eens zijn geweest, gelet ook op de begroetingsrituelen bij de Memba's en de Yanomamö. Reinildis van Ditzhuyzen daarentegen zou op haar pumps hebben staan stampvoeten, wat etiquette tot zo'n dolkomisch onderwerp maakt.

 

* Dat het met de manieren in Nederland steeds droeviger is gesteld, zullen weinigen bestrijden. Erg hoeft dat niet te zijn. Afkomstig uit een zuidelijke fabrieksstad ben ik gewend aan een zekere mate van impertinentie. Vloeken bijvoorbeeld fungeerden bij ons als stoplap, zoals noorderlingen 'weet je wel' zeggen, en dat klinkt mij stompzinniger in de oren. Belangrijk is ook om vast te stellen dat Nederlanders ondanks hun gebrek aan manieren niet minder sociaal vaardig zijn geworden. Het omgekeerde is zelfs het geval. Wie zoals ik meer dan een halve eeuw meegaat, weet hoe onbeholpen en stug veel landgenoten vroeger waren. Denk aan Johan Cruyff in zijn jonge jaren, met zijn 'dus' aan het begin en eind van elk gestotterd zinnetje. Om in zijn trant te spreken: hedendaagse voetballers zijn sociaal veel slimmer, ook al zijn ze dommer. Ook de Nederlandse vrouw, zoals dat vroeger nog weleens werd aangeduid, heeft een enorme inhaalslag gemaakt. Ze was altijd al goed in blikken, nu is ze het ook in taal en gedrag. Soms: she doesn't know her ass from a hole in the ground, en toch redt ze zich uit iedere situatie. De Nederlandse vrouw, mogen we stellen, is inmiddels bedrevener dan de Nederlandse man. Niettemin kan bedrevenheid zonder fatsoen vervelend uitpakken. In de streek waar ik momenteel woon word ik regelmatig in winkels uitgefoeterd, omdat ik als klant te brutaal uit mijn doppen kijk, naar ik heb begrepen. In het katholieke zuiden stuit ik in winkels op minder lichtgeraaktheid, maar ook daar is men ver verwijderd van het denkbeeldige kusje dat je in Frankrijk bij binnenkomst van het personeel krijgt opgedrukt: 'Bon-jour'. Nederlanders beleven geen lol aan hoffelijkheid. Complimenteren doen ze niet, tenzij ze een handeltje vermoeden. Bepaald onprettig ook vind ik dat zogenaamd welopgevoede mensen steeds vaker bedankjes achterwege laten wanneer je iets voor hen hebt gedaan. Het niet-bedanken ken ik uit Brabant, dus een protestantse gewoonte is het niet. Bedanken was daar des bedelaars; iemand zweeg als je iets voor hem deed, alsof je slechts zijn rechten als onderhorige erkende. Ik geloof dat je het moderne niet-bedanken vooral in het kader van de nivellering moet interpreteren. Jij mag al blij zijn dat mensen bereid zijn iets van jou te ontvangen, en om jullie egalitaire relatie niet te verstoren doen ze er nadien het zwijgen toe. Het verwarrende aan de huidige tijd is echter dat ik nog een fijnbesnaarde tante heb die al 'dankjewel' zegt wanneer zij mij niets te danken heeft.


--------------------------------------------------------------------------------

 

U en non-U

 

Voor mijn boek over de cultuur van industriële bourgeoisie heb ik een lijstje gemaakt van woorden waarmee een oudere elite - de adel en het patriciaat, samen met hun personeel - zich onderscheidde van gewone mensen. Mijn bronnen hiervoor zijn Oscar van den Boogaard, G.L. van Lennep en Agnies Pauw van Wieldrecht. 

Om niet in het Jort Kelder-syndroom te vervallen zal ik eerst melden wat de meeste mensen zeggen en dan wat de oude elite zegt; ik keer het U en non-U (upperclass en non-upperclass) dus om:  

 

zwaaien - wuiven

naakt - bloot

toilet - wc, double you, loo 

boeket - bos

pilsje - biertje

gezin - familie

koelkast - ijskast

bruiloft - huwelijk

woning - huis

bestek - lepels en vorken, evt. couvert

wagen - auto 

dineren - eten

transpireren - zweten

nerveus - zenuwachtig

trottoir - stoep

mogen - willen

pantalon - broek

kostuum - pak

colbert - jasje

nylons - kousen

snoep - lekkers

bonbon - chocolaadje

buikpijn - maagpijn 

snee kaas - plak kaas

schik - plezier

venster - raam

heet - warm

confituur - jam

kleed - tapijt

ledikant - bed

juwelen - sieraden, bijoux

fauteuil - stoel

meubelen - meubels

dressoir - buffet

fooi - douceurtje

kwaad - boos

'Graag gedaan' - 'Geen dank'

billen - achterwerk

buste - boezem, gemoed

eng - griezelig

kapsel - haar

trek - honger

japon - jurk

mantel - jas

frisdrank - iets zonder alcohol

puinhoop - chaos

met name - vooral

kleuter - klein kind

jeuk - kriebel 

braken - spugen

'welterusten' - 'slaap lekker'

misselijk - onpasselijk

koekje - biskwietje 

bejaard - oud 

parfum - luchtje

momenteel - nu 

visite - bezoek

horloge - klokje

fruit - vruchten

salade - sla

huiskamer/woonkamer - zitkamer/salon

chic - netjes

leuk - aardig

gebakje - taartje

'smakelijk eten' zeggen - niets zeggen

wagen - auto

vliegtuig - vliegmachine

 

De vraag is: zit er systeem in deze onzin? Je ziet al bij de eerste blik dat de oude elite zich liever door Frankrijk dan door Engeland laat beïnvloeden, getuige de voorkeur voor bijoux boven juwelen. Deze neiging is trouwens ook herkenbaar in de uitspraak van Franse leenwoorden, die ik niet in het rijtje heb vermeld. Men prefereert 'restauran' boven restaurant, ingenieur boven 'inchenieur', regie boven 'rechie' en vila boven 'villa'. Vreemd genoeg is de oude elite hierin niet helemaal consequent, want zij spreekt tegelijkertijd van notoor, illusoor en emancipatoor, wat geen Fransman doet. Ik weet het niet, maar ik vermoed dat dit een erfenis is van het kolderieke Franderlands dat de hoogste kringen in de Pruikentijd bezigden.

Bij nadere beschouwing van het lijstje begrijp je ook andere eigenaardigheden. Mensen van stand verblijven niet in een huis- of woonkamer, maar wisselen af tussen hun zitkamer, hun bibliotheek en hun serre. Tevens zullen zij het concept familie, waaraan zij hun status danken, hoger achten dan de nucleaire vorm ervan, het gezin. En natuurlijk bezitten zij geen enkele neiging tot serviliteit, zoals weerklinkt in het huidige televisiecliché: 'Graag gedaan'.

Verder overheersen pudeur en terughoudendheid. De tegenstelling wuiven en zwaaien verheldert in dit opzicht veel. Wuiven is minder uitbundig dan zwaaien en gebeurt met een zwenkende hand op borsthoogte, niet met een arm die boven de schouders uitsteekt. Het Engelse koningshuis groet nog steeds zo, het Nederlandse niet; dat biedt bij dames zelfs een blik op de okselholtes. Je vraagt je af wat onze oude elite daarvan vindt.

Insgelijks laten andere voorkeuren zich verklaren. Bloot is minder bloot dan naakt, warm is minder warm dan heet, spugen is een minder radicale bezigheid dan braken, boos is minder boos dan kwaad en griezelig is minder griezelig dan eng (griezelig kan eng worden). Subtiel zit de tegenstelling aardig en leuk in elkaar, welk laatste woord pas sinds het begin van de twintigste eeuw opgeld doet. Het verschil tussen beide is dat iets op zichzelf aardig kan zijn, maar iets wat als leuk wordt beoordeeld, heeft al een reactie bij de spreker teweeggebracht. Hoogstaande lieden beten nog liever hun tong af dan dat toe te geven.

Deze pudeur en terughoudendheid lijken mij toch wel erg Nederlands. Engelse aristocraten bijvoorbeeld munten juist uit in exclamaties als fabulous, jolly en adorable, ook voor zaken waarvan gewone mensen nauwelijks onder de indruk raken, - en zijzelf uiteraard slechts quasi, om zich op die manier te onderscheiden. Niet voor niets kent Engeland de ontspoorde personificatie van deze tactiek: de upper class twit, die bij ons nagenoeg ontbreekt. Het Nederlandse U-vocabulaire is vooral calvinistisch. Daarom zou het mij niet verbazen als in veel situaties nette protestanten precies dezelfde woorden bezigden.

Wat de oude elite wel uniek maakt is dat zij rond 1900 de klok voor zichzelf lijkt te hebben stilgezet. De opkomst van het fabrieksmatige biskwietje nam zij nog net mee en ook de start van de auto-industrie bezag zij met voldoening, al hield zij het op de Franse uitspraak voor auto (oto). Maar andere nieuwe woorden werden niet meer overgenomen, zelfs als het totaal nieuwe producten betrof. Pils, bonbons en gebakjes stammen van net voor of na de vorige eeuwwisseling; de oude elite volhardde in traditionele aanduidingen, wat in het geval van 'chocolaadje' overigens wel een schamele weergave van de werkelijkheid oplevert (of verwarren mijn informanten bonbons met pralines?). 

Gewenning speelde hierbij zeker een rol. Als iemand van oudsher een 'klokje' in zijn vestzak heeft zitten, dan zal hij die term makkelijk overdragen naar het moderne polshorloge. Als iemand eerst een ijskast bezit, dat wil zeggen: een kast met een heuse staaf ijs erin, dan zal hij die term algauw handhaven wanneer de elektrische koelkast haar intrede doet. Hetzelfde geldt voor wc en toilet - de eerste toilet die in huizen verscheen heette nu eenmaal wc (watercloset).  

Maar omgekeerd snobisme deed zich ook voor. Deftige woorden die winkeliers ter promotie van hun artikelen aan het Engels en het Frans ontleenden, tot aan fruit en chic toe, werden allemaal afgewezen. De schrijfster Ileen Montijn, zelf van notabele komaf, zegt in dit verband dat 'vooral pogingen om het goed te doen' genadeloos werden afgestraft. Dat bleef kennelijk lang de leidraad, want dameskousen werden nooit nylons, een televisie nooit een tv en een vliegmachine geen vliegtuig, hoewel vliegtuig veel mooier klinkt.

In plaats van actieve distinctiedrang, moeten we concluderen, was er dus sprake van passieve distinctiedrang, zoals ook tot uiting komt in de gewoonte van sommige rijken om in afgetrapte auto's rond te blijven rijden. Conspicious non-consumption. Men beperkte zich eenvoudig tot het motto van Bloem: 'Elke verandering is een verslechtering, ook een verbetering.' Ik vermoed dat deze opstelling niet zozeer gericht was tegen industriëlen alswel tegen winkeliers, speciaal uit de kledingbranche, die ook de eerste middenstanders zijn geweest die heuse villa's konden betrekken (na hen kwamen de slagers). Door simpelweg al hun reclametermen te negeren, kreeg de oude elite automatisch de beschikking over een uitgebreide collectie valkuilen voor upstarts. 

Verbazen blijft het spraakgebruik van de oude elite desondanks wel. Volgens G.L. van Lennep was eenvoud de crux ervan, maar dat is niet zo. Een barones vroeg mij ooit of ik al vue had gehad op de prijzentafel van het bridgetoernooi waaraan zij en ik meededen. Nee, maar ik had er wel een blik op geworpen. Tegelijkertijd leert het lijstje dat de wens 'welterusten' als ongepast werd beschouwd; in plaats daarvan zei men: 'slaap lekker'. Maar 'lekker', is dat niet een beetje te direct? Wie weleens aristocraten heeft ontmoet, weet dat zij over lichaamsfuncties inderdaad openlijk praten. Zelfs het woord pissen is niet ongebruikelijk, al komt  dat oorspronkelijk van het Franse pisser, waarop het befaamde pipi (en het Engelse pee) is gebaseerd. Pissen is pas ordinair geworden toen het gewone volk dat van de elite overnam, behalve voor die elite zelf - men ziet de jojotruc die hierachter zit.

Hetzelfde geldt voor een begrip als burgerlijk. Iedereen gebruikt dat, behalve de oude elite, want zij kent naast zichzelf slechts één andere categorie: gewoon volk. Zelf zou ik het woord burgerlijk echter niet willen missen, want ook aristocraten zijn het dikwijls, en zelfs kleinburgerlijk.

Inmiddels, begrijp ik, is er op dit vlak toch enige nivellering opgetreden. Zo heeft 'leuk' eveneens een plekje veroverd binnen het adelsdialect, en wel sinds 1935, voegt Agnies Pauw van Wieldrecht er schattig aan toe (hoewel zij 'schattig' ten strengste afkeurt). Ook zal de oude elite onderhand wel ontdekt hebben dat niet iedereen in een huis woont, dat het begrip venster meer omvat dan een raam en dat een tapijt meestal gefixeerd op een vloer ligt en een kleed los, bijvoorbeeld óp het tapijt.

Andere termen daarentegen hebben als middel tot ontmaskering glorieus de tand des tijds doorstaan. Sterker nog, zij zijn juist over de industriële bourgeoisie verspreid geraakt, ook weer om lieden met minder status te betrappen. Deze groepering was aanvankelijk zuivere nouveau riche, zoals de adel en het patriciaat dat op hun beurt ooit zijn geweest. Maar na twee, drie generaties had zij voor zichzelf een categorische naam bedacht: Ons Soort Mensen ('OSM'), iets wat de oude elite nooit nodig heeft gehad, omdat zij uitsluitend in eigen kring verkeerde. Na weer twee, drie generaties begon niettemin een versmelting van deze groepering met de oude elite en dat werd na de laatste wereldoorlog: Oud Geld, een typisch Amerikaanse notie, afkomstig uit een samenleving die nooit adel heeft gekend. Nederlandse edellieden zullen ook wel even hebben moeten slikken vanwege deze aanduiding, want zij spraken nooit over geld om de eenvoudige reden dat ze het niet hadden; hun rijkdom zat in onroerend goed.

Tegenover Oud Geld kwam nu te staan: Nieuw Geld. Maar tussen beide categorieën bivakkeren lieden van allerlei slag die dolgraag bij Oud Geld geschaard zouden worden en toch, als ze de keuze hadden gehad, liever nouveau riche zouden zijn - volgens mij zijn zij het momenteel die spreken van 'OSM'. Op feestjes in Het Gooi heb ik regelmatig beluisterd hoe zij, vooral jonge moeders, elkaar rijtjes voorhielden van wat U en Non-U was, inclusief gespeelde huiver bij 'kostuum' en 'japon'. 

Ik moet zeggen, er gaat ook iets infecterends van deze woordenschat uit. De grootste sufferd kan zich heel wat voelen door zich ermee te tooien. Wat mijzelf betreft, ik prijs ik me wel gelukkig met het feit dat ik in mijn jeugd tenminste naast mensen heb gewoond die al een ijskast bezaten toen mijn ouders nog over een koelkast droomden. Maar verder weet ik dat echte klasse van alle standen is; iemand die anderen op zulke onbenuligheden beoordeelt hoort daar zeker niet bij. Ik herken alleen de initiële melancholie die de oude elite bij nieuwigheden tot afwijzing heeft verleid. Sinds kort wensen presentatoren van het Acht Uur-journaal ter afsluiting de kijkers een 'fijne avond' toe, in plaats van een goede of prettige avond. Een fijne avond - mijn gelispelde reactie is steevast: 'Bemoei je alsjeblieft niet met mij.' 

 

Dhr J. de S. te H. meldde mij dat 'inchenieur' en 'rechie' Brabants is, overeenkomstig de Vlaamse gewoonte om Franse leenwoorden te vernederlandsen. Dat zou betekenen dat Brabanders inmiddels een grote invloed op onze taal hebben, want je kunt die uitspraak tegenwoordig overal in Nederland beluisteren. Ik wist wèl dat Brabanders consequent spreken van 'konichin' i.p.v. koningin. Heel vreemd; kunnen zij eindelijk een woord met een zachte gee uitspreken, doen zij het niet. Een hypercorrectie? Het is jammer dat neerlandici zo weinig over dit soort zaken schrijven. Wat mij in het verlengde hiervan bijvoorbeeld frappeert, en telkens vrolijk stemt wanneer ik het hoor, is dat Brabanders zodra ze Engels spreken niet meer Brabants klinken maar het vertrouwde steenkolengeluid produceren. Hoe kan dat in vredesnaam? Als Fransen Engels spreken klinken ze juist super Frans. Italianen, Duitsers idem dito, maar Brabanders niet, alsof het Brabants dialect een hoed is die je af kunt zetten.

 

--------------------------------------------------------------------   

 

Het Kaks (in duplo)

 

Toen ik nog beneden de rivieren woonde sprak iedereen in mijn omgeving min of meer met een zelfde stem. Van de bakker tot de advocaat, van de fabrieksarbeider tot de priester - je hoorde slechts graduele variaties op het plaatselijk dialect. Zelfs niet-katholieken hielden zich daaraan. Zo verkoos Jan Fentener van Vlissingen van de Vlisco zwaar Helmonds (‘ik daagt da gullie van hier waart'), terwijl ir. Frits Philips uit Eindhoven het Algemeen Beschaafd Brabants volgde. Inmiddels weet ik dat het in Noord en Oost-Nederland precies zo was gesteld; ook landjonkers vertolkten er het geluid van de streek. We zien hier de oude standenmaatschappij in werking: de onderlinge verschillen waren evident maar hoefden niet benadrukt te worden door een aparte spraak.

Na mijn verhuizing naar de Randstad ontdekte ik mensen die beslist anders dan hun omgeving klonken: kakkers. Economisch waren zij meestal goedgesitueerd en dat wilden zij blijkbaar laten weten via een ABN-plus; door de taalkundige Jan Stroop fraai Bovennederlands gedoopt. Ik dacht eerst dat het een soort Queen's English was, de uitdrukking van een heuse klassenmaatschappij, maar al snel ontdekte ik dat lang niet alle leden van de elite zo spraken. Mijn indruk was dat vooral liberalen en protestanten ertoe genegen waren. Je had wel noordelijke katholieken, zoals Joseph Luns en Norbert Schmelzer, die het deden, maar zij vormden een kleine minderheid.

Bij mijn schoonouders, deftige katholieken uit Amsterdam, kreeg ik gelegenheid het fenomeen nader te bestuderen. Zijzelf hadden een uitgesproken afkeer van het Kaks, maar ontvingen regelmatig gasten die er aanhangers van waren. Een van hen heette Andre Batenburg, president-directeur van de Algemene Bank Nederland. Het taaltje dat hij wrochtte was beslist niet conform de bekende afkorting van zijn bank. Het klonk bijna grotesk. Bij zijn r's gorgelde hij in doodsnood, bij zijn g's schraapte hij met een schop over een stoeptegel; een simpel woord als 'voor'kwam eruit als veur en wanneer hij het had over kannissen moest je ineens nadenken. Mijn schoonouders reageerden nogal ironisch op deze show. Ze vertelden mij dat Batenburg van zeer eenvoudige Rotterdamse huize was en vonden het van weinig authenticiteit getuigen dat hij zijn plat-Rotterdams in een keer had ingeruild voor het Kaks. Als hij op ABN was overgestapt hadden ze dat begrepen; zelfs standaardnederlands met behoud van accent was acceptabel geweest. Hoewel ik toen allerminst een kakdeskundige was kon ik zien dat ook zijn presentatie nog niet helemaal deugde. In plaats van met een zuinig konijnenmondje te spreken, zoals gedistingeerde lieden doen, sprak hij met een druk bewegende kikkermond.

Batenburg was een geval van mimicry, denk ik. Je hebt mensen die moeiteloos andermans taal overnemen en dat zal bij hem het geval zijn geweest. Ik ontmoette via mijn schoonouders ook Nout Wellink, president van de Nederlandsche Bank. Hij kwam uit Bredevoort nabij Winterswijk en kon op het laatst flink gorgelen. Hij bezat ook meer dan Batenburg het poids van een aristocraat. Maar elke keer als hij ‘bankeh' zei, hoorde je in de verte de hele Achterhoek gillen: ‘Høkeh'

Waar komt het rechtse Kaks eigenlijk vandaan? Ongetwijfeld hebben snobs in alle eeuwen hun taal als wapen ingezet, maar het zou mij niet verbazen als er pas sprake is van een gezamenlijk dialect sinds de industriële revolutie. Een nieuwe stand van fabrikanten, bankiers en academici diende zich toen aan, die aanvankelijk weinig had om zich mee te onderscheiden. Volgens Jan Stroop is ook het Bovennederlands een hypercorrectie op volkstaal, niet op het ABN, en wie anders dan homines novi zouden daaraan behoefte hebben gehad?

Het woord kak is pas na de Tweede Wereldoorlog gemeengoed geworden, maar ‘geaffecteerd' in onze betekenis was eind negentiende eeuw al een veelgebruikte kwalificatie in kranten. Met name toneelspelers, nog zo'n categorie met een kwetsbaar zelfbesef, kregen het opgedrukt. Ik vermoed dat een van de eerste algemeen bekende kakkers de schrijver Louis Couperus is geweest. Tijdens lezingen gaf hij met een hoge falsetstem een super-Haegs ten beste, dat veel luisteraars dusdanig frappeerde dat zij nauwelijks op de inhoud letten. Couperus was eens, in 1923, op Sumatra. Hijzelf was van Indische komaf, en van Nederlandse kolonialen is bekend dat zij als het om caque gaat de top van de berg bezet hielden, maar toch luidde de algemene klacht dat de schrijver te geaffecteerd sprak.

We mogen aannemen dat deze distinctiedrang verminderde naarmate de nieuwe standen aan zelfbewustzijn wonnen. Het ABN werd voor de meeste mensen de norm. Alleen enkele oude fabrikantenfamilies vergroeiden met de adel en het patriciaat en namen ook hun zogenaamde adelsdialect over. Dat bezat weliswaar een eigen vocabulaire, maar bekakt klonk het niet; het was vooral gereserveerd.

Mijns inziens waren kakkers in de woelige jaren zestig ook al danig op hun retour. Op sociëteit Minerva werden ze nog met zorg gekweekt en het bank- en het verzekeringswezen fungeerde van oudsher als hun reservaat, maar verder verdwenen ze uit de openbaarheid. Op radio en tv kreeg je het Kaks alleen nog voorgeschoteld in parodievorm.

Dat het met dit genus slechts was gesteld bleek ook uit de verschijning van de pseudo-kakker, die alleen tot bloei kon komen dankzij de afwezigheid van de ware kakker. De reclame- en consulentenwereld is de grootleverancier van deze categorie: precieuze mannen met een dichtgeknoopte cameljas, die niet liepen maar trippelden en als eersten typische vrouwenwoorden bezigden als vriendje, snoezig, schattig en enig. Ook veronderstelde verbeteringen van het Nederlands (juno, julij en zeuven) komen volgens mij bij hen vandaan. Hun gezamenlijk icoon lijkt me de beroemde schijver Adriaan van Dis, die als indische jongen overschakelde op een pseudo-kaks dat wordt uitgesproken met getuite dameslippen. Ik durf de stelling aan dat als hij een normale kakker uit Oud-Zuid was geweest, hij door de kritiek zou zijn doodgezwegen en bij geen enkele omroep, laat staan de VPRO, een kans had gekregen, hoe goed hij ook schrijft.

Zo zag het ernaar uit dat het Bovennederlands als vanzelf aan zijn eind zou komen. Maar groot was mijn verbazing toen ineens bleek dat Beatrix, staatshoofd sinds 1981, er zich een fervent volgelinge van toonde. Koningin Juliana sprak een geëxalteerd maar niet geaffecteerd Nederlands en bij haar dochter was het precies andersom. Het enige wat Beatrix van meer Gooise kakkers onderscheidt is dat zij net als haar Leidse zwager Pieter van Vollenhoven met roerloze wangen en afgeknepen stembanden spreekt - de bekende hete aardappel klinkt ronder, alcoholischer.

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Voor een antwoord moeten we waarschijnlijk terug naar de jaren zeventig van de vorige eeuw, mijn studententijd. Nogal verrassend ontstond toen een linkse vorm van Kaks. Hoewel netjes opgevoed gingen veel van mijn leeftijdgenoten zich van de ene op de andere dag als arbeiders uitdrukken. Met gebogen hoofd en schouders, alsof ze permanent een sjekkie aan het rollen waren, hadden ze het over fraauwen in plaats van vrouwen, ai in plaats van ei en llulllig in plaats van lullig. Hun hypercorrectie was niet gericht op volkstaal maar op de taal van hun ouders, het ABN. Weliswaar spraken zij zachter dan rechtse kakkers, zelfs binnensmonds, maar toch klonk het even gemaakt. In pretenties gingen zij zelfs nog verder. Zij wilden de buitenwereld laten geloven dat zij een betere mensensoort vertegenwoordigden.

Deze omslag in taaloriëntatie laat zich perfect illustreren aan de hand van twee Nederlandse schrijvers die vanuit de provincie naar Amsterdam kwamen. Adri van der Heijden (1951) groeide op in een volksbuurt in Geldrop, waar, zo weet ik, een dialect werd gesproken dat in Woensel-West al niet meer werd begrepen. Eenmaal in de hoofdstad koos hij als lingua franca onomwonden voor het ABN. Martin Bril (1959) arriveerde enkele jaren later. Opgegroeid in hartje Drenthe kampte hij met hetzelfde probleem maar hij koos uitdrukkelijk voor het Jordanees. In het ene geval werd dus een Brabo een Nederlander, in het andere een Drentse heikneuter een Amsterdamse heikneuter.

Mijn veronderstelling is nu dat Beatrix zich gedwongen voelde het linkse Kak tegengas te bieden met rechtse Kak. Het arbeideristisch geluid verminderde weliswaar bij mijn leeftijdgenoten, maar cabaretier Paul de Leeuw droeg de fakkel geanimeerd verder via hits als Blaai baai maai. Jan Stroop ontdekte bovendien dat jonge stadse vrouwen er een handje van hadden stoer plat te praten; hij noemde dat Poldernederlands. Een belangrijke ijkdatum hiervoor was 4 mei 1997. In de Nieuwe Kerk mocht de jeugdige zangeres Trijntje Oosterhuis de vaderlandse elite toespreken tijdens de nationale dodenherdenking. Waarom haar die eer werd gegund begreep niemand, omdat ze slechts een enkel matig plaatje had uitgebracht, maar ze was een dochter van de dichter Huub Oosterhuis, goeie vriend van Beatrix en Claus, en zo gaan die dingen. Trijntje stond op de middeleeuwse preekstoel en sprak onder het baldakijn de historische woorden: ‘De verleiden taaid van vreide is aurlog.'

Beatrix zal zich zijn rot geschrokken en vermoedelijk besloot zij ter plekke om nog bekakter te spreken, wat ikzelf ook zou hebben gedaan. Gaandeweg kreeg zij hiervoor nog een extra reden. De zonen van haar èn van prinses Margriet huwden allemaal met burgermeisjes. Poldernederlands spraken die meisjes niet, maar je hoeft in hun families niet lang te grasduinen om te stuiten op dronken taxichauffeurs, gewelddadige cafetariahouders en frauderende uitkeringstrekkers. Om die band definitief door te snijden propageerde Beatrix het opper-Leids van zwager Pieter van Vollenhoven.

Hoe zal het nu verdergaan? Jan Stroop is zeker van zijn zaak. Hij vermoedt dat het Poldernederlands het gaat winnen van het ABN en stelt daar Beatrix voor verantwoordelijk. Vanwege haar keuze voor het rechtse Kaks kiezen volgens hem veel jonge vrouwen expres voor het linkse Kaks, wat allebei ten koste van het ABN gaat.

Ikzelf weet het nog niet. Een van de fanatiekste polderaarsters van dit moment is Hella Hueck van RTL-Z. Zij praat alsof Erasmus' winden des buycks' alle kanten opvliegen; werkelijk verontrustend, als je er op let. Omdat ze tijdens live-reportages ook nog haar gezicht heen en weer laat zwenken, kun je niet eens bij haar liplezen. Het kan bijna niet anders of zij krijgt hier zelf ooit genoeg van, ofwel haar bazen.

Aan de andere kant, ik verwoord een indruk, is de toon van rechtse kakkers tegenwoordig gematigder dan vroeger. Een Andre Batenburg ben ik al tijden niet meer tegengekomen. Een neerlandicus heeft ook vastgesteld dat Beaxtrix tijdens haar troonredes van de afgelopen dertig jaar steeds minder geaffecteerd is gaan spreken. Zij zou nu de ‘r' aan het eind van een woord een beetje met rust laten. Haar zoon Willem Alexander klinkt alweer natuurlijker en een voordeel van Maximà in dit verband is dat zij het Nederlands nauwelijks beheerst, laat staan het Kaks. 

Dit zijn al twee bewegingen. Daarnaast is het zo dat dankzij de televisie er in Nederland nog nooit zoveel ABN-sprekers zijn geweest als nu. Streektalen staan in de belangstelling, dat is waar, maar ze worden minder vaak gesproken en vlakken tegelijkertijd enorm af. Het zou tegenwoordig ondenkbaar zijn dat een directeur van de Vlisco zijn zakenrelaties ontvangt met de woorden: 'Ik daagt da gullie van hier waart.' En het Algemeen Beschaafd Brabants van Frits Philips is inmiddels niet meer dan een tongval, die met het jaar lichter wordt.

Zoals Harry Mulisch ooit zei: Alles streeft naar het Ene.

 

Poldernederlands van Jan Stroop is digitaal beschikbaar via: http://www.dbnl.org 

P.S. Ben ik de enige, of zijn er meer mensen die neerlandici vervelende lui vinden? Toegegeven, hun gezeur over germanismen en anglicismen behoort tot het verleden en ook hoor je hen minder over spellingsvereenvoudigingen die het democratisch gehalte van onze maatschappij zouden verhogen. Daar staat tegenover dat zij conform de huidige multiculti-spirit pleidooien houden om het hele idee van taalfouten af te schaffen en het lidwoord 'het' te laten vervallen, omdat mensen van Turkse en Marokkaanse komaf 'het'  - correctie: de - niet kennen. Ook wedijveren zij met elkaar in boekjes over SMS-lingo en Suri-Nederlands. Maar ik zou juist willen weten hoe het zit met de verbreiding van het ABN, dat door hen politiek correct is omgedoopt tot AN. Een halve eeuw geleden kon iemand uit de Randstad driekwart van de Brabanders en Limburgers nauwelijks volgen; nu is dat nog sporadisch het geval. Ook Vlamingen klinken steeds minder Vlaams, al is hun binnensmonds gemompel, alsof hun directeur meeluistert, hardnekkig. En van Friezen die je ontmoet kun je al bijna niet meer voorstellen dat ze onderling Fries bezigen. Helemaal sterk is dat veel kinderen van allochtone ouders supervlot ABN babbelen, inclusief het hedendaagse egalitaire idioom, zoals 'boeieh', 'okay' en 'dùh'. Het lijkt wel alsof zij neerlandici willen pesten die liever kreupele straattaal bestuderen.

Naschrift mei 2012. Hoe snel kan het gaan! Volgens mij is het Poldernederlands alweer op zijn retour. Ik hoor althans steeds meer jonge vrouwen normaal Nederlands praten; zelfs Hella Hueck doet inmiddels haar best. Dit zou niet alleen goed zijn voor onze taal, ook voor Nederland. We hebben de laatste vijftig jaar de ophemeling meegemaakt van achtereenvolgens arbeiders, vrouwen en allochtonen. Zolang het de bedoeling was die groepen hun rechtmatige plaats in de samenleving te bezorgen, was dat prima, maar er zat ook de suggestie achter dat zij moreel superieur waren. Vandaar de cultivatie van een eigen taal. En dat is dus tot staan gekomen. Als signaal voor de neergang van het Poldernederlands en andere groepsdialecten zie ik ook de mode om platpraters juist nadrukkelijk in beeld te brengen, zoals bij het RTL-programma Oh Oh Cherso is gebeurd, waarvan de Haagse hoofdpersonen tot nationale bekendheden zijn uitgegroeid. Ook Britt Dekker uit Purmerend dankt haar landelijke succes aan haar spraak (F*cking vet!!!). Wat zij en haar collega's niet door hebben is dat zij voor het grote publiek als model dienen voor hoe het nìet hoort, nogal pijnlijk voor henzelf, maar ironische normverbreiding is effectiever dan autoritaire.       


terug naar boven